Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2014:3533
2014-12-05
Civiel recht; Personen- en familierecht
14/04417
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2014:3533 → ECLI:NL:GHLEE:2011:BU6896
- conclusie ECLI:NL:HR:2014:3533 → ECLI:NL:PHR:2014:2278 gevolgd
Inhoudsindicatie
Cassatie in het belang der wet. Procesrecht. Kinderalimentatie. Verzet art. 223 Rv (verzoek tot voorlopige voorziening voor duur van het geding) zich tegen overeenkomstige toepassing in verzoekschriftprocedure? Tijdstip indiening en behandeling verzoek; HR 2 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8176, NJ 2012/158. Is tussentijds hoger beroep of cassatie mogelijk tegen beschikking omtrent verzoek tot voorlopige voorziening?
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2012:BU8176 Hoge Raad 02-03-2012
Geciteerd door (232)
- ECLI:NL:RBAMS:2026:8231 Rechtbank Amsterdam 07-08-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7778 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-07-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7455 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-07-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7145 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-07-2026
- ECLI:NL:RBLIM:2026:6693 Rechtbank Limburg 01-07-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6894 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-06-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6633 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-06-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:4031 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18-06-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6570 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-06-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6575 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-06-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6434 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-06-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:585 Parket bij de Hoge Raad 12-06-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6309 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12-06-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:584 Parket bij de Hoge Raad 12-06-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:5547 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12-06-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:5926 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 02-06-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:4909 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 01-06-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:5707 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-05-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1746 Gerechtshof Den Haag 19-05-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:5216 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-05-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:4983 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-05-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:3957 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30-04-2026
- ECLI:NL:RBAMS:2026:4203 Rechtbank Amsterdam 29-04-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:4486 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22-04-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:4389 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-04-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:4103 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13-04-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:4091 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13-04-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:3992 Rechtbank Noord-Holland 13-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:11580 Rechtbank Den Haag 01-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:11383 Rechtbank Den Haag 31-03-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:3531 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30-03-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:3429 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27-03-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:1760 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24-03-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:3224 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9756 Rechtbank Den Haag 17-03-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:2922 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12-03-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:2919 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-03-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:2827 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-03-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:2831 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:7673 Rechtbank Den Haag 03-03-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:2680 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:6998 Rechtbank Den Haag 26-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:6971 Rechtbank Den Haag 26-02-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:2828 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-02-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:2830 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-02-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:2213 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:6083 Rechtbank Den Haag 18-02-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:819 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-02-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:1841 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-02-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:1746 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-02-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:1637 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-02-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:1602 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 06-02-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:671 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 02-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:4034 Rechtbank Den Haag 29-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:3884 Rechtbank Den Haag 27-01-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:371 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:2666 Rechtbank Den Haag 13-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:2215 Rechtbank Den Haag 07-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:2288 Rechtbank Den Haag 06-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:27021 Rechtbank Den Haag 23-12-2025
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.984 tekens)
5 december 2014
Eerste Kamer
14/04417
EE/JG
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
Op een vordering tot cassatie in het belang der wet, ingesteld door de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden en gericht tegen de beschikking van het gerechtshof Leeuwarden van 1 december 2011, zaaknummer 200.095.633/01.
Partijen worden aangeduid als de man en de vrouw.
1Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak 83527/FA RK 10-3406 van de rechtbank Assen van 1 juni 2011;
b. de beschikking in de zaak 200.095.633/01 van het gerechtshof Leeuwarden van 1 december 2011.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2Het geding in cassatie
Tegen de beschikking heeft de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad beroep in cassatie in het belang der wet ingesteld. De voordracht tot cassatie van de Procureur-Generaal is aan dit arrest gehecht.
De vordering van de Procureur-Generaal strekt ertoe dat de Hoge Raad de bestreden beschikking in het belang der wet zal vernietigen en zal verstaan dat de vernietiging geen nadeel zal toebrengen aan de rechten door partijen verkregen.
3Beoordeling van het middel
3.1
Bij beschikking van het gerechtshof te Leeuwarden van 25 mei 2010 is de man veroordeeld tot betaling van een bijdrage in het levensonderhoud van de minderjarige dochter van partijen. De man heeft de rechtbank wijziging van deze beschikking verzocht, welk verzoek de rechtbank heeft afgewezen. Tegen deze afwijzing heeft de man hoger beroep ingesteld. In dit hoger beroep heeft hij, met een beroep op art. 223 Rv, verzocht om bij wege van voorlopige voorziening de beschikking van 25 mei 2010 te schorsen.
3.2
Het hof heeft dit verzoek afgewezen op de grond dat voor het treffen van een voorlopige voorziening geen plaats is in de verzoekschriftprocedure. Art. 223 Rv is alleen geschreven voor de dagvaardingsprocedure en een vergelijkbare bepaling ontbreekt voor de verzoekschrift-procedure. Daaruit moet volgens het hof worden afgeleid dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest dat in een verzoekschriftprocedure een voorlopige voorziening kan worden verzocht.
3.3
De Procureur-Generaal voert aan dat de beslissing van het hof onjuist is omdat art. 223 Rv zich leent voor overeenkomstige toepassing in de verzoekschriftprocedure.
3.4
Deze klacht is terecht voorgesteld. De wet en de aard van de verzoekschriftprocedure zoals geregeld in art. 261 e.v. Rv verzetten zich niet tegen overeenkomstige toepassing van art. 223 Rv op verzoekschriftprocedures. Er zijn geen aanwijzingen dat de wetgever, door alleen in zaken van echtscheiding en scheiding van tafel en bed voorlopige voorzieningen wettelijk te regelen (art. 821-826 Rv), daarbuiten de mogelijkheid van een voorlopige voorziening in de verzoekschriftprocedure heeft willen uitsluiten. Derhalve kan ook in andere gevallen in een verzoekschriftprocedure een incidenteel verzoek gedaan worden tot het treffen van een voorlopige voorziening voor de duur van het geding, overeenkomstig hetgeen art. 223 Rv bepaalt voor dagvaardingsprocedure.
3.5
Het verzoek om een voorlopige voorziening kan worden gedaan bij verzoek- of verweerschrift in de hoofdzaak of bij een afzonderlijk incidenteel verzoekschrift. Het is in beginsel aan de rechter overgelaten of hij, gelet op de inhoud van het verzoek, de belangen van partijen en het belang van een doelmatige en voortvarende procesvoering, het verzoek aanstonds behandelt en beslist (vgl. HR 2 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8176, NJ 2012/158). Het ligt voor de hand dat indien een spoedeisend belang bestaat bij een voorlopige voorziening, op het verzoek daartoe in de regel eerst en vooraf wordt beslist.
3.6
Overeenkomstig de art. 337 lid 1 en 401a lid 1 Rv kan van beschikkingen waarbij een voorlopige voorziening wordt getroffen of geweigerd, in afwijking van de hoofdregel van art. 358 lid 1 Rv, hoger beroep onderscheidenlijk cassatieberoep worden ingesteld voordat de eindbeschikking wordt gewezen.
4Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt, in het belang der wet, de beschikking van het gerechtshof Leeuwarden van 1 december 2011;
verstaat dat deze beslissing geen nadeel toebrengt aan de rechten door partijen verkregen.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp en G. Snijders en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 5 december 2014.
Eerste Kamer
14/04417
EE/JG
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
Op een vordering tot cassatie in het belang der wet, ingesteld door de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden en gericht tegen de beschikking van het gerechtshof Leeuwarden van 1 december 2011, zaaknummer 200.095.633/01.
Partijen worden aangeduid als de man en de vrouw.
1Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak 83527/FA RK 10-3406 van de rechtbank Assen van 1 juni 2011;
b. de beschikking in de zaak 200.095.633/01 van het gerechtshof Leeuwarden van 1 december 2011.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2Het geding in cassatie
Tegen de beschikking heeft de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad beroep in cassatie in het belang der wet ingesteld. De voordracht tot cassatie van de Procureur-Generaal is aan dit arrest gehecht.
De vordering van de Procureur-Generaal strekt ertoe dat de Hoge Raad de bestreden beschikking in het belang der wet zal vernietigen en zal verstaan dat de vernietiging geen nadeel zal toebrengen aan de rechten door partijen verkregen.
3Beoordeling van het middel
3.1
Bij beschikking van het gerechtshof te Leeuwarden van 25 mei 2010 is de man veroordeeld tot betaling van een bijdrage in het levensonderhoud van de minderjarige dochter van partijen. De man heeft de rechtbank wijziging van deze beschikking verzocht, welk verzoek de rechtbank heeft afgewezen. Tegen deze afwijzing heeft de man hoger beroep ingesteld. In dit hoger beroep heeft hij, met een beroep op art. 223 Rv, verzocht om bij wege van voorlopige voorziening de beschikking van 25 mei 2010 te schorsen.
3.2
Het hof heeft dit verzoek afgewezen op de grond dat voor het treffen van een voorlopige voorziening geen plaats is in de verzoekschriftprocedure. Art. 223 Rv is alleen geschreven voor de dagvaardingsprocedure en een vergelijkbare bepaling ontbreekt voor de verzoekschrift-procedure. Daaruit moet volgens het hof worden afgeleid dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest dat in een verzoekschriftprocedure een voorlopige voorziening kan worden verzocht.
3.3
De Procureur-Generaal voert aan dat de beslissing van het hof onjuist is omdat art. 223 Rv zich leent voor overeenkomstige toepassing in de verzoekschriftprocedure.
3.4
Deze klacht is terecht voorgesteld. De wet en de aard van de verzoekschriftprocedure zoals geregeld in art. 261 e.v. Rv verzetten zich niet tegen overeenkomstige toepassing van art. 223 Rv op verzoekschriftprocedures. Er zijn geen aanwijzingen dat de wetgever, door alleen in zaken van echtscheiding en scheiding van tafel en bed voorlopige voorzieningen wettelijk te regelen (art. 821-826 Rv), daarbuiten de mogelijkheid van een voorlopige voorziening in de verzoekschriftprocedure heeft willen uitsluiten. Derhalve kan ook in andere gevallen in een verzoekschriftprocedure een incidenteel verzoek gedaan worden tot het treffen van een voorlopige voorziening voor de duur van het geding, overeenkomstig hetgeen art. 223 Rv bepaalt voor dagvaardingsprocedure.
3.5
Het verzoek om een voorlopige voorziening kan worden gedaan bij verzoek- of verweerschrift in de hoofdzaak of bij een afzonderlijk incidenteel verzoekschrift. Het is in beginsel aan de rechter overgelaten of hij, gelet op de inhoud van het verzoek, de belangen van partijen en het belang van een doelmatige en voortvarende procesvoering, het verzoek aanstonds behandelt en beslist (vgl. HR 2 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8176, NJ 2012/158). Het ligt voor de hand dat indien een spoedeisend belang bestaat bij een voorlopige voorziening, op het verzoek daartoe in de regel eerst en vooraf wordt beslist.
3.6
Overeenkomstig de art. 337 lid 1 en 401a lid 1 Rv kan van beschikkingen waarbij een voorlopige voorziening wordt getroffen of geweigerd, in afwijking van de hoofdregel van art. 358 lid 1 Rv, hoger beroep onderscheidenlijk cassatieberoep worden ingesteld voordat de eindbeschikking wordt gewezen.
4Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt, in het belang der wet, de beschikking van het gerechtshof Leeuwarden van 1 december 2011;
verstaat dat deze beslissing geen nadeel toebrengt aan de rechten door partijen verkregen.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp en G. Snijders en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 5 december 2014.