Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6434
2026-06-15
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/447142 / FA RK 26-1914
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzoek wijziging provisionele voorziening; voorlopige ontzegging recht op contact. Contact inmiddels (voorlopig) stopgezet.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2014:3533 Hoge Raad 05-12-2014
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.814 tekens)
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/447142 / FA RK 26-1914
Datum uitspraak: 15 juni 2026
Beschikking betreffende wijziging provisionele voorziening ex artikel 223 Rv
in de zaak van
[de vrouw]
,
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. S.M.I. van Renterghem-Engelen in Vught,
tegen
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [woonplaats] ,
voormalig advocaat: mr. R.G.J. Kerkhof in Gilze,
huidige advocaat mr. L. Stam in ’s-Hertogenbosch.
over de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2013, hierna: [minderjarige 1] ,
- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2015, hierna: [minderjarige 2] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1Het procesverloop
1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 13 april 2026 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het stelbericht van mr. Van Kerkhof van 14 april 2026;
- het F9D-formulier van mr. Van Renterghem-Engelen van 23 april 2026;
- het onttrekkingsbericht van mr. Van Kerkhof van 24 april 2026;
- de (oproep)brief van de griffier van de rechtbank van 6 mei 2026 aan de man;
- het F9D-formulier van mr. Van Renterghem-Engelen van 18 mei 2026 met bijlagen;
- het F9D-formulier van mr. Van Renterghem-Engelen van 21 mei 2026 met bijlagen;
- het F9D-formulier van mr. Van Renterghem-Engelen van 26 mei 2026 met bijlage;
- het F9D-formulier van mr. Stam van 26 mei 2026 met bijlage.
1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op 28 mei 2026. Bij die behandeling zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten, alsmede een vertegenwoordiger namens de Raad.
1.3
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben de mogelijkheid gekregen om te zeggen wat zij van het verzoek vinden. Zij hebben beiden een brief aan de kinderrechter geschreven.
2De feiten
2.1
Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.
2.2
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de vrouw.
2.3
De man heeft genoemde kinderen erkend. De vrouw heeft van rechtswege alleen het gezag over de kinderen.
2.4
Eerder op 17 december 2024 is gelijktijdig ingediend:
- de bodemprocedure, geregistreerd onder zaaknummer C/02/430138 FA RK 24-6030;
- het verzoek provisionele voorziening, geregistreerd onder zaaknummer C/02/430139 FA RK 24-6031.
2.5
Bij beschikkingen van 17 april 2025 heeft de rechtbank:
- bij wege van provisionele voorziening onder andere beslist dat de man en de kinderen gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar wekelijks op dinsdag en vrijdag uit school (15.00 uur) tot 20.00 uur en tijdens de schoolvakanties wekelijks op vrijdag en zaterdag van 9.00 uur tot 18.00 uur, zonder overnachting;
- in de bodemprocedure partijen en de kinderen verwezen voor een (jeugd)hulptraject naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant. Het loket is verzocht een UHA-rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de rechtbank in te dienen.
De bodemprocedure wordt (verder) behandeld op een nader te bepalen zitting.
3Het verzoek
3.1
De vrouw verzoekt dat de rechtbank bij beschikking, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van 17 april 2025 ten aanzien van de zorgregeling zoals bepaald in 5.1 van voormelde beschikking wijzigt en bepaalt dat aan de man het recht op contact met de kinderen (voorlopig) wordt ontzegd.
3.2
Tijdens de zitting heeft de advocaat van de vrouw aangegeven dat de vermelding in het verzoekschrift: ‘(voorlopig)’ dient te worden gelezen als: ‘voorlopig’.
4De standpunten
4.1
Ter onderbouwing van haar verzoek stelt de vrouw in haar verzoekschrift, samengevat, dat het contact tussen de man en de kinderen plaatsvindt in de woning van partijen. De vrouw verlaat dan de woning. De man heeft inmiddels eigen woonruimte maar ondanks het advies van de Raad en het verzoek van de vrouw daartoe vindt het contact daar niet plaats. In een in de bodemprocedure ingezet traject in het kader van het Uniform Hulpaanbod (UHA) zijn de kinderen gehoord door een kindbehartiger. De kindbehartiger heeft aan de man dringend het advies gegeven om het naleven van de zorgregeling voor nu te laten rusten en dit zelf bespreekbaar te maken met de kinderen. Desondanks wordt de zorgregeling nog door de man nagekomen, zonder een gesprek met de kinderen. De kinderen voelen zich hierdoor minder gehoord en er ontstaat meer weerstand bij hen. [minderjarige 2] heeft dit bij de man bespreekbaar willen maken. De man was niet bereid om de zorgregeling tijdelijk te schorsen. De vrouw verzoekt de rechtbank de man het recht op contact met de kinderen voorlopig te ontzeggen. Voortzetting van de zorgregeling is niet in het belang van de kinderen. De vrouw betreurt het dat de man stelt dat zij voor ouderverstoting heeft gezorgd. Daarvan is geen sprake; de kinderen geven juist aan dat zij door haar gepusht worden tot contact met de man. De verzochte wijziging provisionele voorziening is volgens de vrouw noodzakelijk. De man bepaalt zaken vaak eenzijdig. Daarnaast hebben de kinderen duidelijkheid nodig omdat zij dan pas rust kunnen ervaren. De vrouw vreest dat als de kinderen gedwongen worden tot contact met de man de weerstand en de schade bij de kinderen enkel toeneemt. Zij is bereid tot en zal haar toestemming geven voor (extra uren voor) voortzetting van het UHA-traject bij [hulpverlening] . Daarbij vindt de vrouw het wel van belang dat in het kader van die hulpverlening wordt gewerkt aan het contact en de communicatie tussen partijen en dat zij tot afspraken kunnen komen.
4.2
Van de zijde van de man is samengevat en onder overlegging van stukken gesteld dat hij heeft besloten voorlopig het contact tussen hem en de kinderen te stoppen. Hij heeft dit gecommuniceerd met de kinderen door hen een brief voor te lezen. Gelet hierop dient de vrouw niet ontvankelijk te worden verklaard in haar verzoek dan wel dient dit verzoek te worden afgewezen bij gebrek aan belang. De beslissing tot het voorlopig stopzetten van het contact heeft de nodige tijd in beslag genomen omdat de man die beslissing moeilijk en pijnlijk vindt. Hij heeft de kinderen op 8 mei 2026 in het kader van de zorgregeling voor het laatst gezien. De man heeft verder aangevoerd dat hij het van belang vindt dat de hulpverlening via het UHA voortgezet wordt en dat daarnaast de Raad onderzoek doet, waarin zijn verzoek tot gezamenlijk gezag wordt meegenomen, alsmede de vraag hoe tot contactherstel met de kinderen kan worden gekomen. Ondanks dat hij inmiddels toegang heeft tot Magister wil de man meer op de hoogte worden gebracht over zaken die de kinderen aangaan. De vrouw geeft hem enige informatie maar hij wil meer over de kinderen weten om op die manier bij hen betrokken te blijven nu het contact met hen ontbreekt. In het kader van betrokkenheid gaat hij af en toe bij de voetbal van de kinderen kijken.
5Het advies van de Raad
5.1
De vertegenwoordiger van de Raad heeft ernstige zorgen uitgesproken over de situatie. Het is van belang dat de hulpverlening in het kader van het UHA-traject wordt voortgezet. [hulpverlening] is nu betrokken bij partijen en kent de casus. De ouders hebben ook hulpverlening nodig voor de onderlinge verstandhouding en communicatie. Parallel aan het voortzetten van de hulpverlening adviseert de Raad een raadsonderzoek te gelasten, wat eventueel kan leiden tot een beschermingsonderzoek. De Raad geeft aan dat zij de term ontzegging (van de omgang) in deze situatie veel te zwaar vindt. Die term dekt niet de situatie waarvan tussen partijen sprake is.
6De beoordeling
Wettelijk kader
6.1
Ingevolge artikel 223 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering.
6.2
In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv worden verzocht (HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).
6.3
In de wet is niet bepaald dat een eenmaal getroffen voorziening door de rechter gewijzigd of ingetrokken kan worden. In de literatuur wordt echter aangenomen dat het desondanks wel mogelijk is om een vordering tot wijziging van een eerder getroffen voorziening ex art. 223 Rv in te dienen ( [persoon] , GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 223 Rv, aant. 5.). Bij de beoordeling van een vordering tot wijziging (of intrekking) van een eerder getroffen voorziening moet in beginsel worden uitgegaan van de gegeven voorlopige voorziening en de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. Wie wijziging (of intrekking) vordert dient feiten en omstandigheden aan zijn vordering ten grondslag te leggen die bij de eerder gegeven voorlopige voorziening niet in aanmerking konden worden genomen – doordat zij zich eerst na het geven van die voorziening hebben voorgedaan – en die kunnen rechtvaardigen dat die voorziening wordt gewijzigd.
Ontvankelijkheid
6.4
Vaststaat dat sprake is van gewijzigde omstandigheden sinds de beschikking van
17 april 2025 van de rechtbank waarin bij provisionele voorziening, tot hierop in de bodemprocedure definitief is beslist, een (voorlopige) omgangsregeling tussen de man en de kinderen is vastgesteld. Gebleken is dat er op dit moment geen contact meer is tussen de man en de kinderen. De vrouw is daarom ontvankelijk in haar verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
6.5
Een provisionele voorziening is bedoeld voor het treffen van ordemaatregelen. Er bestaat echter naar het oordeel van de rechtbank geen noodzaak tot het treffen van een dergelijke maatregel. Daartoe wordt het volgende overwogen. Tussen partijen staat vast dat de bij voormelde beschikking van 17 april 2025 voorlopig vastgestelde omgangsregeling niet wordt uitgevoerd. Volgens de man heeft hij op 8 mei 2026 voor het laatst contact met de kinderen gehad. De man heeft de kinderen mondeling via een voorgelezen brief verteld dat hij besloten heeft de omgang voorlopig te stoppen en hij heeft daaraan gevolg gegeven. De vrouw heeft dit ook erkend. De rechtbank is van oordeel dat gelet op die situatie er geen noodzaak bestaat tot het treffen van de door de vrouw verzochte maatregel. Er bestaat daarbij geen belang. De situatie is op dit moment duidelijk, namelijk de eerder vastgestelde omgangsregeling wordt voorlopig niet uitgevoerd. Dit biedt aan de kinderen de nodige duidelijkheid. Daarbij komt dat het verzoek zich ook niet verhoudt tot het karakter van deze procedure en daarnaast dat ook niet is gesteld en evenmin is gebleken dat aan de strenge wettelijke vereisten voor toewijzing van een dergelijk verzoek is voldaan.
6.6
De rechtbank hecht eraan te vermelden dat zowel de man als de vrouw ter zitting hebben toegezegd de hulpverlening via het ingezette UHA-traject voort te zetten en daartoe de benodigde acties te ondernemen. Daarbij hebben zij beiden aangegeven dat de focus in de eerstkomende periode dient te liggen op het onderlinge contact en de communicatie tussen hen als ouders. De rechtbank acht in dit verband van belang dat de vrouw aan de kinderen communiceert dat dit een gezamenlijke beslissing van hen als ouders is geweest.
6.7
Gelet op het feit dat het UHA traject zal worden voortgezet, ziet de rechtbank op dit moment geen aanleiding om daarnaast op dit moment een onderzoek door de Raad te gelasten. Indien de hulpverlening alsnog stopt of de doelen niet worden bereikt, zal de zaak ter screening voor een raadsonderzoek aan de Raad worden voorgelegd.
7De beslissing
De rechtbank
7.1
wijst het verzoek van de vrouw af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Baggel, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026 in aanwezigheid van Dekkers, griffier.
Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open. Ingevolge artikel 824 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan alleen cassatie in het belang der wet worden ingesteld. Hoger beroep is dus niet mogelijk. Dit betekent dat deze beslissing directe werking heeft.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/447142 / FA RK 26-1914
Datum uitspraak: 15 juni 2026
Beschikking betreffende wijziging provisionele voorziening ex artikel 223 Rv
in de zaak van
[de vrouw]
,
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. S.M.I. van Renterghem-Engelen in Vught,
tegen
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [woonplaats] ,
voormalig advocaat: mr. R.G.J. Kerkhof in Gilze,
huidige advocaat mr. L. Stam in ’s-Hertogenbosch.
over de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2013, hierna: [minderjarige 1] ,
- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2015, hierna: [minderjarige 2] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1Het procesverloop
1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 13 april 2026 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het stelbericht van mr. Van Kerkhof van 14 april 2026;
- het F9D-formulier van mr. Van Renterghem-Engelen van 23 april 2026;
- het onttrekkingsbericht van mr. Van Kerkhof van 24 april 2026;
- de (oproep)brief van de griffier van de rechtbank van 6 mei 2026 aan de man;
- het F9D-formulier van mr. Van Renterghem-Engelen van 18 mei 2026 met bijlagen;
- het F9D-formulier van mr. Van Renterghem-Engelen van 21 mei 2026 met bijlagen;
- het F9D-formulier van mr. Van Renterghem-Engelen van 26 mei 2026 met bijlage;
- het F9D-formulier van mr. Stam van 26 mei 2026 met bijlage.
1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op 28 mei 2026. Bij die behandeling zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten, alsmede een vertegenwoordiger namens de Raad.
1.3
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben de mogelijkheid gekregen om te zeggen wat zij van het verzoek vinden. Zij hebben beiden een brief aan de kinderrechter geschreven.
2De feiten
2.1
Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.
2.2
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de vrouw.
2.3
De man heeft genoemde kinderen erkend. De vrouw heeft van rechtswege alleen het gezag over de kinderen.
2.4
Eerder op 17 december 2024 is gelijktijdig ingediend:
- de bodemprocedure, geregistreerd onder zaaknummer C/02/430138 FA RK 24-6030;
- het verzoek provisionele voorziening, geregistreerd onder zaaknummer C/02/430139 FA RK 24-6031.
2.5
Bij beschikkingen van 17 april 2025 heeft de rechtbank:
- bij wege van provisionele voorziening onder andere beslist dat de man en de kinderen gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar wekelijks op dinsdag en vrijdag uit school (15.00 uur) tot 20.00 uur en tijdens de schoolvakanties wekelijks op vrijdag en zaterdag van 9.00 uur tot 18.00 uur, zonder overnachting;
- in de bodemprocedure partijen en de kinderen verwezen voor een (jeugd)hulptraject naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant. Het loket is verzocht een UHA-rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de rechtbank in te dienen.
De bodemprocedure wordt (verder) behandeld op een nader te bepalen zitting.
3Het verzoek
3.1
De vrouw verzoekt dat de rechtbank bij beschikking, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van 17 april 2025 ten aanzien van de zorgregeling zoals bepaald in 5.1 van voormelde beschikking wijzigt en bepaalt dat aan de man het recht op contact met de kinderen (voorlopig) wordt ontzegd.
3.2
Tijdens de zitting heeft de advocaat van de vrouw aangegeven dat de vermelding in het verzoekschrift: ‘(voorlopig)’ dient te worden gelezen als: ‘voorlopig’.
4De standpunten
4.1
Ter onderbouwing van haar verzoek stelt de vrouw in haar verzoekschrift, samengevat, dat het contact tussen de man en de kinderen plaatsvindt in de woning van partijen. De vrouw verlaat dan de woning. De man heeft inmiddels eigen woonruimte maar ondanks het advies van de Raad en het verzoek van de vrouw daartoe vindt het contact daar niet plaats. In een in de bodemprocedure ingezet traject in het kader van het Uniform Hulpaanbod (UHA) zijn de kinderen gehoord door een kindbehartiger. De kindbehartiger heeft aan de man dringend het advies gegeven om het naleven van de zorgregeling voor nu te laten rusten en dit zelf bespreekbaar te maken met de kinderen. Desondanks wordt de zorgregeling nog door de man nagekomen, zonder een gesprek met de kinderen. De kinderen voelen zich hierdoor minder gehoord en er ontstaat meer weerstand bij hen. [minderjarige 2] heeft dit bij de man bespreekbaar willen maken. De man was niet bereid om de zorgregeling tijdelijk te schorsen. De vrouw verzoekt de rechtbank de man het recht op contact met de kinderen voorlopig te ontzeggen. Voortzetting van de zorgregeling is niet in het belang van de kinderen. De vrouw betreurt het dat de man stelt dat zij voor ouderverstoting heeft gezorgd. Daarvan is geen sprake; de kinderen geven juist aan dat zij door haar gepusht worden tot contact met de man. De verzochte wijziging provisionele voorziening is volgens de vrouw noodzakelijk. De man bepaalt zaken vaak eenzijdig. Daarnaast hebben de kinderen duidelijkheid nodig omdat zij dan pas rust kunnen ervaren. De vrouw vreest dat als de kinderen gedwongen worden tot contact met de man de weerstand en de schade bij de kinderen enkel toeneemt. Zij is bereid tot en zal haar toestemming geven voor (extra uren voor) voortzetting van het UHA-traject bij [hulpverlening] . Daarbij vindt de vrouw het wel van belang dat in het kader van die hulpverlening wordt gewerkt aan het contact en de communicatie tussen partijen en dat zij tot afspraken kunnen komen.
4.2
Van de zijde van de man is samengevat en onder overlegging van stukken gesteld dat hij heeft besloten voorlopig het contact tussen hem en de kinderen te stoppen. Hij heeft dit gecommuniceerd met de kinderen door hen een brief voor te lezen. Gelet hierop dient de vrouw niet ontvankelijk te worden verklaard in haar verzoek dan wel dient dit verzoek te worden afgewezen bij gebrek aan belang. De beslissing tot het voorlopig stopzetten van het contact heeft de nodige tijd in beslag genomen omdat de man die beslissing moeilijk en pijnlijk vindt. Hij heeft de kinderen op 8 mei 2026 in het kader van de zorgregeling voor het laatst gezien. De man heeft verder aangevoerd dat hij het van belang vindt dat de hulpverlening via het UHA voortgezet wordt en dat daarnaast de Raad onderzoek doet, waarin zijn verzoek tot gezamenlijk gezag wordt meegenomen, alsmede de vraag hoe tot contactherstel met de kinderen kan worden gekomen. Ondanks dat hij inmiddels toegang heeft tot Magister wil de man meer op de hoogte worden gebracht over zaken die de kinderen aangaan. De vrouw geeft hem enige informatie maar hij wil meer over de kinderen weten om op die manier bij hen betrokken te blijven nu het contact met hen ontbreekt. In het kader van betrokkenheid gaat hij af en toe bij de voetbal van de kinderen kijken.
5Het advies van de Raad
5.1
De vertegenwoordiger van de Raad heeft ernstige zorgen uitgesproken over de situatie. Het is van belang dat de hulpverlening in het kader van het UHA-traject wordt voortgezet. [hulpverlening] is nu betrokken bij partijen en kent de casus. De ouders hebben ook hulpverlening nodig voor de onderlinge verstandhouding en communicatie. Parallel aan het voortzetten van de hulpverlening adviseert de Raad een raadsonderzoek te gelasten, wat eventueel kan leiden tot een beschermingsonderzoek. De Raad geeft aan dat zij de term ontzegging (van de omgang) in deze situatie veel te zwaar vindt. Die term dekt niet de situatie waarvan tussen partijen sprake is.
6De beoordeling
Wettelijk kader
6.1
Ingevolge artikel 223 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering.
6.2
In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv worden verzocht (HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).
6.3
In de wet is niet bepaald dat een eenmaal getroffen voorziening door de rechter gewijzigd of ingetrokken kan worden. In de literatuur wordt echter aangenomen dat het desondanks wel mogelijk is om een vordering tot wijziging van een eerder getroffen voorziening ex art. 223 Rv in te dienen ( [persoon] , GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 223 Rv, aant. 5.). Bij de beoordeling van een vordering tot wijziging (of intrekking) van een eerder getroffen voorziening moet in beginsel worden uitgegaan van de gegeven voorlopige voorziening en de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. Wie wijziging (of intrekking) vordert dient feiten en omstandigheden aan zijn vordering ten grondslag te leggen die bij de eerder gegeven voorlopige voorziening niet in aanmerking konden worden genomen – doordat zij zich eerst na het geven van die voorziening hebben voorgedaan – en die kunnen rechtvaardigen dat die voorziening wordt gewijzigd.
Ontvankelijkheid
6.4
Vaststaat dat sprake is van gewijzigde omstandigheden sinds de beschikking van
17 april 2025 van de rechtbank waarin bij provisionele voorziening, tot hierop in de bodemprocedure definitief is beslist, een (voorlopige) omgangsregeling tussen de man en de kinderen is vastgesteld. Gebleken is dat er op dit moment geen contact meer is tussen de man en de kinderen. De vrouw is daarom ontvankelijk in haar verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
6.5
Een provisionele voorziening is bedoeld voor het treffen van ordemaatregelen. Er bestaat echter naar het oordeel van de rechtbank geen noodzaak tot het treffen van een dergelijke maatregel. Daartoe wordt het volgende overwogen. Tussen partijen staat vast dat de bij voormelde beschikking van 17 april 2025 voorlopig vastgestelde omgangsregeling niet wordt uitgevoerd. Volgens de man heeft hij op 8 mei 2026 voor het laatst contact met de kinderen gehad. De man heeft de kinderen mondeling via een voorgelezen brief verteld dat hij besloten heeft de omgang voorlopig te stoppen en hij heeft daaraan gevolg gegeven. De vrouw heeft dit ook erkend. De rechtbank is van oordeel dat gelet op die situatie er geen noodzaak bestaat tot het treffen van de door de vrouw verzochte maatregel. Er bestaat daarbij geen belang. De situatie is op dit moment duidelijk, namelijk de eerder vastgestelde omgangsregeling wordt voorlopig niet uitgevoerd. Dit biedt aan de kinderen de nodige duidelijkheid. Daarbij komt dat het verzoek zich ook niet verhoudt tot het karakter van deze procedure en daarnaast dat ook niet is gesteld en evenmin is gebleken dat aan de strenge wettelijke vereisten voor toewijzing van een dergelijk verzoek is voldaan.
6.6
De rechtbank hecht eraan te vermelden dat zowel de man als de vrouw ter zitting hebben toegezegd de hulpverlening via het ingezette UHA-traject voort te zetten en daartoe de benodigde acties te ondernemen. Daarbij hebben zij beiden aangegeven dat de focus in de eerstkomende periode dient te liggen op het onderlinge contact en de communicatie tussen hen als ouders. De rechtbank acht in dit verband van belang dat de vrouw aan de kinderen communiceert dat dit een gezamenlijke beslissing van hen als ouders is geweest.
6.7
Gelet op het feit dat het UHA traject zal worden voortgezet, ziet de rechtbank op dit moment geen aanleiding om daarnaast op dit moment een onderzoek door de Raad te gelasten. Indien de hulpverlening alsnog stopt of de doelen niet worden bereikt, zal de zaak ter screening voor een raadsonderzoek aan de Raad worden voorgelegd.
7De beslissing
De rechtbank
7.1
wijst het verzoek van de vrouw af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Baggel, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026 in aanwezigheid van Dekkers, griffier.
Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open. Ingevolge artikel 824 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan alleen cassatie in het belang der wet worden ingesteld. Hoger beroep is dus niet mogelijk. Dit betekent dat deze beslissing directe werking heeft.