Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:4909

2026-06-01 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/447643 FA RK 26-2201
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-06-01
Publicatiedatum
2026-06-03
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zaaknummer
C/02/447643 FA RK 26-2201
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Voorlopige voorzieningen: de vrouw moet met de kinderen terugkeren naar de plek waar ouders tot voor kort woonden. Veiligheid van de vrouw en de kinderen moet wel worden gewaarborgd en dat gebeurt op twee manieren: de man gaat in behandeling bij Fivoor en de vrouw krijgt voorlopig het exclusieve gebruik van de gemeenschappelijke woning toegewezen. Ook het belang van de kinderen is hiermede het meest gediend.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (31.452 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT



Team Familie- en Jeugdrecht


Breda


Zaaknummer: C/02/447643 FA RK 26-2201



beschikking betreffende provisionele voorziening ex artikel 223 Rv van 1 juni 2026

in de zaak van




[de vrouw]
,
wonende te [plaats 1] , verblijvende te [plaats 2] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. J. Nederlof te Tilburg ,


en




[de man]
,
wonende te [plaats 1] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. J.C. Snikkenburg-den Haan te Veghel.


1. Het procesverloop


1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 23 april 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- het op 21 mei 2026 ontvangen verweerschrift houdende zelfstandige verzoeken met bijlagen;
- de brief van mr. Nederlof van 22 mei 2026 met producties.

1.2. Bij voormeld verzoekschrift is ook de hoofdzaak aanhangig gemaakt welke procedure bij de rechtbank geregistreerd staat onder kenmerk C/02/447643 FA RK 26-2202.


1.3. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 26 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.


1.4. Aan de orde is ook geweest de tussen partijen aanhangige kort geding procedure met zaaknummer C/02/447539/KG ZA 26-214. Met instemming van partijen worden alle vorderingen, stellingen en verweren in kort geding beschouwd als te zijn ingesteld en ingenomen in deze provisionele verzoeken procedure, inclusief de ingediende producties.


1.5. Op de mondelinge behandeling is tevens aanwezig geweest een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, om de rechtbank over de verzoeken betreffende de minderjarigen te adviseren.



2De feiten


2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.



2.2.

Uit de relatie zijn geboren de minderjarigen:
1- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2019 te [geboorteplaats] ;
2- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2021 te [geboorteplaats] .




2.3.

De man heeft de beide kinderen erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het
ouderlijk gezag over de beide kinderen






3de verzoeken


3.1.

De vrouw verzoekt bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak,
I. haar vervangende, althans tijdelijke, toestemming te verlenen om met de
minderjarigen te verhuizen naar [plaats 2] , althans zich aldaar met de minderjarigen
te vestigen;
II. voorlopig, voor de duur van deze procedure, te bepalen dat de minderjarigen
hun hoofdverblijfplaats bij haar zullen hebben;
III. te bepalen dat zij gerechtigd is de minderjarigen voorlopig in te schrijven op
het woonadres te [woonadres] , voor de duur van deze
procedure;
IV. voorlopig, voor de duur van deze procedure, te bepalen dat, ter vervanging van de
ontbrekende verklaring van de man, aan haar toestemming wordt verleend om:

a. de minderjarige kinderen van partijen in te schrijven op de [school]

, [adres 1] ;
b.de minderjarige kinderen van partijen in te schrijven bij tandarts mw. [tandarts]
, [adres 3] ;
c.de minderjarige kinderen van in te schrijven bij huisartsenpraktijk dr. [huisarts]
, [adres 4] ;
d.de minderjarige [minderjarige 1] in te schrijven bij

[sportvereniging 1] [adres 5]
;
e.de minderjarige [minderjarige 2] , in te schrijven bij [sportvereniging 2]
, [adres 6] ;

f. beide minderjarigen, in te schrijven bij [sportvereniging 3] , [adres 7]

;
V. vaststelling van een zorg- en contactregeling;
VI. voor de duur van deze procedure te bepalen dat de man aan haar bij vooruitbetaling dient te voldoen een bedrag van € 575,= per kind per maand.




3.2.
De man verzoekt bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak,
1. te bepalen dat de minderjarige kinderen van partijen voorlopig aan hem worden toevertrouwd in die zin dat zij hun hoofdverblijf bij hem zullen houden;
2. te bepalen dat de vrouw de minderjarige kinderen binnen drie dagen na deze beschikking dient terug te verhuizen naar [plaats 1] zodat zij ook weer naar hun

school kunnen gaan, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,= voor elke dag
dat zij, na betekening van deze beschikking, niet voldoet aan de veroordeling om met de kinderen terug te verhuizen, althans een zodanige voorlopige voorziening te treffen als de rechtbank in het belang van de minderjarige kinderen wenselijk voorkomt;

3. Primair te bepalen dat als voorlopige zorgregeling heeft te gelden:
- dat de kinderen elke maandag na school tot woensdag voor school bij de vrouw verblijven en om de 14 dagen een weekeinde;
- dat de kinderen elke woensdag na school tot en met vrijdagavond 19:00 uur bij hem verblijven;
- alsmede eens per 14 dagen een weekeinde van vrijdag na school tot maandagochtend;
- alsmede gedurende de helft van alle vakanties, feestdagen en bijzondere dagen;

Subsidiair te bepalen dat als voorlopige zorgregeling heeft te gelden:
- dat de kinderen 3 van de 4 weekenden bij hem verblijven van vrijdag na
school tot zondagavond 19:00 uur waarbij de vrouw de kinderen op vrijdag naar hem zal brengen;
- alsmede gedurende de helft van alle vakanties, feestdagen en bijzondere dagen
waarbij steeds heeft te gelden dat de vrouw de kinderen naar hem zal brengen en dat hij de kinderen naar de vrouw zal terugbrengen na ommekomst van de zorgregeling.



3.3.
In de kort geding procedure hebben beide partijen verzocht om het uitsluitend gebruik van de woning staande en gelegen aan de [adres 2] (hierna; de woning). De vrouw heeft deze vordering voorwaardelijk ingesteld namelijk voor het geval zij zich weer in [plaats 1] dient te vestigen.





4De beoordeling



Ontvankelijkheid




4.1.
Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering.



4.2.
In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv worden verzocht (HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).



4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank hangen onderhavige verzoeken samen met de verzoeken in de hoofdzaak, zodat partijen kunnen worden ontvangen in hun verzoeken.



Inhoudelijke beoordeling





4.4.
De rechtbank stelt voorop dat voor toewijzing van een verzoek in het kader van artikel 223 Rv slechts plaats is, indien er naar het oordeel van de rechtbank voldoende belang bestaat in die zin dat van partijen niet gevergd kan worden dat zij de afloop van de hoofdzaak afwachten. Daarnaast dient de rechtbank de belangen van partijen af te wegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin.






Vervangende toestemming verhuizing, hoofdverblijfplaats, inschrijving op adres van de vrouw, inschrijving school, artsen en sportclubs





4.5.

De vrouw legt aan deze verzoeken het volgende ten grondslag. Begin april 2026
heeft zij met de kinderen de woning verlaten en is zij met hen vertrokken naar [plaats 2] . Als gevolg van frequent lichamelijk en psychisch geweld door de man was de situatie thuis onhoudbaar. Bij de laatste incidenten op 29 maart en 1 april jongsleden was de politie betrokken. Zowel het adres in [plaats 1] als het adres in [plaats 2] staat bij de politie geregistreerd als een zogenaamd POL (PRO1) meldingsadres. Gelet op deze onveilige situatie stelt de vrouw dat zij gerechtigd was om de woning te ontvluchten. Omdat zij in

[plaats 1] geen alternatieve woonruimte tot haar beschikking heeft, is zij vertrokken naar haar vader en moeder in [plaats 2] . Het is niet mogelijk en onveilig om terug te keren naar [plaats 1] zolang de man daar woont, aldus de vrouw.




4.6.
De man ontkent niet dat hij uit emotie een aantal keer onjuist heeft gehandeld zoals het stukgooien van de TV maar hij betwist dat er sprake is van een acute of structureel onveilige situatie tussen partijen. De beschuldigingen van de vrouw zijn fors en niet onderbouwd. Volgens de man zijn deze waarschijnlijk ingegeven doordat hij geen toestemming heeft verleend voor verhuizing met de kinderen naar [plaats 2] . De door de vrouw overgelegde foto’s en geluidsopnamen zijn volgens hem suggestief. Ook de school van de kinderen bevestigt dat er geen sprake is van onveiligheid. De man is het niet eens met verhuizing van de vrouw met de kinderen. Deze zijn in [geboorteplaats] geboren en getogen en hun sociale leven ligt daar. Verder heeft de vrouw de door de Hoge Raad ontwikkelde criteria voor verhuizing niet onderbouwd of toegelicht. De kinderen dienen dan ook direct terug te keren naar [plaats 1] en te worden toevertrouwd aan hem.



4.7.
De rechtbank stelt voorop dat het gezag over kinderen door partijen gezamenlijk wordt uitgeoefend. Dit betekent dat partijen belangrijke beslissingen over de kinderen, zoals een verhuizing en een inschrijving op school, alleen gezamenlijk kunnen nemen en gehouden zijn om voorafgaand aan het nemen van een dergelijke beslissing met elkaar te overleggen. In ieder geval is voor een dergelijke beslissing toestemming van de andere gezaghebbende ouder nodig. Indien die toestemming niet wordt verleend, zal de andere ouder vervangende toestemming moeten verzoeken in een bodemprocedure op de voet van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek. Een dergelijk verzoek is in de bodemprocedure ingediend.



4.8.
De rechtbank is van oordeel dat deze provisioneel verzoek procedure, waarin tijdelijke maatregelen worden getroffen, zich niet leent voor een inhoudelijk oordeel op de verzoeken van de vrouw die zien op vervangende toestemming. Dergelijk verzoeken zien op een situatie op lange termijn en verdienen nader onderzoek temeer omdat toewijzing van het verzoek een onomkeerbaar gevolg zou kunnen hebben. Daarvoor is in deze procedure in beginsel geen ruimte. Gelet daarop zal de rechtbank de verzoeken van de vrouw onder I., III. en IV. afwijzen, te meer nu er een beter (voorlopig) alternatief is.



4.9.

Aan de orde is dan ook het verzoek van de man om te bepalen dat de vrouw de kinderen terug dient te verhuizen naar [plaats 1] . De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend.
Vast staat dat de vrouw zonder voorafgaande toestemming van de man, dan wel vervangende toestemming van de rechtbank, met de kinderen naar [plaats 2] is verhuisd en dus de woonplaats van de kinderen heeft gewijzigd. Dat betekent dat de vrouw in beginsel met de kinderen dient terug te verhuizen om de bodemprocedure af te wachten. Dit zou anders kunnen zijn als het voor de vrouw en de kinderen te onveilig is om terug te verhuizen of het terugverhuizen met de kinderen om andere dringende redenen niet van haar kan worden gevergd. In ieder geval staat vast dat vrouw niet meer verder wenst te gaan met de man en niet langer onder 1 dak met hem kan leven. Hoewel uit de stukken voldoende blijkt van serieuze incidenten die de man ook heeft erkend is mede naar aanleiding van wat is besproken op zitting onvoldoende gebleken dat het voor de vrouw en de kinderen te onveilig is om terug te keren naar [plaats 1] . Daarbij neemt de rechtbank met name in aanmerking dat uit het door de vrouw als productie 2 overgelegde gespreksverslag van Veilig Thuis met de kinderen van 15 mei 2026 blijkt dat zij niet willen verhuizen naar [plaats 2] en het liefst weer naar huis in [plaats 1] willen. [minderjarige 1] heeft daarbij aangegeven dat hij papa mist. Aldus acht de rechtbank het in het belang van de kinderen dat zij hun reguliere leven weer oppakken en weer naar school gaan in de hun vertrouwde omgeving in [plaats 1] .
Daarbij hoort dat de veiligheid van de vrouw en de kinderen gewaarborgd dient te zijn. De man heeft ter zitting uitdrukkelijk toegezegd dat hij zich voor regulatie van zijn emoties via zijn huisarts in verbinding stelt met Fivoor voor behandeling. Hiervoor zal na te noemen hulpvraag worden geformuleerd. Bovendien wordt met terugkeer van vrouw naar [plaats 1] niet gevergd dat zij weer terugkeert naar en gaat samenwonen met de man. Beide partijen hebben immers verzocht om het gebruik van de woning met uitsluiting van de ander waarover hierna zal worden beslist.




4.10.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank voldoende aanleiding om te bepalen dat de vrouw met de kinderen moet terugverhuizen naar [plaats 1] . Het opleggen van een dwangsom acht de rechtbank niet nodig nu de vrouw ter zitting uitdrukkelijk heeft toegezegd dat zij zich aan een opgelegde verplichting tot terugverhuizing zal houden.



4.11.
Verder zal de rechtbank bepalen dat de kinderen, gelet op de feitelijke situatie en in belang voor hun rust, voorlopig hun hoofdverblijf zullen hebben bij de vrouw. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de man om bepaling van het hoofdverblijf bij hem heeft verzocht, met name omdat hij een gelijkwaardige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorstaat en er geen vertrouwen in heeft dat de vrouw hieraan zal meewerken als de kinderen hoofdverblijf bij haar hebben. Zoals hierna zal blijken is naar het oordeel van de rechtbank een gelijkwaardige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken echter nu nog niet aan de orde. Een onderzoek daarnaar dient in de bodemprocedure plaats te vinden.



Gebruik van de woning





4.12.

Nu de vrouw dient terug te verhuizen naar [plaats 1] staat ter beoordeling het verzoek
van zowel de man als de vrouw tot het uitsluitend gebruik van de woning.
De rechtbank overweegt dat beide partijen belang hebben bij toewijzing van hun verzoek
maar naar het oordeel van de rechtbank weegt het belang van de vrouw bij het gebruik van
de woning zwaarder dan dat van de man. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de
kinderen voorlopig hun hoofdverblijf zullen hebben bij de vrouw en dat moet worden
aangenomen dat de man eerder erin slaagt vervangende woonruimte te vinden voor hem
alleen dan de vrouw en de bij haar verblijvende kinderen. De man heeft nog voorgesteld om
de kinderen in de woning te laten verblijven en dat de ouders om en om bij de kinderen zijn
maar daarvoor zijn te veel voorvallen geweest die de situatie vooralsnog te onveilig maken.
Bovendien ontbreekt de daarvoor noodzakelijk communicatie tussen de ouders.





Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken





4.13.
De vrouw verzoekt, samengevat, om een zorg- en contactregeling die begeleid dient te worden opgestart. De man verzoekt, samengevat, om een onbegeleide omgang die volgens hem direct kan worden opgestart.



4.14.

De rechtbank overweegt als volgt. Vaststaat dat er al sinds langere tijd geen contact is tussen de man en de kinderen. Verder staat vast dat Veilig Thuis bij de situatie tussen partijen is betrokken vanwege incidenten en aanzienlijke spanningen tussen partijen. De rechtbank overweegt daarbij dat vanuit eerdergenoemd verslag van het gesprek dat de kinderen met Veilig Thuis hebben gevoerd vastgesteld kan worden dat de man en de kinderen een goede relatie hebben (gehad). Die relatie is door de incidenten die dit voorjaar hebben plaatsgevonden weliswaar enigszins in het gedrang gekomen maar niet zodanig dat er geen of slechts begeleide omgang kan plaatvinden.
Zoals vermeld is met de man op zitting gesproken over een verwijzing naar Fivoor. De man heeft daarmee ingestemd en zal zich zo spoedig mogelijk richten tot zijn huisarts met navolgende hulpvraag: “hulp voor problemen met emotieregulatie met het oog op het vormgeven van ouderschap na het uiteengaan van partijen en (herstel van) contact met de kinderen.” Afgesproken is dat de man Fivoor zal verzoeken om een voortgangsbericht ten behoeve van de aankomende bodemprodedure met zaaknummer C/02/447643 FA RK 26-2202 op te stellen. Mocht Fivoor daarvoor geen mogelijkheden zien dan zal de man voor de bodemprocedure op andere genoegzame wijze aan dienen te tonen dat hij in behandeling bij Fivoor is en welke gevolgen dat voor zijn ouderschap heeft.




4.15.

Vanuit de toezegging van de man dat hij behandeling bij Fivoor zal aangaan heeft
de vrouw tijdens de zitting de rechtbank de vrijheid gegeven om een opbouwende regeling tussen de man en de kinderen vast te stellen. Daarom zal de rechtbank de volgende voorlopige regeling vaststellen:



In het weekend van 6 en 7 juni 2026 zal de man op zaterdag 6 juni 2026 de kinderen van 13.00 uur tot 17.00 uur bij zich hebben. De man haalt de kinderen rond 13.00 uur op bij de vrouw en zal de kinderen tegen 17.00 uur naar haar terugbrengen.


In het weekend van 13 en 14 juni 2026 zullen de kinderen op zaterdagmiddag 13 juni 2026 om 17.00 uur door de man bij de vrouw worden opgehaald en op zondag 14 juni 2026 om 17.00 uur door hem worden teruggebracht. Indien de man nog niet voor overnachting kan zorgdragen zal de man de vrouw daarvan op de hoogte stellen zodat omgang alleen zal plaatsvinden op zondag van 10.00 uur tot 17.00 uur;


Vanaf 19 juni 2026 geldt een 14 daagse regeling; de man haalt de kinderen op 19 juni 2026 op na het avondeten, rond 19.00 uur. Hij zal de kinderen terugbrengen op 21 juni om 17.00 uur. De kinderen eten dan bij de vrouw.


Dit alles onder de voorwaarde dat de man bij het ophalen van de kinderen de woning niet zal binnentreden. Ouders zullen elkaar vriendelijk begroeten maar geen gesprekken aan de deur met elkaar gaan voeren.


In de zomervakantieperiode zal gelden dat de ouders ieder het recht hebben 2 volle aaneengesloten weken met de kinderen op vakantie te gaan binnen Europa waarbij zij in onderling overleg de weken zullen afspreken. Buiten die weken geldt de gewone 14 daagse contactregeling. Die regeling zal verder worden besproken tijdens de zitting in de bodemprocedure.





4.16.
Voor wat betref de bodemprocedure hebben partijen op de zitting afgesproken dat zij de rechtbank zullen verzoeken om de bodemzaak met nummer C/02/447643 FA RK 26-2202 te doen behandelen binnen de wijkrechtspraak te [plaats 1] . De advocaat van de vrouw zal mede namens de advocaat van de man hiervoor nog een verzoek richten aan de rechtbank. De advocaat van de man zal hiervan ook in de aanhef van het door haar nog in te dienen verweerschrift melding maken. Partijen en hun advocaten realiseren zich dat zij hiermee toestemming geven aan medewerking aan het wetenschappelijk onderzoek van Triqs. Zij zullen hiervan separaat formulieren ontvangen.



Kinderalimentatie





4.17.

Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële
draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn
neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.




4.18.
Voor de vaststelling van de behoefte van de minderjarigen is in beginsel het uitgangspunt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van de samenleving van partijen. De rechtbank gaat voor de bepaling van dat gezinsinkomen uit van de inkomens van partijen in 2025, zijnde het laatste volledige jaar voor het uiteengaan.



4.19.
Tussen partijen staat vast dat de vrouw in 2025 een inkomen had van € 24.208,= bruto per jaar. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting), en de verschuldigde inkomstenbelasting.



4.20.
Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de vrouw ten tijde van de samenleving op een bedrag van € 2.017,= per maand.



4.21.
Uit de jaaropgaven over 2025 volgt dat de man een inkomen had van € 75.553,= en € 27.446,= bruto per jaar. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde arbeidskorting, de fiscale bijtelling van de auto en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen.



4.22.
Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de man ten tijde van de samenleving op een bedrag van € 4.985,= per maand.



4.23.
Het NBGI van partijen ten tijde van de samenleving komt dan op € 6.912,= per maand.



4.24.

Dit NBGI, gevoegd bij het aantal kinderen in het gezin, levert volgens de ‘Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ een behoefte van de minderjarigen op van € 1.577,= per maand. Bij dat tabelbedrag is al rekening gehouden met de ontvangen kinderbijslag. Rekening houdend met de wettelijke indexering bedraagt die behoefte nu
€ 1.650,= oftewel € 825,= per maand per kind.




4.25.
Het aandeel van de onderhoudsplichtigen in de behoefte van de minderjarigen becijfert de rechtbank aan de hand van ieders huidig netto besteedbaar inkomen (NBI), waarbij hun draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen.



4.26.

Voor de vaststelling van het NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van de
volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens.




4.27.

De vrouw heeft een inkomen van € 24.208,= bruto per jaar. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting), en de verschuldigde inkomstenbelasting. Daarnaast komt de vrouw met dit inkomen in aanmerking voor een kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop van
€ 8.576,= op jaarbasis. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op een bedrag ter hoogte van € 2.732,= per maand.




4.28.
Voor wat betreft haar draagkrachtloos inkomen heeft de vrouw ter zitting onweersproken aangevoerd dat aan haar zijde in plaats van het woonbudget rekening dient te worden gehouden met een woonlast ter hoogte van € 750,= per maand, zijnde de helft van de aan de woning verbonden woonlasten.



4.29.
De beschikbare draagkracht van de vrouw is dan € 415,= per maand.



4.30.
Voor de vaststelling van het NBI van de man gaat de rechtbank uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens.



4.31.
De man heeft volgens de salarisspecificatie maart 2026 een inkomen van € 7.437,= bruto per maand, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag. De rechtbank houdt rekening met een dertiende maand omdat deze volgens de salarisspecificatie wordt opgebouwd, de van toepassing zijnde pensioenpremies en algemene heffingskorting, en de verschuldigde inkomstenbelasting. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de man op een bedrag ter hoogte van € 5.096,= per maand. Op de zitting hebben partijen nog gediscussieerd over vermelding van 2 maal € 100,= op de salarisstrook. Geen van partijen heeft hierover duidelijkheid kunnen geven. In het licht van deze procedure houdt de rechtbank daar dan ook geen rekening mee. Dit kan aan de orde komen in de bodemprocedure.



4.32.
Voor wat betreft zijn draagkrachtloos inkomen heeft de vrouw ter zitting onweersproken aangevoerd dat aan de zijde van de man in plaats van het woonbudget rekening dient te worden gehouden met een woonlast ter hoogte van € 1.500,= per maand, zijnde de helft van de aan de woning verbonden woonlasten plus een redelijkerwijs te betalen woonlast in verband met vervangende woonruimte. De rechtbank verwacht van de man dat hij, zoals verzocht door de vrouw, onderbouwd inzage verschaft in die vervangende woonlast.



4.33.
De beschikbare draagkracht van de man is dan € 1.562,= per maand.



4.34.

Vergelijking van voormelde berekende draagkracht van de onderhoudsplichtigen
brengt mee dat de man met € 632,= per maand per kind en de vrouw met € 175,= per maand
per kind moet bijdragen in de hiervoor vastgestelde behoefte van de minderjarigen.




4.35.
Omdat de zorg- en contactregeling wordt uitgebouwd naar een situatie waarbij de man naar verwachting gemiddeld twee dagen per week de zorg voor de minderjarigen heeft geldt een zorgkorting van 25%. Nu de behoefte van de minderjarigen € 825,= per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 206,= per maand. Het aandeel van de man wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man met ingang van de datum van deze beschikking als kinderbijdrage aan de vrouw dient te betalen € 440,= per maand per kind.




4.36.

De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Gescande exemplaren van
deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel
uit.




4.37.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.



4.38.
Nu in deze procedure alle verzoeken onderwerp van afdoening vormen is tijdens de zitting aangekondigd dat in kort geding alle vorderingen zullen worden afgewezen.





5De beslissing


De rechtbank



bij wege van provisionele voorziening, totdat in de hoofdzaak definitief is beslist,



5.1.

bepaalt dat de vrouw met de minderjarigen
1- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2019 te [geboorteplaats] ;
2- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2021 te [geboorteplaats] ;
binnen drie dagen na deze beschikking dient terug te verhuizen naar [plaats 1] ;




5.2.
bepaalt dat genoemde minderjarigen voorlopig hun hoofdverblijf hebben bij de vrouw;



5.3.
bepaalt dat de vrouw binnen drie dagen na deze beschikking bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning, gelegen aan de [adres 2] , en beveelt de man die woning binnen drie dagen na deze beschikking te verlaten en deze verder niet te betreden;



5.4.
bepaalt dat de man genoemde minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar als volgt:


In het weekend van 6 en 7 juni 2026 zal de man op zaterdag 6 juni 2026 de kinderen van 13.00 uur tot 17.00 uur bij zich hebben. De man zal de kinderen rond 13.00 uur ophalen bij de vrouw en tegen 17.00 uur naar de woning terugbrengen.


In het weekend van 13 en 14 juni 2026 zullen de kinderen op zaterdagmiddag 13 juni 2026 om 17.00 uur door de man bij de vrouw worden opgehaald en op zondag 14 juni 2026 om 17.00 uur door hem worden teruggebracht. Indien de man nog niet voor overnachting kan zorgdragen zal de man de vrouw daarvan op de hoogte stellen zodat omgang alleen zal plaatsvinden op zondag van 10.00 uur tot 17.00 uur;


Vanaf 19 juni 2026 geldt een 14 daagse regeling; de man haalt de kinderen op 19 juni 2026 op na het avondeten, rond 19.00 uur. Hij zal de kinderen terugbrengen op 21 juni om 17.00 uur. De kinderen eten dan bij de vrouw.


Dit alles onder de voorwaarde dat de man bij het ophalen van de kinderen de woning niet zal binnentreden. Ouders zullen elkaar vriendelijk begroeten maar geen gesprekken aan de deur met elkaar gaan voeren


In de vakantieperiode zal gelden dat de ouders ieder het recht hebben 2 volle aaneengesloten weken met de kinderen op vakantie te gaan binnen Europa waarbij zij in onderling overleg de weken zullen afspreken. Buiten die weken geldt de gewone 14 daagse contactregeling. Die regeling zal verder worden besproken tijdens de zitting in de bodemprocedure.





5.5.

bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage voor de verzorging en opvoeding van
genoemde minderjarige met ingang van de datum van deze beschikking wordt vastgesteld op
€ 440,= (vierhonderdveertig euro) per maand per kind, aan de vrouw voor de toekomst bij
vooruitbetaling te voldoen;




5.6.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;



5.7.
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;



5.8.
wijst af het meer of anders verzochte.


Deze beschikking is gegeven door mr. Van Leuven, en, in aanwezigheid tegenwoordigheid van mr. Van der Plas, griffier, in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2026.




Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:



door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,


door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.



Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.