Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2026:585
2026-06-12
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
26/00005
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Ondernemingsrecht. Enquêterecht. Procesrecht. Ex parte getroffen onmiddellijke voorzieningen (art. 2:349a BW). Schending van recht op eerlijk proces (art. 19 lid 1 Rv en art. 6 EVRM)? Staat als belanghebbende. Onaanvaardbare doorkruising van bestuursrechtelijke kader? Voorlopig oordeel dat sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan juist beleid en juiste gang van zaken. Proportionaliteit en subsidiariteit van onmiddellijke voorzieningen. Reikwijdte van mededelingenverbod (art. 28 Rv).
Citeert (177)
- ECLI:NL:HR:2015:1128 Hoge Raad 24-04-2015
- ECLI:NL:HR:2007:BA0033 Hoge Raad 29-06-2007
- ECLI:NL:HR:2016:2456 Hoge Raad 04-11-2016
- ECLI:NL:HR:2020:600 Hoge Raad 03-04-2020
- ECLI:NL:HR:2003:AF9440 Hoge Raad 06-06-2003
- ECLI:NL:HR:2022:1705 Hoge Raad 18-11-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2019:1535 Gerechtshof Amsterdam 30-04-2019
- ECLI:NL:HR:2007:AZ9324 Hoge Raad 20-04-2007
- ECLI:NL:HR:2018:652 Hoge Raad 20-04-2018
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2738 Gerechtshof Amsterdam 01-10-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2739 Gerechtshof Amsterdam 07-10-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2740 Gerechtshof Amsterdam 08-10-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2742 Gerechtshof Amsterdam 13-10-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2752 Gerechtshof Amsterdam 13-10-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2026:318 Gerechtshof Amsterdam 11-02-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2026:508 Gerechtshof Amsterdam 17-02-2026
- ECLI:NL:HR:2003:AF9440 Hoge Raad 06-06-2003
- ECLI:NL:PHR:2025:436 Parket bij de Hoge Raad 11-04-2025
- ECLI:NL:HR:2025:907 Hoge Raad 13-06-2025
- ECLI:NL:HR:2000:AA7245 Hoge Raad 27-09-2000
- ECLI:NL:HR:1990:AC1233 Hoge Raad 10-01-1990
- ECLI:NL:HR:2018:2395 Hoge Raad 21-12-2018
- ECLI:NL:HR:2018:2321 Hoge Raad 14-12-2018
- ECLI:NL:PHR:2020:925 Parket bij de Hoge Raad 09-10-2020
- ECLI:CE:ECHR:2009:1015JUD001705606
- ECLI:NL:PHR:2007:AZ9324 Parket bij de Hoge Raad 20-04-2007
- ECLI:NL:HR:2007:AZ9324 Hoge Raad 20-04-2007
- ECLI:NL:HR:2018:2321 Hoge Raad 14-12-2018
- ECLI:NL:HR:2007:AZ9324 Hoge Raad 20-04-2007
- ECLI:NL:HR:2007:AZ9324 Hoge Raad 20-04-2007
- ECLI:NL:HR:2018:2321 Hoge Raad 14-12-2018
- ECLI:NL:HR:2018:2321 Hoge Raad 14-12-2018
- ECLI:NL:HR:2018:1414 Hoge Raad 31-08-2018
- ECLI:NL:HR:2014:3533 Hoge Raad 05-12-2014
- ECLI:NL:HR:2007:AZ9324 Hoge Raad 20-04-2007
- ECLI:NL:PHR:2007:AZ9324 Parket bij de Hoge Raad 20-04-2007
- ECLI:NL:HR:2007:AZ9324 Hoge Raad 20-04-2007
- ECLI:NL:PHR:2020:925 Parket bij de Hoge Raad 09-10-2020
- ECLI:NL:HR:2010:BK5989 Hoge Raad 19-02-2010
- ECLI:NL:HR:2010:BK5989 Hoge Raad 19-02-2010
- ECLI:NL:HR:2018:1414 Hoge Raad 31-08-2018
- ECLI:NL:HR:2018:2321 Hoge Raad 14-12-2018
- ECLI:NL:HR:2007:AZ9324 Hoge Raad 20-04-2007
- ECLI:CE:ECHR:2009:1015JUD001705606
- ECLI:NL:PHR:2020:925 Parket bij de Hoge Raad 09-10-2020
- ECLI:NL:HR:2023:1283 Hoge Raad 22-09-2023
- ECLI:NL:HR:2005:AR8899 Hoge Raad 04-02-2005
- ECLI:NL:HR:2026:403 Hoge Raad 13-03-2026
- ECLI:NL:HR:2018:2321 Hoge Raad 14-12-2018
- ECLI:NL:HR:2007:AZ9324 Hoge Raad 20-04-2007
- ECLI:NL:PHR:2020:925 Parket bij de Hoge Raad 09-10-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2023:2477 Gerechtshof Amsterdam 23-10-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2020:1088 Gerechtshof Amsterdam 16-04-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2007:BA4395 Gerechtshof Amsterdam 03-05-2007
- ECLI:NL:HR:2009:BJ7322 Hoge Raad 20-11-2009
- ECLI:NL:HR:2007:AZ8210 Hoge Raad 30-03-2007
- ECLI:NL:HR:2009:BJ7322 Hoge Raad 20-11-2009
- ECLI:NL:HR:2007:AZ8210 Hoge Raad 30-03-2007
- ECLI:NL:PHR:2020:925 Parket bij de Hoge Raad 09-10-2020
- ECLI:NL:HR:2023:199 Hoge Raad 10-02-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Awb art. 5:21Awb art. 5:7BW art. 2:231 lid 1BW art. 2:239 lid 5BW art. 2:239 lid 6BW art. 2:250 lid 1BW art. 2:298 lid 2BW art. 2:298BW art. 2:344BW art. 2:345 lid 1BW art. 2:345 lid 2BW art. 2:345BW art. 2:346 lid 2BW art. 2:348BW art. 2:349 lid 1BW art. 2:350 lid 1BW art. 2:350 lid 4BW art. 2:350BW art. 2:351BW art. 2:352 lid 1BW art. 2:353 lid 1BW art. 2:353 lid 2BW art. 2:353 lid 3BW art. 2:355 lid 1BW art. 2:355 lid 3BW art. 2:355 lid 4BW art. 2:355BW art. 2:356BW art. 2:8 lid 1BW art. 2:8BW art. 3:353 lid 3EVRM art. 6EVRM art. 8Rv art. 19 lid 1Rv art. 19Rv art. 195Rv art. 22Rv art. 223Rv art. 24Rv art. 25Rv art. 254Rv art. 261Rv art. 27 lid 1Rv art. 279 lid 1Rv art. 279 lid 3Rv art. 279Rv art. 28 lid 1Rv art. 28 lid 2Rv art. 28Rv art. 282 lid 1Rv art. 282 lid 4Rv art. 284 lid 1Rv art. 284Rv art. 29 lid 2Rv art. 29Rv art. 31 lid 4Rv art. 32 lid 3Rv art. 358 lid 2Rv art. 399Rv art. 426 lid 4Rv art. 426Rv art. 700Rv art. 705Rv art. 800 lid 3Rv art. 809 lid 3Rv art. 838Sr art. 272 lid 1Sr art. 272 lid 2Sr art. 272Sr art. 42 lid 1WOR art. 30
Volledige tekst
Volledige tekst (462.674 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 26/00005
Zitting 12 juni 2026
CONCLUSIE
B.F. Assink
In de zaak
[bestuurder/CEO] (hierna: [bestuurder/CEO])
tegen
1Nexperia Holding B.V. (hierna: Nexperia Holding)
2. Nexperia B.V. (Nexperia Holding en Nexperia B.V. gezamenlijk hierna: Nexperia, in vrouwelijk enkelvoud)
3. Yuching Holding Limited (hierna: Yuching)
4. [verweerder 4] (hierna: [verweerder 4])
5. De ondernemingsraad van Nexperia B.V. (hierna: de OR)
6. De Staat der Nederlanden, Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (hierna: de Staat of EZ)
1Inleiding en samenvatting
1.1
Deze zaak betreft het ingrijpen van de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam (hierna: de OK) op grond van het enquêterecht bij Nexperia, twee Nederlandse vennootschappen die een multinationale onderneming drijven in de halfgeleider- en chipindustrie. De zaak speelt tegen de achtergrond van economische en geopolitieke belangen van China, Nederland en andere lidstaten van de Europese Unie (hierna: de EU), en de Verenigde Staten (hierna: de VS). Op de keper beschouwd, is het echter ‘gewoon’ een enquêteprocedure (primair) gericht op het belang van Nexperia.
1.2
In korte tijd heeft de OK in deze zaak, desverzocht en kort gezegd, de volgende vijf beschikkingen gegeven.
- Bij beschikking van 1 oktober 2025 heeft de OK onder meer bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog ex parte, totdat na een op 6 oktober 2025 te houden mondelinge behandeling op het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen zal zijn beslist, [bestuurder/CEO] als bestuurder van Nexperia geschorst. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden met gesloten deuren en de OK heeft het partijen, belanghebbenden en anderen die kennis hebben of zullen krijgen van de procedure verboden aan derden mededelingen omtrent de procedure te doen.
- Bij kop-staart-beschikking van 7 oktober 2025 heeft de OK onder meer bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog voor de duur van de procedure [bestuurder/CEO] als bestuurder van Nexperia geschorst en een niet-uitvoerende bestuurder van Nexperia benoemd met beslissende stem en bepaald dat deze bestuurder zelfstandig bevoegd is Nexperia te vertegenwoordigen. De OK heeft het mededelingenverbod gehandhaafd.
- Bij beschikking van 8 oktober 2025 heeft de OK onder meer het mededelingenverbod gedeeltelijk opgeheven.
- Bij beschikking van 13 oktober 2025 heeft de OK het mededelingenverbod geheel opgeheven.
- Bij beschikking van eveneens 13 oktober 2025 heeft de OK de beschikkingen van 7 en 8 oktober 2025 nader uitgewerkt.
1.3
[bestuurder/CEO] heeft cassatieberoep ingesteld van deze vijf OK-beschikkingen. Daarop ziet deze conclusie. [bestuurder/CEO] klaagt, m.i. tevergeefs, over schending van zijn recht op een eerlijk proces (onderdeel 1), over de toelating van EZ als belanghebbende (onderdeel 2), over het voorlopig oordeel dat sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia (onderdeel 3), over de getroffen onmiddellijke voorzieningen (onderdeel 4), en over de reikwijdte van het mededelingenverbod (onderdeel 5).
1.4
Yuching, de enig aandeelhouder van Nexperia Holding onder bestuur van [bestuurder/CEO] en zijn echtgenote en met [bestuurder/CEO] als indirect controlerend aandeelhouder, heeft eveneens cassatieberoep ingesteld van deze vijf OK-beschikkingen. Yuchings aandelen in Nexperia Holding zijn door de OK bij wijze van onmiddellijke voorziening, aanvankelijk ook ex parte totdat na de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025 op het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen zal zijn beslist, overgedragen ten titel beheer, welke voorziening vervolgens voor de duur van de procedure minus één aandeel is gehandhaafd. De cassatieklachten van Yuching overlappen grotendeels met het onderhavige cassatieberoep van [bestuurder/CEO] . Het cassatieberoep van Yuching betreft de samenhangende zaak 25/04297. Daarin concludeer ik vandaag eveneens, kort gezegd, tot verwerping van het cassatieberoep.
1.5
[bestuurder/CEO] en Yuching hebben ook ieder cassatieberoep ingesteld van twee nadere OK-beschikkingen in de onderhavige enquêteprocedure, waarbij (i) de OK een onderzoek heeft bevolen naar het beleid en de gang van zaken bij Nexperia en (ii) vervolgens twee onderzoekers heeft aangewezen. Over die cassatieberoepen gaan de onderhavige conclusie en voornoemde conclusie in de samenhangende zaak 25/04297 niet.
2Feiten
In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, ontleend aan rov. 2.1-2.29 van de OK-beschikking van 13 oktober 2025 met de nadere uitwerking van de OK-beschikkingen van 7 en 8 oktober 2025.
2.1
Deze zaak gaat over Nexperia, twee Nederlandse vennootschappen (Nexperia Holding en Nexperia B.V.) die actief zijn in de halfgeleider- en chipindustrie (spin-offs van NXP). Wereldwijd zijn bij Nexperia ongeveer 12.500 mensen werkzaam, van wie ongeveer 400 in Nederland. Sinds 2016 worden de aandelen in Nexperia (middellijk) gehouden door een Chinese partij. Eind 2023 heeft Nexperia contact opgenomen met EZ om steun te zoeken en volledig erkend te worden als Nederlands/Europees halfgeleiderbedrijf. Achtergrond is dat haar onderneming belemmeringen ervoer door de omstandigheid dat de enig aandeelhouder van Nexperia Holding, Yuching, een Chinese vennootschap is. Sinds 2024 is Nexperia daartoe in overleg met EZ over bepaalde herzieningen in de governance. Aan toezeggingen die Nexperia in dat verband aan EZ heeft gedaan, heeft zij weinig opvolging gegeven. Met ingang van 31 december 2024 is [A] Co., Ltd. (hierna: [A]), de indirecte Chinese aandeelhouder van Nexperia, door de VS op de zogeheten U.S. Entity List geplaatst, met als gevolg dat [A] is onderworpen aan bepaalde verstrekkende handelsbeperkingen. Sinds juni 2025 was Nexperia op de hoogte van het risico dat ook zijzelf zou worden onderworpen aan Amerikaanse handelssancties op grond van de zogenoemde 50%-rule, die kort gezegd inhoudt dat genoemde handelsbeperkingen ook gelden voor vennootschappen waarvan de aandelen voor 50% of meer worden gehouden door (rechts)personen op de U.S. Entity List. Op 30 september 2025 is de 50%-rule gepubliceerd en op Nexperia van toepassing verklaard, met als gevolg dat zij in beginsel na 60 dagen zal zijn onderworpen aan Amerikaanse handelsbeperkingen. Op dezelfde dag heeft de minister van (toen nog) Economische Zaken (hierna: de minister) op grond van de Wet beschikbaarheid goederen (hierna: de Wbg) een besluit genomen, bevattende een tot Nexperia gericht bevel tot behoud van haar onderneming en productiemiddelen (hierna: het bevel).
2.2
In deze enquêteprocedure betoogt Nexperia, bij monde van haar bestuurder [verweerder 4] , dat gegronde redenen bestaan om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia. De desbetreffende klachten hebben onder meer betrekking op de implementatie van de afspraken met EZ tegen de achtergrond van de groeiende risico’s dat Nexperia zou worden onderworpen aan de 50%-rule. Verder wordt geklaagd over tegenstrijdigbelangtransacties die zouden zijn aangegaan op instructie van [bestuurder/CEO] , bestuurder van Nexperia en indirect (via [A] ) controlerend aandeelhouder van Yuching, en over onverhoedse wijzigingen in het management en het plotseling intrekken van bankvolmachten. De OR wijst onder meer op schending van het adviesrecht op grond van de Wet op de ondernemingsraden (hierna: de WOR) met betrekking tot het aangekondigde ontslag van bestuurder [verweerder 4] .
2.3
Nexperia drijft een wereldwijd opererend halfgeleiderbedrijf met hoofdkantoor in Nijmegen. Nexperia heeft verschillende dochterondernemingen. Zo heeft zij in Manchester en in Hamburg productiefaciliteiten voor wafers (zogeheten wafer fabs). Een wafer is een dunne schijf van halfgeleidermateriaal, meestal silicium, die wordt gebruikt als basis voor het vervaardigen van micro-elektronische componenten. De back end-activiteiten van Nexperia, dat wil zeggen de assemblage en het testen van de producten, vindt plaats in fabrieken in Dongguan (China), Cabuyao (de Filipijnen) en Seremban (Maleisië). De front end-productie van Nexperia voor onder meer de Chinese markt is ondergebracht bij Shanghai Jiangzin Technology Co., Ltd (hierna: WSS). In Nederland ontwerpt, ontwikkelt en verbetert Nexperia de chips en machines voor de afwerking van die chips. Nexperia heeft R&D-centra (research & development) in onder meer Nederland (Delft), Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, de VS, China, Maleisië, de Filipijnen en Japan.
2.4
Nexperia Holding is opgericht op 6 december 2016 en heeft een monistisch bestuur (one tier board). [bestuurder/CEO] is niet-uitvoerende bestuurder en voorzitter van het bestuur van Nexperia Holding, [verweerder 4] is uitvoerende bestuurder van Nexperia Holding. Nexperia Holding is enig aandeelhouder van Nexperia B.V., opgericht op 20 juni 2016. Het bestuur van Nexperia B.V. bestaat uit [bestuurder/CEO] (uitvoerende bestuurder; CEO) en [verweerder 4] (uitvoerende bestuurder; CLO).
2.5
Op 21 maart 2021 is voor Nexperia B.V. een concept-bestuursreglement opgesteld dat feitelijk geldt als bestuursreglement (hierna: het bestuursreglement Nexperia B.V.). Hierin staat onder meer:
“3.1. The CEO is entrusted with all of the Board’s powers, authorities and discretions (including the power to sub-delegate) other than the powers explicitly retained by the Board or the Board Committees. Matters not expressly included in [article], 1.2 and[/] or in the Board Committee charters shall be validly resolved upon by the CEO and no further resolutions, approvals or other involvement of the Board shall be required.
3.2.
Subject to the limitations in these Board Rules, the CEO is entrusted with all the Board’s powers, authorities and discretions (including the power to sub-delegate) in relation to the operational running of the Company, particularly such matters as: (i) the operational running of the Nexperia Group, (ii) profit responsibility of the Nexperia Group, and (iii) managing business performance.”
2.6
Yuching, een rechtspersoon naar het recht van Hong Kong, is enig aandeelhouder van Nexperia Holding. [bestuurder/CEO] en zijn echtgenote zijn bestuurder van Yuching. Alle aandelen in Yuching worden indirect gehouden door [A] . [A] is genoteerd aan de Shanghai Stock Exchange en wordt gereguleerd door de Chinese Securities Regulatory Commission (hierna: de CSRC). [bestuurder/CEO] houdt (indirect) ongeveer 15% van de aandelen in [A] en geldt als controlerend aandeelhouder. 30% van de aandelen in [A] wordt gehouden door Chinese landelijke en regionale overheden en gelieerde investeringsfondsen. De overige aandelen in [A] betreffen free float.
2.7
In 2020 heeft [bestuurder/CEO] WSS opgericht. WSS is gevestigd te Shanghai en exploiteert een productiefaciliteit voor wafers, waar inmiddels een gedeelte van de front end-productie van Nexperia is ondergebracht. Daartoe hebben WSS en Nexperia B.V. op 4 april 2023 een Foundry Services Agreement getekend (hierna: de FSA).
2.8
In de afgelopen jaren is het publieke sentiment rondom de (Chinese) eigendomsstructuur van Nexperia negatiever geworden. De bedrijfsvoering van Nexperia ondervindt hiervan negatieve gevolgen, in het bijzonder in Europa en in de VS. Eind 2023 heeft Nexperia daarom contact opgenomen met EZ en verzocht om hulp bij de erkenning van Nexperia als Nederlands (Europees) halfgeleiderbedrijf. In januari 2024 zijn in dit kader gesprekken opgestart tussen EZ en Nexperia.
2.9
In 2024 heeft [betrokkene 1] , op dat moment bestuurder en CLO bij Nexperia, Nexperia verlaten. In zijn plaats is [verweerder 4] als bestuurder en CLO van Nexperia benoemd. Na contact met EZ is de zus van [bestuurder/CEO] teruggetreden als bestuurder van Nexperia.
2.10
Op 17 april 2024 hebben [bestuurder/CEO] en [betrokkene 2] , hoofd Corporate Affairs van Nexperia, (hierna: [betrokkene 2]) een brief aan EZ gezonden waarin zij uiteenzetten welke afspraken met EZ zijn gemaakt om het ‘perceptieprobleem’ aan te pakken. Dit zijn de volgende:
“1. Het aantal statutaire directeuren van Nexperia Holding B.V. en Nexperia B.V. is nu teruggebracht van drie naar twee, te weten [ [bestuurder/CEO] ], CEO, en [ [verweerder 4] ], Chief Legal Officer.
2. De installatie van een Raad van Commissarissen (RvC) op het niveau van Nexperia Holding B.V., de moedermaatschappij van de Nexperia-groep. Het belangrijkste doel van deze RvC is te zorgen voor goed toezicht en controles op het gebied van:
a. Bescherming van technologie en intellectuele eigendom;
b. Bescherming van gevoelige gegevens; en
c. Bescherming van de IT-infrastructuur van Nexperia.
3. De verdere versterking van ons informatiebeveiligingsbeleid door de implementatie van een robuuste organisatie die voldoet aan onze eisen en die van uw ministerie. De organisatie omvat de benoeming van een Information Security Committee onder leiding van een Chief Security Officer.”
Verder schrijven zij in deze brief:
“Deze maatregelen hebben een forse en onomkeerbare impact op de manier waarop we ons bedrijf voeren en illustreren onze bereidheid om het huidige perceptieprobleem aan te pakken. Wij zijn blij met het bericht van uw ministerie dat deze maatregelen zullen leiden tot het wegnemen van de zorgen en daarmee samenhangende beperkingen waarmee Nexperia zowel in Nederland als in andere westerse landen wordt geconfronteerd, en tot de erkenning en ondersteuning van Nexperia als gewaardeerde investeerder in de Nederlandse economie.”
2.11
Op 30 april 2024 heeft Nexperia een uitwerking van deze afspraken aan EZ gepresenteerd. Onderdeel daarvan zou zijn het afsplitsen van de Nederlandse activiteiten en werknemers naar een nieuwe structuurvennootschap. Verder stelde Nexperia een diversificatie van het aandeelhoudersbestand voor, erop neerkomend dat eerst een ‘westerse’ minderheidsaandeelhouder een belang zou verwerven, gevolgd door een beursgang. Op het niveau van Nexperia Holding zou in 2024 een raad van commissarissen worden geïntroduceerd. Belangrijk onderdeel van de voorstellen waren de zogeheten reserved matters, dat wil zeggen besluiten van Nexperia Holding die zouden worden onderworpen aan goedkeuring door de raad van commissarissen. De lijst van reserved matters was afgestemd met [bestuurder/CEO] , die zelf niet aanwezig kon zijn, en kwam neer op de volgende:
2.12
In vervolg op deze bijeenkomst hebben Nexperia en EZ conceptdocumentatie gedeeld ter implementatie van deze plannen. Nexperia heeft drie kandidaat-commissarissen geselecteerd die konden rekenen op de goedkeuring van EZ.
2.13
Bij brief van 19 augustus 2024 heeft de minister bevestigd dat de zorgen die leven in het bedrijfsleven, bij overheden en bij kennisinstellingen adequaat worden aangepakt met behulp van de overeengekomen maatregelen. De minister schrijft onder meer:
“Nexperia heeft een belangrijke positie in het Nederlandse en Europese ecosysteem van de halfgeleiderindustrie. Wij onderschrijven uw inzet om als Nederlandse onderneming door te groeien en zich zowel in marktsegmenten en technologie door te ontwikkelen. De strategische visie van uw bestuur en de bereidheid om de dialoog verder voort te zetten geven hier blijk van. In combinatie met de hierboven genoemde maatregelen vormt dit een vertrouwenwekkende basis voor onze verdere samenwerking. Daarmee beschouw ik Nexperia Holding B.V., en de dochtermaatschappijen van deze groep, als een volwaardige onderneming binnen de Nederlandse halfgeleiderindustrie. Waar nodig zal het ministerie dit ook kenbaar maken aan relevante partijen zoals andere overheden, kennisinstellingen en bedrijfsleven. In voorkomend geval kunt u ook verwijzen naar mijn ambtenaren indien derden om een nadere toelichting van deze brief vragen.”
2.14
[bestuurder/CEO] heeft een (Chinees) advocatenkantoor, Fangda Partners, ingeschakeld om te adviseren over de voorgenomen herziene governance. Tussen 30 augustus en 6 september 2024 is er e-mailcontact geweest tussen [betrokkene 3] , destijds Head of Legal bij [A] , (hierna: [betrokkene 3]) en [verweerder 4] over een door Fangda Partners opgestelde vragenlijst met betrekking tot de governanceherziening en gesprekken met EZ. In een e-mail van 30 augustus 2024 schreef [betrokkene 3] onder meer:
“the current proposal of Supervisory board requires quite some changes as the current one will be difficult to implement given the impact it will have on Nexperia company operation and also shareholder control.”
2.15
Op 28 september 2024 heeft een bespreking plaatsgevonden bij Nexperia waarbij het hoger management en [betrokkene 3] aanwezig waren. EZ was hierbij niet aanwezig. Tijdens deze bespreking is geconcludeerd dat de voorliggende governanceherziening niet acceptabel was. [verweerder 4] is vervolgens geïnstrueerd om met EZ te onderhandelen over het achterwege laten van de reserved matters.
2.16
Begin december 2024 werd bekend dat [A] met ingang van 31 december 2024 door het Bureau of Industry and Security (onderdeel van het Amerikaanse Ministerie van Handel) op de zogeheten U.S. Entity List was gezet. Gevolg hiervan was dat [A] werd blootgesteld aan verstrekkende handelsbeperkingen. [A] heeft vervolgens besloten om haar divisie Original Design Manufacturing af te stoten en zich uitsluitend nog te richten op halfgeleideractiviteiten.
2.17
Bij e-mail van 20 december 2024 heeft een ambtenaar van EZ aan onder anderen [betrokkene 2] en [verweerder 4] geschreven dat de steun van de Nederlandse overheid in het licht van de plaatsing van [A] op de U.S. Entity List van groter belang werd en dat die steun “unequivocal measures to be developed, adopted and implemented by Nexperia” vereiste, waarbij de afspraken tussen EZ en Nexperia nog eens werden samengevat. Verder werd namens de minister geschreven:
“Key is the notion that the Nexperia group has an operational independence from its listed shareholder, has an effective and coherent security and information policy both regarding cyber security as well as insider threats and finally has some form of internal supervision which provides for effective protection of these aspects. These measures should be in line with and build upon the measures the Dutch authorities already indicated in its letter of August 2024.”
2.18
Bij e-mail van 28 maart 2025 heeft [verweerder 4] aan EZ onder meer geschreven:
“A clear/unconditional guarantee in relation to the Dutch/European identity/presence cannot be given since this would restrict the shareholder’s control rights too much as well as would also limit the company’s flexibility in relation to its business needs/plans in an unreasonable manner.”
2.19
Namens EZ is hierop bij e-mail van 28 april 2025 geantwoord dat:
“it is essential that the company and its CEO clearly choose to maintain its European and Dutch footprint. (…) For further assistance and help from our side there must be more sufficient assurance by the company and its CEO. This needs to be clarified as well as a clear engagement to implement the broader measures as discussed.”
2.20
In gesprekken en e-mails van onder meer 5 juni 2025 heeft EZ Nexperia geïnformeerd over de mogelijk op korte termijn door de VS in te voeren 50%-rule die ook voor Nexperia tot directe handelsbeperkingen zou kunnen leiden. In deze e-mail staat onder meer:
“Mocht Nijmegen een ontheffingsverzoek indienen, dan heeft VS aangegeven dat het met name zal kijken naar (1) de mitigatiemaatregelen om de overdracht van US IP, technologie, kennis en capaciteiten naar het land van zorgen te beperken (...).”
2.21
Op (onder meer) 12 juni 2025 heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken (hierna: BZ) gesproken met het Bureau of International Security and Nonproliferation van de VS. In het gespreksverslag staat onder andere dat voor de VS een belangrijk punt is:
“dat aan de buitenkant geen zichtbare maatregelen zijn genomen. Dat een divestment tijd kost is begrijpelijk (...) maar dat de CEO van het bedrijf nog steeds diezelfde Chinese eigenaar is, is problematisch. Gesprekspartner en team herhalen meermaals het punt van de CEO. (...) Het is vrijwel zeker dat de CEO zal moeten worden vervangen om in aanmerking te komen voor de uitzondering op de entity list.”
2.22
In lijn met de strategie om te (kunnen) produceren in zowel Europa als in China, plaatste Nexperia geregeld wafer orders bij WSS. Deze orders werden geplaatst op basis van het raamwerk dat in de FSA was overeengekomen. WSS bevond zich in 2025 in een lastige financiële positie.
2.23
Op 4 september 2025 heeft [betrokkene 3] op instructie van [bestuurder/CEO] medegedeeld dat de bankvolmachten van drie financiële functionarissen waren ingetrokken, onder wie die van CFO [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4]), tevens lid van het Enterprise Management Team (hierna ook: het EMT), en die van de Group Treasurer. In hun plaats werd een bankvolmacht verleend aan drie personen zonder bijzondere financiële ervaring. Onder hen is een persoon die geen werknemer van Nexperia is en een medewerker met een ESG-achtergrond. In reactie hierop heeft [betrokkene 4] ervoor gewaarschuwd dat dit zou leiden tot “significant operational impact”. [betrokkene 4] heeft gewezen op de fiscale gevolgen, de gevolgen voor het cash management, hedging risico’s en het risico op fouten en vertragingen indien het financiële beheer in handen zou komen van personen zonder financiële ervaring.
2.24
Naar aanleiding van het intrekken van de bankvolmachten heeft [verweerder 4] bij e-mail van 5 september 2025 aan onder anderen [bestuurder/CEO] en [betrokkene 3] geschreven:
“I am deeply concerned about the developments and interactions on this topic and believe that these do not reflect good governance and are not in the best interests of Nexperia. In my role as Chief Legal Officer and member of the board, it is my duty to advise on this to ensure we all act in the interest of Nexperia and, for board members specifically, to act in line with their fiduciary duties to Nexperia.
My key concern is that, in the context of a meaningful project on enhancing controls and decision making with the treasury team, a request is made to change the authorizations for banking transactions to individuals that have no clear role, no responsibility and, at least to my knowledge, no proper background in Nexperia’s treasury operations. This request is further made without explanation as to the reason why this change is needed. The input that was subsequently provided in response to [betrokkene 4] ’s [ [betrokkene 4] , A-G] questions and remarks does not convince and leaves unanswered why this change to become signatories is suggested and how this is embedded in the organization (chain of command/ lines of responsibility). From a governance and control perspective, I believe these to be fundamental points to be addressed.
These banking authorizations are key to a properly functioning treasury operation and changes to that should be made carefully and with involvement of the CFO and the head of treasury. Within our organization, they bear responsibility for the treasury function. Moving away their authority to enter into banking transactions is a fundamental change that should carefully be considered. These changes therefore warrant robust argumentation and decision making.
[betrokkene 4] has clearly indicated his concerns and demonstrated that this change is not in the interest of Nexperia and conflicts with his (...) responsibilities and duties as CFO and head of treasury respectively. I agree with those concerns.”
2.25
Op 9 september 2025 heeft [bestuurder/CEO] aan [verweerder 4] geschreven:
“As you are aware, the Nexperia Group is undergoing a period of significant transition. (...) Only with a shared vision and unity in execution can we implement the necessary changes effectively and ensure the organization is futureproof.
As part of this strategic reorientation, we have also assessed the extent to which key individuals are aligned with the strategic direction of the organization. In your case, we have observed that your approach diverges from the course envisioned by the Board on several key points.
It is our conclusion that your current role is no longer aligned with the requirements of this phase of transition and commercial focus. (...) We therefore aim to terminate your employment agreement and statutory positions.”
2.26
De OR is niet in kennis gesteld van het voorgenomen ontslag van [verweerder 4] als bestuurder van Nexperia.
2.27
Op 11 september 2025 heeft [bestuurder/CEO] brieven met vergelijkbare inhoud verzonden aan [betrokkene 4] en [betrokkene 5] (COO, lid van het EMT) (hierna: [betrokkene 5]). [verweerder 4] , [betrokkene 4] en [betrokkene 5] zijn niet akkoord gegaan met de aan hen aangeboden vaststellingsovereenkomsten.
2.28
In september 2025 heeft het Global Head Finance na 39 jaar bij (de voorlopers van) Nexperia ontslag genomen. In zijn ontslagbrief schrijft hij onder meer:
“Given the recent decisions to replace a Key Number of European EMT Members, I feel the Mgt Culture but also the Company is now a purely Chinese Company where (executive) leaders are expected to literally execute top-down decisions in a micro managed way. This Style of Mgt may be common in Local Chinese Companies but surely is not in Global companies.”
2.29
Bij besluit van 30 september 2025 heeft de minister het bevel op grond van de Wbg aan Nexperia gegeven.
2.30
Op 30 september 2025 heeft de Amerikaanse overheid de 50%-rule gepubliceerd op basis waarvan entiteiten die (direct of indirect) voor 50% of meer in handen zijn van een entiteit op de U.S. Entity List zijn onderworpen aan dezelfde exportcontrolevereisten als de entiteiten op de U.S. Entity List. Als gevolg hiervan dient iedere partij die enig product of enige technologie waarop exportcontrolerestricties van toepassing zijn, wil uitvoeren naar of overdragen aan Nexperia, hiervoor een vergunning van het U.S. Bureau of Industry and Security te verkrijgen, waarbij als uitgangspunt geldt dat de vergunning wordt geweigerd. De productie- en R&D-locaties van Nexperia in China, Maleisië en de Filipijnen vallen met onmiddellijke ingang onder deze nieuwe regels, terwijl de regels voor Nexperia pas na 60 dagen zullen gelden (dat wil zeggen met ingang van 28 november 2025). Deze regels kunnen aanzienlijke gevolgen hebben voor de R&D-inspanningen in de VS die waarschijnlijk aan dezelfde restricties onderhevig zullen zijn.
2.31
Op 4 oktober 2025 heeft de Chinese overheid exportrestricties opgelegd aan onderaannemers van Nexperia, alsmede aan de Chinese back end-productieorganisatie van Nexperia.
3Procesverloop
De ex parte-beschikking
3.1
Bij verzoekschrift van 1 oktober 2025 heeft Nexperia de OK, kort samengevat, verzocht een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van Nexperia en voor de duur van de procedure enkele onmiddellijke voorzieningen te treffen, waaronder de schorsing van [bestuurder/CEO] als bestuurder van Nexperia, het buiten toepassing verklaren van art. 3 bestuursreglement Nexperia B.V., de benoeming van een onafhankelijke niet-uitvoerende bestuurder met beslissende stem en zelfstandige vertegenwoordigingsbevoegdheid, en de overdracht van de door Yuching gehouden aandelen in Nexperia Holding aan een door de OK te benoemen beheerder. Nexperia heeft de OK verder verzocht het verzoek te behandelen met gesloten deuren, de zaak niet op te nemen in openbare overzichten van aanhangige zaken, geen mededelingen van de griffie aan derden over deze zaak te doen, partijen op de voet van art. 28 lid 1, aanhef en onder b Rv te verbieden aan derden mededelingen te doen omtrent deze procedure, en geen vertrouwelijke informatie op te nemen in de beschikking dan wel vertrouwelijke informatie weg te laten in de publicatieversie van de beschikking of aan derden te vertrekken. Bij brief van later die dag, 1 oktober 2025, heeft EZ het verzoek van Nexperia ondersteund en de OK met klem verzocht om het verzoek op de kortst mogelijke termijn toe te wijzen.
3.2
Bij beschikking van (eveneens) 1 oktober 2025 (hierna ook: de ex parte-beschikking) heeft de OK, kort samengevat:
a. bepaald dat het verzoek om onmiddellijke voorzieningen te treffen op maandag 6 oktober 2025 met gesloten deuren zal worden behandeld;
b. verzoeksters, verweersters, belanghebbenden en alle overige (rechts)personen die kennis hebben of op enig moment zullen krijgen van deze procedure verboden aan derden mededelingen te doen omtrent de procedure;
c. verstaan dat naar voorlopig oordeel gegronde redenen bestaan om te twijfelen aan een juist beleid of juiste gang van zaken bij Nexperia;
d. bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog totdat na de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025 op het verzoek onmiddellijke voorzieningen te treffen zal zijn beslist met ingang van heden:
(i) [bestuurder/CEO] als uitvoerende bestuurder van Nexperia Holding en als niet-uitvoerende bestuurder van Nexperia B.V. geschorst;
(ii) de werking van art. 3 bestuursreglement Nexperia B.V. geschorst;
(iii) bepaald dat alle aandelen in Nexperia Holding ten titel van beheer zijn overgedragen aan een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon;
e. iedere verdere beslissing aangehouden.
3.3
De OK heeft daartoe in de ex parte-beschikking als volgt overwogen:
“2.1 De Ondernemingskamer zal partijen oproepen voor een op 6 oktober 2025 te 13:00 uur te houden mondelinge behandeling van, vooralsnog, uitsluitend het verzoek om onmiddellijke voorzieningen te treffen.
2.2
Om redenen vermeld in paragraaf 1 van het verzoekschrift en in de brief van de Staat (p. 2 onder ‘Vertrouwelijkheid’) zal de Ondernemingskamer op de voet van art. 27 lid 1, aanhef en onder b, Rv bepalen dat het verzoek alsdan zal worden behandeld met gesloten deuren. De Ondernemingskamer zal om dezelfde redenen partijen en belanghebbenden verbieden aan derden mededelingen te doen omtrent deze procedure.
2.3
De Ondernemingskamer ziet in de bijzondere aard van het verzoek en de grote spoedeisendheid van de verzochte voorzieningen aanleiding reeds thans, voorafgaand aan de op maandag 6 oktober 2025, te 13:00 te houden mondelinge behandeling, en dus ex parte op de voet van artikel 2:349a lid 3 BW te beslissen op - een deel van - de verzochte voorzieningen.
2.4
Naar het voorlopig oordeel van de Ondernemingskamer zijn er gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van Nexperia c.s. (vgl. art. 2:349a lid 3 BW). De Ondernemingskamer verwijst ter nadere motivering naar hetgeen Nexperia c.s. daarover in hun verzoekschrift in paragraaf 2 (randnummer 9 tot en met 16) hebben vermeld, zoals uitgewerkt in het vervolg van het verzoekschrift en hetgeen is vermeld in het bevel van de minister van Economische Zaken van 30 september 2025 (bijlage 1 bij het verzoekschrift).
2.5
Wat betreft de spoedeisendheid verwijst de Ondernemingskamer naar hetgeen is vermeld in de brief van mr. Van der Schrie[c]k [advocaat van Nexperia, A-G] van 1 oktober 2025, p. 1 tot en met 5, eerste alinea. Op de gronden vermeld in het verzoekschrift, paragraaf 6 en 7 zal het verzoek worden toegewezen als in het dictum vermeld.
2.6
De Ondernemingskamer zal de zaak niet opnemen in openbare overzichten van aanhangige zaken en zal geen mededelingen aan derden over deze zaak doen.”
De kop-staart-beschikking
3.4
Bij verweerschrift van 5 oktober 2025 heeft EZ zich achter het verzoek van Nexperia geschaard. Bij verweerschrift van 6 oktober 2025 respectievelijk mondeling verweer ter zitting hebben [bestuurder/CEO] en Yuching de internationale bevoegdheid van de OK betwist. Subsidiair hebben zij verzocht om, kort samengevat, Nexperia niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek althans het verzoek af te wijzen, de in de ex parte-beschikking getroffen onmiddellijke voorzieningen per direct op te heffen en het verzoek om onmiddellijke voorzieningen van Nexperia af te wijzen. Voor zover de OK onmiddellijke voorzieningen treft, verzoekt Yuching [verweerder 4] te schorsen als bestuurder en een onafhankelijke bestuurder te benoemen die (namens [bestuurder/CEO] ) het concernbelang behartigt en bepaalde instructies ten aanzien van het bevel te verstrekken. [bestuurder/CEO] heeft eveneens als voorwaardelijk tegenverzoek schorsing van [verweerder 4] verzocht. Bij mondeling verweer ter zitting heeft de OR steun uitgesproken voor het verzoek van Nexperia.
3.5
Van het verhandelde ter zitting van de OK van 6 oktober 2025 is proces-verbaal opgemaakt. Aan het slot van de mondelinge behandeling heeft de OK medegedeeld dat op 7 oktober 2025 een verkorte beschikking zal worden gegeven en dat de nadere uitwerking daarvan zo spoedig mogelijk op schrift zal worden gesteld.
3.6
Bij beschikking van 7 oktober 2025 (hierna ook: de kop-staart-beschikking) heeft de OK, uitvoerbaar bij voorraad en voor zover relevant:
- de beslissingen in de ex parte-beschikking als bedoeld onder 3.2 sub b en c hiervoor gehandhaafd;
- de onmiddellijke voorzieningen in de ex parte-beschikking als bedoeld onder 3.2 sub d (i) t/m (iii) hiervoor verlengd tot vooralsnog de duur van de procedure, met dien verstande dat de onmiddellijke voorziening onder (iii) betrekking heeft op alle aandelen minus één in Nexperia Holding;
- bij wijze van onmiddellijke voorziening met onmiddellijke ingang, vooralsnog ook voor de duur van de procedure en voor zover nodig in afwijking van de statuten, G.R.C. Dierick benoemd tot niet-uitvoerende bestuurder van Nexperia met beslissende stem en bepaald dat deze bestuurder zelfstandig bevoegd is Nexperia te vertegenwoordigen (hierna ook: de OK-bestuurder);
- de verzoeken van Yuching en [bestuurder/CEO] afgewezen;
- iedere verdere beslissing aangehouden.
3.7
De OK heeft daartoe in de kop-staart-beschikking onder meer als volgt overwogen:
“3.1 De Ondernemingskamer is internationaal bevoegd kennis te nemen van het verzoek. Nexperia c.s. zijn ontvankelijk in hun verzoek.
3.2
Naar voorlopig oordeel van de Ondernemingskamer is sprake van gegronde redenen om aan een juist beleid en juiste gang van zaken te twijfelen, zoals bedoeld in artikel 2:349a lid 3 BW.
3.3
De Ondernemingskamer is van oordeel dat de toestand van Nexperia c.s. het noodzakelijk maakt de navolgende onmiddellijke voorzieningen te treffen.
3.4
De Ondernemingskamer zal bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog voor de duur van de procedure [bestuurder/CEO] schorsen als niet-uitvoerende bestuurder van Nexperia Holding en als uitvoerende bestuurder van Nexperia B.V.
3.5
De Ondernemingskamer zal de hierna te noemen persoon benoemen tot tijdelijk niet-uitvoerende bestuurder van Nexperia c.s. aan wie in het bestuur van Nexperia c.s. - voor zover nodig in afwijking van de statuten - een beslissende stem toekomt, wat betekent dat overeenkomstig die stem wordt besloten, ook als die stem afwijkt van de meerderheid van de uitgebrachte stemmen en die zelfstandig bevoegd is Nexperia c.s. te vertegenwoordigen.
3.6
Ook acht de Ondernemingskamer het noodzakelijk om bij wijze van onmiddellijke voorziening
en vooralsnog voor de duur van de procedure, de door Yuchin[g] Holding gehouden aandelen in Nexperia Holding, minus één aandeel, ten titel van beheer over te dragen aan nader te noemen beheerder van aandelen.
(…)
3.8
Verder acht de Ondernemingskamer het noodzakelijk om bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog voor de duur van de procedure de werking van artikel 3 van het bestuursreglement van Nexperia B.V. te schorsen, voor zover dit reglement van kracht is.
3.9
Voor het treffen van andere onmiddellijke voorzieningen ziet de Ondernemingskamer vooralsnog geen aanleiding.
(…).”
De opheffingsbeschikking I
3.8
Bij brief van 7 oktober 2025 heeft EZ op de voet van art. 28 lid 2 Rv verzocht om gedeeltelijke opheffing van het mededelingenverbod, vervat in de beslissing in de ex parte-beschikking als bedoeld onder 3.2 sub b hiervoor en gehandhaafd in de kop-staart-beschikking, namelijk voor zover dit in het kader van diplomatieke contacten (in het belang van de onderneming) nodig is. Bij e-mail van de OK van 7 oktober 2025 zijn partijen in staat gesteld uiterlijk 8 oktober 2025 om 10:00 uur op het verzoek van EZ te reageren. De OR en Nexperia hebben het verzoek van EZ gesteund. [bestuurder/CEO] en Yuching hebben per e-mail om uitstel gevraagd, waarna de OK uitstel heeft verleend tot 8 oktober 2025 om 12:00 uur. Bij e-mails van 8 oktober 2025 (respectievelijk 11:59 uur en 12:12 uur) hebben [bestuurder/CEO] en Yuching bezwaar gemaakt tegen het verzoek van EZ.
3.9
Bij beschikking van 8 oktober 2025 (hierna ook: de opheffingsbeschikking I) heeft de OK, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat het verbod tot het doen van mededelingen aan derden omtrent deze procedure gedeeltelijk wordt opgeheven, namelijk voor zover die mededelingen worden gedaan door of namens EZ in het kader van diplomatiek overleg met betrekking tot Nexperia in verband met deze zaak. Verder heeft de OK A.R.J. Croiset van Uchelen aangewezen als beheerder van de aandelen als bedoeld in de kop-staart-beschikking (hierna ook: de OK-beheerder).
3.10
De OK heeft daartoe in de opheffingsbeschikking I als volgt overwogen:
“2.1 De Ondernemingskamer stelt vast dat, gegeven de aan het enquêteverzoek ten grondslag liggende internationale problematiek en de positie waarin Nexperia c.s. zich thans bevinden, het voor Nexperia c.s. van groot belang is dat er op zo kort mogelijke termijn diplomatiek overleg kan plaatsvinden teneinde handelsbelemmeringen voor Nexperia c.s. zoveel mogelijk te voorkomen. Daarbij is noodzakelijk dat zijdens de Minister mededelingen gedaan kunnen worden over de stand van zaken in deze procedure en de gevolgen die dat heeft en mogelijk zal hebben voor de governance van Nexperia c.s. De Ondernemingskamer weegt daarbij mee dat Nexperia c.s. de noodzaak van diplomatiek overleg onderschrijven en dat zijdens de Minister van Economische Zaken is toegezegd dat hij alle ontvangers van informatie over onderhavige procedure zal wijzen op het verbod op het doen van mededelingen en hen zal verzoeken zich hieraan te houden. De Ondernemingskamer zal het verzoek van de Staat daarom toewijzen in die zin dat het verbod om mededelingen over deze procedure zal worden opgeheven voor zover die mededelingen worden gedaan door of namens de Staat (de Minister van Economische Zaken) in het kader van diplomatieke contacten met betrekking tot Nexperia c.s. in verband met deze zaak.
2.2
De Ondernemingskamer zal verder de hierna te vermelden persoon aanwijzen als beheerder van aandelen, één en ander zoals bedoeld in haar beschikking van 7 oktober 2025.”
De opheffingsbeschikking II
3.11
Bij brief van 13 oktober 2025 heeft EZ verzocht het voornoemde mededelingenverbod geheel op te heffen, onder verwijzing naar een bijgevoegd bericht dat door [A] in China zou zijn gepubliceerd. De OK-beheerder, Yuching en [bestuurder/CEO] hebben zich gerefereerd aan het oordeel van de OK. Nexperia heeft het verzoek van EZ gesteund.
3.12
Bij beschikking van 13 oktober 2025 (hierna ook: de opheffingsbeschikking II) heeft de OK, uitvoerbaar bij voorraad, het mededelingenverbod geheel opgeheven.
3.13
De OK heeft daartoe in de opheffingsbeschikking II als volgt overwogen:
“2.1 Bij beschikkingen van 1 en 7 oktober 2025 heeft de Ondernemingskamer het verbod om mededelingen te doen over deze procedure opgelegd. Het verbod is opgelegd om de betrokken partijen de gelegenheid te bieden om zonder de externe druk die van eventuele publiciteit zou kunnen uitgaan in het belang van Nexperia en haar onderneming tot een werkbare oplossing van de ontstane situatie te komen. Met de publicatie van het bericht door Win[g]tech en de daarop gevolgde nieuwsberichten dient verdere geheimhouding geen redelijk doel meer. De Staat en Nexperia onderschrijven dat. Yuching Holding, [bestuurder/CEO] en de OK-beheerder hebben zich gerefereerd aan het oordeel van de Ondernemingskamer. De Ondernemingskamer zal daarom het verbod opheffen.”
De uitgewerkte beschikking
3.14
Bij beschikking van eveneens 13 oktober 2025 (hierna ook: de uitgewerkte beschikking) heeft de OK een nadere uitwerking gegeven van de kop-staart-beschikking en de opheffingsbeschikking I. De OK heeft eerst onder het opschrift “Rechtsmacht van de Nederlandse rechter” overwogen waarom zij de bevoegdheid heeft van de verzoeken van Nexperia kennis te nemen (rov. 3.1-3.5), en vervolgens onder het opschrift “Ontvankelijkheid” waarom Nexperia in haar verzoek kan worden ontvangen (rov. 3.6-3.10). Het beroep van Yuching en [bestuurder/CEO] op strijd met de goede procesorde en/of het bepaalde in art. 6 EVRM heeft de OK in de uitgewerkte beschikking met de volgende motivering verworpen:
“Strijd met goede procesorde en/of artikel 6 EVRM
3.11
Yuching en [bestuurder/CEO] voeren tot hun verweer verder aan dat de gang van zaken in deze procedure in strijd is met fundamentele beginselen van een goede procesorde en met het bepaalde in artikel 6 EVRM, waaronder het recht op equality of arms en een redelijke mogelijkheid tot het voeren van verweer. Aan Yuching en [bestuurder/CEO] kan worden toegegeven dat de gang van zaken zeer ongebruikelijk is, omdat (i) de Ondernemingskamer enkele uren na ontvangst van het verzoek ex parte enige ingrijpende onmiddellijke voorzieningen heeft getroffen, (ii) de Ondernemingskamer binnen drie werkdagen (vijf dagen) een zitting heeft georganiseerd, terwijl (iii) het gaat om een complexe zaak en (iv) Yuching en [bestuurder/CEO] in deze periode ook nog op zoek moesten naar een advocaat, (v) op een moment waarop in China belangrijke feestdagen worden gevierd.
3.12
De eerste beschikking is ex parte gegeven in het licht van het onderbouwde beroep door Nexperia en de Staat dat zich bij Nexperia een acute noodsituatie voordeed. Zoals de Staat ter zitting heeft toegelicht, was het bevel in voorbereiding op het moment waarop de Staat werd overvallen door de vervroegde invoering van de 50%-rule, welke vervroeging was ingegeven door de sluiting van de federale overheid in de Verenigde Staten. Zoals in het verzoekschrift is onderbouwd, leidde de samenval van de 50%-rule en het bevel tot een onhoudbare situatie bij Nexperia, nu daarmee haar bedrijfsvoering mogelijk zou kunnen stilvallen.
3.13
Verder is van belang dat de Staat heeft betoogd dat de door Nexperia gedreven onderneming van essentieel belang is voor de economische veiligheid van Nederland en Europa, terwijl op heel korte termijn cruciale bedrijfsprocessen, goederen en kennis verloren dreigden te gaan door verplaatsing naar locaties buiten Europa. De Staat heeft daarbij de vrees uitgesproken dat overtreding van het bevel zeer waarschijnlijk zou leiden tot een feitelijk onomkeerbare situatie. Iedere dag dat deze situatie zou voortduren, zo heeft de Staat betoogd, vormde een bedreiging voor de continuïteit van de onderneming en daarmee voor de economische veiligheid van Nederland en Europa. Onder deze uitzonderlijke omstandigheden is ex parte beslist tot het treffen van enkele onmiddellijke voorzieningen, waarmee werd beoogd de situatie te bevriezen tot het verzoek inhoudelijk zou zijn behandeld en om te voorkomen dat in de periode tot aan de inhoudelijke behandeling Nexperia en haar onderneming onherstelbare schade zou worden berokkend.
3.14
Juist uit oogpunt van hoor en wederhoor is besloten deze eenzijdige bevriezing van de situatie zo kort mogelijk te doen voortduren en is op zeer korte termijn een inhoudelijke behandeling gelast. Een tweede reden voor het plannen van een zitting binnen enkele dagen was gelegen in de onderkenning dat Nexperia op korte termijn dreigt te worden getroffen door de maatregelen uit hoofde van de 50%-rule en dat in de gesprekken van Nexperia, respectievelijk de Staat met de Amerikaanse autoriteiten van groot belang is dat aan die tijdelijke bevriezing zo snel mogelijk een einde komt. Om die reden heeft de Ondernemingskamer niet bewilligd in het verzoek van Yuching en [bestuurder/CEO] tot uitstel van de mondelinge behandeling.
3.15
Intussen is in de gegeven omstandigheden zo veel mogelijk recht gedaan aan het beginsel van hoor en wederhoor. Belanghebbenden is tot 9.00 uur op 6 oktober 2025 (maandagochtend), vier uur voor de mondelinge behandeling, gelegenheid gegeven een verweerschrift in te dienen. Yuching heeft een volwaardig verweerschrift ingediend en haar verweer op zitting nader aangevuld. [bestuurder/CEO] - die niet in de gelegenheid is geweest tijdig een verweerschrift in te dienen - heeft op zitting extra tijd gekregen [zijn] positie toe te lichten. De behandeling op zitting is vervolgens meermalen geschorst, opdat de advocaten van [bestuurder/CEO] en Yuching in de gelegenheid werden gesteld telefonisch overleg te plegen met hun cliënten. Aldus is tegen de ongebruikelijke achtergrond van deze zaak en de hoge spoedeisendheid voldoende recht gedaan aan het beginsel van hoor en wederhoor en de redelijke mogelijkheid geboden tot het voeren van verweer. Het beroep op strijd met de goede procesorde en het bepaalde in artikel 6 EVRM wordt daarom verworpen.”
3.15
Naar voorlopig oordeel van de OK zijn er gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia, die geen verband houden met het bevel maar onder meer betrekking hebben op een tegenstrijdig belang van [bestuurder/CEO] , op het niet opvolgen van toezeggingen aan EZ om de governance van Nexperia te wijzigen, op het verlenen van een bankvolmacht aan personen zonder financiële ervaring, en op de ontslagaanzegging van [verweerder 4] en enkele sleutelfunctionarissen uit het EMT:
“Gegronde redenen om aan een juist beleid en juiste gang van zaken te twijfelen
3.16
Naar voorlopig oordeel van de Ondernemingskamer zijn gegronde redenen aanwezig om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia. Dit voorlopig oordeel steunt niet op het bevel en de gronden waarop het bevel berust. Het bevel heeft nog geen formele rechtskracht en er moet rekening mee worden gehouden dat bezwaar en beroep tegen het besluit waarbij het bevel is gegeven zal worden ingesteld. Nu het voorlopig oordeel niet steunt op het bevel, behoeft de Ondernemingskamer verder niet te treden in de uitspraak die in dat kader van de bestuursrechter mag worden verwacht (vgl. HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1128).
3.17
Het voorlopig oordeel heeft in de eerste plaats betrekking op tegenstrijdig belang. In dit verband memoreert de Ondernemingskamer dat een tegenstrijdig belang als bedoeld in artikel 2:239 lid 6 BW zich voordoet indien een bestuurder te maken heeft met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen uitsluitend laat leiden door het belang van de vennootschap en haar onderneming (vgl. HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0033, Bruil). De vraag of een tegenstrijdig belang bestaat moet worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Bij aanwezigheid van een tegenstrijdig belang is een hogere mate van zorgvuldigheid vereist in de voorbereiding, besluitvorming en uitvoering van de transactie. Daarbij moeten de te onderscheiden belangen op zorgvuldige wijze gescheiden worden gehouden en dient een zo groot mogelijke openheid te worden betracht. De verhoogde zorgvuldigheid dient in beginsel erop te zijn gericht dat de transactie geschiedt onder redelijke en marktconforme voorwaarden zodat deze zakelijk verantwoord is. Daartoe kan inschakeling van deskundige derden gewenst en onder omstandigheden geboden zijn. Indien in het bestuur beraadslaging en/of besluitvorming plaatsvindt waarbij een bestuurder een tegenstrijdig belang heeft, dient deze zich op de voet van artikel 2:239 lid 6 BW van deelname te onthouden.
3.18
[bestuurder/CEO] heeft een indirect belang in Nexperia van ongeveer 15%. Tegelijk heeft hij een controlerend belang in WSS. Dat betekent dat [bestuurder/CEO] ten aanzien van transacties tussen Nexperia en WSS te maken heeft met onverenigbare belangen waarbij, zeker nu de financiële positie van WSS slecht is, in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen als bestuurder van Nexperia uitsluitend laat leiden door het belang van Nexperia en haar onderneming. Tussen Nexperia en WSS zijn in de FSA afspraken gemaakt over wafers die door WSS zouden worden geproduceerd en aan Nexperia zouden worden geleverd. Nexperia heeft uitvoerig onderbouwd dat in 2025 zeer grote orders bij WSS werden geplaatst, in een omvang die Nexperia niet nodig heeft en die zelfs - volgens medewerkers van Nexperia - werden geplaatst for scrap (voor vernietiging). Volgens een interne inschatting van 8 mei 2025 zou het bedrijfsonderdeel Metal-Oxide-Semiconductor in 25Q2, 25Q3 en 25Q4 in totaal 98.400 wafers nodig hebben. [bestuurder/CEO] drong er evenwel op aan dat Nexperia voor dit bedrijfsonderdeel 215.000 wafers bij WSS zou bestellen. Terwijl bedrijfsonderdeel Logic verwachtte maandelijks 400 wafers nodig te hebben, wilde [bestuurder/CEO] dat maandelijks 5.000 wafers bij WSS zouden worden besteld. De door [bestuurder/CEO] gewenste orders bij WSS voor 2025 kwamen daarmee uit op US$ 200 miljoen, terwijl de behoefte van de business zou leiden tot orders ter grootte van US$ 70-80 miljoen. Volgens interne berichten zou dit betekenen dat de door WSS te leveren wafers niet verwerkt zullen worden, maar zolang op voorraad zullen worden gehouden dat ze verouderd zijn voordat ze gebruikt kunnen worden, zodat Nexperia de orders feitelijk for scrap zou plaatsen. De Ondernemingskamer is niet gebleken dat bij het plaatsen van de orders de vereiste verhoogde zorgvuldigheid bij tegenstrijdig belang in acht is genomen om te waarborgen dat de transactie geschiedt onder redelijke en marktconforme voorwaarden en zakelijk verantwoord is. Integendeel, Nexperia heeft voldoende onderbouwd dat betwijfeld kan worden dat [bestuurder/CEO] bij het plaatsen van deze orders uitsluitend het belang van Nexperia voor ogen heeft gehad en niet met name ook dat van WSS. Het gaat daarbij niet om geringe bedragen: volgens Nexperia had zij in 2025 behoefte aan wafers voor een totaalbedrag van US$ 70-80 miljoen, terwijl voor US$ 200 miljoen aan orders is geplaatst. Bij dit alles moet worden bedacht dat de FSA op aandringen van [bestuurder/CEO] met ingang van 1 januari 2025 aldus is gewijzigd, dat zij bij elke bestelling 70% van de koopprijs vooraf moet betalen.
3.19
Een tweede grond voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken is gelegen in het niet opvolgen van toezeggingen aan de Staat om de governance van Nexperia te wijzigen - in het bijzonder ten aanzien van de invoering van een raad van commissarissen met belangrijke goedkeuringsrechten. Daarbij moet worden bedacht dat het Nexperia was die in verband met de negatieve gevolgen van de perceptie van de invloed van haar Chinese aandeelhouder contact heeft gezocht met EZK en heeft gevraagd om steun voor haar als Nederlandse onderneming. Het voorgaande ging te meer klemmen toen [A] op de US Entity List werd geplaatst en werd nog urgenter toen Nexperia op 5 juni 2025 en nadien door BZ en EZK erover is geïnformeerd dat de 50%-rule mogelijk zou worden ingevoerd. Voor alle betrokkenen was duidelijk dat de 50%-rule een grote negatieve impact op Nexperia en haar onderneming zou kunnen hebben.
3.20
Tegen deze achtergrond roept het gebrek aan voortvarendheid waarmee Nexperia uitvoering heeft gegeven aan de met EZK afgestemde governance wijzigingen de nodige vragen op. Zeker vanaf het moment dat [A] op de Entity List is geplaatst moet het voor [bestuurder/CEO] als bestuurder van Nexperia duidelijk zijn geweest dat implementatie van de in overleg met EZK afgestemde maatregelen nodig was om te voorkomen dat Nexperia en haar onderneming in toenemende mate de nadelige gevolgen zouden ondervinden van de gepercipieerde invloed van haar Chinese aandeelhouder. Desondanks zijn geen stappen gezet om in het belang van Nexperia en haar onderneming tot aanpassing van de governance te komen. Ook niet toen in juni 2025 duidelijk werd dat er een aanzienlijke kans was dat de 50%-rule zou worden ingevoerd, waardoor Nexperia ook direct door handelsbeperkingen uit de Verenigde Staten zou worden geraakt. Vanaf dat moment lag het op de weg van [bestuurder/CEO] om maatregelen te treffen om de kans te minimaliseren dat Nexperia door de 50%-rule zou worden geraakt. Nakoming van de eerdere toezeggingen tot wijziging van de governance werd zeker vanaf dat moment evident in het belang van Nexperia, omdat BZ en/of EZK daarmee een argument kon worden verschaft jegens de autoriteiten in de Verenigde Staten om de 50%-rule niet ook op Nexperia van toepassing te verklaren. De Ondernemingskamer heeft niet kunnen vaststellen dat behoudens het terugtreden van diens zuster als bestuurder zijdens [bestuurder/CEO] enige maatregel is getroffen om de nadelige gevolgen van de gepercipieerde invloed van de Chinese aandeelhouder op Nexperia en haar onderneming tegen te gaan.
3.21
Vanaf september 2025 wees het optreden van [bestuurder/CEO] zelfs eerder in de tegengestelde richting. Zonder zakelijke toelichting werden de betalingsbevoegdheden van de CFO en twee andere financiële sleutelfunctionarissen ingetrokken. In plaats daarvan werd een bankvolmacht verleend aan personen zonder financiële ervaring. Voor een onderneming van de orde van grootte van Nexperia grenst een dergelijke handelwijze aan roekeloosheid. Een paar dagen later kregen [verweerder 4] en enkele sleutelfunctionarissen uit het EMT ontslag aangezegd. De gebruikte woorden ‘We therefore aim to terminate your employment agreement and statutory positions’ maken ondubbelzinnig duidelijk dat het ontslagbesluit al vast stond. De ondernemingsraad was over dit alles niet geïnformeerd, laat staan dat hij op de voet van artikel 30 WOR tijdig om advies was gevraagd over een voorgenomen ontslag van [verweerder 4] als statutair bestuurder. De keuze om in het licht van de nakende toepassing van de 50%-rule zonder overleg of ruggenspraak over te gaan tot het ontslag van deze drie sleutelfunctionarissen in de Nederlandse organisatie van Nexperia bevreemdt te meer nu ook [bestuurder/CEO] in de gesprekken met EZK onderschreef dat het voor Nexperia van belang was het Nederlandse karakter van de onderneming te waarborgen.
3.22
De Ondernemingskamer is reeds gelet op het voorgaande voorshands van oordeel dat gegronde redenen bestaan voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van Nexperia Holding en Nexperia BV. De overige aangevoerde gronden behoeven daarmee op dit moment geen behandeling.”
3.16
Over de door de OK getroffen onmiddellijke voorzieningen is in de uitgewerkte beschikking het volgende overwogen:
“Onmiddellijke voorzieningen
3.23
De Ondernemingskamer is van oordeel dat de toestand van Nexperia, zoals die blijkt uit het voorgaande het nodig maakt de navolgende onmiddellijke voorzieningen te treffen. Zij zal [bestuurder/CEO] schorsen als bestuurder van Nexperia en in zijn plaats G.R.C. Dierick tot niet-uitvoerende bestuurder van Nexperia benoemen. Deze bestuurder heeft in het bestuur een beslissende stem, wat betekent dat overeenkomstig die stem wordt besloten, ook als die stem afwijkt van de meerderheid van de uitgebrachte stemmen. Deze bestuurder zal zich bij de uitoefening van zijn bestuurstaak naar eigen inzicht kunnen doen bijstaan door [bestuurder/CEO] op door hem te bepalen, nader te stellen voorwaarden. De Ondernemingskamer ziet ook aanleiding om de aandelen in Nexperia Holding met uitzondering van één aandeel ten titel van beheer over te dragen aan mr. drs. A.R.J. Croiset van Uchelen. Tot slot ziet de Ondernemingskamer aanleiding de werking van artikel 3 van het Bestuursreglement te schorsen voor zover dit niet reeds strijdig is met dwingend recht.
3.24
Op zitting is uitvoerig met partijen besproken of minder vergaande voorzieningen uit oogpunt van proportionaliteit en subsidiariteit de voorkeur verdienen. De Ondernemingskamer beantwoordt die vraag ontkennend. Wat [bestuurder/CEO] als bestuurder betreft, illustreert zijn handelwijze ten aanzien van onderwerpen waarbij hij een tegenstrijdig belang heeft, dat hij zich niet uitsluitend heeft laten leiden door het belang van Nexperia en haar onderneming, maar mogelijk zijn belangen in WSS de doorslag heeft doen geven ten koste van die van Nexperia. Het bezwaar dat geen uitvoering is gegeven aan eerdere toezeggingen betreffende de wijziging van de governance nadat [A] op de Entity List werd geplaatst en in het zicht van de 50%-rule treft zowel [bestuurder/CEO] als bestuurder als Yuching als aandeelhouder. Tegen deze achtergrond acht de Ondernemingskamer een schorsing van [bestuurder/CEO] en het onder beheer plaatsen van alle aandelen minus één aandeel noodzakelijk, en proportioneel met het oog op het belang van de vennootschap, haar onderneming en de daarbij betrokkenen.
3.25
De Ondernemingskamer ziet geen aanleiding [verweerder 4] te schorsen als bestuurder en evenmin om bij onmiddellijke voorziening te verbieden dat hij wordt geschorst of ontslagen. Het is [op] dit moment veeleer in het belang van Nexperia en (de continuïteit van) haar onderneming dat [verweerder 4] en het EMT in staat worden gesteld de uitdagende omstandigheden het hoofd te bieden. De Ondernemingskamer ziet evenmin aanleiding instructie(s) aan de bestuurder te geven; deze dient naar eigen inzicht het belang van Nexperia te dienen. Of dat belang meebrengt dat bezwaar wordt gemaakt tegen het besluit waarbij het bevel is gegeven, is aan het bestuur van Nexperia.”
3.17
Over het door de OK opgelegde mededelingenverbod is in de uitgewerkte beschikking het volgende overwogen:
“3.26 In de kop-staart beschikking van 7 oktober 2025 heeft de Ondernemingskamer partijen verboden (…) mededelingen te doen over deze procedure. Bij beschikkingen van 8 en 13 oktober 2025 is dit verbod gedeeltelijk en vervolgens geheel opgeheven. Om die reden zal hierover in het dictum niets meer worden vermeld.”
3.18
Verder heeft de OK in de uitgewerkte beschikking nog onder meer overwogen:
“3.27 De Ondernemingskamer zal binnen redelijke termijn een zitting bepalen om het enquêteverzoek ten gronde te behandelen.”
Cassatieberoep
3.19
Bij procesinleiding van 2 januari 2026 heeft [bestuurder/CEO] (tijdig) cassatieberoep ingesteld van de ex parte-beschikking, de kop-staart-beschikking, de opheffingsbeschikking I, de opheffingsbeschikking II en de uitgewerkte beschikking. [bestuurder/CEO] heeft Yuchings verzoek om spoedbehandeling ondersteund. Omdat de grond voor een spoedbehandeling in strikte zin door de ontwikkelingen is achterhaald (zie met name onder 3.22-3.23 hierna), heeft de rolraadsheer dit verzoek afgewezen, waarbij overigens wel is toegezegd dat ernaar wordt gestreefd de zaak met voortvarendheid te behandelen.
3.20
Door Nexperia, EZ en de OR zijn verweerschriften ingediend.
3.21
Yuching heeft eveneens cassatieberoep ingesteld van de vijf onder 3.19 hiervoor genoemde OK-beschikkingen. De cassatieklachten van Yuching overlappen grotendeels met die van [bestuurder/CEO] en in deze samenhangende zaak, die bij de Hoge Raad aanhangig is onder zaaknummer 25/04297, wordt ook door dezelfde partijen verweer gevoerd. Ik neem vandaag in de zaak 25/04297 een afzonderlijke conclusie. Hoewel de cassatieklachten een grote inhoudelijke overlap vertonen, bespreek ik de cassatieklachten in beide conclusies volledig.
Ontwikkelingen nadien
3.22
Bij beschikking van 11 februari 2026 (hierna ook: de eerstefasebeschikking) heeft de OK vastgesteld dat er gegronde redenen bestaan om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia, en een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van deze vennootschappen over de periode vanaf 1 december 2023 tot de datum van de beschikking als omschreven in rov. 3.35 (hierna geciteerd). De OK heeft de bij de kop-staart-beschikking getroffen onmiddellijke voorzieningen in de eerstefasebeschikking gehandhaafd. Hoewel het onderhavige cassatieberoep van [bestuurder/CEO] niet is gericht tegen de eerstefasebeschikking, komt het mij dienstig voor enkele overwegingen uit die beschikking uit te lichten.
“De Staat als belanghebbende
3.1
In beschikking 1 [de ex parte-beschikking, A-G] heeft de Ondernemingskamer de Staat aangemerkt als belanghebbende. Yuching stelt die hoedanigheid ter discussie. Volgens Yuching komt de Staat in deze procedure op ter handhaving van het bevel. Handhaving van het bevel is echter geen eigen belang waarin de Staat door de uitkomst van deze procedure geraakt kan worden, zodat hij daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang. Indien het openbare belang moet worden behartigd door middel van een enquêteprocedure, is dit volgens Yuching op grond van de wet exclusief voorbehouden aan het Openbaar Ministerie. Verder levert de uitoefening door de Staat van eventuele privaatrechtelijke bevoegdheden als belanghebbende in deze procedure volgens Yuching een onaanvaardbare doorkruising op van de handhavingsbevoegdheden krachtens de Wbg en de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waaruit volgt dat het bevel slechts via het bestuursrecht kan worden gehandhaafd. Daarbij komt dat de Staat kennelijk beoogt om via het enquêterecht preventief handhavend op te treden, terwijl hij die bevoegdheid op grond van de Wbg en de Awb niet heeft, aldus telkens Yuching.
3.2
De Ondernemingskamer verwerpt dit betoog. Het feit dat het Openbaar Ministerie ingevolge artikel 124 Wet RO is belast met de strafrechtelijke handhaving en andere bij wet vastgestelde taken staat niet eraan in de weg dat de Staat in een enquêteprocedure optreedt als belanghebbende. Ook de bevoegdheden die in de artikelen 2:345 lid 2, 2:349 lid 1 en 2:355 lid 1 BW zijn toegekend aan de advocaat-generaal bij het ressortsparket Amsterdam staan hieraan niet in de weg (vgl. o.a. HR 4 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2456, SNS; HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:600, SNS).
3.3
De vraag of de Staat belanghebbende is, moet worden beoordeeld op basis van de maatstaf die de Hoge Raad heeft geformuleerd in de Scheipar-beschikking (HR 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9440). Volgens de Hoge Raad zal daarbij een rol spelen (i) in hoeverre de Staat door de uitkomst van (…) deze procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat hij daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang of (ii) in hoeverre de Staat anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen.
3.4
De Ondernemingskamer merkt de Staat reeds op de tweede grond aan als belanghebbende. Een belangrijk onderwerp dat in deze procedure wordt behandeld is het beleid en de gang van zaken bij Nexperia in relatie tot de met EZ vanaf 2023 gevoerde gesprekken. Nexperia heeft uit eigen beweging steun bij EZ gezocht om te worden erkend als Nederlands (Europees) halfgeleiderbedrijf. In het enquêteverzoek en in de verschillende verweerschriften komt onder meer aan de orde de vraag welke voorwaarden EZ heeft gesteld aan het verlenen van steun, welke toezeggingen Nexperia in dit verband heeft gedaan, of zij van bepaalde toezeggingen is teruggekomen en of (en zo ja: hoe) zij aan toezeggingen aan EZ uitvoering heeft gegeven. Reeds in deze betrokkenheid van EZ is een voldoende belang gelegen voor de Staat om in de procedure als belanghebbende te verschijnen. Daarom kan in het midden blijven of de Staat in de procedure (slechts) beoogt het bevel te handhaven en of daarmee de uitoefening door de Staat van zijn publiekrechtelijke bevoegdheden uit hoofde van de Wbg en Awb op onaanvaardbare wijze wordt doorkruist.
(…)
Belangenafweging en onderzoek
3.32
Yuching en [bestuurder/CEO] hebben betoogd dat het verzoek - ook bij gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid of een juiste gang van zaken - op grond van een belangenafweging moet worden afgewezen. Zij voeren aan dat de enquêteprocedure heeft geleid tot aanzienlijke schade voor Nexperia, zowel operationeel als financieel. Tegelijk moet worden erkend, zo betogen Yuching en [bestuurder/CEO] , dat een onderzoek geen oplossing kan bieden voor de problematiek die Nexperia aan de orde stelt, noch voor de huidige crisis, nu deze in de kern het gevolg is van de gewijzigde geopolitieke verhoudingen en het optreden van de Minister. Een onderzoek zal de onderneming van Nexperia juist nog verder belasten, zo betogen zij. Ook kan het onderzoek niet het publieke belang dienen nu de enquêteprocedure niet geschikt is om de ‘economische veiligheid’ in Nederland en Europa te waarborgen. Het verkrijgen van openheid van zaken en het vaststellen bij wie de verantwoordelijkheid berust voor mogelijk blijkend wanbeleid had volgens hen ook op andere wijze kunnen worden gerealiseerd. Er is bovendien een gerede kans dat er aan het eind van een eventueel onderzoek geen aan Nexperia verbonden onderneming meer zal bestaan. Daarbij wijzen zij op het vertrek van werknemers en klanten. Maatregelen van reorganisatorische aard kunnen in dit geval geen soelaas bieden. Het enige wat resteert is een schadevergoedingsvordering tegen de Nederlandse staat, zo betogen Yuching en [bestuurder/CEO] .
3.33
De Ondernemingskamer stelt voorop dat de bevoegdheid een enquête te bevelen indien er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken te twijfelen, een discretionaire is. Bij de uitoefening van die bevoegdheid dient een afweging van de betrokken belangen plaats te vinden. De belangenafweging moet steunen op de feiten en omstandigheden van het concrete geval, waarbij naast de doeleinden van het enquêterecht mede moeten worden betrokken de aard van het tussen de verzoeker en de rechtspersoon bestaande geschil en de bezwaren tegen een ruime toepassing van het middel van enquête. De regeling van het enquêterecht is gericht op het belang van de rechtspersoon en bij de belangenafweging staat dat belang daarom voorop (HR, 18 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1705, SMHHC).
3.34
In de belangenafweging spelen het bevel, de opschorting daarvan en de beweegredenen die aan die besluiten ten grondslag liggen geen rol; de Ondernemingskamer treedt niet in deze onderwerpen die zich bevinden buiten het bereik van het enquêterecht. Uit het voorgaande is gebleken dat op belangrijke onderdelen van het vennootschapsrechtelijke en ondernemingsbeleid twijfel is gerezen. Het betreft onder meer kernelementen van goed bestuur, waaronder de naleving van vennootschapsrechtelijke regels bij tegenstrijdig belang en het functioneren van collegiaal bestuur, onder meer bij de vaststelling van de strategie. Die twijfel over het interne functioneren van het bestuur werkt ook door naar het ondernemingsbeleid - zie bijvoorbeeld de gang van zaken bij het intrekken van de bankvolmachten ondanks principiële bezwaren van een van de twee statutaire bestuurders. Een te gelasten onderzoek kan over de oorzaken van dit alles meer duidelijkheid geven en daarmee handvatten bieden voor het treffen van maatregelen om de rust binnen de onderneming te herstellen en in het belang van Nexperia herhaling te voorkomen. De Ondernemingskamer heeft er oog voor dat Nexperia onderdeel is van een internationaal concern met een wereldwijd vertakte onderneming en een Chinese aandeelhouder. Ook onderkent zij dat Nexperia als gevolg van geopolitieke ontwikkelingen werd geplaatst voor ingewikkelde dilemma’s. Dat alles brengt echter niet mee dat in dit geval een onderzoek achterwege dient te blijven.
3.35
De Ondernemingskamer zal een onderzoek gelasten naar het beleid en de gang van zaken van Nexperia vanaf eind 2023, toen Nexperia voor het eerst contact zocht met EZ. Gelet op het voorgaande dient het onderzoek zich in het bijzonder toe te spitsen op:
a. de wijze waarop Nexperia is omgegaan met tegenstrijdig belang. Naast de onderwerpen die onder 3.9-3.15 aan de orde zijn gekomen, kan de onderzoeker ook andere onderwerpen die betrekking hebben op tegenstrijdig belang in zijn onderzoek betrekken. Daarbij valt te denken aan de deposit agreement en de discussie over het ter beschikking stellen van machines en van IE-rechten aan WSS;
b. de wijze waarop Nexperia heeft geacteerd in het licht van de listing van [A] en de dreigende toepassing van de 50%-rule op Nexperia. Daarbij dient het onderzoek in het bijzonder betrekking te hebben op de gang van zaken in relatie tot EZ en andere Nederlandse overheidsorganen. Verder dient aandacht te worden besteed aan de strategische keuzes die daarbij zijn gemaakt, hoe deze zich verhouden tot de gesprekken met EZ en in hoeverre deze berusten op deugdelijke en collegiale besluitvorming binnen het statutair bestuur en het EMT. Daarbij kan, zoals subsidiair en voorwaardelijk door Yuching is verzocht, ook aandacht worden besteed aan het optreden van de CLO, CFO en COO in dat kader;
c. de gang van zaken rondom de intrekking van de bankvolmachten en de ontslagaanzegging van de CLO, CFO en COO. Desgewenst kan onderzoeker deze onderwerpen behandelen als onderdeel van het onder b bedoelde onderwerp;
d. de gang van zaken na de beschikking van 1 oktober 2025 tot heden, in het bijzonder omtrent het schisma tussen Nexperia enerzijds en [bestuurder/CEO] , [A] , Yuching en Nexperia China anderzijds.
(…)
Onmiddellijke voorzieningen
3.38
De Ondernemingskamer is van oordeel dat de toestand van Nexperia, zoals die blijkt uit het voorgaande het nodig maakt dat de eerder getroffen onmiddellijke voorzieningen worden gehandhaafd. De toestand van Nexperia vraagt nu in de eerste plaats om rust zodat zij in staat gesteld wordt de gezonde interne verhoudingen, haar productieketen en de levering aan haar klanten wereldwijd te herstellen. Dat vereist een bestuur dat in zijn functioneren niet belemmerd wordt door het geschil tussen de verschillende onderdelen van de multinationale onderneming van Nexperia en/of haar aandeelhouder. Daarnaast heeft Nexperia nog steeds het hoofd te bieden aan de geopolitieke omstandigheden en de beperkingen die dat meebrengt voor het functioneren van haar wereldwijde onderneming. Handhaving van de onmiddellijke voorzieningen stelt Nexperia in staat om daarvoor een oplossing te vinden.
3.39
De Ondernemingskamer zal in de eerste plaats de schorsing van [bestuurder/CEO] als bestuurder van Nexperia en de benoeming van G.R.C. Dierick tot niet-uitvoerende bestuurder van Nexperia met beslissende stem handhaven. De Ondernemingskamer onderkent dat de schorsing voor [bestuurder/CEO] om diverse (door [bestuurder/CEO] in zijn verweerschrift uiteengezette) gronden bezwaarlijk kan zijn, maar deze bezwaren wegen gelet op de gegronde redenen voor twijfel aan het beleid en de gang van zaken niet op tegen het belang van Nexperia bij rust en het herstel van gezonde verhoudingen.
3.40
De Ondernemingskamer ziet ook aanleiding om de overdracht van de aandelen in Nexperia Holding met uitzondering van één aandeel ten titel van beheer aan A.R.J. Croiset van Uchelen te handhaven. Naar het oordeel van de Ondernemingskamer kan het in het belang van Nexperia noodzakelijke herstel van gezonde verhoudingen alleen worden bereikt als de daarvoor nodige besluitvorming binnen de algemene vergadering onbelemmerd kan plaatsvinden. De toestand van de vennootschap vereist daarom dat de tijdelijke overdracht ten titel van beheer van alle aandelen minus één, in stand blijft. De keuze om één aandeel in Nexperia Holding bij Yuching te laten is gemaakt om te waarborgen dat Yuching toegang houdt tot de algemene vergadering van Nexperia Holding en de in dat kader aan de aandeelhouders te verstrekken informatie. De Ondernemingskamer merkt daarbij op dat de overdracht ten titel van beheer betekent dat de aan de aandelen verbonden vennootschapsrechtelijke bevoegdheden (waaronder het vergaderrecht en het stemrecht) tijdelijk zijn overgedragen aan de OK-beheerder, maar dat de overige (economische) aandeelhoudersrechten - waaronder het recht op dividend, voorkeursrechten en rechten in het kader van de geschillenregeling en de uitkoopprocedure - bij de aandeelhouder blijven. De door de Ondernemingskamer benoemde beheerder van aandelen is dan ook niet bevoegd om over de aan hem in beheer gegeven aandelen te beschikken; die bevoegdheid blijft bij de aandeelhouder (vgl. OK 30 april 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1535).
(…).”
3.23
Bij beschikking van 17 februari 2026 heeft de OK M. Bijkerk en R.J.W. Analbers aangewezen als onderzoekers.
3.24
Het is mij ambtshalve bekend dat Yuching en [bestuurder/CEO] inmiddels ook, op 8 mei 2026 respectievelijk 11 mei 2026, cassatieberoep hebben ingesteld van de eerstefasebeschikking en de OK-beschikking van 17 februari 2026. Deze cassatieberoepen zijn bij de Hoge Raad aanhangig onder zaaknummer 26/01783 (Yuching) en zaaknummer 26/01817 ( [bestuurder/CEO] ). Voor de goede orde: op deze cassatieberoepen ziet de onderhavige conclusie niet.
4Bespreking van het cassatiemiddel
4.1
Het cassatiemiddel van [bestuurder/CEO] beslaat ruim 50 pagina’s. Het middel vangt aan met een korte inleiding zonder klacht, waarin onder meer wordt gewezen op de grote overlap - “met wat verkorting” - met het cassatiemiddel van Yuching. De onderdelen gaan, kort samengevat, over het volgende.
- Onderdeel 1 klaagt in de kern dat de OK [bestuurder/CEO] recht op een eerlijk proces heeft geschonden (art. 19 lid 1 Rv en art. 6 EVRM), met name hoor/wederhoor en equality of arms.
- Onderdeel 2 komt erop neer dat de OK EZ ten onrechte heeft aangemerkt als belanghebbende dan wel dat bij het optreden van EZ als belanghebbende sprake is van een onaanvaardbare doorkruising van het bestuursrechtelijke kader.
- Onderdeel 3 komt op tegen het voorlopige oordeel van de OK dat sprake is van gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia.
- Onderdeel 4 betoogt dat de door de OK getroffen onmiddellijke voorzieningen niet voldoen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.
- Onderdeel 5, ten slotte, klaagt over het door de OK opgelegde mededelingenverbod van art. 28 Rv.
Vooraf: iets over ontvankelijkheid en belang
4.2
Het cassatiemiddel van [bestuurder/CEO] geeft mij aanleiding tot de volgende prealabele opmerkingen over ontvankelijkheid en belang.
4.3
Doorgaans wordt in enquêteprocedures onderscheid gemaakt tussen twee fasen. De eerste fase begint met het indienen van het enquêteverzoek als bedoeld in art. 2:345 lid 1 BW en eindigt in geval van toewijzing in beginsel met de deponering van het onderzoekverslag ter griffie van de OK (art. 2:353 lid 1 BW). In onze zaak is de eerste fase dus gestart op 1 oktober 2025 (zie onder 3.1 hiervoor) en loopt die fase, gelet op het in de eerstefasebeschikking bevolen onderzoek gevolgd door de aanwijzing van twee onderzoekers, in beginsel nog door tot de deponering van het onderzoekverslag ter griffie van de OK. Indien het tot een tweede fase komt, neemt die eerst een aanvang met het indienen van een verzoek tot het vaststellen van wanbeleid als bedoeld in art. 2:355 lid 1 BW. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de beide fasen als twee afzonderlijke procedures worden beschouwd. De eerstefasebeschikking is met andere woorden een eindbeschikking waarvan cassatieberoep openstaat. Zowel in de eerste fase als in de tweede fase kan de OK onmiddellijke voorzieningen treffen als bedoeld in art. 2:349a BW (voor de tweede fase in verbinding met art. 2:355 lid 3 BW). Onmiddellijke voorzieningen zijn voorlopige voorzieningen als bedoeld in art. 401a lid 1 Rv en met betrekking tot een OK-beschikking waarin onmiddellijke voorzieningen zijn getroffen, bestaat dus in beginsel een keuze om dadelijk cassatieberoep in te stellen van die beschikking (art. 401a lid 1 Rv in verbinding met art. 426 Rv) of dat tegelijk te doen met het cassatieberoep van de desbetreffende eindbeschikking (in dit geval zou dat dus tegelijk met het cassatieberoep van de eerstefasebeschikking zijn).
4.4
[bestuurder/CEO] heeft met het instellen van het onderhavige cassatieberoep niet gewacht tot het instellen van cassatieberoep van de eerstefasebeschikking. Niet alle vijf bestreden OK-beschikkingen zijn echter uitspraken waarbij een voorlopige voorziening wordt toegestaan of geweigerd als bedoeld in art. 401a lid 1 Rv in verbinding met art. 426 Rv. Alleen de ex parte-beschikking, de kop-staart-beschikking en de uitgewerkte beschikking kwalificeren als zodanig. Dat geldt niet voor de opheffingsbeschikking I en de opheffingsbeschikking II voor zover die verband houden met art. 28 Rv. In art. 28 lid 2 Rv is geregeld dat de rechter het mededelingenverbod als bedoeld in lid 1 van de bepaling op verzoek van een van de partijen geheel of gedeeltelijk kan opheffen. Eerst heeft EZ op de voet van art. 28 lid 2 Rv verzocht om gedeeltelijke opheffing van het verbod, welk verzoek is toegewezen in de opheffingsbeschikking I. Vervolgens heeft EZ op diezelfde voet verzocht om het verbod geheel op te heffen, welk verzoek is toegewezen in de opheffingsbeschikking II. In art. 28 Rv is niet uitgemaakt of tegen de beslissing op het verzoek als bedoeld in art. 28 lid 2 Rv een voorziening openstaat. Op het eerste gezicht lijkt het gebruik van de woorden “op verzoek” in art. 28 lid 2 Rv te wijzen op toepasselijkheid van de regels voor de verzoekschriftprocedure (art. 261 e.v. Rv), waaruit dan zou kunnen worden afgeleid dat tegen een opheffingsbeschikking een rechtsmiddel (in dit geval cassatieberoep) openstaat. Het gebruik van de wettelijke term “op verzoek” impliceert echter niet altijd dat de regels voor de verzoekschriftprocedure van toepassing zijn. Volgens Lock lijkt voor art. 28 lid 2 Rv ook veeleer aannemelijk dat de wetgever het oog heeft gehad op de informelere ‘procedure op verlangen’. Dat ook op informele wijze (niet bij verzoekschrift, maar bijvoorbeeld per gewone brief) om opheffing kan worden verzocht, betekent echter niet zonder meer dat tegen een beschikking waarin op een dergelijk verzoek is beslist geen rechtsmiddel openstaat. Volgens Tjong Tjin Tai is de beslissing op het verzoek tot gehele of gedeeltelijke opheffing als bedoeld in art. 28 lid 2 Rv een eindbeschikking waar geen rechtsmiddel tegen openstaat. Daarvan uitgaande, geldt het volgende.
4.5
[bestuurder/CEO] is dan in beginsel niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep voor zover dat is gericht tegen de opheffingsbeschikking I en de opheffingsbeschikking II. Voor de opheffingsbeschikking I plaats ik daarbij de kanttekening dat [bestuurder/CEO] wél in zijn cassatieberoep van deze beschikking kan worden ontvangen voor zover het de beslissing tot aanwijzing van de OK-beheerder betreft (zie rov. 2.2 en dictum). Dit laatste staat immers niet in de sleutel van art. 28 lid 2 Rv, maar van art. 2:349a lid 3 BW. En daartegen kan [bestuurder/CEO] als gezegd, gelet op art. 401a lid 1 Rv in verbinding met art. 426 Rv, in cassatie wél (dadelijk) opkomen.
4.6
Bij het voorgaande dient verder de mogelijkheid van een doorbrekingsgrond onder ogen te worden gezien. Zo is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat bij veronachtzaming van een zo fundamenteel beginsel van behoorlijke rechtspleging, zoals het beginsel van hoor/wederhoor, niet meer kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak en grond bestaat voor doorbreking van een rechtsmiddelenverbod.
4.7
Volgens [bestuurder/CEO] onderdeel 1 is sprake van schending van zijn recht op een eerlijk proces, met name hoor/wederhoor en equality of arms. Als ik het goed zie, richt [bestuurder/CEO] zijn pijlen in dit onderdeel echter niet op de opheffingsbeschikking I en de opheffingsbeschikking II. Dat bij deze opheffingsbeslissingen essentiële vormen zouden zijn verzuimd, valt overigens ook niet in te zien. Uit de opheffingsbeschikking I blijkt immers dat de OK het uitgestelde verweer van [bestuurder/CEO] en Yuching tegen de gedeeltelijke opheffing van het verbod in de beoordeling heeft betrokken, en uit de opheffingsbeschikking II blijkt dat [bestuurder/CEO] en Yuching tijdig te kennen hebben gegeven dat zij zich refereren aan het oordeel van de OK over de gehele opheffing van het verbod. Deze beschikkingen dateren ook van na de mondelinge behandeling op 6 oktober 2025.
4.8
In [bestuurder/CEO] onderdeel 2 zou wellicht een beroep op een andere mogelijke doorbrekingsgrond gelezen kunnen worden, namelijk dat de OK buiten het toepassingsgebied van art. 28 Rv is getreden in de opheffingsbeschikking I, bij het verzoek van EZ (belanghebbende) tot gedeeltelijke opheffing van het verbod op de voet van art. 28 lid 2 Rv. Een dergelijk verzoek kan volgens de wettekst alleen worden gedaan door “een der partijen”, welk partijbegrip blijkens de wetsgeschiedenis ruim moet worden uitgelegd en in een verzoekschriftprocedure ook een belanghebbende omvat. Volgens onderdeel 2 is EZ ten onrechte als belanghebbende aangemerkt. Dat zou kunnen worden verstaan als het buiten het toepassingsgebied van art. 28 Rv treden, in de zin dat het verzoek dan niet door een der partijen als bedoeld in art. 28 lid 2 Rv is gedaan, namelijk volgens dit onderdeel door een niet-belanghebbende. Hoe dit ook zij, onderdeel 2 is alleen gericht tegen de opheffingsbeschikking I en laat dus onbestreden de opheffingsbeschikking II waarin eveneens op verzoek van EZ het desbetreffende verbod geheel is opgeheven, zodat al geen belang bestaat bij cassatieberoep van de opheffingbeschikking I in verband met EZ als belanghebbende.
4.9
In [bestuurder/CEO] onderdeel 5 komt de opheffingsbeschikking II nog wel aan de orde. Dit onderdeel is onder meer gericht tegen rov. 2.1 van deze beschikking voor zover de OK daarin heeft overwogen wat de reden voor het opleggen van het verbod is geweest, te weten om de betrokken partijen de gelegenheid te bieden zonder de externe druk die van eventuele publiciteit zou kunnen uitgaan in het belang van Nexperia en haar onderneming tot een werkbare oplossing van de ontstane situatie te komen. De motivering voor het opleggen van het verbod blijkt echter al uit de ex parte-beschikking, rov. 2.2. Dat een van de redenen voor het opleggen van het verbod in de opheffingsbeschikking II, rov. 2.1 nog eens wordt herhaald, levert geen grond op voor cassatie(beroep) van de beslissing in de opheffingsbeschikking II om het verbod geheel op te heffen.
4.10
Hoewel EZ reeds in de ex parte-beschikking als belanghebbende is aangemerkt, heeft de OK de motivering voor de toelating van EZ als belanghebbende pas in de eerstefasebeschikking gegeven (rov. 3.1-3.4). Deze motivering (geciteerd onder 3.22 hiervoor) kan dan volgens mij wel bij de beoordeling van [bestuurder/CEO] onderdeel 2 worden betrokken, overigens met de kanttekening dat hij hier, gelet op de volgorde van/het tijdsverloop tussen de PI en de eerstefasebeschikking, nog geen rekening heeft kunnen houden met deze motivering. Eenzelfde dynamiek speelt in het kader van [bestuurder/CEO] onderdeel 4 over de getroffen onmiddellijke voorzieningen van onder meer de schorsing van [bestuurder/CEO] als bestuurder en benoeming van G.R.C. Dierick als niet-uitvoerende bestuurder van Nexperia, en de overdracht ten titel van beheer van Yuchings aandelen minus één. In de eerstefasebeschikking heeft de OK toegelicht waarom voor deze onmiddellijke voorzieningen is gekozen (rov. 3.39-3.40, ook geciteerd onder 3.22 hiervoor). Wel is het zo dat de OK in de uitgewerkte beschikking (rov. 3.24) hierover ook al enig licht laat schijnen.
4.11
Verder merk ik nog op dat [bestuurder/CEO] onderdeel 5, anders dan de onderdelen 1 t/m 4, geen verband houdt met de door de OK getroffen onmiddellijke voorzieningen. Dit onderdeel heeft betrekking op de reikwijdte van het door de OK in verband met art. 28 lid 1 Rv in de ex parte-beschikking opgelegde en in de kop-staart-beschikking gehandhaafde mededelingenverbod. Onderdeel 5 klaagt dat de OK met dit verbod in verschillende opzichten de grenzen van art. 28 Rv heeft miskend. Wordt aangenomen dat geen cassatieberoep openstaat van de beslissingen op het verzoek als bedoeld in art. 28 lid 2 Rv om het verbod eerst gedeeltelijk (opheffingsbeschikking I) en daarna geheel (opheffingsbeschikking II) op te heffen, dan laat dit onverlet dat in het onderhavige cassatieberoep wel erover geklaagd kan worden dat de OK bij het opgelegde verbod buiten het toepassingsgebied van art. 28 Rv zou zijn getreden. Zie vanaf 4.142 hierna.
4.12
Resumerend concludeer ik, uitgaande van de hiervoor geschetste lijn, tot niet-ontvankelijkheid van [bestuurder/CEO] in zijn cassatieberoep betreffende de opheffingsbeschikking I en de opheffingsbeschikking II voor zover daarin beslissingen op de voet van art. 28 lid 2 Rv zijn gegeven. Dit met de kanttekening dat voor zover de opheffingsbeschikking I verband houdt met het treffen van onmiddellijke voorzieningen (dat wil hier dus zeggen: de beslissing over de aanwijzing van de OK-beheerder als bedoeld in de kop-staart-beschikking) [bestuurder/CEO] wél, evenals bij de andere drie beschikkingen (de ex parte-beschikking, de kop-staart-beschikking en de uitgewerkte beschikking), in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.
4.13
Voor zover wel een rechtsmiddel zou openstaan tegen de beslissingen op de voet van art. 28 lid 2 Rv in de opheffingsbeschikking I en de opheffingsbeschikking II merk ik op dat [bestuurder/CEO] , gelet ook op de feitelijke gang van zaken en zijn uiteindelijke opstelling ter zake bij de OK (zie nader onder 3.13 en 4.7 hiervoor), ook geen belang heeft bij vernietiging van deze opheffingsbeslissingen en het cassatieberoep voor zover het is gericht tegen deze opheffingsbeslissingen dus hoe dan ook dient te worden afgewezen (verworpen). Overigens verdient nog opmerking dat voor zover de opheffingbeschikking I wordt betrokken in subonderdeel 2.2 (zie PI 52), te gelden heeft dat het daarin door [bestuurder/CEO] gedane beroep op de ‘doorkruisingsleer’ in ieder geval faalt, nog los van het voorgaande. Zie vanaf 4.73 hierna.
Nu naar de inhoud
4.14
Daarmee kom ik toe aan de inhoudelijke bespreking van [bestuurder/CEO] cassatieklachten.
Onderdeel 1
(“Schending van [bestuurder/CEO] recht op een eerlijk proces, met name hoor en wederhoor en equality of arms”)
4.15
Onderdeel 1 (PI 3) klaagt in de kern dat de OK met de procesgang voorafgaand aan de ex parte-beschikking en daarna, uitmondend in de kop-staart-beschikking en de uitgewerkte beschikking, [bestuurder/CEO] door art. 19 lid 1 Rv en art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijke behandeling van de zaak heeft geschonden. Volgens het onderdeel heeft de OK ten onrechte onmiddellijke voorzieningen getroffen en deze vervolgens gehandhaafd, zonder dat [bestuurder/CEO] (voldoende) in de gelegenheid is gesteld zich daartegen te verweren. Het onderdeel bevat drie subonderdelen (PI 4).
4.16
Volgens subonderdeel 1.1 (PI 5) bestaat, kort samengevat, geen uitdrukkelijke wettelijke grondslag voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen in een enquêteprocedure zonder dat de daardoor direct geraakte belanghebbenden van tevoren worden gehoord en de mogelijkheid hebben om verweer te voeren. Het subonderdeel bevat een rechtsklacht (toegelicht in PI 6-18) en een motiveringsklacht (toegelicht in PI 19-21).
Behandeling
4.17
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.18
Onder 4.18.1-4.18.8 hierna maak ik enkele inleidende opmerkingen. Onder 4.19 hierna keer ik terug naar het subonderdeel, te beginnen met de rechtsklacht.
4.18.1
Het recht op rechterlijk gehoor en het daarmee samenhangende recht op hoor/wederhoor (art. 19 lid 1 Rv en art. 6 EVRM), waaronder equality of arms, wordt wel beschouwd als het meest fundamentele beginsel van het (burgerlijk) procesrecht. Hoewel het naar de letter gaat om een recht van partijen, is het ook toepasselijk op belanghebbenden in een verzoekschriftprocedure. Art. 6 EVRM kan eveneens spelen bij de behandeling van een verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen in de zin van art. 2:349a BW als door die onmiddellijke voorzieningen, die kunnen worden beschouwd als zogenoemde interim measures, burgerlijke rechten en verplichtingen worden vastgesteld. Toch is het niet zo dat de OK in verband met het bepaalde in art. 19 Rv en art. 6 EVRM nimmer mag beslissen op een verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen zonder belanghebbenden, zoals hier [bestuurder/CEO] , in de gelegenheid te hebben gesteld zich over dat verzoek uit te laten. Een dergelijke absolute gelding hebben die bepalingen niet.
4.18.2
Zo laat de EHRM-rechtspraak over interim measures uitdrukkelijk de mogelijkheid open dat in uitzonderlijke (spoedeisende) gevallen burgerlijke rechten en verplichtingen kunnen worden vastgesteld zonder dat onmiddellijk aan alle vereisten van art. 6 EVRM wordt voldaan. En zo biedt art. 19 lid 1 Rv uitdrukkelijk de ruimte voor uitzonderingen, want “een en ander tenzij uit de wet anders voortvloeit”. Een bekend voorbeeld van dit laatste is het verzoek tot verlof voor het leggen van conservatoir beslag waarop de voorzieningenrechter na summier onderzoek en meestal beslist zonder de aspirant-beslagene vooraf te hebben gehoord (zie art. 700 Rv). Daarnaast zijn ook gevallen uit de rechtspraak bekend waarin een partij afstand heeft gedaan van de in het beginsel van hoor/wederhoor gelegen bescherming, of waarin een partij geen belang heeft bij hoor/wederhoor over een bepaald stuk.
4.18.3
Het is verder vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat, hoewel de rechter in verband met het bepaalde in art. 19 Rv of art. 6 EVRM in het algemeen niet op een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening mag beslissen zonder de belanghebbende(n) in de gelegenheid te hebben gesteld zich over dat verzoek uit te laten, de omstandigheden van het concrete geval zodanig bijzonder kunnen zijn dat de rechter met spoed voorlopig op dat verzoek beslist zonder de belanghebbende(n) te horen. Geen wet van Meden en Perzen derhalve.
4.18.4
Illustratief is de volgende passage uit een Hoge Raad-uitspraak van 20 april 2007:
“(…) Voorzover het onderdeel berust op de opvatting dat een verzoek ingevolge art. 2:298 lid 2 BW tot het treffen van voorlopige voorzieningen als de onderhavige nimmer kan worden toegewezen zonder dat de betrokken bestuurder vooraf is gehoord, faalt het omdat die opvatting in haar algemeenheid onjuist is. In het algemeen dient de rechter niet te beslissen zonder een dergelijk verhoor vooraf. Het bepaalde in art. 19 Rv. of art. 6 EVRM staat echter niet eraan in de weg dat de rechter met het oog op de ernst van de aan het verzoek tot schorsing van een bestuurder en benoeming van een tijdelijk bestuurder ten grondslag gelegde feiten of de spoedeisendheid van de verzochte voorzieningen, tot het treffen daarvan overgaat zonder de betrokken bestuurder vooraf te horen. Bij de verdere behandeling van het verzoek tot ontslag van de voorlopig geschorste bestuurder dient de rechter dan, eventueel na een verzoek tot vervroegde mondelinge behandeling, te beoordelen of de gronden tot het treffen van de voorlopige voorzieningen en de noodzaak tot het handhaven daarvan nog steeds bestaan, en zijn oordeel dienaangaande, indien hetgeen de geschorste bestuurder in dat verband aanvoert daartoe aanleiding geeft, nader te motiveren.”
4.18.5
Hierop bouwde de Hoge Raad op 14 december 2018 als volgt voort, inzake een beslissing tot schorsing van een schriftelijke aanwijzing op de voet van art. 1:264 lid 1, laatste zin BW (waarop de algemene bepaling inzake voorlopige voorzieningen van art. 223 Rv van overeenkomstige toepassing is):
“Hoewel de rechter in verband met het bepaalde in art. 19 Rv of art. 6 EVRM in het algemeen niet op een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening mag beslissen zonder de belanghebbenden in de gelegenheid te hebben gesteld zich over dat verzoek uit te laten, kan dat anders zijn bij een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening als hier aan de orde. Genoemde bepalingen staan niet eraan in de weg dat de kinderrechter met het oog op de spoedeisendheid van het verzoek tot schorsing van een schriftelijke aanwijzing, mede gelet op de ernst van de eraan ten grondslag gelegde feiten, met spoed voorlopig op dat verzoek beslist zonder de belanghebbenden te horen. Het is aan de kinderrechter overgelaten of hij daartoe overgaat. Beslist de kinderrechter met spoed voorlopig en zonder de belanghebbenden te horen op het schorsingsverzoek, dan dient hij bij de verdere behandeling van het verzoek tot vervallenverklaring, eventueel na een verzoek tot vervroegde mondelinge behandeling, het schorsingsverzoek nader te beoordelen en zijn oordeel dienaangaande zo nodig te heroverwegen of nader te motiveren mede in het licht van hetgeen de belanghebbenden in dat verband aanvoeren (vgl. HR 20 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9324).”
4.18.6
Waar de omstandigheden van het concrete geval de rechter aanleiding geven met spoed voorlopig op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening te beslissen zonder de belanghebbende(n) te horen, kan, voor zover dan nodig, de wettelijke basis voor een uitzondering in de zin van art. 19 lid 1 Rv gevonden worden: in de algemene regeling inzake voorlopige voorzieningen van art. 223 Rv, waar deze zich leent voor overeenkomstige toepassing in de desbetreffende verzoekschriftprocedure; of in een bijzondere regeling inzake voorlopige voorzieningen, zoals in Boek 2 BW te vinden is in het stichtingenrecht (art. 2:298 lid 2 BW), en in het enquêterecht (art. 2:349a lid 2-3 BW), waarbij aan overeenkomstige toepassing van art. 223 Rv niet wordt toegekomen. Ik schrijf “voor zover dan nodig”, nu in de literatuur wel lijkt te worden aangenomen dat een dergelijk spoedeisend geval een afzonderlijke categorie betreft, naast het geval waarin een (uitdrukkelijke) wettelijke basis voor een uitzondering in zin van art. 19 lid 1 Rv is vereist en bestaat, zoals het reeds genoemde art. 700 Rv. De rechtspraak van het EHRM biedt hiertoe trouwens ook een aanknopingspunt.
4.18.7
In de onderhavige zaak gaat het om een enquêteprocedure. Dat daarin, voor zover nodig, art. 2:349a lid 2-3 BW als zodanig zo’n wettelijke basis biedt, laat zich ook onderbouwen door een parallel te trekken met onmiddellijke voorzieningen in kort geding (art. 254 Rv). In kort geding bestaat de mogelijkheid tot het treffen van een zogenoemde freezing order, waarmee in dit verband onder meer wordt bedoeld dat de voorzieningenrechter voorafgaand aan de mondelinge behandeling een voorlopige voorziening treft met gelding tot aan de mondelinge behandeling. Daarbij dient de voorzieningenrechter in beginsel eerst gelegenheid te geven aan de gedaagde op zeer korte termijn summierlijk zijn standpunt te delen, maar de voorzieningenrechter wordt ook bevoegd geacht in uitzonderlijke gevallen waarin zelfs dat verweer niet kan worden afgewacht zo’n freezing order te geven zonder de gedaagde te horen (dus ex parte). Zo’n freezing order kan worden gegeven zodra het kort geding aanhangig is. De grondslag voor deze bevoegdheid van de voorzieningenrechter wordt niet gevonden in (overeenkomstige toepassing van) art. 223 Rv, maar in art. 254 Rv als zodanig, dat immers al de bevoegdheid tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen geeft.
4.18.8
Deze redenering laat zich naar mijn idee doortrekken naar art. 2:349a lid 2-3 BW, aldus dat deze bijzondere regeling (overeenkomstige toepassing van) art. 223 Rv, of art. 254 Rv, hier overbodig maakt: de bevoegdheid van de OK tot het treffen van een freezing order voorafgaand aan de mondelinge behandeling in een enquêteprocedure volgt immers al uit art. 2:349a BW. In lid 2 daarvan is bepaald dat een onmiddellijke voorziening “in elke stand van het geding” kan worden getroffen, wat dus betekent vanaf het moment dat een enquêteverzoek in de zin van art. 2:345 lid 1 BW is ingediend. In art. 2:349a lid 3 BW wordt nog eens uitdrukkelijk bevestigd dat onmiddellijke voorzieningen kunnen worden getroffen voorafgaand aan de beslissing op het enquêteverzoek (“[i]ngeval nog geen onderzoek is gelast”). Uit de aard van de in de ex parte-beschikking getroffen onmiddellijke voorzieningen en uit de motivering in met name de uitgewerkte beschikking, rov. 3.12-3.13 maak ik overigens op dat het de OK ook te doen was om het tijdelijk bevriezen van de bestaande situatie tot de mondelinge behandeling ter voorkoming van onherstelbare schade aan Nexperia en de met haar verbonden onderneming, dus met inachtneming van de economische werkelijkheid in dit concrete geval.,
4.19
Bezien tegen deze achtergrond voert het subonderdeel m.i. geen overtuigende redenen aan waarom hetgeen in het kader van het treffen van voorlopige voorzieningen als bijvoorbeeld bedoeld in art. 223 Rv en art. 2:298 lid 2 BW door de Hoge Raad is goedgekeurd, en mogelijk wordt geacht als freezing order op de voet van art. 254 Rv in een kort geding, en bovendien uitdrukkelijk in uitzonderlijke (spoedeisende) gevallen is toegelaten door het EHRM, niet mogelijk zou (moeten) zijn in het kader van het treffen van onmiddellijke voorzieningen als bedoeld in art. 2:349a lid 2-3 BW. Daarop stuit de rechtsklacht in het subonderdeel af. Kort en goed, voor zover al een uitdrukkelijke wettelijke grondslag is vereist voor ex parte onmiddellijke voorzieningen is die er hier, te weten art. 2:349a lid 2-3 BW. Ik licht dit hierna verder toe voor zover nodig, onder verwijzing naar relevante randnummers in de PI.
4.19.1
Het betoog in PI 6 dat de uitdrukkelijke wettelijke grondslag niet kan worden gevonden in art. 279 Rv kan [bestuurder/CEO] niet baten, nu, voor zover nodig, in dit geval art. 2:349a BW een toereikende wettelijke basis in de zin van art. 19 lid 1 Rv biedt, zoals overigens uitdrukkelijk door de OK is overwogen in de ex parte-beschikking, rov. 2.3 (“ex parte op de voet van artikel 2:349a lid 3 BW te beslissen op - een deel van - de verzochte voorzieningen”). De ex parte-beschikking biedt geen enkel aanknopingspunt voor de lezing dat de OK haar bevoegdheid ex parte onmiddellijke voorzieningen te treffen mede zou hebben ontleend aan art. 279 Rv.
4.19.2
In PI 7 wordt de onder 4.18.4 hiervoor bedoelde Hoge Raad-uitspraak van 20 april 2007 verkeerd gelezen, voor zover tot uitgangspunt wordt genomen dat de Hoge Raad in die uitspraak geen wettelijke basis als bedoeld in art. 19 lid 1 Rv heeft aangewezen. De wettelijke basis die in die uitspraak wordt genoemd is immers art. 2:298 lid 2 BW.
4.19.3
Volgens PI 8 ligt het in de rede dat ex parte beslissingen in verzoekschriftprocedures:
“hooguit toelaatbaar zijn in bijzonder spoedeisende gevallen, waarin geen twijfel bestaat over de onevenredige en onherstelbare schade die voor de verzoeker zal ontstaan door naleving van het beginsel van hoor en wederhoor, waarbij de rechterlijke beslissing slechts een conserverend, niet-ingrijpend karakter kan hebben en waarbij de toepasselijke regeling zich niet tegen een ex parte procedure verzet.” [noten niet overgenomen uit het origineel, A-G]
Voor zover hiermee wordt bedoeld te klagen dat in het onderhavige geval geen sprake is van een dergelijk geval, geldt het volgende. Uit de ex parte-beschikking, rov. 2.3 blijkt dat de OK “in de bijzondere aard van het verzoek en de grote spoedeisendheid van de verzochte voorzieningen” aanleiding heeft gezien ex parte op de voet van art. 2:349a lid 3 BW te beslissen op een deel van de verzochte voorzieningen. Dat sprake was van een bijzonder spoedeisend geval blijkt ook uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.12-3.13, waarin de OK onder meer heeft overwogen dat de ex parte voorzieningen zijn gegeven “in het licht van het onderbouwde beroep door Nexperia en de Staat dat zich bij Nexperia een acute noodsituatie voordeed”. De onevenredige en onherstelbare schade die voor Nexperia zou ontstaan als niet onmiddellijk door de OK werd ingegrepen, is eveneens toegelicht in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.12-3.13, waarin onder meer wordt gewezen op “een onhoudbare situatie bij Nexperia” (rov. 3.12), op “een bedreiging voor de continuïteit van de onderneming en daarmee voor de economische veiligheid van Nederland en Europa” (rov. 3.13), en op het “voorkomen dat in de periode tot aan de inhoudelijke behandeling Nexperia en haar onderneming onherstelbare schade zou worden berokkend” (rov. 3.13). Verder geldt dat de onmiddellijke voorzieningen die ex parte door de OK zijn getroffen slechts een conserverend, niet-ingrijpend karakter hadden. Volgens de OK is in die rov. 3.13 onder de aldaar genoemde uitzonderlijke omstandigheden ex parte beslist tot het treffen van enkele onmiddellijke voorzieningen “waarmee werd beoogd de situatie te bevriezen tot het verzoek inhoudelijk zou zijn behandeld (…)”, ofwel een zo kort mogelijke “eenzijdige bevriezing van de situatie” (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14). Dat slechts sprake was van een tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie, ofwel een zuiver conserverende maatregel, blijkt ook uit de in de ex parte-beschikking getroffen onmiddellijke voorzieningen. Tijdelijk, vooralsnog totdat na de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025 op het verzoek werd beslist, werd uitsluitend: [bestuurder/CEO] geschorst als bestuurder van Nexperia; de werking van art. 3 bestuursreglement Nexperia B.V. geschorst; en bepaald dat de aandelen van Yuching in Nexperia Holding ten titel van beheer werden overgedragen. De OK-bestuurder en de OK-beheerder zijn pas later, na gelegenheid tot hoor/wederhoor van [bestuurder/CEO] en Yuching op de mondelinge behandeling en bij verweerschrift, aangewezen, respectievelijk in de kop-staart-beschikking (van 7 oktober 2025) en de opheffingsbeschikking I (van 8 oktober 2025). Dat de toepasselijke wettelijke regeling, art. 2:349a BW, zich niet verzet tegen het ex parte treffen van onmiddellijke voorzieningen kwam al aan de orde: zie mede onder 4.18.6-4.18.8 hiervoor. Dat bepalingen zoals art. 700 lid 3, 809 lid 3 en 1019e lid 1 Rv een uitdrukkelijke wettelijke grondslag bieden om geen wederhoor toe te passen, zoals PI 8 aanvoert, betekent ook niet dat a contrario de bevoegdheid om ex parte onmiddellijke voorzieningen te kunnen treffen niet aan art. 2:349a BW kan worden ontleend. Hierbij is niet een vergelijking met de hiervoor genoemde Rv-bepalingen leidend, maar laat zich, zoals gezegd, een parallel trekken met bijvoorbeeld art. 254 Rv op grond waarvan in kort geding zo nodig ex parte een freezing order kan worden opgelegd. Zie nader onder 4.18.6-4.18.8 hiervoor.
4.19.4
In PI 10 wordt aangevoerd dat de inrichting van de enquêteprocedure en de daarin verplichte belangenafweging voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen zich, zeker als dat berust op een louter voorlopig oordeel ex art. 2:349a lid 3 BW, verzet tegen het ex parte treffen van onmiddellijke voorzieningen. Dit argument stuit ook reeds af op die parallel met het treffen van onmiddellijke voorzieningen in kort geding op de voet van art. 254 Rv.
4.19.5
Dat, zoals PI 11 kort samengevat aanvoert, de OK sinds haar instelling in 1971 voor zover bekend uit de gepubliceerde rechtspraak niet eerder in een enquêteprocedure ex parte onmiddellijke voorzieningen heeft getroffen, laat, ook indien juist, eveneens onverlet dat die mogelijkheid in genoemde uitzonderlijke gevallen als de onderhavige wel op grond van art. 2:349a BW toelaatbaar is (nog daargelaten dat de bevoegdheid van de OK tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen niet al sinds 1971, maar pas veel later, sinds 1 januari 1994, in de wet (art. 2:349a BW) is opgenomen). Iets anders is dat de OK in het verleden ook wel op andere wijze rekening heeft gehouden met de bijzonderheden van het concrete geval waar het ging om het beslissen op een verzoek tot (onder meer) het treffen van onmiddellijke voorzieningen. Ik denk bijvoorbeeld aan:
- het treffen van onmiddellijke voorzieningen zonder voorafgaande mondelinge behandeling, maar wel met mogelijkheid tot schriftelijk verweer; ,
- het houden van een mondelinge behandeling op een (zeer) korte termijn.
Dit laatste, het houden van een mondelinge behandeling binnen een of enkele dagen na indiening van het verzoekschrift met zo mogelijk direct uitspraak, lijkt ook de route te zijn die Nexperia aanvankelijk voor ogen had. Later die dag, 1 oktober 2025, werd het spoedverzoek nog kracht bijgezet door de brief van EZ. Daarin heeft de OK - kennelijk en niet onbegrijpelijk - aanleiding gezien om met de beslissing tot het treffen van enkele onmiddellijke voorzieningen die de bestaande situatie bij Nexperia tijdelijk zouden bevriezen niet nog enkele dagen, tot (na) de op 6 oktober 2025 geplande mondelinge behandeling, te wachten, maar hierop onmiddellijk, ex parte, te beslissen. Hierbij heeft de OK de procedurele waarborgen die volgen uit de onder 4.18.4-4.18.5 hiervoor bedoelde Hoge Raad-uitspraken van 14 december 2018 en 20 april 2007 in acht genomen. Ter mondelinge behandeling van 6 oktober 2025 uitmondend in de kop-staart-beschikking is heroverwogen, rekening houdend met het verweer van [bestuurder/CEO] en Yuching, of de onmiddellijke voorzieningen gehandhaafd dienden te worden, welk antwoord naar het oordeel van de OK bevestigend luidde, met de kanttekening dat de overdracht van Yuchings aandelen ten titel van beheer werd gewijzigd in de zin dat Yuching één aandeel niet hoefde over te dragen aan de OK-beheerder (zie onder meer de kop-staart-beschikking, rov. 3.3, 3.6). En in de uitgewerkte beschikking (rov. 3.23-3.25) heeft de OK de getroffen onmiddellijke voorzieningen nader gemotiveerd, waarbij uitdrukkelijk rekening is gehouden met wat [bestuurder/CEO] en Yuching ter zitting en als verweer hebben aangevoerd. Dat is dus geheel volgens het spoorboekje dat door de Hoge Raad is uiteengezet in voornoemde uitspraken van 14 december 2018 en 20 april 2007.
4.19.6
Het beroep in PI 12-13 op de Hoge Raad-uitspraken inzake KPNQwest en ATR Leasing treft evenmin doel. Ik licht toe.
4.19.7
In KPNQwest heeft de Hoge Raad overwogen:
“De voorzitter van de ondernemingskamer [thans de raadsheer-commissaris als bedoeld in art. 2:350 lid 4 BW, A-G] heeft voorts de vrijheid op de voet van art. 279 lid 1 Rv. het verzoek [als bedoeld in art. 2:352 lid 1 BW, dat wil zeggen een verzoek van de onderzoeker(s) tot het geven van bevelen ter handhaving van de in art. 2:351 BW aan de onderzoeker(s) ter vervulling van diens/hun onderzoekstaak verleende rechten en bevoegdheden, A-G] onmiddellijk toe te wijzen als hij van oordeel is dat het verzochte bevel op de wet is gegrond en aanstonds kan worden verleend en hij zal alleen het oproepen van belanghebbenden moeten bevelen als de mogelijkheid bestaat dat het bevel niet of niet geheel dan wel niet op de gevraagde wijze toewijsbaar is in verband met de rechten of belangen van anderen. Daarbij zal, gelet op de aard van het bevel, meestal uitsluitend aan de orde zijn of de rechtspersoon grond kan hebben de door de onderzoeker(s) verlangde medewerking te weigeren.
Het bevel is immers in de eerste plaats gericht tot de te onderzoeken rechtspersoon, die de wettelijke verplichting heeft aan het onderzoek medewerking te verlenen. Het beginsel van hoor en wederhoor brengt alleen dan een verplichting tot oproeping van andere belanghebbenden mee als aannemelijk is dat dezen door het geven van het bevel rechtstreeks in hun belangen kunnen worden geschaad. Hieruit volgt dat onderdeel 4 wat de in 3.3.2 onder c en d bedoelde klachten betreft, berust op de onjuiste rechtsopvatting dat altijd alle bekende belanghebbenden moeten worden opgeroepen om ter terechtzitting te worden gehoord.”
Hoewel, zoals in PI 12-13 wordt onderkend, dit oordeel betrekking heeft op een heel ander verzoek dan het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen, zou hieruit bij wijze van analogie kunnen worden afgeleid dat het beginsel van hoor/wederhoor een verplichting tot oproeping van [bestuurder/CEO] met zich brengt met betrekking tot het verzoek tot het treffen van de onmiddellijke voorziening van schorsing van [bestuurder/CEO] als bestuurder van Nexperia, nu [bestuurder/CEO] met betrekking tot dat verzoek immers rechtstreeks in zijn belang kan worden geschaad. Die KPNQwest-uitspraak onderstreept met andere woorden in algemene zin dat het beginsel van hoor/wederhoor in de enquêteprocedure moet worden gerespecteerd. Die uitspraak doet echter niet af aan een (op de voet van art. 19 lid 1 Rv en art. 6 EVRM) toegelaten uitzondering op dat beginsel bij het treffen van onmiddellijke voorzieningen op de voet van art. 2:349a BW in bijzondere situaties, in lijn met voornoemde Hoge Raad-uitspraken van 14 december 2018 en 20 april 2007, en naar analogie van een freezing order in kort geding op de voet van art. 254 Rv. Zie onder 4.18.1-4.18.8 hiervoor. Voor de goede orde benadruk ik nog een keer dat die wettelijke basis hier niet bestaat in art. 279 Rv (of art. 223 Rv dan wel art. 254 Rv), maar in art. 2:349a BW.
4.19.8
In ATR Leasing heeft de Hoge Raad overwogen:
“Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. De ondernemingskamer mag een onderzoek als bedoeld in art. 2:345 BW niet bevelen zonder dat daaraan een daartoe strekkend verzoek ten grondslag ligt, doch als zij gebruik maakt van haar wettelijke bevoegdheden heeft de ondernemingskamer een ruime mate van vrijheid in haar beoordeling. Het is in beginsel aan het oordeel van de ondernemingskamer overgelaten het verzoek tot een enquête al dan niet toe te wijzen, met dien verstande dat ingevolge art. 2:350 BW het verzoek slechts toewijsbaar is wanneer blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid van de betrokken rechtspersoon te twijfelen (HR 20 november 1996, nr. OK55, NJ 1997, 188). De ondernemingskamer moet daarbij zowel op de belangen van verzoekers tot een enquête letten als op die van andere bij de (onderneming van de) rechtspersoon betrokken belanghebbenden. Daarbij staat het belang van de rechtspersoon voorop.
Met het oog hierop en gelet op de aard van deze op een spoedige beslissing gerichte procedure, past het niet de eis te stellen dat de ondernemingskamer slechts kan beslissen binnen de strikte grenzen van het verzoek zoals verzoekers dit hebben ingekleed. Deze beoordelingsvrijheid brengt mee dat belanghebbenden, ook indien zij niet de bevoegdheid hebben een verzoek tot het bevelen van een onderzoek in te dienen, over alle aspecten van het (verzoek tot het bevelen van een) onderzoek hun standpunt mogen kenbaar maken, dus niet alleen over de al dan niet toewijsbaarheid van het verzoek, maar ook over de aard en omvang van het eventueel door de ondernemingskamer te bevelen onderzoek, waaronder begrepen de periode waarover het zich moet uitstrekken. Als de ondernemingskamer vervolgens van oordeel is dat het verzoek toewijsbaar is, zal zij de omvang van het onderzoek, en daarmee dus eveneens de periode waarover dat zich moet uitstrekken, alsmede van de daartoe noodzakelijke voorzieningen dienen te bepalen. Haar komt daarbij een grote mate van vrijheid toe (HR 6 juni 2003, nr. R02/078, NJ 2003, 486). Daarbij zal de ondernemingskamer, in verband met het voorschrift van art. 24 Rv., geen beslissing mogen geven waarop de betrokken partijen, gelet op het verloop van het geding en het processuele debat, niet bedacht behoefden te zijn en over de consequenties waarvan zij zich niet hebben kunnen uitlaten. Het staat de ondernemingskamer dan ook niet vrij beslissingen te geven of voorzieningen te treffen die niet stroken met de strekking van het ingediende verzoek of die aan de kenbare bedoeling van verzoekers zodanig afbreuk doen dat moet worden aangenomen dat zij het verzoek, als daaraan op deze wijze uitvoering wordt gegeven, niet zouden hebben gehandhaafd.”
Hieruit blijkt dat die uitspraak niet zozeer betrekking heeft op de beslissing op het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen, als wel op de beslissing op het verzoek tot het bevelen van een onderzoek. Overigens heeft de OK in de onderhavige zaak niet ex parte andere onmiddellijke voorzieningen getroffen dan waar door Nexperia om is verzocht. Dat enkele voorzieningen reeds ex parte zijn getroffen, lijkt mij ook geen verrassingsbeslissing als bedoeld in ATR Leasing, nu die beslissing strookt met de strekking van het ingediende verzoek althans geen afbreuk doet aan de kenbare bedoeling van verzoekers. Nexperia heeft immers, daarin gesteund door EZ, verzocht om de zaak “met bijzondere spoed” te behandelen. Dat zij daarbij niet uitdrukkelijk heeft verzocht om ex parte onmiddellijke voorzieningen te treffen, is te verklaren door het feit dat de OK hiertoe, voor zover mij bekend, niet eerder is overgegaan. Zie ook onder 4.19.5 hiervoor. In dit verband acht ik tevens van belang dat het ex parte treffen van onmiddellijke voorzieningen volgens mij niet als een afzonderlijk incident onder overeenkomstige toepassing van art. 223 Rv moet worden beschouwd, maar als een bevoegdheid die rechtstreeks zijn grondslag vindt in art. 2:349a BW. Zie ook onder 4.18.6 en 4.18.8 hiervoor. De OK heeft met andere woorden in de ex parte-beschikking niet ambtshalve, zonder dat daaraan een verzoek op de voet van art. 2:349a BW ten grondslag ligt, beslist tot het ex parte treffen van enkele onmiddellijke voorzieningen. Ik merk verder op dat wat betreft het moment waarop het treffen van een onmiddellijke voorziening vereist is in verband met de toestand van de rechtspersoon (of in het belang van het onderzoek) aan de OK een grote mate van vrijheid toekomt, die voortvloeit uit het karakter van onmiddellijke voorzieningen als ordemaatregel en besloten ligt in de discretionaire bevoegdheid van de OK in het kader van art. 2:349a lid 2-3 BW.
4.19.9
In PI 14 wordt een beroep gedaan op de aard en doeleinden van de enquêteprocedure, welk beroep overigens slechts wordt toegelicht onder verwijzing naar delen van de tekst van art. 2:349a BW. Ik zie niet in dat de OK met het ex parte treffen van onmiddellijke voorzieningen de aard of doeleinden van de enquêteprocedure zou hebben miskend. Wat de aard van de enquêteprocedure betreft, kan bijvoorbeeld worden gewezen op de onder 4.19.8 hiervoor geciteerde rechtsoverweging uit ATR Leasing, waaruit onder meer blijkt dat de enquêteprocedure een op een spoedige beslissing gerichte procedure is waarin het belang van de rechtspersoon vooropstaat. In de aard van de enquêteprocedure in het algemeen en de aard van onmiddellijke voorzieningen in het bijzonder ligt juist een rechtvaardiging besloten voor het onmiddellijk (zo nodig ex parte) moeten kunnen ingrijpen door de OK indien de toestand van de rechtspersoon (of het belang van het onderzoek) dat vergt. Evenmin valt in te zien dat het ex parte treffen van onmiddellijke voorzieningen niet zou stroken met de doeleinden van het enquêterecht, waartoe immers onder meer behoort de sanering van en het herstel van gezonde verhoudingen door maatregelen van organisatorische aard binnen de onderneming van de betrokken rechtspersoon.
4.19.10
Voor zover PI 14 aanvoert dat art. 2:349a BW geen grondslag biedt voor het ex parte treffen van onmiddellijke voorzieningen, ziet het verder voorbij aan het volgende. Art. 2:349a lid 1, eerste zin BW bepaalt dat de OK het verzoek “met de meeste spoed” behandelt. Dit heeft overigens niet alleen betrekking op het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen, maar ook op het enquêteverzoek in de zin van art. 2:345 lid 1 BW zelf. Uit het vervolg van art. 2:349a lid 1 BW blijkt dat de wetgever daarbij een (mondelinge) behandeling van het verzoek voor ogen heeft gestaan, waarbij belanghebbenden voorafgaand aan de aanvang van de behandeling tot een bepaald door de OK te bepalen tijdstip een verweerschrift kunnen indienen, verzoekers en de rechtspersoon hetzij bij advocaat hetzij bijgestaan door hun advocaten verschijnen, en de OK ook ambtshalve getuigen en deskundigen kan horen alvorens te beslissen op het verzoek. Het wettelijke uitgangspunt is dus dat na een mondelinge behandeling tegelijk wordt beslist op het enquêteverzoek en het treffen van onmiddellijke voorzieningen voor zover ook om dat laatste is verzocht. Uit het vervolg van art. 2:349a BW blijkt echter dat beide verzoeken los van elkaar kunnen worden behandeld. Volgens art. 2:349a lid 2 BW kan het treffen van onmiddellijke voorzieningen immers “in elke stand van het geding” geschieden, en art. 2:349a lid 3 BW bepaalt uitdrukkelijk dat en onder welke voorwaarden dat kan ingeval “nog geen onderzoek is gelast”. Een onmiddellijke voorziening kan dus worden getroffen vanaf het moment dat een enquêteverzoek (met tevens een verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen) is ingediend; anders gezegd, het geding vangt aan met het indienen van het verzoekschrift als bedoeld in art. 2:345 lid 1 BW. Voor die tijd, wanneer nog geen enquêteverzoek is ingediend, is men voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen aangewezen op de voorzieningenrechter, die dan terughoudend moet optreden.
4.19.11
In PI 15 wordt aangevoerd dat een parallel met het ex parte leggen van conservatoir beslag op grond van een geïnstitutionaliseerde wettelijke grondslag (“art. 700 jo 705 Rv”) niet opgaat. Het belang van het wijzen op verschillen tussen het ex parte kunnen (geven van verlof voor het) leggen van conservatoir beslag en het al dan niet ex parte kunnen treffen van onmiddellijke voorzieningen ontgaat mij. Het bestreden oordeel van de OK is trouwens ook niet (mede) ingestoken op enige parallel met het ex parte kunnen (geven van verlof voor het) leggen van conservatoir beslag. Waar het om gaat, is immers of er, voor zover nodig, een toereikende wettelijke basis in de zin van art. 19 lid 1 Rv is voor de door de OK gemaakte uitzondering op het beginsel van hoor/wederhoor. En die basis in de wet is er, te weten art. 2:349a BW. Het gaat met andere woorden om een andere basis in de wet dan die in Rv waarop PI 15 is geënt.
4.19.12
In PI 16 wordt in twijfel getrokken of die uitspraak van Hoge Raad van 20 april 2007 in overeenstemming is met de wet. Daarmee wordt kennelijk bedoeld dat de Hoge Raad in die uitspraak geen wettelijke basis in de zin van art. 19 lid 1 Rv voor de uitzondering op het beginsel van hoor/wederhoor zou hebben aangewezen. Dat berust als gezegd op een verkeerde lezing van die uitspraak, nu de door de Hoge Raad aangewezen wettelijke basis in die uitspraak art. 2:298 lid 2 BW betreft. In PI 18 wordt bij herhaling opgemerkt dat in het onderhavige geval een deugdelijke wettelijke basis zoals vereist in art. 19 lid 1 Rv zou ontbreken. Deze basis kan in het onderhavige geval evenwel worden gevonden in art. 2:349a BW, zoals overigens ook uitdrukkelijk door de OK is overwogen in de ex parte-beschikking, rov. 2.3 (“ex parte op de voet van artikel 2:349a lid 3 BW te beslissen op - een deel van - de verzochte voorzieningen”).
4.19.13
Anders dan de hiervoor besproken Hoge Raad-uitspraken inzake KPNQwest en ATR Leasing hebben de Hoge Raad-uitspraken inzake DSM,Versatel en SkyGate, waarop in PI 16-17 beroep wordt gedaan, wel specifiek betrekking op het door de OK treffen van onmiddellijke voorzieningen. Ik citeer uit DSM:
“(…) De wetgever heeft (…) niet uitgesloten dat de ondernemingskamer van deze bevoegdheid gebruik maakt voordat zij op het verzoek tot het instellen van een onderzoek heeft beslist, en dus vooruitlopend op een definitief oordeel daarover. Niettemin zal in dit stadium van die bevoegdheid slechts een terughoudend gebruik kunnen worden gemaakt. In dit stadium kan immers slechts aan de hand van een beperkt partijdebat voorlopig worden beoordeeld of gegronde redenen bestaan om aan een juist beleid te twijfelen. Voorts dient ook in dit stadium van het geding in het oog te worden gehouden dat te zijner tijd, afhankelijk van de uitkomsten van een eventueel in te stellen onderzoek, voor het treffen van voorzieningen als bedoeld in art. 2:356 BW slechts plaats is indien dit gerechtvaardigd is met het oog op de met de regeling van het enquêterecht beoogde sanering en herstel van gezonde verhoudingen door maatregelen van reorganisatorische aard binnen de onderneming van de rechtspersoon. In elk geval zal de ondernemingskamer bij de uitoefening van haar bevoegdheid voldoende rekening moeten houden met, en een billijke afweging moeten maken van, de belangen van betrokken partijen (HR 19 oktober 2001, nr. OK85, NJ 2002, 92). Een en ander brengt mee dat van de bevoegdheid tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen voordat een onderzoek wordt gelast, slechts gebruik kan worden gemaakt indien daartoe in verband met de toestand van de rechtspersoon of in het belang van het onderzoek voldoende zwaarwegende redenen bestaan.”
4.19.14
Deze rechtsoverweging is per 1 januari 2013 gecodificeerd in art. 2:349a lid 2-3 BW. In PI 17 wordt op zichzelf terecht uit deze rechtsoverweging afgeleid dat van de mogelijkheid om onmiddellijke voorzieningen te treffen voordat op het verzoek tot het instellen van een onderzoek is beslist met terughoudendheid en met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel gebruik moet worden gemaakt. De te betrachten terughoudendheid heeft de OK hier echter niet miskend bij het ex parte treffen van onmiddellijke voorzieningen, waaronder de schorsing van [bestuurder/CEO] als bestuurder van Nexperia en de overdracht ten titel van beheer van de aandelen van Yuching. Het ging immers slechts om een tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie aan de hand van toewijzing van slechts een deel van de verzochte onmiddellijke voorzieningen, die bovendien kort heeft geduurd (van 1 oktober 2025 tot 6 althans 7 oktober 2025) en waarvoor naar het oordeel van de OK in verband met de toestand van de rechtspersoon voldoende zwaarwegende redenen bestonden. Het ex parte treffen van onmiddellijke voorzieningen is ook niet onverenigbaar met de belangenafweging die de OK behoort te maken (het evenredigheidsbeginsel), zoals in onder meer PI 16 wordt gesteld. Het is waar dat de OK zich niet kan beperken tot een afweging van de belangen van Nexperia (in hoedanigheid van verzoekster en verweerster), maar dat ook moet worden gelet op de belangen van onder meer [bestuurder/CEO] die als bestuurder van Nexperia door de onmiddellijke voorziening direct kan worden geraakt. Volgens PI 16 kan deze belangenafweging niet (naar behoren) worden gemaakt als geen verweer is of kan worden gevoerd. De overweging uit DSM hieromtrent is ontleend aan SkyGate, waarnaar ook wordt verwezen in Versatel. In SkyGate klinkt op dit punt een parallel met rechtspraak over onmiddellijke voorzieningen in kort geding door. In kort geding laat deze rechtspraak onverlet dat de voorzieningenrechter bevoegd is, zo nodig ex parte, een freezing order te treffen. Zie onder 4.18.7 hiervoor. Ik zie niet in dat dit op de voet van art. 2:349a BW anders zou (moeten) zijn. De ex parte getroffen onmiddellijke voorzieningen hadden immers geen onomkeerbare gevolgen voor [bestuurder/CEO] (of Yuching). De OK-bestuurder is pas op 7 oktober 2025 aangesteld (de OK-beheerder pas op 8 oktober 2025), dus na de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025, waarbij (zie ook de kop-staart-beschikking, rov. 3.2-3.3, 3.6 en de uitgewerkte beschikking, rov. 3.23-3.24) wel hoor/wederhoor is toegepast ofwel rekening is gehouden met het verweer van [bestuurder/CEO] (en Yuching). Dat de OK aldus onvoldoende heeft verantwoord welke belangen dienaangaande zijn afgewogen, en hoe, valt - anders dan wordt gesuggereerd in PI 16 - niet in te zien.
4.19.15
In PI 17 wordt verder betoogd dat de OK in de bestreden beschikkingen niet heeft gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn een definitieve beslissing volgt op het enquêteverzoek. Dat betreft kennelijk een verwijzing naar het vereiste van art. 2:349a lid 3, laatste zin BW. In de wetsgeschiedenis wordt toegelicht dat ervan wordt uitgegaan dat in de regel binnen enkele maanden na het treffen van de onmiddellijke voorzieningen op het enquêteverzoek kan worden beslist, maar dat deze termijn in bijzondere omstandigheden langer kan zijn. De OK heeft in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.27 in lijn met dit vereiste vermeld dat binnen een redelijke termijn een zitting zal worden bepaald om het enquêteverzoek ten gronde te behandelen. Deze mondelinge behandeling heeft na overleg met partijen plaatsgevonden op 14 januari 2026, waarna op het enquêteverzoek is beslist bij eerstefasebeschikking (van 11 februari 2026). De OK heeft de redelijke termijn in de zin van art. 2:349a lid 3 BW dus wel degelijk onder ogen gezien in de uitgewerkte beschikking en inmiddels is gebleken dat de beslissing op het enquêteverzoek ook daadwerkelijk is genomen binnen enkele maanden na het treffen van de onmiddellijke voorzieningen in oktober 2025. Zie ook onder 3.22-3.23 hiervoor.
4.19.16
Op PI 18 ben ik onder 4.19.12 hiervoor al ten dele ingegaan In PI 18 wordt in het verlengde daarvan nog opgemerkt dat “enige grond in (consistente) rechtspraak in het verleden” op dit punt zou ontbreken. Voor zover daarmee weer wordt bedoeld, kort samengevat, dat de OK sinds haar instelling in 1971 voor zover bekend uit de gepubliceerde rechtspraak niet eerder ex parte onmiddellijke voorzieningen zou hebben getroffen, verwijs ik naar 4.19.5 hiervoor. Verder geldt dat er weliswaar niet veel rechtspraak is over ex parte-beslissingen op verzoeken tot het treffen van voorlopige of onmiddellijke voorzieningen, maar mij niet is gebleken van inconsistentie in de rechtspraak dienaangaande. Dat er ter zake niet veel rechtspraak voorhanden is, is weinig verwonderlijk nu het gaat om situaties die zich slechts bij hoge uitzondering voordoen. Voornoemde uitspraak van 20 april 2007 staat in elk geval niet op zichzelf, want de daarin door de Hoge Raad uitgezette lijn is nadien, in voornoemde uitspraak van 14 december 2018, door de Hoge Raad juist bevestigd. Ook in de feitenrechtspraak wordt een enkele keer een ex parte-beslissing tot het treffen van een voorlopige voorziening genomen.Verder memoreer ik dat de EHRM-rechtspraak over art. 6 EVRM hiertoe ook ruimte laat, zie onder 4.18.2 hiervoor.
4.19.17
Het beroep in PI 18 op EHRM-rechtspraak voor zover daaruit voortvloeit dat de noodzaak om te zorgen voor procedurele waarborgen groter wordt naarmate de gevolgen van de getroffen maatregelen voor de betrokkene ingrijpender zijn, ziet eraan voorbij dat in de korte periode dat de schorsing van [bestuurder/CEO] als bestuurder van Nexperia ex parte van toepassing is geweest (van 1 oktober 2025 tot 6 althans 7 oktober 2025) slechts sprake was van een tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie ofwel een zuiver conserverende maatregel, in welke periode ook nog geen OK-bestuurder was aangesteld (zie ook onder 4.19.3 hiervoor). Voor zover in PI 18 wordt betoogd dat het treffen van de onmiddellijke voorzieningen niet ex parte toelaatbaar is vanwege de mogelijk blijvende gevolgen faalt dat eveneens. Op zichzelf is het waar dat in een enquêteprocedure getroffen onmiddellijke voorzieningen tot onomkeerbare gevolgen kunnen leiden. In de korte periode dat de onmiddellijke voorzieningen ex parte van toepassing zijn geweest (van 1 oktober 2025 tot 6 althans 7 oktober 2025), was echter hoe dan ook nog slechts sprake van een tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie ofwel een zuiver conserverende maatregel, nu de OK-beheerder pas in de opheffingsbeschikking I (van 8 oktober 2025) is aangewezen en ook de andere in de ex parte-beschikking getroffen onmiddellijke voorzieningen, de schorsing van [bestuurder/CEO] als bestuurder van Nexperia en schorsing van de werking van art. 3 bestuursreglement Nexperia B.V., niet verder gingen dan tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie. De OK-bestuurder is immers ook pas aangewezen in de kop-staart-beschikking (van 7 oktober 2025). Verder verdient in dit verband opmerking dat de Hoge Raad in voornoemde uitspraak van 20 april 2007 de ex parte benoeming, bij wijze van voorlopige voorziening op de voet van art. 2:298 lid 2 BW, van een tijdelijke bestuurder bij een stichting heeft toegelaten en dat een dergelijke benoeming in wezen niet verschilt van een OK-bestuurder die is aangesteld bij wijze van onmiddellijke voorziening op de voet van art. 2:349a BW. Voor een OK-bestuurder geldt eveneens dat die besluiten kan nemen of andere bestuurshandelingen kan verrichten waarvan de gevolgen onomkeerbaar zijn. Het door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunt voor een tijdelijke bestuurder op de voet van art. 2:298 lid 2 BW van een zekere terughoudendheid bij het uitoefenen van de bevoegdheden lijkt mij overigens evenzeer te gelden voor een OK-functionaris, zoals een OK-bestuurder of een OK-beheerder, met de kanttekening dat dit uitgangspunt niet eraan in de weg staat dat een dergelijke OK-functionaris soms zeer ingrijpende beslissingen (met onomkeerbare gevolgen) moet (kunnen) nemen. In de ex parte-periode was er in het onderhavige geval echter als gezegd nog geen OK-bestuurder of OK-beheerder aangewezen.
4.20
Daarmee is het lot van de rechtsklacht in het subonderdeel bezegeld.
4.21
Het subonderdeel bevat daarnaast in PI 19-21 een motiveringsklacht, die inhoudt dat ontoereikend is gemotiveerd het oordeel van de OK in de ex parte-beschikking en de uitgewerkte beschikking dat in de gegeven omstandigheden een voldoende grondslag en rechtvaardiging bestond om [bestuurder/CEO] niet voorafgaand aan het treffen van onmiddellijke voorzieningen te horen. Deze klacht treft evenmin doel. Ik leg uit waarom.
4.21.1
De klacht faalt al bij gebrek aan feitelijke grondslag voor zover die berust op de uitgangspunten uiteengezet in PI 20. De OK heeft het uitgangspunt dat een rechterlijke beslissing in een ex parte-procedure hooguit een conserverend, niet ingrijpend karakter kan hebben met de ex parte getroffen onmiddellijke voorzieningen immers niet miskend. Met de ex parte getroffen onmiddellijke voorzieningen, die slechts enkele dagen van kracht zijn geweest, heeft de OK een tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie bewerkstelligd, zoals is gemotiveerd in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.13-3.14. De OK heeft niet nagelaten duidelijk te maken op welke wettelijke grondslag zij de mogelijkheid baseert om ex parte onmiddellijke voorzieningen toe te wijzen. De wettelijke grondslag die de OK daartoe - gelet op ook het falen van de rechtsklacht in dit subonderdeel: niet ten onrechte - heeft gebruikt, is art. 2:349a BW, zoals uitdrukkelijk blijkt uit de ex parte-beschikking, rov. 2.3. Verder heeft de OK afdoende gemotiveerd, kenbaar met oog voor en onder afweging van de betrokken belangen, dat het recht om gehoord te worden niet kon worden toegepast zonder onnodig afbreuk te doen aan de verwezenlijking van de met de desbetreffende onmiddellijke voorzieningen nagestreefde doelstellingen. Die motivering blijkt onder meer uit de ex parte-beschikking, rov. 2.3, 2.5 en de uitgewerkte beschikking, rov. 3.12-3.13.
4.21.2
Het in PI 21 onder a t/m d aangevoerde kan evenmin tot cassatie leiden. Ik leg uit.
4.21.3
Onder a wordt tot uitgangpunt genomen dat de OK zelfstandig, in afwijking van het verzoek van Nexperia, en daarmee uit eigen beweging is overgegaan tot het geven van een ex parte-beschikking. Hierbij wordt echter selectief uit de brief van Nexperia geciteerd, nu op p. 1 van die brief wordt verwezen naar de ruimere toelichting op p. 4 waarin Nexperia de OK in algemene zin heeft verzocht “deze zaak met bijzondere spoed te behandelen”. Bovendien wordt voorbijgezien aan de brief van EZ van later diezelfde dag waarin de OK “met klem” wordt verzocht de zaak zo spoedig mogelijk te behandelen. Voor zover de OK niet een discretionaire bevoegdheid zou hebben om het moment waarop op het treffen van onmiddellijke voorzieningen moet worden beslist (zie ook onder 4.19.8 hiervoor), is ook niet onbegrijpelijk dat de OK het verzoek van Nexperia, mede in het licht van de aanvullende brief van dezelfde datum van EZ, heeft verstaan als een verzoek tot het ex parte treffen van onmiddellijke voorzieningen. Deze uitleg van de gedingstukken is verder voorbehouden aan de OK als feitenrechter.
4.21.4
Onder b wordt tot uitgangspunt genomen dat de door Nexperia verzochte onmiddellijke voorzieningen in de gegeven omstandigheden niet waren gericht op louter neutrale tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie, omdat Nexperia’s verzoek mede was gericht op het uitlokken van actieve handelingen van de OK-beheerder. Dit ziet eraan voorbij dat de OK in de ex parte-beschikking nog geen OK-beheerder heeft aangewezen en dat in de beperkte periode dat deze voorziening ex parte heeft gegolden de OK-beheerder dus hoe dan ook nog geen actieve handelingen kon verrichten.
4.21.5
Onder c wordt vooreerst betoogd, kort samengevat, dat de OK in de ex parte-beschikking, rov. 2.3 en in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.12-3.13 ontoereikend heeft gemotiveerd dat sprake was van een acute noodsituatie die een vergaande inbreuk op art. 19 lid 1 Rv en art. 6 EVRM rechtvaardigt, te meer/althans omdat naleving van het bevel al was gewaarborgd via publiekrechtelijke handhavingsinstrumenten (“zie subonderdeel 2.2”) en het aan spoedeisendheid ten grondslag gelegde belang van EZ geen belang is dat door de OK mocht worden betrokken in de rechtvaardiging voor een afwijking van art. 19 lid 1 Rv en art. 6 EVRM (“zie subonderdeel 2.1”). Hiermee wordt miskend dat de OK met de gestelde acute noodsituatie in de eerste plaats heeft bedoeld dat het ex parte treffen van enkele onmiddellijke voorzieningen ter tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie was vereist gelet op het belang van Nexperia (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 3.12: “dat zich bij Nexperia een acute noodsituatie voordeed”; “onhoudbare situatie bij Nexperia”; en rov. 3.13: “een bedreiging voor de continuïteit van de onderneming”; “te voorkomen dat in de periode tot aan de inhoudelijke behandeling Nexperia en haar onderneming onherstelbare schade zou worden berokkend”). Verder blijkt dat de OK bij de beslissing om onmiddellijk ex parte in te grijpen het belang van EZ, althans een algemeen, openbaar of maatschappelijk belang heeft meegewogen (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 3.13: “Verder is van belang dat de Staat heeft betoogd dat de door Nexperia gedreven onderneming van essentieel belang is voor de economische veiligheid van Nederland en Europa, terwijl op heel korte termijn cruciale bedrijfsprocessen, goederen en kennis verloren dreigden te gaan door verplaatsing naar locaties buiten Europa”; “daarmee voor de economische veiligheid van Nederland en Europa”). Dat is niet onterecht. Voor zover de klacht hier voortbouwt op onderdeel 2, dat faalt, verwijs ik naar de bespreking van dat onderdeel vanaf 4.52 hierna.
4.21.6
Onder c wordt voorts uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.16 afgeleid dat de gestelde acute noodsituatie geen grondslag vormt voor de gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia, en dus ook geen ingrijpende beperking van het recht op hoor/wederhoor kan rechtvaardigen. In die rov. 3.16 is overwogen dat het voorlopige oordeel dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia niet steunt op het bevel en de gronden waarop het bevel berust. Dit deel van de klacht stuit er reeds op af dat, gezien ook de uitgewerkte beschikking, rov. 3.12, de acute noodsituatie bij Nexperia die de OK aanleiding gaf tot het ex parte treffen van onmiddellijke voorzieningen niet is te reduceren tot het bevel en de gronden waarop het berust.
4.21.7
Het onder d aangevoerde is gebaseerd op subonderdeel 1.2.4 en veronderstelt, kort samengevat, een substantiële voorbereidingstijd van het verzoek van Nexperia. Onder 4.18.8 en 4.19.10 hiervoor is aan de orde gekomen dat een geding bij de OK aanhangig moet zijn voordat, zo nodig ex parte, onmiddellijke voorzieningen op de voet van art. 2:349a BW kunnen worden getroffen. De enquêteprocedure is aanhangig vanaf het moment dat het verzoekschrift als bedoeld in art. 2:345 lid 1 BW bij de OK is ingediend. Het is daarmee een gegeven dat het enige voorbereidingstijd kost voordat, zo nodig ex parte, onmiddellijke voorzieningen kunnen worden (verzocht en) getroffen. Dat het voorbereiden van zo’n verzoekschrift de nodige tijd heeft gekost, maakte de acute noodsituatie die naar het oordeel van de OK op 1 oktober 2025 onmiddellijk - ex parte - ingrijpen noodzakelijk maakte in het belang van Nexperia niet minder acuut. Uit de motivering van de OK blijkt eerder dat het tegendeel het geval was (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 3.13: “Iedere dag dat deze situatie zou voortduren”, etc.). Overigens is gesteld noch gebleken dat Nexperia zou hebben getalmd met het indienen van het enquêteverzoek. Voor zover de klacht hier voortbouwt op subonderdeel 1.2.4, dat faalt, verwijs ik naar de bespreking van dat subonderdeel vanaf 4.46 hierna.
4.22
Subonderdeel 1.1 is aldus ongegrond. Kort en goed: de OK kan desverzocht, in bijzonder spoedeisende gevallen als hier aan de orde, op de voet van art. 2:349a BW ex parte onmiddellijke voorzieningen treffen ter tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie (freezing order). Dit levert geen schending op van art. 19 lid 1 Rv en art. 6 EVRM. En dat de OK daartoe in het onderhavige bijzondere geval is overgegaan, is niet onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
4.23
Subonderdeel 1.2
(PI 4, 22-23) klaagt dat [bestuurder/CEO] onvoldoende gelegenheid is geboden zijn verweer tegen het verzoekschrift en de ex parte-beschikking voor te bereiden, waarmee de procesgang als geheel oneerlijk is. Volgens het subonderdeel is, kort samengevat, het recht geschonden (art. 19 lid 1 Rv en art. 6 EVRM) en/of een onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd oordeel gegeven, doordat de datum voor het verweerschrift en voor de mondelinge behandeling op de (te) korte termijn van 6 oktober 2025 (09:00 uur respectievelijk 13:00 uur) is bepaald, in weerwil van het verweer van [bestuurder/CEO] dat de gang van zaken in strijd is met fundamentele beginselen van een goede procesorde en het bepaalde in art. 6 EVRM. Deze algemene rechts- en motiveringsklacht is uitgewerkt in vier sub(sub)onderdelen: 1.2.1 t/m 1.2.4.
Behandeling
4.24
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.25
Subonderdeel 1.2.1
(PI 24) is gericht tegen een van de twee in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 gegeven redenen waarom de OK niet heeft bewilligd in het verzoek van Yuching tot uitstel van de mondelinge behandeling, namelijk de eerste reden, die inhoudt dat juist uit oogpunt van hoor/wederhoor is besloten de eenzijdige bevriezing van de situatie zo kort mogelijk te doen voortduren en is besloten op zeer korte termijn een inhoudelijke behandeling te gelasten. Daarmee zou de OK art. 19 lid 1 Rv en art. 6 EVRM hebben geschonden, althans een onbegrijpelijk oordeel hebben gegeven. Dit werkt het subonderdeel uit langs drie routes.
4.26
In de eerste plaats, aldus het subonderdeel (PI 25), heeft de OK hiermee miskend dat het fundamentele recht op een eerlijk proces (art. 19 lid 1 Rv en art. 6 EVRM) juist het (proces)belang van [bestuurder/CEO] als belanghebbende en subject van de ex parte getroffen onmiddellijke voorzieningen beogen te beschermen, en de OK gelet op deze strekking het beginsel van hoor/wederhoor niet aan [bestuurder/CEO] had kunnen tegenwerpen. Toen [bestuurder/CEO] op deze korte termijn niet (afdoende) bleek te kunnen reageren op het verzoekschrift en de gronden van de ex parte-beschikking door tijdig voor de mondelinge behandeling een verweerschrift in te dienen, had de OK de mondelinge behandeling en het verweerschrift moeten uitstellen om [bestuurder/CEO] een voldoende mogelijkheid tot het voorbereiden van zijn verweer te geven.
4.26.1
Deze klacht mist doel. Ik licht toe.
4.26.2
Naar luid van art. 279 lid 1 Rv bepaalt de rechter onverwijld dag en uur waarop de (mondelinge) behandeling plaatsvindt. De wet bevat in art. 279 lid 1 Rv geen termijn die de rechter bij de dagbepaling van de mondelinge behandeling in acht moet nemen, maar een nadere invulling van die termijn kan wel in bijzondere wetsbepalingen zijn geregeld. Voor het enquêterecht is dat sinds jaar en dag het geval met het voorschrift (thans opgenomen in art. 2:349a lid 1 BW) dat de OK het verzoek “met de meeste spoed” behandelt. Dat geeft de OK de ruimte om indien nodig met zeer veel spoed op een verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen te beslissen, bijvoorbeeld door een mondelinge behandeling te gelasten een of enkele dagen na indiening van het enquêteverzoek.
4.26.3
In het onderhavige geval heeft de OK een mondelinge behandeling bepaald op 6 oktober 2025 om 13:00 uur (uitsluitend) over het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen (zie de ex parte-beschikking, rov. 2.1 en dictum). Dat is dus op een termijn van vijf dagen na indiening van het verzoekschrift van Nexperia op 1 oktober 2025. De OK heeft partijen (Nexperia) en belanghebbenden ( [bestuurder/CEO] , Yuching, [verweerder 4] , de OR en EZ) voor deze mondelinge behandeling opgeroepen. Op de voet van art. 2:349a lid 1 BW geldt hierbij voor Nexperia een verplichte procesvertegenwoordiging (verschijnen bij advocaat of bijgestaan door een advocaat).
4.26.4
Noch art. 279 lid 1 Rv noch art. 2:349a lid 1 BW geeft een aanwijzing hoeveel tijd de vennootschap en overige belanghebbenden redelijkerwijs moet worden gegund om kennis te nemen van het verzoekschrift en producties en om hun verweer voor te bereiden. Dit is door de wetgever onder ogen gezien. In art. 2:349a lid 1 BW is daartoe (met het oog op voldoende voorbereidingstijd), in afwijking van art. 282 lid 1 Rv, opgenomen dat de OK moet bepalen tot welk tijdstip voorafgaand aan de mondelinge behandeling belanghebbenden een verweerschrift kunnen indienen. Een termijn van een week voorafgaand aan de mondelinge behandeling wordt blijkens de wetsgeschiedenis in beginsel geacht voldoende voorbereidingstijd op te leveren, waarbij de OK uitdrukkelijk de mogelijkheid wordt geboden in spoedeisende gevallen een kortere termijn te hanteren.
4.26.5
In het onderhavige - bijzonder spoedeisende - geval heeft de OK de termijn als bedoeld in art. 2:349a lid 1 BW gesteld op vier uur voorafgaand aan de mondelinge behandeling, dus de mogelijkheid tot indiening van een verweerschrift door belanghebbenden tot 6 oktober 2025 om 09:00 uur (zie de oproepingsbrief van de OK van 1 oktober 2025 en ook de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15). De OK heeft bovendien toegelaten dat tijdens de mondelinge behandeling aanvullend verweer is gevoerd door [bestuurder/CEO] en Yuching en dat door [bestuurder/CEO] een voorwaardelijk tegenverzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen is gedaan, in lijn met het voorwaardelijke tegenverzoek in het tijdig ontvangen verweerschrift van Yuching. Op dit punt heeft de OK dus voor [bestuurder/CEO] en Yuching, ten opzichte van de belangen van de overige belanghebbenden en de vennootschap, coulance betracht. Hier staat tegenover dat Yuching de OK bij brief van 3 oktober 2025 had verzocht om uitstel van de mondelinge behandeling tot bijvoorbeeld 14 oktober 2025 in verband met onvoldoende voorbereidingstijd om zich te kunnen verweren, op welk verzoek Nexperia dezelfde dag afwijzend heeft gereageerd en welk verzoek door de OK bij e-mail van 3 oktober 2025 niet is ingewilligd.
4.26.6
Dit roept de vraag op wanneer de OK gehouden is de mondelinge behandeling uit te stellen. Uitgangspunt is dat het aan het beleid van de feitenrechter is overgelaten of hij - indien hij een daartoe strekkend verzoek heeft ontvangen - de zaak aanhoudt of niet en dat de rechter zijn beslissing dienaangaande niet hoeft te motiveren. Een recht op aanhouding wordt door de Hoge Raad slechts erkend in specifieke omstandigheden waarin de rechter de behandeling moet uitstellen met het oog op het mede door art. 6 EVRM gewaarborgde beginsel van hoor/wederhoor. Dit is in lijn met de benadering van de OK die de mondelinge behandeling niet snel wenst uit te stellen, waarbij soms wel wordt toegelaten dat tot zeer kort voor de mondelinge behandeling een verweerschrift kan worden ingediend.
4.26.7
Ik keer terug naar het subonderdeel.
4.26.8
Dat bestrijdt als gezegd de eerste door de OK gegeven reden voor afwijzing van het uitstelverzoek van Yuching, namelijk om juist vanuit een oogpunt van hoor/wederhoor de eenzijdige (ex parte) tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie zo kort mogelijk te laten voortduren. Zie onder 4.25 hiervoor. Op zichzelf is dat nog niet een sluitende redenering om het verzoek tot uitstel van de mondelinge behandeling tot bijvoorbeeld 14 oktober 2025 af te wijzen. Wel is het zo dat ex parte beslissingen niet eindeloos mogen voortduren en dat wel wordt aangenomen dat belanghebbenden in ieder geval binnen een termijn van twee weken moeten worden gehoord. Vanuit het oogpunt van hoor/wederhoor was er zo bezien geen beletsel tegen het bieden van uitstel van de mondelinge behandeling tot bijvoorbeeld 14 oktober 2025. Die datum benaderde anders gezegd het uiterste moment waarop vanuit een oogpunt van hoor/wederhoor een mondelinge behandeling had moeten plaatsvinden.
4.26.9
Met die eerste door de OK genoemde reden voor afwijzing van het uitstelverzoek heeft zij dan ook niet ten onrechte het beginsel van hoor/wederhoor aan [bestuurder/CEO] tegengeworpen, maar tot uitdrukking willen brengen dat de OK juist vanuit een oogpunt van hoor/wederhoor gehouden was op korte termijn een mondelinge behandeling te houden. De dragende reden waarom dat niet later kon dan 6 oktober 2025 is dan ook gelegen in de tweede door de OK in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 aangevoerde reden, namelijk dat voor Nexperia van groot belang is dat zo snel mogelijk aan de tijdelijke bevriezing aan de hand van de ex parte onmiddellijke voorzieningen een einde komt.
4.26.10
Yuching had er in haar brief van 3 oktober 2025 op gewezen dat het belang van Nexperia niet in het gedrang zou komen als de ex parte onmiddellijke voorzieningen, die Yuching zou respecteren, iets langer (tot bijvoorbeeld 14 oktober 2025) zouden voortduren. Nexperia heeft hier in haar brief van dezelfde datum op gereageerd door gemotiveerd uiteen te zetten waarom zij er belang bij heeft dat de mondelinge behandeling niet wordt uitgesteld. Daarop is die tweede reden van de OK gebaseerd en dat was de doorslaggevende reden waarom de OK niet heeft bewilligd in uitstel van de mondelinge behandeling, nu de eerste reden slechts inhield dat hoe dan ook op korte termijn een mondelinge behandeling moest worden gehouden.
4.26.11
Uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15 blijkt vervolgens waarom de OK van oordeel is dat desondanks het recht op een eerlijk proces van [bestuurder/CEO] en Yuching niet is geschonden. In de aldaar genoemde omstandigheden is naar het oordeel van de OK voldoende recht gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en is de redelijke mogelijkheid geboden tot het voeren van verweer. De OK heeft daarbij uitdrukkelijk onder ogen gezien dat [bestuurder/CEO] niet in de gelegenheid is geweest tijdig een verweerschrift in te dienen.
4.26.12
De klacht ziet er dus aan voorbij dat de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 en 3.15 in onderling verband en samenhang moeten worden gelezen. De klacht is alleen gericht tegen de eerste in rov. 3.14 genoemde reden waarom de OK niet tot uitstel is overgegaan. De klacht faalt reeds omdat, zoals hiervoor bleek, dit niet de dragende reden is voor het door de OK niet bewilligen in Yuchings verzoek tot uitstel van de mondelinge behandeling.
4.27
In de tweede plaats, aldus het subonderdeel (PI 26), is doorslaggevend althans bovenal of mede relevant, en had de OK zelfs ambtshalve erop moeten toezien, dat aan de eis van hoor/wederhoor is voldaan en dat aan [bestuurder/CEO] de tijd en gelegenheid voor behoorlijke kennisneming en deugdelijke voorbereiding van zijn verweer wordt geboden. Dit heeft de OK klaarblijkelijk miskend, omdat uit de ex parte-beschikking, rov. 2.1 en de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 niet kenbaar is dat zij dat heeft onderzocht en beoordeeld.
4.27.1
Deze klacht treft evenmin doel, omdat de daarin veronderstelde miskenning door de OK zich in werkelijkheid niet voordoet. Dat zit zo.
4.27.2
In de ex parte-beschikking, rov. 2.1 heeft de OK slechts overwogen dat zij partijen zal oproepen voor een op 6 oktober 2025 om 13:00 uur te houden mondelinge behandeling over uitsluitend het verzoek om onmiddellijke voorzieningen te treffen. Dit is gebeurd in de oproepingsbrief van diezelfde datum, waarin de mondelinge behandeling is bepaald op 6 oktober 2025 om 13:00 uur en waarin is vermeld dat partijen en belanghebbenden tot uiterlijk 6 oktober 2025 om 09:00 uur een verweerschrift kunnen indienen. Daarin ligt besloten dat de OK op dat moment (1 oktober 2025) ambtshalve van oordeel was dat een mondelinge behandeling vijf dagen later met de mogelijkheid tot indiening van een verweerschrift uiterlijk vier uur voor de mondelinge behandeling belanghebbenden voldoende tijd en gelegenheid bood voor kennisneming van de stukken en voor deugdelijke voorbereiding van het verweer. Op dat moment was er geen aanleiding voor de OK om dat ambtshalve oordeel te motiveren.
4.27.3
Bij brief van 3 oktober 2025 heeft Yuching vervolgens verzocht om uitstel van de mondelinge behandeling. De OK heeft daarop nog diezelfde dag afwijzend beslist, kenbaar uit de e-mail van de OK van 3 oktober 2025. Er is geen rechtsregel die meebrengt dat de OK die beslissing al in de e-mail van 3 oktober 2025 had moeten motiveren en het subonderdeel is overigens ook niet gericht tegen deze e-mail van de OK. Die motivering blijkt uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 en 3.15 die als gezegd in onderling verband en samenhang moeten worden gelezen. De klacht voert aan (PI 26), maar zonder vrucht, dat in de ex parte-beschikking en de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 niet wordt ingegaan op de relevante omstandigheden van het geval. In rov. 3.15, waarin de OK heeft gemotiveerd waarom in de gegeven omstandigheden voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer, heeft de OK deze omstandigheden ook kenbaar (“tegen de ongebruikelijke achtergrond van deze zaak”), en gelet op rov. 3.11 en 3.14: afdoende toegelicht, in de beoordeling betrokken. In de ex parte-beschikking bestond er als gezegd geen aanleiding voor de OK om haar desbetreffende ambtshalve oordeel te motiveren.
4.28
In de derde plaats, aldus het subonderdeel (PI 27), is het bestreden oordeel (dus de eerste in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 genoemde reden) onbegrijpelijk, omdat de OK niet heeft gemotiveerd waarom het belang de ex parte opgelegde bevriezing zo kort mogelijk te laten voortduren moest prevaleren boven het belang van [bestuurder/CEO] bij een adequate voorbereiding van verweer en waarom aan het eerstgenoemde belang niet voldoende tegemoet zou (kunnen) worden gekomen indien het verweerschrift en de mondelinge behandeling zouden worden uitgesteld. Zonder nadere motivering valt niet in te zien dat in deze zaak sprake zou zijn van zulke bijzondere omstandigheden dat de inhoudelijke behandeling al op 6 oktober 2025 moest plaatsvinden, en niet enige tijd kon worden uitgesteld opdat [bestuurder/CEO] zich adequaat kon verweren.
4.28.1
Ook deze klacht is ongegrond. Om herhaling te voorkomen, verwijs ik naar 4.26.7-4.26.12 en 4.27.1-4.27.3 hiervoor.
4.29
Daarmee valt het doek voor subonderdeel 1.2.1.
4.30
Subonderdeel 1.2.2
(PI 28) is gericht tegen de tweede in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 gegeven reden waarom de OK niet heeft bewilligd in het verzoek van Yuching tot uitstel van de mondelinge behandeling, namelijk de onderkenning dat Nexperia op korte termijn dreigde te worden getroffen door de maatregelen uit hoofde van de 50%-rule en dat in de gesprekken van Nexperia respectievelijk de Staat met de Amerikaanse autoriteiten van groot belang was dat aan die tijdelijke bevriezing zo snel mogelijk een einde zou komen. Dat oordeel zou blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk zijn. Dit werkt het subonderdeel uit langs drie routes.
4.31
In de eerste plaats, aldus het subonderdeel (PI 29), heeft de OK hiermee miskend dat voor de beoordeling of met het vasthouden aan de mondelinge behandeling op 6 oktober 2025 voldoende recht wordt gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor, doorslaggevend althans bovenal of mede relevant is of [bestuurder/CEO] met de door hem geboden (minder dan) drie werkdagen (vijf dagen) in staat zou zijn zich voldoende te verweren tegen het verzoekschrift en de ex parte-beschikking. Die tweede reden van de OK gaat hier immers niet op.
4.31.1
Deze klacht boekt geen succes.
4.31.2
De relevantie van de omstandigheid of [bestuurder/CEO] in de korte tijd tot de mondelinge behandeling in staat zou zijn zich voldoende te verweren heeft de OK met het noemen van de tweede reden in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 niet miskend. Met die tweede reden heeft de OK gemotiveerd waarom het in het belang van Nexperia was om niet later dan op 6 oktober 2025 een mondelinge behandeling te houden. In de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15 heeft de OK vervolgens gemotiveerd waarom in de gegeven omstandigheden voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer. Hierop stuit deze klacht af.
4.32
In de tweede plaats, aldus het subonderdeel (PI 30-32), is het bestreden oordeel (dus de tweede in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 genoemde reden) onbegrijpelijk, omdat niet duidelijk is wat de OK met deze overweging heeft bedoeld. De klacht noemt twee mogelijke lezingen. De OK zou bedoeld kunnen hebben dat de ex parte getroffen onmiddellijke voorzieningen worden opgeheven. In die lezing zou het oordeel onbegrijpelijk zijn in het licht van de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19, 3.20 en 3.24, waarin de OK juist tot uitgangspunt heeft genomen dat (dreiging van) toepasselijkheid van de 50%-rule op Nexperia is ingegeven door kort gezegd (de perceptie van) de invloed van haar Chinese aandeelhouder, [A] (PI 30). De OK zou ook bedoeld kunnen hebben dat het algemeen belang van de beschikbaarheid van chips en chipproductie voor Nederland en de EU zwaarder weegt dan [bestuurder/CEO] belang om zich adequaat te kunnen verweren. In die lezing zou het oordeel blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting (PI 31-32).
4.32.1
Ook deze klacht boekt geen succes.
4.32.2
Onder 4.26.9-4.26.10 hiervoor heb ik al opgemerkt dat de OK met de tweede reden in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 heeft gerefereerd aan de reactie van Nexperia op het uitstelverzoek van Yuching.
4.32.3
Tegen die achtergrond is het niet onbegrijpelijk wat de OK heeft bedoeld met de “onderkenning dat Nexperia op korte termijn dreigt te worden getroffen door de maatregelen uit hoofde van de 50%-rule en dat in gesprekken van Nexperia, respectievelijk de Staat met de Amerikaanse autoriteiten van groot belang is dat aan die tijdelijke bevriezing zo snel mogelijk een einde komt.” Het ging erom dat de ex parte getroffen onmiddellijke voorzieningen (de tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie) zo snel mogelijk zouden worden opgeheven en worden vervangen door onmiddellijke voorzieningen voor de duur van het geding, zodat Nexperia bij de Amerikaanse overheid kon aanvoeren dat de 50%-rule niet (langer) van toepassing zou moeten zijn. Die duurzamere onmiddellijke voorzieningen zijn dan ook wel degelijk verenigbaar met de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19, 3.20 en 3.24.
4.32.4
Voor zover de klacht meer of anders leest in die tweede reden faalt zij bij gebrek aan feitelijke grondslag. In ieder geval valt in de verwijzing naar de 50%-rule niet te lezen dat de OK het algemeen belang zou hebben laten prevaleren boven [bestuurder/CEO] belang om zich adequaat te kunnen verweren. Uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15 blijkt immers dat de OK van oordeel is dat in de gegeven omstandigheden voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer.
4.33
In de derde plaats, aldus het subonderdeel (PI 33), is het bestreden oordeel (dus de tweede in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 genoemde reden) onbegrijpelijk, omdat de OK niet heeft gemotiveerd waarom het belang als bedoeld in die tweede reden moest prevaleren boven het belang van [bestuurder/CEO] bij een adequate voorbereiding van zijn verweer en waarom aan eerstgenoemd belang niet voldoende tegemoet zou (kunnen) worden gekomen indien de mondelinge behandeling en het nemen van verweerschrift zou worden uitgesteld tot bijvoorbeeld 14 oktober 2025. De klacht beroept zich daartoe verder op de omstandigheden a) dat Yuching in haar uitstelverzoek (p. 2) te kennen heeft gegeven de ex parte getroffen onmiddellijke voorzieningen te zullen respecteren, b) dat de OK heeft nagelaten kenbaar acht te slaan op de omstandigheden van het geval (genoemd in PI 23), en c) dat de OK niet heeft toegelicht waarom het van belang was dat aan de tijdelijke bevriezing zo snel mogelijk een einde zou komen, hetgeen te meer klemt omdat de 50%-rule pas eind november 2025 van kracht zou worden en de dreiging om door die regel te worden getroffen feitelijk al beperkt was met de ex parte-beschikking.
4.33.1
Deze klacht boekt evenmin succes.
4.33.2
De klacht gaat uit van een valse tegenstelling tussen enerzijds het belang van Nexperia als bedoeld in de tweede in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 genoemde reden en anderzijds het procesbelang van [bestuurder/CEO] . De OK heeft in werkelijkheid het eerste belang niet laten prevaleren boven het laatste belang. Met die tweede reden heeft de OK gemotiveerd waarom een zitting niet later dan 6 oktober 2025 voor Nexperia van belang was. In de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15 heeft de OK gemotiveerd waarom dit niet op ontoelaatbare wijze ten koste ging van het procesbelang van [bestuurder/CEO] : er is in de gegeven omstandigheden voldoende recht gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid geboden tot het voeren van verweer.
4.33.3
De omstandigheden onder a) t/m c) maken het bestreden oordeel evenmin onbegrijpelijk. Ik leg uit.
4.33.4
Wat de omstandigheid onder a) betreft, verwijs ik naar 4.26.7-4.26.12 hiervoor. Dat Yuching de ex parte getroffen onmiddellijke voorzieningen zou respecteren, zou relevant kunnen zijn in het kader van de eerste in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 genoemde reden, maar niet in het kader van de tweede aldaar genoemde - doorslaggevende - reden voor afwijzing van het uitstelverzoek.
4.33.5
De omstandigheid onder b) mist feitelijke grondslag. Uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15 blijkt immers dat de OK wel degelijk acht heeft geslagen op de omstandigheden van het geval. Om herhaling te voorkomen, verwijs ik naar 4.27.1-4.27.3 hiervoor.
4.33.6
De omstandigheid onder c) ziet er in de eerste plaats aan voorbij dat de tweede in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 genoemde reden moet worden begrepen in het licht van de reactie van Nexperia op het uitstelverzoek van Yuching. Op dit punt verwijs ik om herhaling te voorkomen naar 4.32.1-4.32.4 hiervoor.
4.33.7
Voor de stelling onder c) dat de 50%-rule pas eind november 2025 van kracht zou worden, verwijst de klacht niet naar een vindplaats in de gedingstukken bij de OK. De OK kon in het licht van de vaststaande feiten oordelen dat Nexperia “op korte termijn” dreigt te worden getroffen door de maatregelen uit hoofde van de 50%-rule. In de uitgewerkte beschikking, rov. 2.28 heeft de OK immers vastgesteld dat Nexperia pas na 60 dagen (per 28 november 2025) aan de handelsbeperkingen zal worden onderworpen, maar ook dat productie- en R&D-locaties van Nexperia in China, Maleisië en de Filipijnen met onmiddellijke ingang onder de nieuwe handelsbeperkende maatregelen van de VS vielen (zie ook de uitgewerkte beschikking, rov. 2.1: “in beginsel na zestig dagen”).
4.33.8
Ten slotte wordt onder c) nog aangevoerd dat de dreiging om door de 50%-rule te worden getroffen feitelijk al beperkt was met de ex parte-beschikking. Dit laatste ziet eraan voorbij dat, zoals de OK heeft overwogen met de eerste in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 genoemde reden, de eenzijdige (ex parte) tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie hoe dan ook niet lang kon voortduren, waarmee de OK bedoelde dat juist vanuit een oogpunt van hoor/wederhoor niet lang (zie onder 4.26.8 hiervoor over een maximale termijn van twee weken) kon worden gewacht met het houden van een mondelinge behandeling.
4.34
Dit betekent dat subonderdeel 1.2.2 strandt.
4.35
Subonderdeel 1.2.3
(PI 34) is gericht tegen het oordeel in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15 dat in de gegeven omstandigheden zo veel mogelijk recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor, dat tegen de ongebruikelijke achtergrond van deze zaak en de hoge spoedeisendheid voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer, en dat het beroep op strijd met de goede procesorde en het bepaalde in art. 6 EVRM daarom wordt verworpen. Deze oordelen zouden blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk zijn. Dit werkt het subonderdeel uit langs drie routes.
4.36
In de eerste plaats, aldus het subonderdeel (PI 35), kunnen deze oordelen reeds geen standhouden voor zover zij voortbouwen op wat is overwogen in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14, gelet op de klachten in de subonderdelen 1.2.1-1.2.2.
4.36.1
Deze klacht bouwt voort op en deelt daarmee in het lot van de subonderdelen 1.2.1-1.2.2, die dus falen. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.37
In de tweede plaats, aldus het subonderdeel (PI 36), heeft de OK een onjuiste maatstaf aangelegd voor zover zij voldoende heeft geacht dat in de gegeven omstandigheden zo veel mogelijk recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor, althans is het oordeel onbegrijpelijk omdat daaruit niet volgt dat [bestuurder/CEO] daartoe voldoende in de gelegenheid is gesteld.
4.37.1
Deze klacht loopt vast op het volgende. De OK heeft in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15, eerste zin overwogen dat in de gegeven omstandigheden zo veel mogelijk recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor. Uit het vervolg van die rov. 3.15 blijkt echter dat dat niet de maatstaf is die de OK heeft aangelegd in het kader van de beoordeling van het beroep van [bestuurder/CEO] en Yuching op strijd met de goede procesorde en het bepaalde in art. 6 EVRM. Dat beroep is door de OK verworpen, omdat in de gegeven omstandighedenvoldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer. Deze klacht berust dus op een verkeerde lezing van die rov. 3.15 en strandt daarmee op een gebrek aan feitelijke grondslag.
4.38
In de derde plaats, aldus het subonderdeel (PI 37-44), kan dat wat de OK heeft overwogen in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15, zonder nadere motivering, niet de conclusie dragen dat het recht van [bestuurder/CEO] op een eerlijk proces en in het bijzonder zijn recht op hoor/wederhoor en equality of arms (in voldoende mate) is gerespecteerd om recht te doen aan art. 19 Rv en art. 6 EVRM.
4.39
Deze klacht richt pijlen tegen enkele van de door de OK in die rov. 3.15 genoemde omstandigheden. Geen van deze pijlen treft doel.
4.40
Ik stel het volgende voorop. De klacht komt niet op tegen de eerste door de OK genoemde omstandigheid in rov. 3.15, tweede zin, te weten dat belanghebbenden tot zeer kort, vier uur, voor de mondelinge behandeling gelegenheid is gegeven een verweerschrift in te dienen. Voor de relevantie van deze omstandigheid verwijs ik naar 4.26.5 hiervoor. Evenmin bestreden is de omstandigheid in rov. 3.15, derde zin dat Yuching een volwaardig verweerschrift heeft ingediend en haar verweer op zitting nader heeft aangevuld. De relevantie van deze omstandigheden wordt (ook) niet bestreden.
4.41
In PI 38 wordt aangevoerd dat [bestuurder/CEO] , ook volgens de OK, niet in de gelegenheid is geweest tijdig een verweerschrift in te dienen en dat het tijdgebrek bij [bestuurder/CEO] daadwerkelijk nadelige gevolgen heeft gehad omdat [bestuurder/CEO] geen tijd had om een weerlegging voor te bereiden van datgene dat Nexperia had aangevoerd over onder meer het vermeende belangenconflict en de herziening van de governance, terwijl dit juist de gronden zijn waarop de OK blijkens de uitgewerkte beschikking, rov. 3.16 e.v. het handhaven van de ex parte opgelegde onmiddellijke voorzieningen heeft gebaseerd.
4.41.1
Dit loopt vast.
4.41.2
De OK heeft in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15, vierde zin overwogen dat [bestuurder/CEO] , die niet in de gelegenheid is geweest tijdig een verweerschrift in te dienen, op zitting extra tijd heeft gekregen zijn positie toe te lichten. Dit strookt met het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025 (p. 6):
“Mrs. Vader en Meijer van Gelderen delen mede dat zij onvoldoende gelegenheid hebben gehad om tijdig een verweerschrift in te dienen. Zij voeren daarom nu mondeling verweer namens [bestuurder/CEO] en dragen daartoe hun pleitaantekeningen voor, waaraan een verklaring van [bestuurder/CEO] zelf is gehecht. (…).”
Uit de overgelegde spreekaantekeningen van [bestuurder/CEO] , die exclusief de aangehechte verklaring van [bestuurder/CEO] zelf 33 pagina’s beslaan, blijkt dat [bestuurder/CEO] verweer heeft gevoerd tegen onder meer “de beweerdelijk ongeoorloofde belangenverstrengeling” van [bestuurder/CEO] en de “beweerdelijk gebrekkige corporate governance” van Nexperia. [bestuurder/CEO] is dus wel degelijk, ondanks dat hij niet tijdig een verweerschrift heeft kunnen indienen, in de gelegenheid geweest zich te verweren tegen de door Nexperia gestelde gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia, die naar voorlopig oordeel van de OK onder meer aanwezig zijn met betrekking tot tegenstrijdig belang van [bestuurder/CEO] (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 3.17-3.18) en de met EZ afgestemde niet uitgevoerde governanceherziening (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19-3.20). De uitgewerkte beschikking, rov. 3.15, vierde zin draagt zodoende op navolgbare wijze bij aan het oordeel van de OK dat in de gegeven omstandigheden voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer.
4.42
In PI 39-40 wordt betoogd dat de omstandigheden genoemd in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15, vierde en vijfde zin dat [bestuurder/CEO] , die niet in de gelegenheid is geweest tijdig een verweerschrift in te dienen, op zitting extra tijd heeft gekregen zijn positie toe te lichten en dat de behandeling op zitting meermalen is geschorst opdat de advocaten van [bestuurder/CEO] en Yuching in de gelegenheid werden gesteld telefonisch overleg te plegen met hun cliënten, geen toereikende grond kunnen opleveren voor de conclusie dat voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer.
4.42.1
Ook dit loopt vast.
4.42.2
Voor zover de klacht hier bedoelt dat de OK heeft geoordeeld dat deze omstandigheden op zichzelf een toereikende grond opleveren voor de conclusie dat voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer, berust dat op een te geïsoleerde lezing, nu dit slechts een deel betreft van de hier in totaliteit door de OK in aanmerking genomen omstandigheden (ten dele dus onbestreden) waarop die conclusie van de OK rust. Voor zover de klacht hier bedoelt dat onbegrijpelijk is hoe deze omstandigheden bijdragen aan de door de OK bereikte conclusie, wijs ik op het volgende. Dat de OK heeft toegelaten dat [bestuurder/CEO] ter zitting extra tijd heeft gekregen zijn positie toe te lichten, is ter mitigering van de omstandigheid dat hij niet in de gelegenheid is geweest tijdig een verweerschrift in te dienen (zie ook onder 4.26.5 en 4.41.2 hiervoor).
4.42.3
Over de spreektijd wordt in PI 39 verder nog opgemerkt dat [bestuurder/CEO] maar 40 minuten had gekregen, die hij zo nodig zou moeten delen met Yuching. Uit de e-mail van de OK van 5 oktober 2025 blijkt dat Yuching en [bestuurder/CEO] respectievelijk 20 en 40 minuten spreektijd toegekend hebben gekregen (dus per ‘cluster’ in totaal 60 minuten), die zij eventueel in onderling overleg anders konden verdelen. Dit is langer dan gebruikelijk en ook langer dan het ‘cluster’ Nexperia, EZ en de OR. Het subonderdeel verwijst niet naar een vindplaats in de gedingstukken bij de OK waaruit blijkt dat [bestuurder/CEO] bezwaar had tegen deze verdeling en uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling (p. 6) blijkt niet dat de toegekende spreektijd onvoldoende was om zijn spreekaantekeningen geheel voor te dragen. Van onvoldoende spreektijd voor [bestuurder/CEO] is aldus niet gebleken.
4.42.4
In PI 39 wordt verder aangevoerd dat [bestuurder/CEO] noch een vertegenwoordiger van hem bij de mondelinge behandeling aanwezig kon zijn. Een vindplaats in de gedingstukken bij de OK waar staat dat/waarom (een vertegenwoordiger van) [bestuurder/CEO] niet aanwezig kon(den) zijn, heb ik in het middel niet aangetroffen. Het uitgangspunt in verzoekschriftprocedures is dat de opgeroepene in persoon of bij een gemachtigde verschijnt (art. 279 lid 3 Rv). In de enquêteprocedure geldt op grond van art. 2:349a lid 1 BW voor verzoekers en de rechtspersoon (dus in beginsel niet voor belanghebbenden) verplichte procesvertegenwoordiging. Verweerschriften van belanghebbenden moeten overigens wel door een advocaat worden ingediend. Uit de oproepingsbrief van 1 oktober 2025 van de OK blijkt dat zowel [bestuurder/CEO] als Yuching als belanghebbende is opgeroepen voor de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling kan worden afgeleid dat die oproeping deugdelijk is geweest, nu zowel [bestuurder/CEO] als Yuching ter zitting is verschenen. Zij zijn niet in persoon verschenen, maar bij advocaat. Nadat ter zitting was geconstateerd dat [bestuurder/CEO] en Yuching als belanghebbenden waren verschenen, hoefde de OK geen onderzoek in te stellen naar de redenen waarom zij niet in persoon, maar bij advocaat waren verschenen. Er kon bij deze stand van zaken immers redelijkerwijs geen twijfel over bestaan dat de oproep door hen was ontvangen en verschijning in persoon is in het kader van hoor/wederhoor geen vereiste.
4.42.5
Op zichzelf is waar - dit valt toe te geven aan PI 40 - dat telefonisch overleg kunnen plegen tussen [bestuurder/CEO] en Yuching (in China) en hun advocaten (ter zitting aanwezig) tijdens door de OK toegelaten schorsingen van de zitting second best is in vergelijking met de situatie dat (een vertegenwoordiger van) [bestuurder/CEO] en/of Yuching in persoon aanwezig waren/was geweest ter zitting. Dit maakt echter geenszins onbegrijpelijk dat de OK deze schorsingen voor telefonisch overleg wel als omstandigheid, dus als deel van de hier in totaliteit door de OK in aanmerking genomen omstandigheden (ten dele dus onbestreden), heeft kunnen betrekken bij het oordeel dat voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer. Die omstandigheid draagt immers naar de aard bij aan dit laatste oordeel.
4.43
In PI 41-43 wordt gesteld, onder verwijzing naar de uitgewerkte beschikking, dat onbegrijpelijk is hoe “de ongebruikelijke achtergrond van deze zaak” (rov. 3.15, zesde zin) en “de gegeven omstandigheden” (rov. 3.15, eerste zin) bijdragen aan de conclusie dat voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer. Deze klacht is uitgewerkt met twee mogelijke lezingen: een voor het geval (zie PI 42) de OK hiermee onder meer zou hebben gedoeld op de dreiging dat Nexperia door de 50%-rule wordt getroffen als bedoeld in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 (naast andere overwegingen, in rov. 3.12-3.13 van die beschikking), en een voor zover (zie PI 43) de OK hiermee zou hebben gedoeld op de in rov. 3.11 van die beschikking weergegeven omstandigheden.
4.43.1
Dit loopt eveneens vast.
4.43.2
De klacht strandt hier reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag, omdat de OK niet aan de hand van de bestreden zinsneden uit rov. 3.15 tot de conclusie is gekomen dat voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer. Met “de gegeven omstandigheden” en “de ongebruikelijke achtergrond van de zaak” verwijst de OK terug naar hetgeen aan rov. 3.15 voorafgaat, waaronder de omstandigheden genoemd in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.11 en de dreiging dat Nexperia door de 50%-rule zou worden getroffen als bedoeld in rov. 3.14 van die beschikking. Het oordeel van de OK in rov. 3.15 houdt in dat in deze omstandigheden of tegen deze ongebruikelijke achtergrond voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer, gelet op de in rov. 3.15, tweede t/m vijfde zin bedoelde omstandigheden (ten dele onbestreden en voor het overige ook niet onbegrijpelijk).
4.44
In PI 44 wordt, ten slotte, betoogd dat zonder nadere motivering “de hoge spoedeisendheid” in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15, zesde zin evenmin de conclusie van de OK kan dragen dat voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer.
4.44.1
Wederom: dit loopt vast, nog daargelaten dat deze omstandigheid niet zelfstandig dragend is voor het oordeel van de OK dat voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer. Want de OK hoefde in rov. 3.15 niet nader uit te leggen waarom de hoge spoedeisendheid van de zaak relevant was bij dit oordeel, nu deze relevantie van die omstandigheid, als deel van de hier in totaliteit door de OK in aanmerking genomen omstandigheden (ten dele dus onbestreden), die dit oordeel kunnen dragen, evident is.
4.45
Subonderdeel 1.2.3 mislukt dus.
4.46
Subonderdeel 1.2.4
(PI 45-46) klaagt dat het voorgaande te meer klemt omdat Nexperia haar enquêteverzoek klaarblijkelijk ruim van te voren heeft voorbereid en op enig moment heeft afgestemd met EZ, waarmee tevens sprake is van een met art. 19 lid 1 Rv en art. 6 EVRM onverenigbare schending van het beginsel van equality of arms. Volgens het subonderdeel is er sprake van een wanverhouding met de tijd die Nexperia heeft gehad ter voorbereiding van haar enquêteverzoek en maakt dat, samen met de voorafgaande kennisneming door EZ, het des te bezwaarlijker dat aan [bestuurder/CEO] niet de mogelijkheid is geboden om adequaat verweer te voeren.
Behandeling
4.47
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.47.1
Het lijkt mij een gegeven dat het voorbereiden van een enquêteverzoek ex art. 2:345 lid 1 BW van ruim 80 pagina’s met 64 producties enige voorbereidingstijd aan de zijde van Nexperia heeft gekost. Dat sprake is geweest van een “substantiële voorbereidingstijd” (PI 45) mist echter feitelijke grondslag. De relevantie van de stelling dat EZ door voorafgaande kennisneming daarvan niet is overvallen door het verzoekschrift van Nexperia zie ik ook niet. Daaruit kan in ieder geval niet a contrario worden afgeleid dat [bestuurder/CEO] (en Yuching) wél zouden zijn overvallen door het verzoekschrift. Ik wijs daartoe op het vereiste van art. 2:349 lid 1 BW.
4.47.2
Niet valt uit te sluiten dat Nexperia (en wellicht EZ) zich langer heeft (hebben) kunnen voorbereiden op de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025 dan [bestuurder/CEO] (en Yuching). Als dat al zo zou zijn, levert dat op zichzelf nog geen schending op van het beginsel van equality of arms. Het is immers vaste EHRM-rechtspraak dat equality of arms in dit verband inhoudt dat “each party must be afforded a reasonable opportunity to present his case - including his evidence - under conditions that do not place him at a substantial disadvantage vis-à-vis his opponent.”, Dit gaat dus niet zo ver dat een exact evenwicht in voorbereidingstijd tussen verschillende partijen en belanghebbenden moet worden bereikt.
4.47.3
Uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15 blijkt dat de OK binnen dit kader is gebleven.
4.47.4
Hierop stuit het subonderdeel af.
4.48
Dit bezegelt het lot van subonderdeel 1.2.
4.49
Subonderdeel 1.3
(PI 47) bevat deels een herhaling van zetten en loopt deels vooruit op onderdeel 3. De herhaling van zetten houdt in dat uit de subonderdelen 1.1 en 1.2 zou volgen dat [bestuurder/CEO] onvoldoende in de gelegenheid is gesteld verweer te voeren tegen het verzoekschrift van Nexperia en de ex parte-beschikking. Het vooruitlopen op onderdeel 3 houdt in dat voor zover de OK met de door dat onderdeel bestreden oordelen (de uitgewerkte beschikking, rov. 3.18 en 3.21) [bestuurder/CEO] heeft tegengeworpen dat hij de desbetreffende stellingen van Nexperia niet of onvoldoende heeft betwist, de OK heeft miskend dat, gelet op de buitengewone procesgang en de buitengewoon korte voorbereidingstijd, geen hoge eisen mochten worden gesteld aan de motivering van de betwisting door [bestuurder/CEO] van de stellingen van Nexperia, EZ en de OR, en redelijkerwijs niet meer van [bestuurder/CEO] kon worden verwacht dan een verweer op hoofdlijnen en, op punten, een blote ontkenning.
Behandeling
4.50
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.50.1
Voor zover het subonderdeel een herhaling van zetten bevat op basis van de subonderdelen 1.1 en 1.2 deelt het in het lot van die subonderdelen, die dus falen. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.50.2
Voor zover het subonderdeel vooruitloopt op onderdeel 3, strandt het reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag. De OK heeft immers in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.18 en 3.21 slechts enkele onderdelen genoemd op grond waarvan voorshands is geoordeeld dat sprake is van gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia als bedoeld in art. 2:349a lid 3 BW. Met dat voorlopige oordeel op die onderdelen (tegenstrijdig belang, de governance, de ontslagen van senior management en de intrekking van de bankvolmachten) heeft de OK [bestuurder/CEO] niet tegengeworpen dat hij de desbetreffende stellingen van Nexperia onvoldoende heeft betwist en heeft de OK evenmin te hoge eisen gesteld aan de motivering van de betwisting van die stellingen door [bestuurder/CEO] . Overigens faalt onderdeel 3, zoals blijkt uit de bespreking daarvan vanaf 4.85 hierna.
4.51
Daarmee is gegeven dat onderdeel 1 faalt.
Onderdeel 2
(“Oneigenlijk gebruik van enquêterecht door de Nederlandse Staat”)
4.52
Onderdeel 2 is uitgewerkt in twee subonderdelen. Subonderdeel 2.1 (PI 49-51) klaagt in de kern dat de OK blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting althans een onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd oordeel heeft gegeven door EZ als belanghebbende toe te laten in deze enquêteprocedure. Volgens subonderdeel 2.2 (PI 52-62) volgt uit de ‘doorkruisingsleer’ dat bij het optreden van EZ als belanghebbende sprake is van onaanvaardbare doorkruising van het bestuursrechtelijke kader.
4.53
Subonderdeel 2.1
neemt tot uitgangspunt dat de maatstaf voor toelating als belanghebbende van EZ is of zij zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat zij daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang of in hoeverre zij anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen. Het subonderdeel bevat in de kern twee klachten.
4.54
De eerste klacht in het subonderdeel (PI 49-50) is dat de OK ten onrechte niet aan de hand van deze maatstaf heeft beoordeeld of EZ als belanghebbende kon worden toegelaten en voor zover zij dat wel heeft gedaan, dit oordeel onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, omdat niet valt in te zien dat EZ een eigen belang heeft bij deze procedure. De vraag naar ontvankelijkheid van EZ als belanghebbende moest volgens de klacht ambtshalve door de OK worden beoordeeld. Hierbij dient volgens de klacht tot uitgangspunt dat EZ niet behoort tot de kring van partijen die krachtens wet of statuten bij de organisatie van Nexperia zijn betrokken. Volgens de klacht heeft EZ niet gesteld dat zij een eigen belang had bij de procedure en heeft EZ in haar verweerschrift volstaan met de mededeling dat zij “mede vanwege het gegeven Bevel” een belang zou hebben om in de procedure te verschijnen en kon de OK uit het bevel niet afleiden dat daarin ook een eigen belang van EZ is gelegen om in de procedure te verschijnen.
Behandeling
4.55
In zoverre faalt het subonderdeel, gelet op het volgende.
4.56
De klacht gaat uit van de juiste maatstaf voor de beoordeling of EZ belanghebbende is in de onderhavige enquêteprocedure. In de Scheipar-uitspraak van de Hoge Raad was de vraag aan de orde of een voormalig bestuurder van de vennootschap terecht door de OK was aangemerkt als belanghebbende in de zin van art. 282 lid 1 Rv in de eerste fase van de enquêteprocedure. De Hoge Raad overwoog over de toe te passen maatstaf:
“Bij de beoordeling van het onderdeel moet worden vooropgesteld dat in art. 282 lid 1 niet in het algemeen is aangegeven wie tot de belanghebbenden in de zin van deze bepaling zijn te rekenen, en dat dit uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen moet worden afgeleid (vgl. HR 25 oktober 1991, rek. nr. 7932, NJ 1992, 149). Bij de beantwoording van de vraag of iemand belanghebbende is, zal een rol spelen in hoeverre deze door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang [ook wel aangeduid als de ‘eerste kring’, A-G] of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen [ook wel aangeduid als de ‘tweede kring’, A-G].”
4.57
In het onderhavige geval kan in het midden blijven in hoeverre EZ tot de ‘eerste kring’ behoort of kan behoren, nu zij in ieder geval tot de ‘tweede kring’ van belanghebbenden behoort, ofwel: EZ is anderszins zo nauw betrokken bij het onderwerp dat in de enquêteprocedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om als belanghebbende in de procedure te verschijnen. Dat laat zich toelichten aan de hand van hetgeen EZ in haar verweerschrift heeft aangevoerd.
4.58
Volgens de klacht heeft EZ in dit verband volstaan met de stelling dat zij “mede vanwege het gegeven Bevel” als belanghebbende kan worden aangemerkt. De formulering (“mede”) doet al vermoeden dat EZ zich in het verweerschrift op dit punt niet uitsluitend op het bevel heeft gebaseerd. Dat blijkt inderdaad het geval. Zo heeft EZ in het verweerschrift verder gewezen op de gesprekken die de minister gedurende anderhalf jaar met Nexperia heeft gevoerd over een herziening van de governance, en aangevoerd dat Nexperia om onduidelijke redenen geen gevolg heeft gegeven aan concrete afspraken met de minister over een herziening van de governance. Dit onderwerp is door Nexperia ten grondslag gelegd aan haar enquêteverzoek als een gegronde reden om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia. De OK heeft het niet opvolgen van toezeggingen aan EZ om de governance van Nexperia te wijzigen, in het bijzonder ten aanzien van het instellen van een raad van commissarissen met belangrijke goedkeuringsrechten, in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19-3.21 aangemerkt als een van de redenen op grond waarvan zij voorshands van oordeel is dat gegronde redenen bestaan voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia.
4.59
Hieruit blijkt dat EZ anderszins (dus: niet als eerste kring-, wel als tweede kring-belanghebbende) zo nauw betrokken is (geweest) bij het onderwerp dat in deze enquêteprocedure wordt behandeld dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen. Dat niet valt in te zien dat EZ een eigen belang heeft bij deze procedure (de ‘eerste kring’), zoals de klacht aanvoert, kan dan ook niet tot cassatie leiden. Dat wordt niet anders als conform de Scheipar-uitspraak het doel van de enquêteprocedure mede wordt betrokken bij de vraag of EZ als belanghebbende kan worden aangemerkt. Tot de doeleinden van een enquête behoort onder meer de opening van zaken. Mede gelet op de feitelijke betrokkenheid van EZ bij de governance-afspraken met Nexperia (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 2.1, 2.7 e.v.) moet EZ worden geacht betekenisvol aan dit doel te kunnen bijdragen. In de bestreden beschikkingen is nog niet beslist over de vraag of een enquête moet worden bevolen (dat is in de eerstefasebeschikking gebeurd), maar in het kader van de vraag of onmiddellijke voorzieningen moeten worden getroffen kan de inbreng van EZ hierover eveneens relevant zijn, omdat in dat kader ex art. 2:349a lid 3 BW door de OK moet worden beoordeeld of er naar haar voorlopig oordeel gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of juiste gang van zaken bij Nexperia te twijfelen.
4.60
De klacht signaleert hier terecht dat de OK in de bestreden beschikkingen, waarin EZ in de kop consequent als belanghebbende is aangemerkt, niet kenbaar (expliciet) heeft getoetst aan de Scheipar-maatstaf. Daartoe bestond echter geen aanleiding. De klacht wijst ook niet op vindplaatsen in de gedingstukken bij de OK waaruit blijkt dat [bestuurder/CEO] het toelaten van EZ als belanghebbende heeft weersproken. De bestreden beschikkingen waarin EZ als belanghebbende is aangemerkt, laten zich aldus verstaan dat de OK - kennelijk - van oordeel is dat aan de Scheipar-maatstaf werd voldaan. De OK heeft met andere woorden al in de ex parte-beschikking, waarin EZ voor het eerst als belanghebbende is aangemerkt, getoetst of EZ aan de Scheipar-maatstaf voldoet. Het is, gelet ook op wat ik onder 4.56-4.59 hiervoor opmerkte, niet onjuist of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd dat de OK EZ als belanghebbende heeft aangemerkt. Op het moment dat Yuching de toelating van EZ als belanghebbende ter discussie is gaan stellen, heeft de OK haar oordeel dienaangaande trouwens ook (en toereikend) gemotiveerd. Hierop strandt het beroep van de klacht (PI 49) op ambtshalve beoordeling van de ontvankelijkheid van EZ als belanghebbende.
4.61
Het voorgaande wordt naar de aard niet anders door het in de klacht (PI 50) geponeerde uitgangspunt, zo al juist, dat EZ niet behoort tot de kring van partijen die krachtens wet of statuten bij de organisatie van Nexperia zijn betrokken (“vgl. art. 2:8 BW”) en door de OK als belanghebbenden worden aangemerkt. Daarbij zij bedacht dat de potentiële kring van belanghebbenden bij toepassing van de Scheipar-maatstaf niet beperkt is tot die van voornoemde partijen.
4.62
Hierop stuit de eerste klacht van het subonderdeel af. De toelating door de OK van EZ als belanghebbende tot de enquêteprocedure geeft geen blijk van miskenning van de Scheipar-maatstaf en is niet ontoereikend gemotiveerd.
4.63
De tweede klacht in het subonderdeel (PI 51) voert aan dat indien de OK op basis van het bevel, dat inhoudt dat daarmee een groot “openbaar belang” wordt gediend, heeft geoordeeld dat EZ kon opkomen voor een algemeen belang (zoals de Nederlandse en Europese economische veiligheid), dat oordeel berust op een onjuiste rechtsopvatting. Volgens de klacht miskent de OK in dat geval dat het openbaar ministerie de wettelijke taak heeft om het algemeen belang te vertegenwoordigen in een enquêteprocedure. De klacht wijst erop dat de taak om het algemeen belang binnen het rechtspersonenrecht te beschermen exclusief is toebedeeld aan het openbaar ministerie (art. 124 RO) en dat deze taak krachtens art. 2:345 lid 2, 2:349a en 2:355 lid 1 BW berust bij de advocaat-generaal bij het ressortsparket. Anderen dan de A-G bij het ressortsparket mogen volgens de klacht in enquêteprocedures niet optreden in het algemeen belang en EZ mocht dus op grond van een door haar behartigd algemeen belang niet als belanghebbende worden toegelaten tot de enquêteprocedure.
Behandeling
4.64
Ook in zoverre faalt het subonderdeel, gelet op het volgende.
4.65
Op grond van art. 124 RO is het openbaar ministerie belast met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en met andere bij de wet vastgestelde taken. Een van deze andere bij de wet vastgestelde taken is de civielrechtelijke bevoegdheid van het openbaar ministerie - de advocaat-generaal bij het ressortsparket (gerechtshof Amsterdam) - om een verzoek te doen tot het instellen van een enquête als bedoeld in art. 2:345 lid 1 BW om redenen van openbaar belang (art. 2:345 lid 2 BW). Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat deze wettelijke clausulering van de bevoegdheid van de A-G bij het ressortsparket (“om redenen van openbaar belang”) is toegevoegd om te benadrukken dat deze bevoegdheid niet is gegeven “om zuiver particuliere belangen te dienen”. Dit vormde een reactie op het rapport van de commissie-Verdam waarin een ruimere bevoegdheid voor de A-G bij het ressortsparket (toen nog geheten procureur-generaal bij het gerechtshof te Amsterdam) tot het doen van een enquêteverzoek werd voorgesteld, namelijk niet alleen “wanneer de openbare orde en het algemene belang een zodanig onderzoek eisen”, maar ook in gevallen waarin wordt opgetreden “op verzoek van personen, die niet zó nauw bij de gang van zaken in de onderneming zijn betrokken, dat hun een eigen bevoegdheid tot het uitlokken van een onderzoek kan worden toegekend”. Het gevolg van de wettelijke clausulering is dat een betrokkene die zelf op de voet van art. 2:346 en 2:347 BW geen toegang heeft tot het enquêterecht zich alleen dan (succesvol) tot de A-G bij het ressortsparket kan wenden als het openbaar belang in het geding is.
4.66
In het onderhavige geval is geen sprake van een enquête om redenen van openbaar belang. Het enquêteverzoek is niet ingediend door de A-G bij het ressortsparket (op de voet van art. 2:345 lid 2 BW), maar door Nexperia (de rechtspersoon als bedoeld in art. 2:344 BW in de zin van art. 2:346 lid 1, aanhef en onder d BW). Dit betekent voor de onderhavige procedure uiteraard niet dat het openbaar belang hier geen enkele rol kan spelen, en evenmin dat als het openbaar belang wel mede in het geding is het openbaar ministerie exclusief is aangewezen als de hoeder van dat openbaar belang. De bevoegdheid om een enquêteverzoek om redenen van openbaar belang in te dienen, berust exclusief bij de A-G bij het ressortsparket. Voor de vraag wie belanghebbende is, geldt als gezegd de Scheipar-maatstaf. Art. 124 RO en art. 2:345 lid 2 BW brengen geen beperking aan op de toepassing van deze maatstaf, in de zin, kort gezegd, dat slechts de A-G bij het ressortsparket hoeder van het algemeen belang in een enquêteprocedure kan zijn en andere onderdelen van de Staat of andere overheidsinstanties per definitie geen belanghebbende in de zin van de Scheipar-maatstaf kunnen zijn. Aan art. 2:349a en 2:355 BW komt in dit verband geen betekenis toe. Deze bepalingen bevatten ook geen bevoegdheden die slechts zouden toekomen aan de A-G bij het ressortsparket als bedoeld in art. 2:345 lid 2 BW.
4.67
Het enquêterecht bevat in art. 2:345 lid 2 en 2:346-347 BW een limitatief bedoelde opsomming van degenen die bevoegd zijn tot het indienen van een enquêteverzoek als bedoeld in art. 2:345 lid 1 BW. De vraag wie als belanghebbende in het enquêterecht kan worden aangemerkt, is echter niet zoals de kring van enquêtegerechtigden in art. 2:345 lid 2 en 2:346-347 BW bewust zo nauwkeurig mogelijk in de wet afgebakend, maar maatwerk via de open geformuleerde Scheipar-maatstaf, aan de hand van welke maatstaf de kring van belanghebbenden ruimer wordt getrokken dan de enquêtegerechtigden in art. 2:345 lid 2 en 2:346-347 BW. Dat de enquêtegerechtigden nauwkeurig in de wet zijn afgebakend en de belanghebbenden niet, laat zich mede verklaren doordat het indienen van een enquêteverzoek “een zeer bijzondere bevoegdheid [is], welke, indien verkeerd toegepast, voor de vennootschap uiterst nadelige gevolgen kan hebben”. Een belanghebbende die niet enquêtegerechtigd is, heeft in een reeds geëntameerde enquêteprocedure de bevoegdheid om zijn of haar standpunt kenbaar te maken tijdens de mondelinge behandeling waarvoor belanghebbenden eveneens moeten worden opgeroepen (art. 279 Rv) en bij verweerschrift (art. 282 lid 1 Rv), welk verweerschrift overigens wel op de voet van art. 282 lid 4 Rv een zelfstandig verzoek - ook wel tegenverzoek - kan bevatten, waaronder in beginsel ook een verzoek tot het treffen van een onmiddellijke voorziening als bedoeld in art. 2:349a BW valt. Een belanghebbende die zelf niet enquêtegerechtigd is, heeft deze procesrechtelijke bevoegdheden, die met waarborgen zijn omkleed, dus pas nadat (al dan niet om redenen van openbaar belang) bevoegd een enquêteverzoek is ingediend.
4.68
Ik geef een voorbeeld van het voorgaande uit de OK-rechtspraak. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (thans Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd) was een onderdeel van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en daarmee van de Staat. Deze overheidsinstantie had bij verweerschrift in een enquêteprocedure met betrekking tot een stichting die diensten verleende aan oudere doven verzocht om een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van de stichting en om het treffen van onmiddellijke voorzieningen. In eerstbedoeld verzoek werd zij door de OK niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij niet enquêtegerechtigd als bedoeld in art. 2:345 lid 2 en 2:346-347 BW was. Er was in deze zaak al een enquêteverzoek ingediend door een (wel) enquêtegerechtigde. Als dat niet het geval was geweest, had de toezichthouder zich nog slechts kunnen wenden tot de A-G bij het ressortsparket om op de voet van art. 2:345 lid 2 BW een enquête in het openbaar belang te bewerkstelligen. De toezichthouder werd door de OK op grond van de Scheipar-maatstaf wel als tweede kring-belanghebbende aangemerkt en kon dus worden ontvangen in het verzoek op de voet van art. 282 lid 4 Rv in verbinding met art. 2:349a BW tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen.
4.69
Het was in deze zaak dus, evenals in de onderhavige zaak, niet direct nodig dat de A-G bij het ressortsparket een enquêteverzoek indiende. Dit voorbeeld uit de OK-rechtspraak toont verder dat bij niet-financiële instellingen (zoals de desbetreffende stichting, maar ook Nexperia), waarvoor de wettelijke regeling van het enquêterecht geen specifieke bepalingen bevat zoals art. 2:348 BW (afschrift van het verzoekschrift tot het instellen van een onderzoek voor de toezichthouder) en art. 2:355 lid 4 BW (hoorrecht voor de toezichthouder in de tweede fase van de enquêteprocedure), niet specifiek in deze wettelijke bepalingen genoemde onderdelen van de overheid eveneens als belanghebbende kunnen worden aangemerkt als de desbetreffende overheidsinstantie voldoet aan de Scheipar-maatstaf, zoals in dit voorbeeld het geval was bij de toenmalige Inspectie voor de Gezondheidszorg en in de onderhavige zaak het geval is bij EZ. Het behoeft geen betoog dat een dergelijke overheidsinstantie in beginsel - dus ook als belanghebbende in het enquêterecht - handelt ter uitvoering van haar publieke taak, in de terminologie van art. 2:345 lid 2 BW: “om redenen van openbaar belang”. Dát is echter niet het criterium om te bepalen of de desbetreffende overheidsinstantie is aan te merken als een belanghebbende in een enquêteprocedure. Dat moet immers worden bepaald aan de hand van de Scheipar-maatstaf. Zie ook mijn bespreking van de eerste klacht in het subonderdeel, onder 4.55-4.62 hiervoor.
4.70
Ten slotte het beroep van de klacht op een OK-beschikking inzake Fortis. In deze enquêteprocedure is een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Fortis N.V. De Staat is in deze zaak juist toegelaten als belanghebbende in de eerste fase van de enquêteprocedure. In de beschikking waaruit de klacht citeert, gaat het echter om een ander - beperkter - belanghebbendebegrip, namelijk of de Staat als belanghebbende in de zin van art. 2:353 lid 2 BW de bijlagen bij het onderzoekverslag, waarvoor de OK bij beschikking van 10 juni 2010 had bepaald dat die niet voor een ieder ter inzage liggen maar slechts voor ‘belanghebbenden’, mag inzien. In de beschikking van 25 augustus 2010 oordeelde de OK dat de Staat (die aan de hand van de Scheipar-maatstaf was toegelaten als belanghebbende als bedoeld in art. 279 lid 1 en 282 lid 1 Rv) niet als belanghebbende in deze engere zin kan worden aangemerkt. De klacht beroept zich specifiek op de volgende overweging uit de beschikking van 25 augustus 2010:
“Ook indien, zoals de Staat stelt, hij zich “vanuit zijn verantwoordelijkheid voor het algemeen belang en het Nederlandse financiële systeem als geheel” geroepen voelde tot deze verwerving, is de Staat daarmee nog geen belanghebbende als bedoeld in het dictum van de beschikking van 16 juni 2010.”
Nog daargelaten dat deze overweging dus niet in de sleutel staat van het belanghebbendebegrip volgens de Scheipar-maatstaf, geldt volgens mij evenzeer voor laatstgenoemd belanghebbendebegrip (dus als bedoeld in art. 279 lid 1 en 282 lid 1 Rv) dat een dergelijk algemeen belang zonder meer niet voldoende zou zijn voor toelating als belanghebbende. Daarvoor moet immers worden voldaan aan de Scheipar-maatstaf. Kortom, ook het beroep op de OK-beschikking inzake Fortis kan [bestuurder/CEO] niet baten.
4.71
Hierop stuit de tweede klacht van het subonderdeel af. De toelating van EZ als belanghebbende tot de enquêteprocedure ‘bijt’ niet met de enquêterechtelijke bevoegdheden van de A-G bij het ressortsparket “in het openbaar belang”. De klacht faalt overigens al bij gebrek aan feitelijke grondslag voor zover die tot uitgangspunt neemt dat de OK op basis van het bevel, dat inhoudt dat daarmee een groot “openbaar belang” wordt gediend, heeft geoordeeld dat EZ als belanghebbende kon worden toegelaten tot de enquêteprocedure (zie onder 4.58-4.59 hiervoor).
4.72
Daarmee is subonderdeel 2.1 van tafel.
4.73
Subonderdeel 2.2
beroept zich op de zogenoemde doorkruisingsrechtspraak. De klacht houdt in dat de OK door EZ aan te merken als belanghebbende en betekenis toe te kennen aan hetgeen EZ als belanghebbende in de enquêteprocedure heeft gesteld, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting in het licht van deze rechtspraak (PI 52). Deze algemene rechtsklacht is uitgewerkt in twee subklachten (PI 53-62), die zich lenen voor gezamenlijke bespreking.
Behandeling
4.74
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.75
Het beroep op de zogenoemde doorkruisingsrechtspraak ligt op zichzelf in het logische verlengde van subonderdeel 2.1. Over de vraag wanneer sprake is van een onaanvaardbare doorkruising van een publiekrechtelijke regeling heeft A-G Snijders vrij recent het volgende opgemerkt:
“3.3 De overheid is rechtssubject in het privaatrecht en kan dus gebruikmaken van privaatrechtrechtelijke bevoegdheden. Dat geldt uiteraard ook als de overheid met die bevoegdheden publieke belangen wil dienen. De overheid handelt immers altijd ter uitoefening van haar publieke taak, ook in het privaatrecht. Het gebruik van privaatrechtelijke bevoegdheden voor de behartiging van publieke belangen is de overheid dan ook toegestaan.
Dat is anders als de wet het gebruik van die bevoegdheden uitsluit of dat gebruik een onaanvaardbare doorkruising vormt van het relevante publiekrecht. Onder het eerste geval - van een wettelijke uitsluiting - valt zowel een uitdrukkelijk wettelijk verbod, als een wettelijke regeling die een impliciet verbod bevat, welk verbod eventueel uit de regeling als geheel valt af te leiden, mede gelet op de aard of inhoud ervan.
3.4
Dat het gebruik van het privaatrecht ook is uitgesloten als dat gebruik een onaanvaardbare doorkruising vormt van het relevante publiekrecht, is voor het eerst uitgesproken in het (…) Windmill-arrest (…). Over het met dat arrest in het leven geroepen leerstuk van de onaanvaardbare doorkruising zijn inmiddels vele arresten gewezen. Die wijzen erop dat het bij dit leerstuk in feite gaat om een variant van een van de regels van samenloop, namelijk die van de exclusiviteit. Volgens de regels van samenloop is een regel of bevoegdheid onder meer exclusief van toepassing te achten als de toepasselijkheid van andere - in beginsel ook van toepassing zijnde - regels of bevoegdheden tot onaanvaardbare resultaten zou leiden. Die onaanvaardbaarheid zal allereerst moeten worden bepaald aan de hand van onder meer het doel, de strekking, de achtergrond en bijzondere waarborgen van de aan de orde zijnde regels of bevoegdheden: vraagt de desbetreffende regel of bevoegdheid in de betrokken gevallen om exclusiviteit of brengt deze in de betrokken gevallen exclusiviteit mee? Ook de criteria van het Windmill-arrest - die onmiskenbaar slechts gezichtspunten voor rechtsvinding zijn en geen rechtsregels, waarvoor ze soms wel worden aangezien - komen daarop neer, blijkens de rechtspraak. De beantwoording van genoemde vraag is - evenals de beantwoording van de vraag of sprake is van een wettelijk verbod op het gebruik van privaatrecht - uiteindelijk een kwestie van wetsuitleg. (…).”
4.76
Eerst iets over het relevante publiekrecht in de onderhavige zaak. Het bevel is gegeven op grond van de Wbg. De Wbg bevat bestuursrechtelijke (art. 8, last onder dwangsom) en strafrechtelijke (art. 9, strafbaarstelling) sanctioneringsmechanismen in verband met de naleving van het bevel. Zoals de naam van de wet al doet vermoeden, gaat het in de Wbg om het beschikbaar blijven van goederen. In de wetsgeschiedenis van de Wbg is met betrekking tot het nemen van maatregelen tegen overtreding van een bevel het volgende opgemerkt:
“Bij overtreding van een bevel, dat bij of krachtens artikel 2 is gegeven, zal de eerste zorg van de Regering zijn de goederen terug te brengen in de vereiste toestand. Vóórdat tot een strafrechtelijke opsporing wordt overgegaan of tegelijk daarmede, zal het goed met behulp van de overtreder in de vereiste hoedanigheid moeten worden teruggebracht.”
4.77
De tekst van de Wbg en de wetsgeschiedenis ervan gaan niet expliciet in op het gebruik van privaatrechtelijke bevoegdheden ten aanzien van een bevel. Uit de wetgeschiedenis maak ik op dat eerst en vooral moet worden voorkomen dat goederen waarop een bevel betrekking heeft, ‘verdwijnen’ (preventie), en dat voor zover dat toch is gebeurd die goederen moeten worden ‘teruggebracht’ (herstel). Indien het gebruik van privaatrechtelijke bevoegdheden kan bijdragen aan het beschikbaar blijven van de goederen (preventie) lijkt op basis van wetsuitleg dan ook niet snel sprake te zijn van onaanvaardbare doorkruising. In PI 57 wordt er terecht op gewezen dat bestuursrechtelijke maatregelen die gericht zijn op herstel slechts in beperkte mate preventief kunnen worden gebruikt. Zo volgt uit art. 5:7 Awb dat een herstelsanctie kan worden opgelegd “zodra het gevaar voor de overtreding klaarblijkelijk dreigt”. In PI 58 wordt er eveneens terecht op gewezen dat uit de stellingen van EZ blijkt dat een dergelijke situatie zich niet voordeed. Anders dan in PI 56 en 58 wordt opgemerkt, heeft EZ wel meer gesteld dan dat “niet zeker” is dat het bevel zal worden nageleefd. Zo heeft EZ in haar verweerschrift opgemerkt dat “[z]onder ingrijpen van uw Ondernemingskamer de ontstane machtsstrijd tussen de bestuurder/aandeelhouder en andere bestuurder (zie in het bijzonder bijlagen 062 en 063 bij het verzoekschrift) [zal] oplaaien en vermoedelijk [zal] leiden tot gevallen van niet-naleving van het Bevel (…)” [cursivering toegevoegd, A-G]. Er was dus in dit geval in het publiekrecht (bestuursrecht en strafrecht) geen mogelijkheid een preventieve maatregel op te leggen ter bevordering van de naleving het bevel. Het privaatrecht (enquêterecht) werd, anders gezegd, gebruikt ter aanvulling op een in het publiekrecht ontbrekende regeling, zodat een leemte aldus werd opgevuld. Of nog weer anders gezegd: met het publiekrechtrechtelijke instrumentarium (gericht op herstel) kon niet een vergelijkbaar resultaat worden bereikt als met het enquêterechtelijke instrumentarium (preventie). Van een (onaanvaardbare) doorkruising van het publiekrecht was aldus geen sprake.
4.78
Hier komt nog bij dat het subonderdeel ten onrechte (onder meer in PI 56 en 58) tot uitgangspunt neemt dat het optreden van EZ als belanghebbende in de enquêteprocedure enkel is gericht op het bevorderen van de naleving van het bevel. Onder 4.58-4.59 hiervoor kwam al aan de orde dat het optreden van EZ als belanghebbende mede is ingegeven door het bevel en dat EZ ook los van het bevel zo nauw is betrokken bij een van de onderwerpen die in de enquêteprocedure worden behandeld (de afspraken met EZ over herziening van de governance van Nexperia) dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen. Hierop stuit het beroep op de doorkruisingsrechtspraak ook reeds af.
4.79
Dan nog iets over het gebruik van privaatrechtelijke bevoegdheden door de overheid waarop de doorkruisingsrechtspraak ziet. In de Windmill-uitspraak heeft de Hoge Raad die bevoegdheden van de overheid omschreven als:
“in beginsel krachtens het privaatrecht toekomende bevoegdheden, zoals aan het eigendomsrecht ontleende bevoegdheden, de bevoegdheid overeenkomsten naar burgerlijk recht te sluiten of de bevoegdheid een vordering op grond van een jegens haar gepleegde onrechtmatige daad bij de burgerlijke rechter in te stellen.”
Het subonderdeel neemt tot uitgangspunt dat het optreden door EZ als belanghebbende en “het verzoek om toewijzing van verzochte voorlopige voorzieningen” (PI 53) ofwel “te verzoeken om toewijzing van de verzochte onmiddellijke voorzieningen” (PI 62) een dergelijke privaatrechtelijke bevoegdheid betreft. Hiermee wordt miskend dat EZ geen zelfstandig verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen (art. 282 lid 4 Rv in verbinding met art. 2:349a BW) heeft gedaan. Zij heeft aldus geen enquêterechtelijke (privaatrechtelijke) bevoegdheden gebruikt, maar slechts de procesrechtelijke bevoegdheden van een belanghebbende in een enquêteprocedure (zie ook PI 52). Hierop loopt het beroep op de doorkruisingsrechtspraak ook spaak.
4.80
Het subonderdeel strandt verder nog op de volgende klip. In PI 53 wordt tot uitgangspunt genomen dat de OK op basis van het verweer van [bestuurder/CEO] en Yuching althans ambtshalve had moeten onderzoeken en beoordelen of sprake was van een onaanvaardbare doorkruising van het publiekrechtelijke handhavingskader.
4.81
Op de desbetreffende passage uit de spreekaantekeningen van Yuching ben ik ingegaan in mijn conclusie van vandaag in de zaak 25/04297 (Yuching), zie onder 4.82-4.84 aldaar. In de desbetreffende randnummers van de spreekaantekeningen van [bestuurder/CEO] staat het volgende:
“26. Met andere woorden: het Ministerie, of enige andere derde, bepaalt dus niet de koers van de onderneming en is ook niet belast met het bestuur, maar dat is wel precies wat het Ministerie thans met het Bevel de facto doet. Zij bevriest in een keer, zonder grondslag, de volledige bedrijfsvoering en beperkt het bestuur op een zodanige wijze dat de onderneming in feite vleugellam is gemaakt. Dat is ongekend voor Nederland. Dit zou men enkel in dictatoriale regimes verwachten. Het druist in ieder geval in tegen de autonomie van ondernemingen en hun bestuur. Dit terwijl [bestuurder/CEO] heeft bewezen dat de strategie van Nexperia juist zeer goed is, reden waarom zij ook een belangrijke positie in de halfgeleidersbranche heeft vergaard.
(…)103. Uit alles blijkt dat de nieuwe regelgeving uit de VS de werkelijke aanleiding is voor de handelwijze van Nexperia en de Nederlandse Staat. Louter externe en geopolitieke factoren dus, die niet aan [bestuurder/CEO] zijn te weten. Ook het Bevel van de Minister EZ is daarop gebaseerd. Dit Bevel - en daarmee de Wet beschikbaar goederen (“Wbg”) - is er echter bij de haren bijgetrokken.
104. De Wbg is ooit na WO II ingevoerd zodat de Staat (Ministers) in buitengewone omstandigheden maatregelen (kunnen) treffen ingeval van (dreiging van) een oorlogstoestand of -gevaar. Tegenwoordig zijn de termen als ‘oorlog’ en ‘buitengewone omstandigheden’ uit de formulering van de Wbg gehaald, maar deze achtergrond geeft de uitzonderlijke aard van deze wet aan.
105. De huidige tekst spreekt [van] de noodzaak van een maatregel ter verzekering van het beschikbaar blijven van goederen ter voorbereiding op noodsituaties. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat sprake moet zijn van de “voorbereiding op crises”, waaronder “situaties van schaarste”. Daarbij is evenwel vereist dat het treffen van een maatregel noodzakelijk is ter voorbereiding op zo een crisis, waarbij ook de beginselen van proportionaliteit en geschiktheid relevant zijn. Het is dus in beginsel mogelijk dat de Minister een maatregel treft voordat het risico rondom beschikbaarheid zich voordoet, maar dan moet wel überhaupt sprake zijn van een voldoende concreet en actueel risico op onbeschikbaarheid. Dat is niet het geval.
106. De aanleiding voor het Bevel is ook helemaal niet gelegen in een vermeende schaarste in de halfgeleiders die Nexperia produceert. Dit Bevel is puur en alleen genomen door de Minister om [bestuurder/CEO] als bestuurder en (indirect) aandeelhouder uit zijn functie te ontheffen. Dat erkent de Minister overigens zelf ook. Ook het Verzoekschrift benadrukt herhaaldelijk dat het vervangen van de CEO het doel is (geweest). Van een concrete of actuele dreiging op schaarste, ter voorbereiding waarop het Bevel noodzakelijk zou zijn, is helemaal geen sprake.
107. Dat blijkt alleen al uit de timing van het Bevel. Het bevel is genomen op 30 september 2025. Precies op de dag dat de 50%-rule in werking trad. Klaarblijkelijk bestond er hiervoor ook geen aanleiding om dergelijke vergaande maatregelen te treffen. Er waren ook nog gesprekken gaande over governance herzieningen. Op de dag dat de 50%-rule in werking trad, is echter plotseling (en pas voor het eerst) sprake van een dreiging op een crisis vanwege schaarste aan halfgeleiders en wordt op diezelfde dag een verstrekkend overheidsbevel uitgevaardigd.
108. Bovendien zit de productie van de halfgeleiders al sinds (…) jaar en dag buiten Nederland en buiten Europa. Daarin is niets veranderd. Alleen de front-end diensten bevinden zich binnen Europa. Van een vermeende verplaatsing van productiecapaciteiten naar buiten de EU - zoals de Minister bloot stelt - kan dan ook geen sprake zijn. De Minister maakt dan ook oneigenlijk gebruik en zelfs misbruik van zijn bevoegdheid door het Bevel op te leggen voor een ander doel dan waarvoor het is toegestaan: namelijk het uitdrijven van de CEO.
109. Desondanks legt de Minister een vergaand en veelomvattend bevel op aan Nexperia. De Minister beveelt Nexperia om 31 vestigingen noch de productiemiddelen en activiteiten daar niet te verplaatsen. Het overgrote deel van deze 31 vestigingen bevindt zich bovendien buiten Nederland én buiten de EU, zoals in India of zelfs China. Ook mag Nexperia geen verandering aanbrengen in de IE-rechten en alle (on)roerende zaken. Dit alles voor de duur van een jaar.
110. De houdbaarheid van het Bevel zelf ligt niet voor in deze procedure. Maar het feit dat het Bevel er ligt, laat zien dat Nexperia geen belang heeft bij deze procedure bij de OK. Als het Nexperia en de Minister inderdaad te doen is om de beschikbaarheid van de halfgeleiders van Nexperia, is dat doel nu al bereikt. Er is daar bovenop geen reden meer om [bestuurder/CEO] óók nog als bestuurder van Nexperia te schorsen omdat wordt gevreesd dat anders niet aan het Bevel zou worden [vol]daan. Dat is nergens op gebaseerd en is dus uit de lucht ge[grep]en.
(…)
136. In het Verzoekschrift zoekt men tevens tevergeefs naar de klassieke bezwaren die in overige enquêteprocedures naar voren komen. Niet gesteld wordt bijvoorbeeld dat sprake zou zijn van conflicten tussen (de leden van) de organen van gerekwestreerden, of het niet in acht nemen van (…) de tussen hen geldende regels en zorgplichten. Voor zover de organen van Nexperia, in het bijzonder [bestuurder/CEO] als een van de bestuurders, al onjuiste beslissingen zouden hebben genomen, bestond omtrent die beslissingen indertijd geen onenigheid binnen of tussen (de leden van) de organen van gerekwestreerden.
137. In plaats van dit alles proberen Verzoeksters de Ondernemingskamer te verleiden om een nieuw pad in te slaan. Buiten de organisatie van de rechtspersoon opererende mogendheden, zoals de VS, spelen daarbij kennelijk een sleutelrol.
138. In het enquêterecht staat echter de ondernemer centraal, meer specifiek de Nederlandse ondernemer, die opereert binnen een Nederlandse context. Deze benadering is nog steeds actueel, bijvoorbeeld gezien het gebruik van de term “elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap” bij de vaststelling van eventueel wanbeleid. Het gaat in de enquêteprocedure niet om het aan de orde stellen van geopolitieke impact op de bedrijfsvoering. Het dient in een enquêteprocedure, als de onderhavige, enkel om de vraag of Nexperia, de rechtspersoon waartegen het enquêteverzoek is ingediend, haar verantwoordelijkheid neemt jegens kapitaalverschaffers en werknemers. Dit komt ook tot uitdrukking in de KPNQwest-II-beschikking waarin met zoveel woorden is geoordeeld dat (…) algemene belangen en belangen van derden geen toewijzing van een enquêteverzoek kunnen rechtvaardigen, dus ook geen belang van de Nederlandse Staat (of het Ministerie).
139. Algemene belangen en belangen van derden, zelfs die van Europa, spelen echter wel een centrale rol in het onderhavige Verzoek. Verzoeksters en ook het Ministerie willen in feite niets meer of minder dan een wit voetje halen bij de VS. Maar dat rechtvaardigt geen enquêteverzoek, noch de genomen onmiddellijke voorzieningen.
(…)
141. Uit het Verzoekschrift blijkt dat de Verzoekster de enquête inzetten als een soort van doublure van reeds getroffen maatregelen (zie het Bevel) en het Bti onderzoek. Daartoe bestaat geen aanleiding.”
4.82
Het lijkt mij al niet onbegrijpelijk dat de OK, de feitenrechter aan wie de uitleg van de gedingstukken is voorbehouden, hierin geen beroep op de doorkruisingsrechtspraak heeft gelezen. Een “soort van doublure van reeds getroffen maatregelen”, waaronder het bevel, is immers nog geen onaanvaardbare doorkruising van het relevante publiekrecht. Voor zover wel aanleiding bestond de rechtsgronden op dit punt ex art. 25 Rv aan te vullen, bieden deze stellingen bovendien geen enkel feitelijk aanknopingspunt voor toewijzing van het (alsdan) beroep op de doorkruisingsrechtspraak. Het subonderdeel neemt op zichzelf terecht tot uitgangspunt dat de OK ambtshalve de ontvankelijkheid van een belanghebbende moet beoordelen. Onder 4.60 hiervoor kwam aan de orde dat de OK al in de ex parte-beschikking heeft beoordeeld of EZ kan worden toegelaten als belanghebbende. Voor zover de OK bij die beoordeling ambtshalve de doorkruisingsrechtspraak had moeten betrekken (waarom sprake zou zijn van een kwestie van openbaar belang wordt overigens niet verder onderbouwd met vindplaatsen), stuit dat ook af op hetgeen ik opmerkte onder 4.75-4.78 hiervoor.
4.83
Dit een en ander betekent reeds dat subonderdeel 2.2 op verschillende gronden niet tot cassatie kan leiden. Het subonderdeel behoeft geen verdere bespreking.
4.84
Daarmee is gegeven dat onderdeel 2 faalt.
Onderdeel 3
(“Rechts- en motiveringsklachten over de (feitelijke) grondslagen van de getroffen voorzieningen”)
4.85
Onderdeel 3 bestrijdt de verschillende gronden waarop de OK in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.17-3.21 het voorlopige oordeel dat sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia heeft gebaseerd. Het onderdeel bevat twee subonderdelen (PI 63). Subonderdeel 3.1 (PI 64-74) bevat rechts- en motiveringsklachten over de wijze waarop de OK de rechtsregels over tegenstrijdig belang die zijn uiteengezet in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.17 toepast in rov. 3.18 van die beschikking. Subonderdeel 3.2 (PI 75-89) is met rechts- en motiveringsklachten gericht tegen de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19-3.20, waarin de OK naar voorlopig oordeel het niet opvolgen van toezeggingen aan de Staat om de governance van Nexperia te wijzigen als gegronde reden om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia heeft aangemerkt; en bevat motiveringsklachten gericht tegen de uitgewerkte beschikking, rov. 3.21, waarin de OK het voorlopige oordeel om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia heeft gegrond op overige omstandigheden.
4.86
Ik begin met enkele inleidende opmerkingen. Onder 4.87 hierna keer ik terug naar de klachten, te beginnen met subonderdeel 3.1.
4.86.1
Op grond van art. 2:349a lid 3, eerste zin BW wordt, in geval nog geen onderzoek is gelast, een onmiddellijke voorziening slechts getroffen indien er naar het voorlopig oordeel van de OK gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen. Het laatste gedeelte van dit vereiste, gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen, is ontleend aan het wettelijke criterium voor toewijzing van het enquêteverzoek (art. 2:350 lid 1 BW). Het oordeel in de zin van art. 2:350 lid 1 BW dat blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen, is een voorlopig oordeel. In art. 2:349a lid 3, eerste zin BW is dus sprake van een voorlopig oordeel over een voorlopig oordeel. De ratio hiervan is dat bij de beslissing over het treffen van onmiddellijke voorzieningen in geval nog geen onderzoek is gelast de toets van art. 2:350 lid 1 BW niet geheel wordt losgelaten. Een voorlopig oordeel over het criterium van art. 2:350 lid 1 BW (dat sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid of juiste gang van zaken) werd vóór de invoering van art. 2:349a lid 3 BW per 1 januari 2013 voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen voordat op het verzoek tot het instellen van het onderzoek was beslist, al vereist in de DSM-uitspraak van de Hoge Raad uit 2007. De codificatie van dit punt in art. 2:349a lid 3 BW betrof met andere woorden een “verduidelijking”.
4.86.2
In het kader van de invoering van art. 2:349a lid 3 BW is in de wetsgeschiedenis ook de vraag gesteld op basis waarvan de OK tot het desbetreffende voorlopige oordeel kan komen in het geval de OK het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen behandelt voordat het enquêteverzoek inhoudelijk wordt behandeld (en er in dat stadium dus nog niet wordt getoetst aan art. 2:350 lid 1 BW). Hierop is niet een glashelder antwoord gegeven. Uit de DSM-uitspraak blijkt dat deze voorlopige beoordeling “aan de hand van een beperkt partijdebat” plaatsvindt. Om meer licht op deze vraag te werpen, ga ik nader in op de beoordeling of sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid of juiste gang van zaken in de zin van art. 2:350 lid 1 BW. Nog altijd lezenswaardig is wat A-G Van Soest hierover ruim vijftig jaar geleden heeft geschreven, in zijn conclusie voor de HVA-uitspraak van de Hoge Raad:
“De wettelijke eis voor het bevelen van een enqu[ê]te is derhalve in twee opzichten lichter dan voor het treffen van voorzieningen [als bedoeld in thans art. 2:356 BW waarvoor op grond van art. 2:355 lid 1 BW is vereist dat uit het onderzoeksverslag is gebleken van wanbeleid, A-G]:
a. het verkeerde beleid behoeft niet gebleken te zijn; vereist is slechts gegronde twijfel daaromtrent;
b. het gaat om niet meer dan verkeerd beleid; voor het treffen van voorzieningen moet het beleid in zeer ernstige mate verkeerd zijn.
Ad a. Het is mogelijk de eis, dat ‘blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen’ zeer licht op te vatten (…) Het aldus nagenoeg weggeredeneerde vereiste kan in (…) [thans art. 2:350 lid 1 BW, A-G] niet bedoeld zijn, aangezien het enqu[ê]tes onder alle omstandigheden in alle vennootschappen mogelijk zou maken. Veeleer moet men aannemen, dat ‘gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen’ zijn: feiten die tezamen een behoorlijke kans inhouden, dat het beleid bij nader onderzoek onjuist blijkt.
Deze feiten moeten ‘blijken’ (verg. de MvT, blz. 13, linkerkolom, 4e al.: ‘de verzoekers behoeven niet te bewijzen dat het ondernemersbeleid faalt, doch dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan de juistheid van het beleid’), d.w.z. ‘de rechter (moeten) zodanige gronden voor zekerheid (verschaft worden), als hij behoeft, om de aan die feiten door het recht verbonden rechtsgevolgen toe te wijzen’ (Asser-Anema-Verdam, 5e druk, 1953, blz. 35 v.; Veegens-Wiersma, Het nieuwe bewijsrecht in burgerlijke zaken I, 1973, blz. 47). De rechter moet dus de overtuiging krijgen, dat er een behoorlijke kans bestaat, dat een enqu[ê]te een onjuist beleid uitwijst. De vraag, of hij in een concrete situatie deze overtuiging al dan niet gekregen heeft, is een feitelijke vraag waarop het antwoord zich bezwaarlijk leent voor toetsing in cassatie. (…).”
4.86.3
Het voorlopige oordeel als bedoeld in art. 2:349a lid 3, eerste zin BW is tegen deze achtergrond, en ook gelet op de plaats van deze bepaling in de wet, te beschouwen als een tussenstap in de eerste fase van de enquêteprocedure tussen de (subjectieve) bezwaren tegen het beleid of de gang van zaken als bedoeld in art. 2:349 lid 1 BW en de (objectieve) blijk van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid of een juiste gang van zaken als bedoeld in art. 2:350 lid 1 BW. Het voorlopige oordeel van art. 2:349a lid 3, eerste zin BW moet worden afgeleid uit de op dat moment beschikbare gegevens. Dat zijn ten tijde van de uitgewerkte beschikking met name het verzoekschrift van Nexperia (met producties), de verweerschriften van belanghebbenden onder wie Yuching (met producties) en de spreekaantekeningen en uitingen van de rechtspersoon en belanghebbenden op de mondelinge behandeling, onder wie ook [bestuurder/CEO] . Dit roept vervolgens de vraag op hoe de OK de voor dat voorlopige oordeel relevante feiten en omstandigheden uit die beschikbare gegevens moet afleiden, of specifieker: in hoeverre de OK daarbij gebonden is aan de wettelijke bewijsregels van art. 149 e.v. Rv (afdeling 9 Titel 2 Rv). In de literatuur wordt aangenomen dat de OK in de eerste fase van de enquêteprocedure, waaronder bij de behandeling van een verzoek om onmiddellijke voorzieningen te treffen, gelet op het spoedeisende karakter, niet hoeft in te gaan op een aanbod tot leveren van (tegen)bewijs, een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor of een inzageverzoek ex art. 194 e.v. Rv. Art. 284 lid 1 Rv, op grond waarvan afdeling 9 Titel 2 Rv van overeenkomstige toepassing is op verzoekschriftprocedures (zoals de enquêteprocedure) tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet, biedt hiervoor ruimte. Voor de tweede fase van de enquêteprocedure heeft de Hoge Raad al eens beslist dat de aard van de zaak meebrengt dat een uitzondering moet worden gemaakt op de hoofdregel van art. 284 lid 1 Rv.
4.86.4
Een verwante kwestie is in hoeverre de OK in het kader van de voorlopige beoordeling ex art. 2:349a lid 3 BW is gebonden aan de regels van stelplicht en bewijslast. Boonekamp schrijft met betrekking tot de kortgedingprocedure onder het opschrift “fundamenteel andere benadering dan via stelplicht en bewijslast” onder meer het volgende:
“De aard en de functie van het kort geding brengen met zich dat de beoordeling fundamenteel anders plaatsvindt dan via toepassing van de regels van stelplicht en bewijslast. Er zal steeds moeten worden beslist aan de hand van een beoordeling van hetgeen door beide partijen naar voren is gebracht en (summierlijk) met bewijsmateriaal is onderbouwd. In kort gedingen strekkende tot opheffing van een conservatoir beslag is dit herhaaldelijk met zoveel woorden door de Hoge Raad uitgesproken, maar het moet worden beschouwd als een algemene norm die voor elk kort geding geldt. (…) Bepalend in kort geding is steeds of feiten die relevant zijn voor de toewijsbaarheid van het gevorderde voldoende aannemelijk zijn geworden op grond van hetgeen beide partijen naar voren hebben gebracht en met bewijsmateriaal onderbouwd. De vraag onder welke omstandigheden sprake is van voldoende aannemelijkheid kan niet in algemene zin worden beantwoord. Dat hangt af van een waardering van de stellingen en verweren van de partijen en de overtuigingskracht van het reeds overgelegde bewijsmateriaal. De kortgedingrechter is vrij in de beoordeling hiervan. (…).”
4.86.5
Onder 4.18.7-4.18.8 hiervoor heb ik al gewezen op de verwantschap van het treffen van onmiddellijke voorzieningen met het treffen van voorlopige voorzieningen in kort geding. Deze parallel laat zich volgens mij ook doortrekken wat betreft de gebondenheid aan regels van stelplicht en bewijslast. Zeker voor de (dubbel) voorlopige beoordeling ex art. 2:349a lid 3, eerste zin BW betekent dit dat de feiten en omstandigheden waarop de OK het voorlopige oordeel stoelt dat sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid of juiste gang van zaken, niet overeenkomstig de voorschriften van afdeling 9 Titel 2 Rv hoeven te zijn komen vast te staan. Dat zou immers betekenen dat feiten die door verzoeker zijn gesteld en door verweerder of een belanghebbende voldoende zijn betwist, pas als vaststaand kunnen worden beschouwd als die door verzoeker zijn bewezen in de zin van afdeling 9 Titel 2 Rv. En voor een dergelijke bewijslevering leent de enquêteprocedure zich, mede gelet op het spoedeisende karakter (art. 2:349a lid 1 BW), niet. Of de twijfel aan een juist beleid of juiste gang van zaken gegrond is, zal (als het zover komt) het onderzoek (de enquête) moeten uitwijzen. Daarom geldt evenals in kort geding dat de feiten die relevant zijn voor het voorlopige oordeel dat sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid of juiste gang van zaken voldoende aannemelijk moeten zijn geworden op grond van hetgeen partijen én belanghebbenden naar voren hebben gebracht en met bewijsmateriaal hebben onderbouwd.
4.87
Tegen deze achtergrond bezien, bespreek ik nu de klachten van dit onderdeel.
4.88
Subonderdeel 3.1
is gericht tegen de uitgewerkte beschikking, rov. 3.18 (PI 64) en bevat vier klachten, vervat in drie sub(sub)onderdelen: 3.1.1 t/m 3.1.3. Ik loop deze hierna langs, uitgaande van die klachten.
Behandeling
4.89
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.90
Ten eerste (PI 65-67) richt het subonderdeel een rechtsklacht tegen rov. 3.18 (subonderdeel 3.1.1). De klacht houdt in dat de OK in rov. 3.18 de in rov. 3.17 beschreven rechtsregels met betrekking tot tegenstrijdig belang ten onrechte niet heeft toegepast. Volgens de klacht vergen deze regels een beoordeling van het gedrag van de geconflicteerde bestuurder ( [bestuurder/CEO] ) en ontbreekt die beoordeling, waardoor een essentiële schakel in de redenering van de OK ontbreekt. Ten aanzien van de wettelijke onthoudingsregel (art. 2:239 lid 6 BW) geldt dat uit rov. 3.18 niet blijkt of beraadslaging en besluitvorming heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van de zogenoemde Linders/Hofstee-regels geldt dat de OK niet heeft beoordeeld of [bestuurder/CEO] de verschillende belangen voldoende gescheiden heeft gehouden, of [bestuurder/CEO] ten aanzien daarvan voldoende openheid heeft betracht, en/of of de inschakeling van een deskundige in de gegeven omstandigheid was aangewezen.
4.90.1
Deze klacht is ongegrond.
4.90.2
Vooropgesteld: de klacht bestrijdt - terecht - niet het juridisch kader over tegenstrijdig belang in rov. 3.17.
4.90.3
De klacht neemt op zichzelf ook terecht tot uitgangspunt dat uit het voorlopige oordeel omtrent tegenstrijdig belang in rov. 3.18 niet blijkt dat de OK heeft geoordeeld dat [bestuurder/CEO] de wettelijke onthoudingsregel zou hebben geschonden. De OK heeft in rov. 3.18 echter wel geoordeeld dat “niet [is] gebleken dat bij het plaatsen van de orders de vereiste verhoogde zorgvuldigheid bij tegenstrijdig belang in acht is genomen om te waarborgen dat de transactie geschiedt onder redelijke en marktconforme voorwaarden en zakelijk verantwoord is”. Met andere woorden: de OK heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat [bestuurder/CEO] zich conform de Linders/Hofstee-regels heeft gedragen. Het ontbreken van een essentiële schakel in de redenering van de OK doet zich dus in werkelijkheid niet voor. De klacht faalt daarmee bij gebrek aan feitelijke grondslag.
4.91
Ten tweede (PI 68-72)
klaagt het subonderdeel dat indien de OK wel het juridische kader van rov. 3.17 heeft toegepast in rov. 3.18, het oordeel in rov. 3.18 ontoereikend gemotiveerd en onbegrijpelijk is (subonderdeel 3.1.2). Deze motiveringsklacht is uitgewerkt langs drie routes, die ik een voor een bespreek.
4.92
De eerste route (PI 69) is dat het oordeel van de OK in rov. 3.18 onvoldoende is gemotiveerd, omdat de OK niet kenbaar heeft beoordeeld hoe [bestuurder/CEO] heeft gehandeld in het kader van het aangenomen tegenstrijdig belang en hoe dit zich verhoudt tot de onthoudingsregel (art. 2:239 lid 6 BW) en/of de Linders/Hofstee-regels. De klacht verwijst naar de overweging van de OK in rov. 3.18 dat [bestuurder/CEO] erop zou hebben aangedrongen en zou hebben gewild dat bepaalde aantallen wafers besteld zouden worden en voert vervolgens aan dat de OK niet toelicht waaruit zou blijken hoe [bestuurder/CEO] op de bestellingen heeft aangedrongen en/of dat [bestuurder/CEO] deze zou hebben gewild. Hier lijkt zich volgens de klacht, onder verwijzing naar onderdeel 1, te wreken dat de OK-beschikkingen in allerijl zijn gegeven en niet zijn gebaseerd op een voldragen partijdebat.
4.93
Deze klacht strandt.
4.93.1
Onder 4.90.3 hiervoor merkte ik al op dat de OK in rov. 3.18 heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat [bestuurder/CEO] zich conform de Linders/Hofstee-regels heeft gedragen bij het plaatsen van de grote aantallen wafers. Dat [bestuurder/CEO] erop zou hebben aangedrongen en zou hebben gewild dat bepaalde (grote) aantallen wafers bij WSS besteld zouden worden, heeft de OK voldoende aannemelijk geacht op grond van het verzoekschrift van Nexperia (met producties). Dat de OK niet is gebleken dat bij het plaatsen van de orders de vereiste verhoogde zorgvuldigheid bij tegenstrijdig belang in acht is genomen om te waarborgen dat de transactie geschiedt onder redelijke en marktconforme voorwaarden en zakelijk verantwoord is, berust eveneens op de (onvoldoende weersproken) stellingen van Nexperia. Van een ontoereikend gemotiveerd of onbegrijpelijk oordeel is dan ook geen sprake. Overigens is de OK ook nadien, in de eerstefasebeschikking, niet gebleken dat de vereiste verhoogde zorgvuldigheid in verband met het tegenstrijdig belang van [bestuurder/CEO] in acht is genomen. De klacht voert op zichzelf terecht nog aan dat het bestreden oordeel niet is gebaseerd op een “voldragen partijdebat”. Dat is echter inherent aan dit stadium van de enquêteprocedure waarin de (dubbel) voorlopige beoordeling, zoals de Hoge Raad het in de DSM-uitspraak heeft uitgedrukt, plaatsvindt “aan de hand van een beperkt partijdebat” (zie onder 4.86.2 hiervoor). Voor zover de klacht in dit verband voortbouwt op onderdeel 1, dat dus faalt, deelt de klacht bovendien in dit lot. Op dit alles stuit de klacht af.
4.94
De tweede route (PI 70-71) is dat het oordeel in rov. 3.18 dat volgens medewerkers van Nexperia orders for scrap werden geplaatst, ontoereikend is gemotiveerd in het licht van volgens de klacht essentiële stellingen van “ [bestuurder/CEO] ”. Volgens het subonderdeel volgt uit dit verweer dat geen sprake was van onzakelijke transacties, maar van transacties die dienstig waren aan het langetermijnplan van Nexperia en niet op onzakelijke voorwaarden waren aangegaan, waarbij vrees voor verspilling onterecht was. Het oordeel van de OK is zonder nadere motivering onbegrijpelijk, omdat daaruit niet blijkt dat dit verweer van “Yuching/ [bestuurder/CEO] ” in de beoordeling is betrokken, laat staan dat daarop gemotiveerd is beslist, wat gelet op de ernstige beperkingen in de aan “Yuching” geboden wederhoor juist wel had gemoeten (“zie ook subonderdeel 1.3”).
4.95
Ook deze klacht strandt.
4.95.1
Vooropgesteld: voor zover de klacht voortbouwt op subonderdeel 1.3, dat dus faalt, deelt de klacht in dit lot. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.95.2
Het valt op dat de klacht een draai maakt van [bestuurder/CEO] , naar Yuching/ [bestuurder/CEO] , naar Yuching. De klacht verwijst evenwel niet naar concrete stellingen van Yuching bij de OK (laat staan met vindplaatsen in enig gedingstuk bij de OK), enkel naar concrete stellingen van [bestuurder/CEO] bij de OK (met vindplaatsen in een gedingstuk bij de OK). Ik richt mij daarom op laatstgenoemde stellingen.
4.95.3
Welnu: [bestuurder/CEO] heeft in diens spreekaantekeningen, nrs. 70-72, kort samengevat, slechts betoogd dat geen sprake was van te grote orders van Nexperia bij WSS. [bestuurder/CEO] heeft aldaar althans niet aangevoerd, laat staan onderbouwd, dat en op welke wijze hij de door de OK vereiste verhoogde zorgvuldigheid bij tegenstrijdig belang in acht heeft genomen (dat van tegenstrijdig belang bij [bestuurder/CEO] geen sprake was, valt in dit verweer niet te lezen). Dit verweer van [bestuurder/CEO] doet aldus niet af aan het oordeel van de OK dat ter zake sprake was van een tegenstrijdig belang bij [bestuurder/CEO] en dat niet gebleken is dat [bestuurder/CEO] bij het plaatsen van de orders de vereiste verhoogde zorgvuldigheid bij tegenstrijdig belang in acht heeft genomen.
4.95.4
Uit rov. 3.18 blijkt verder duidelijk waarom de OK (ook) wat betreft de omvang van de orders van Nexperia bij WSS het standpunt van Nexperia voldoende aannemelijk heeft geacht. Aan dit een en ander doet begrijpelijkerwijs niet af dat volgens [bestuurder/CEO] in diens spreekaantekeningen, onder verwijzing naar een Amerikaanse nieuwssite, er wereldwijd een sterk groeiende vraag naar chips was (nr. 70), hij daarop inspeelde door de productie te vergroten (nr. 71), en er aan de orders een valide langetermijnstrategie en -visie ten grondslag lag (nr. 72).
4.95.5
Naar hieruit volgt, heeft de OK in het bestreden oordeel dit verweer van [bestuurder/CEO] niet uit het oog verloren, maar met kracht van argumenten verworpen. Dat behoefde, gezien het voorgaande en gegeven de stand van het geding, geen nadere motivering door de OK.
4.95.6
Daarmee ontvalt reeds de bodem aan de klacht.
4.96
De derde route (PI 72) is eveneens gericht tegen het oordeel in rov. 3.18 dat volgens medewerkers van Nexperia orders for scrap werden geplaatst. De klacht houdt in dat dit oordeel onbegrijpelijk is in het licht van de desbetreffende stellingen van Nexperia. Volgens de klacht is dit terug te voeren op twee zinnen, in een anoniem bericht, van de strekking dat een deel van de wafers misschien niet gebruikt wordt als de vraag zodanig laag is dat de wafers in een periode van negen jaar niet gebruikt worden, en kunnen deze twee zinnen de conclusies die de OK aan de ‘interne berichten’ verbindt niet dragen.
4.97
Deze klacht strandt eveneens.
4.97.1
Nexperia heeft in haar verzoekschrift (nr. 94) gesteld dat “ook uit de onderstaande anonieme interne berichten tussen werknemers van Nexperia” [onderstreping toegevoegd, A-G] volgt dat Nexperia dergelijke orders niet nodig heeft en er in feite zelfs for scrap wordt geproduceerd. Niet relevant is in hoeverre uit de desbetreffende interne berichten kan worden afgeleid dat de orders in feite zelfs for scrap werden geproduceerd. Beslissend is immers het voorlopige oordeel dat Nexperia dergelijke grote orders niet nodig heeft, hetgeen niet alleen is gestoeld op de desbetreffende anonieme interne berichten, en dat de OK niet is gebleken dat bij het plaatsen van de orders de vereiste verhoogde zorgvuldigheid bij tegenstrijdig belang in acht is genomen om te waarborgen dat de transactie geschiedt onder redelijke en marktconforme voorwaarden en zakelijk verantwoord is (zie onder 4.90.3 hiervoor). Verder geldt dat de uitleg van de gedingstukken is voorbehouden aan de OK als feitenrechter, en dat het in het licht van het beperkte partijdebat in dit stadium van het geding niet onbegrijpelijk is dat de OK de desbetreffende stelling van Nexperia in nr. 94 van haar verzoekschrift voldoende aannemelijk heeft geacht.
4.98
Ten derde (PI 73)richt het subonderdeel vanuit twee invalshoeken een motiveringsklacht tegen de slotzin van rov. 3.18, waarin de OK heeft overwogen dat bij dit alles moet worden bedacht dat de (tussen WSS en Nexperia B.V. gesloten) FSA op aandringen van [bestuurder/CEO] met ingang van 1 januari 2025 is gewijzigd in de zin dat bij elke bestelling 70% van de koopprijs vooraf moet worden betaald (subonderdeel 3.1.3).
4.99
Ook deze klacht mist doel.
4.99.1
De eerste invalshoek komt erop neer dat “[t]egen de achtergrond van” de eerste twee klachten het bestreden oordeel evenmin kan bijdragen aan het oordeel dat sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia. Want gegeven [bestuurder/CEO] stelling dat de orders niet onzakelijk waren, valt niet in te zien dat de vooruitbetalingsverplichting als zodanig aan (wijziging van) de FSA een onzakelijk of anderszins met Nexperia’s vennootschappelijk belang strijdig karakter zou verlenen. De overwegingen van de OK geven er evenwel geen blijk van dat [bestuurder/CEO] verweer in de beoordeling is betrokken, laat staan dat daarop gemotiveerd is beslist.
4.99.2
Dit ziet eraan voorbij dat de OK die stelling (dit verweer) van [bestuurder/CEO] gemotiveerd heeft verworpen, zoals uiteengezet bij de bespreking van de eerste klacht, die dus faalt. Dat bezegelt in zoverre reeds het lot van de onderhavige klacht, die voortbouwt op de eerste twee klachten.
4.99.3
De tweede invalshoek komt erop neer dat “[d]it” (ik begrijp: de klacht vanuit die eerste invalshoek) te meer klemt, gelet op stellingen van [bestuurder/CEO] in diens spreekaantekeningen, nrs. 73-76. Daarmee zou, aldus de klacht, [bestuurder/CEO] gemotiveerd hebben betwist dat de 70%-vooruitbetaling onzakelijk was of anderszins niet in redelijkheid in het belang van Nexperia kon worden geacht. De overwegingen van de OK geven er evenwel geen blijk van dat dit verweer in de beoordeling is betrokken, laat staan dat daarop gemotiveerd is beslist.
4.99.4
Dit ziet vooreerst eraan voorbij dat de klacht vanuit die eerste invalshoek dus geen effect sorteert.
4.99.5
Dit ziet bovendien eraan voorbij dat de OK ter zake, kort samengevat, afdoende gemotiveerd is meegegaan in het standpunt van Nexperia zoals mede blijkend uit haar verzoekschrift, nr. 99:
“Na aandringen van [bestuurder/CEO] is op 1 januari 2025 de FSA gewijzigd op voorstel van WSS, door middels een addendum, de zogeheten prepayment agreement daarin te verwerken. Sindsdien bevat de FSA voorwaarden die materieel afwijken van de marktpraktijk. Dit geldt in het bijzonder voor de bepaling op grond waarvan Nexperia, kort gezegd, bij elke bestelling 70% van de koopprijs vooraf moet betalen aan WSS.” [volgt een citaat van art. 6 waarin de prepayment agreement is geregeld, A-G]
Ik licht toe.
4.99.6
[bestuurder/CEO] heeft in diens spreekaantekeningen, nrs. 73-74 art. 6 (“[d]e afgesproken 70% vooruitbetaling”) niet weersproken, maar een beroep gedaan op enkele andere bepalingen uit de per 1 januari 2025 gewijzigde FSA die in het belang van Nexperia zouden zijn. Dat is in diens spreekaantekeningen, nr. 73: art. 2, waarin volgens [bestuurder/CEO] is bepaald dat de gewijzigde FSA “conform de eisen van Nexperia, een looptijd [heeft] van slechts één jaar en Nexperia het contract op ieder moment tussentijds [kan] opzeggen”. En in diens spreekaantekeningen, nr. 74: art. 11, dat een met de afgesproken 70%-vooruitbetaling “corresponderende korting op de productprijzen [bevat]”, wat volgens [bestuurder/CEO] “dus een belangrijk voordeel voor Nexperia op[levert]”.
4.99.7
Deze veronderstelde voordelen van de gewijzigde FSA nemen niet weg, zoals de OK in rov. 3.18 heeft overwogen, en geenszins onbegrijpelijk:
- dat Nexperia voldoende heeft onderbouwd dat betwijfeld kan worden dat [bestuurder/CEO] bij het plaatsen van de orders van Nexperia bij WSS uitsluitend het belang van Nexperia voor ogen heeft gehad en niet met name ook dat van WSS;
- dat het daarbij niet gaat om geringe bedragen;
- dat bij dit alles zij bedacht dat de FSA op aandringen van [bestuurder/CEO] met ingang van 1 januari 2025 aldus is gewijzigd dat Nexperia bij elke bestelling 70% van de koopprijs vooraf moet betalen.
4.99.8
Naar hieruit volgt, heeft de OK (mede) in het bestreden oordeel dit als verweer aangevoerde beroep van [bestuurder/CEO] op die veronderstelde voordelen niet uit het oog verloren, maar - uiteraard bezien in samenhang met het voorafgaande in rov. 3.18 - met kracht van argumenten verworpen. Dat behoefde, gezien het voorgaande en gegeven de stand van het geding, geen nadere motivering door de OK.
4.99.9
Voor zover de klacht nog doelt op [bestuurder/CEO] spreekaantekeningen, nrs. 75-76, geldt dat deze randnummers geen betrekking hebben op de afgesproken 70%-vooruitbetaling, maar zien op een andere nadien voorgestelde wijziging van de FSA (een aanvullende deposit agreement met voorfinanciering van WSS door Nexperia voor USD 10 miljoen). Deze randnummers zien derhalve op een ander punt en doen dus hoe dan ook niet af aan de begrijpelijkheid van het bestreden oordeel.
4.99.10
Overigens blijkt uit de in [bestuurder/CEO] spreekaantekeningen, nr. 75 geciteerde opmerking van [betrokkene 5] , de COO, over die aanvullende deposit van USD 10 miljoen voor WSS ook dat die in de eerste plaats het belang van WSS diende (“to keep them ‘healthy’”, “to support them”). [betrokkene 5] spreekt daarin ook van “fair legal concerns”, maar hij was desondanks - “Considering the business aspect for NEX in the case WSS struggles the 10 mio $ are peanuts” - “totally fine to sign the agreement”. Die aanvullende deposit agreement is uiteindelijk echter niet tot stand gekomen.
4.100 Ten slotte (PI 74) bevat het subonderdeel een motiveringsklacht, indien en voor zover de OK in de uitgewerkte beschikking het aangaan van de FSA (op 4 april 2023) als zodanig (mede) heeft aangemerkt als grond om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia (eveneens subonderdeel 3.1.3).
4.101 Deze klacht is evenmin gegrond.
4.101.1 Zij neemt terecht tot uitgangspunt dat de OK in de uitgewerkte beschikking het aangaan van de FSA (op 4 april 2023) “kennelijk niet” als zodanig (mede) heeft aangemerkt als grond om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia. Kort en goed: dat de OK dit wel doet, lees ik nergens in de uitgewerkte beschikking, ook niet in rov. 3.18.
4.101.2 De klacht, die is voorgesteld indien en voor zover de OK dit wel doet in de uitgewerkte beschikking, strandt dus reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag. Zij behoeft geen verdere bespreking.
4.102 Aldus vindt subonderdeel 3.1 zijn Waterloo.
4.103 Subonderdeel 3.2 is gericht tegen de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19-3.20 waarin de OK kort gezegd het niet opvolgen van toezeggingen aan EZ om de governance van Nexperia te wijzigen (in het bijzonder ten aanzien van de invoering van een raad van commissarissen met belangrijke goedkeuringsrechten) naar haar voorlopig oordeel heeft aangemerkt als gegronde reden om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia. Het subonderdeel klaagt dat deze overwegingen onjuist zijn, omdat wordt miskend hoe het vennootschappelijk belang van Nexperia dient te worden vastgesteld en/of dat het Nederlandse vennootschapsrecht uitgaat van vrijheid van inrichting, althans onvoldoende (begrijpelijk) zijn gemotiveerd. Deze algemene rechts- en motiveringsklacht (PI 75) is uitgewerkt in drie sub(sub)onderdelen: 3.2.1 t/m 3.2.3. Het subonderdeel bevat ten slotte in sub(sub)onderdeel 3.2.4 een motiveringsklacht over overige door de OK bij het voorlopige oordeel betrokken omstandigheden in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.21.
Behandeling
4.104 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.105 Subonderdeel 3.2.1 (PI 76-78) bevat rechtsklachten over het vennootschappelijk belang van Nexperia, die neerkomen op het volgende.
4.105.1 De OK heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voor zover zij met haar bestreden oordelen niet het vennootschappelijk belang van Nexperia, maar het algemeen belang (van (behoud van) beschikbaarheid van chips en chipproductie in Nederland en de EU) centraal heeft gesteld in haar beoordeling, althans dat algemeen belang van (doorslaggevende) betekenis heeft geacht voor de bepaling van het vennootschappelijk belang van Nexperia (PI 76).
4.105.2 Voor zover de OK niet heeft miskend dat zij Nexperia’s vennootschappelijk belang tot uitgangspunt moest nemen, heeft zij een te beperkte opvatting van het vennootschappelijk belang gehuldigd omdat de bestuurders van een vennootschap bij de vervulling van hun taak een zorgvuldigheidsnorm tegenover stakeholders, onder wie aandeelhouders zoals hier Yuching, in acht dienen te nemen (PI 77).
4.105.3 Verder heeft de OK ten onrechte niet in haar beoordeling betrokken dat het vennootschappelijk belang van Nexperia ook wordt bepaald door belangen als de bestuurbaarheid van de [A] -groep als geheel en het (voor de [A] -groep) voorkomen van (potentiële) sancties van de CSRC (PI 78).
4.106 Deze klachten boeken geen succes.
4.106.1 Ik stel het volgende voorop. De regeling van het enquêterecht is gericht op het belang van de rechtspersoon (in dit geval dus van Nexperia). In het enquêterecht staat dit belang voorop. Daarnaast behoren bij de toepassing van die regeling ook de belangen van de verzoeker en van alle bij de rechtspersoon betrokkenen in aanmerking te worden genomen. Uitgangspunt bij die toepassing is dat het uiteindelijk vooral aankomt op de economische werkelijkheid. Wat het belang van de rechtspersoon inhoudt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Indien aan een rechtspersoon een onderneming is verbonden (zoals het geval is bij Nexperia), wordt het belang van de rechtspersoon in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming. De rechtspersoon heeft bovendien een zelfstandig belang erbij dat wettelijke en statutaire normen of normen die mede voortvloeien uit de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW, waaronder begrepen procedurele normen die noodzakelijk zijn voor een goede besluitvorming, op juiste wijze zijn of worden nageleefd. Bestuurders (en commissarissen) van een (N.V. of) B.V. richten zich bij hun taakvervulling naar het vennootschapsbelang. Bij die taakvervulling dienen zij (ook) zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken. Ik lees in het bestreden oordeel niet een andersluidende opvatting van de OK.
4.106.2 De klacht in PI 76 gaat uit van een onjuiste lezing van het bestreden oordeel. De uitgewerkte beschikking, rov. 3.19-3.20 bevatten immers geen enkele aanwijzing voor de lezing dat de OK aldaar niet het vennootschapsbelang van Nexperia (dus: het belang van Nexperia en de met haar verbonden onderneming), maar het algemeen belang centraal heeft gesteld of dat algemeen belang van (doorslaggevende) betekenis heeft geacht voor de bepaling van het vennootschapsbelang van Nexperia. In de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19-3.20 schrijft de OK bij herhaling “Nexperia en haar onderneming”, en in rov. 3.20 verder ook uitdrukkelijk “in het belang van Nexperia en haar onderneming” en “evident in het belang van Nexperia”. Dit strookt met wat ik schreef onder 4.106.1 hiervoor. Het door de klacht bedoelde algemeen belang komt in die overwegingen niet voor. De klacht ontbeert dus feitelijke grondslag in de uitgewerkte beschikking en loopt reeds daarop vast.
4.106.3 In PI 76 wordt op zichzelf terecht aangevoerd dat, wat betreft de inhoud van het vennootschapsbelang van Nexperia (als vennootschap waaraan een onderneming is verbonden), dit belang het bevorderen van het bestendige succes van de met Nexperia verbonden onderneming “is” (of beter gezegd: daardoor in de regel vooral wordt bepaald). Zie ook onder 4.106.1 hiervoor.
4.106.4 Maar daaraan ziet de OK niet voorbij in de bestreden oordelen. Uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19 blijkt onder meer dat Nexperia en haar onderneming in toenemende mate nadelige gevolgen ondervonden van de gepercipieerde invloed van haar Chinese aandeelhouder, dat Nexperia in verband daarmee contact heeft gezocht met EZ en heeft gevraagd om steun voor haar als Nederlandse onderneming, dat toezeggingen aan EZ zijn gedaan om de governance van Nexperia te wijzigen (waaronder in het bijzonder de invoering van een raad van commissarissen met belangrijke goedkeuringsrechten), en dat EZ en BZ Nexperia hebben geïnformeerd over de mogelijke invoering van de 50%-rule waarvan duidelijk was dat die een grote negatieve impact op Nexperia en haar onderneming zou kunnen hebben. In de uitgewerkte beschikking, rov. 3.20 heeft de OK tegen deze achtergrond onder meer geoordeeld dat (behoudens het terugtreden van de zuster van [bestuurder/CEO] als bestuurder) geen stappen zijn gezet om in het belang van Nexperia en haar onderneming tot aanpassing van de governance te komen. Het voorlopige oordeel van de OK dat sprake is van twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia omdat onvoldoende opvolging is gegeven aan de met EZ afgestemde governancewijzigingen, laat zich aldus in de sleutel van het vennootschapsbelang verstaan dat de OK het op basis van de haar op het moment van de uitgewerkte beschikking ter beschikking staande gegevens voldoende aannemelijk heeft geacht dat met het gebrek aan voortvarendheid van Nexperia op dit punt het bestendige succes van de met Nexperia verbonden onderneming niet werd bevorderd. Dat sterk feitelijke oordeel is niet onjuist (en behoefde in dit stadium van het geding ook geen nadere motivering). Op zichzelf is denkbaar dat aan het talmen met de governancewijzigingen wel een andere afweging van het bestuur van Nexperia in het vennootschapsbelang ten grondslag heeft gelegen, maar dat is vooralsnog niet gebleken.
4.106.5 Ik zie, anders dan de klacht in PI 77 wil, niet dat de OK aldus oordelend in de uitgewerkte beschikking, rov. (3.19 en) 3.20 een te beperkte opvatting van het vennootschapsbelang van Nexperia huldigt. In PI 77 wordt op zichzelf terecht aangevoerd:
a. dat een rechtspersoon bovendien een zelfstandig belang erbij heeft dat wettelijke en statutaire normen of normen die mede voortvloeien uit de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW, waaronder begrepen procedurele normen die noodzakelijk zijn voor een goede besluitvorming, op juiste wijze zijn of worden nageleefd;
b. dat bij de vervulling van hun taak bestuurders - mede op grond van het bepaalde in art. 2:8 BW - zorgvuldigheid dienen te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken, welke zorgvuldigheidsverplichting kan meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het vennootschapsbelang ervoor zorgen dat daardoor de belangen van al degenen die bij de vennootschap of haar onderneming zijn betrokken niet onnodig of onevenredig worden geschaad, of onder omstandigheden zelfs: niet (noemenswaardig) worden geschaad.
Zie ook onder 4.106.1 hiervoor.
4.106.6 Toch baat dit de klacht niet. Met hetgeen ik samenvat(te) onder 4.106.4 hiervoor bestrijkt de OK de in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19-3.20 voorliggende kwestie, waarbij het draait om de vraag hoe het voornoemde gebrek aan voortvarendheid van Nexperia zich verhield tot het vennootschapsbelang van Nexperia (het belang van Nexperia en de met haar verbonden onderneming), specifiek betrokken op de ‘in de regel vooral’-bepaling van dit vennootschapsbelang door het bevorderen van het bestendige succes van de met Nexperia verbonden onderneming. Er is geen rechtsregel die de OK belette zich zo te richten op het vennootschapsbelang zonder daarbij a en/of b te betrekken, daarbij niet ontkennend dat a en b ook deel uitmaken van het rechtspersonenrecht, wel onderkennend dat waar het aldus bepaalde vennootschapsbelang wordt bezien dit niet betekent dat ‘dus’ ook a en/of b in aanmerking moet(en) worden genomen. In dit verband verdient nog opmerking: dat a wel ziet op een bepaald zelfstandig belang van de rechtspersoon, maar niet hetzelfde is (“bovendien”, etc.) als het vennootschapsbelang (het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming) waarop de OK zich richt in het bestreden oordeel, dus specifiek betrokken op de ‘in de regel vooral’-bepaling van dit vennootschapsbelang door het bevorderen van het bestendig succes van de met de vennootschap verbonden onderneming. En verder dat b evenmin hetzelfde is als dit vennootschapsbelang, want ziet op iets anders: de onder b bedoelde zorgvuldigheidsverplichting van de bestuurders van de vennootschap met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken, dus andere belangen dan het vennootschapsbelang waarop de OK zich richt in het bestreden oordeel.
4.106.7 In lijn daarmee zie ik, anders dan de klacht in PI 78 wil, evenmin dat het vennootschapsbelang van Nexperia ook wordt bepaald door belangen als de bestuurbaarheid van de [A] -groep als geheel, waarvan Nexperia onderdeel vormt, en het (voor de [A] -groep) voorkomen van (potentiële) sancties van de CSRC. Het gaat hier in wezen om het belang van de [A] -groep, welk concernbelang uiteraard wel relevant is voor Nexperia, als onderdeel van de belangen van al degenen die bij Nexperia en haar onderneming zijn betrokken, maar niet een onderdeel is van het eigen vennootschapsbelang van Nexperia: het belang van Nexperia en de met haar verbonden onderneming. Anders gezegd: het gaat hier om verwante, maar te onderscheiden belangensferen. Hieraan ziet de OK niet voorbij in het bestreden oordeel. Ook hier geldt dus: de in de klacht bedoelde miskenning door de OK doet zich in werkelijkheid niet voor.
4.107 Daarmee ontvalt reeds de bodem aan subonderdeel 3.2.1. Het subonderdeel behoeft geen verdere bespreking.
4.108 Subonderdeel 3.2.2 vervolgt in PI 79-82 met een rechtsklacht over de vrijheid van inrichting. Volgens de klacht komt het oordeel van de OK er in essentie op neer dat Nexperia een (niet verplichte) raad van commissarissen met vergaande goedkeuringsbevoegdheden had moeten invoeren om het hoofd te bieden aan de negatieve gevolgen van de perceptie van de invloed van haar Chinese aandeelhouder en de dreigende handelsbeperkingen met de mogelijke invoering van de 50%-rule. De klacht is dat de OK daarmee ten onrechte in de beleidsvrijheid van het bestuur van Nexperia is getreden en dat zij ten onrechte de strategische beleidsbeslissingen van Nexperia “vol” - op de merites van de beslissingen - heeft getoetst (PI 81). Het voorgaande wordt niet anders door de toezegging van Nexperia de governance te wijzigen. De klacht wijst erop dat gesprekken met EZ vrijblijvend waren en op initiatief van Nexperia werden gevoerd en dat het Nexperia vrijstond ervoor te kiezen bepaalde governancewijzigingen niet (direct) door te voeren, ook als deze zouden zijn toegezegd, wat volgens de klacht niet geval is (“zie ook randnummer 83 hierna”). Volgens de klacht weegt de vrijheid van inrichting zwaar en kan die niet zomaar worden ingeperkt of gedicteerd door een toezegging van de vennootschap aan een derde, laat staan door een door EZ gewenste aanpassing in het licht van geopolitieke spanningen (PI 82).
4.109 De klacht kan niet tot cassatie leiden.
4.109.1 Zij neemt op zichzelf terecht tot uitgangspunt dat het Nexperia, gelet op haar vrijheid van inrichting, vrijstond ervoor te kiezen bepaalde met EZ afgestemde governancewijzigingen niet (direct) door te voeren, dat de OK in beginsel niet in de beleidsvrijheid van het bestuur mag treden, en dat de OK in beginsel strategische beleidsbeslissingen niet “vol” mag toetsen. In de eerstefasebeschikking, rov. 3.17 heeft de OK dit kernachtig als volgt verwoord:
“Bij de beoordeling stelt de Ondernemingskamer voorop dat Nexperia net als iedere vennootschap binnen de grenzen van de wet vrij is haar (vennootschappelijke) organisatie naar eigen inzicht in te richten (HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:652, Fugro). In de gesprekken met EZ ging het dan ook om een vrijwillig traject; Nexperia was niet verplicht haar governance aan te passen overeenkomstig de wensen van EZ. Dat betekent ook dat het enkele feit dat Nexperia is teruggekomen van eerdere toezeggingen aan EZ om haar governance anders in te richten, op zichzelf geen gegronde reden oplevert voor twijfel aan een juist beleid of een juiste gang van zaken. Verder stelt de Ondernemingskamer voorop dat de vrijheid van ondernemerschap mede inhoudt de vrijheid van het bestuur om de strategie van de vennootschap vast te stellen of te wijzigen. Bij de beoordeling van de door het bestuur bepaalde strategie stelt de Ondernemingskamer zich terughoudend op. Zij treedt in beginsel niet in de merites van die beslissing zolang daaraan een gedegen en collegiaal besluitvormingsproces ten grondslag ligt met een behoorlijke afweging van de voor- en nadelen en alle in aanmerking komende belangen en risico’s.”
4.109.2 Het bestreden oordeel geeft echter geen blijk van miskenning van deze uitgangspunten. De OK heeft in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19-3.20 immers niet geoordeeld dat Nexperia een (niet verplichte) raad van commissarissen had moeten invoeren, maar, kort en goed, dat de wijze waarop het traject met EZ is verlopen (“Tegen deze achtergrond roept het gebrek aan voortvarendheid waarmee Nexperia uitvoering heeft gegeven aan de met EZK afgestemde governance wijzigingen de nodige vragen op”) naar haar voorlopig oordeel een gegronde reden oplevert om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia. De klacht ontbeert dus feitelijke grondslag.
4.109.3 Ook indien de klacht wel op feitelijke grondslag zou berusten, en de OK aldus blijk zou hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, bestaat nog geen grond voor cassatie nu deze klacht is gericht tegen een tweede grond (kort gezegd: de governance) om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia en de eerste grond om daaraan te twijfelen (kort gezegd: het tegenstrijdig belang) dat voorlopige oordeel zelfstandig kan dragen.
4.109.4 Voor zover de klacht voortbouwt op de klacht in PI 83 (“zie ook randnummer 83 hierna”), die faalt, deelt de klacht in dit lot.
4.110 Daarmee valt het doek voor subonderdeel 3.2.2 en beland ik bij de bespreking van subonderdeel 3.2.3.
4.111 Subonderdeel 3.2.3 bevat motiveringsklachten gericht tegen de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19-3.20. PI 83 begint met een opsomming van vier omstandigheden die niet (kenbaar) in het bestreden oordeel zouden zijn meegewogen:
- Yuching en [bestuurder/CEO] hebben gesteld dat een groot deel van de in april 2024 besproken governancewijzigingen wel degelijk was geïmplementeerd (in het bijzonder het vernieuwde informatieveiligheidsbeleid en het bedrijfsgeheimen en- IP-veiligheidsbeleid) en aldus is wel degelijk meer gedaan dan enkel het terugreden van [bestuurder/CEO] zuster als bestuurder.
- Het enige waarover in september 2025 nog gesprekken liepen met EZ betrof de eventuele goedkeuringsrechten van de raad van commissarissen. De raad van commissarissen was nog niet ingevoerd, omdat de goedkeuringsbevoegdheden te verstrekkend en onvoldoende flexibel waren en Nexperia nog in afwachting was van reactie van de CSRC over of zij een dergelijke raad van commissarissen compliant zou vinden.
- Op 12 september 2025 heeft nog een bespreking plaatsgevonden tussen EZ en Nexperia, op welk moment bij EZ ten aanzien van het instellen van de raad van commissarissen nog geen haast of urgentie viel te ontdekken.
- In de zomermaanden van 2025 was nog onzeker of de 50%-rule gepubliceerd zou worden, hetgeen op 30 september 2025 is gebeurd, waarna op 1 oktober 2025 het enquêteverzoek is ingediend.
4.112 De klacht (PI 84) is dat het in het licht van deze stellingen onbegrijpelijk is dat de OK heeft geoordeeld dat Nexperia met een gebrek aan voortvarendheid uitvoering heeft gegeven aan de met EZ afgestemde governancewijzigingen en dat de OK niet heeft kunnen vaststellen dat behoudens het terugtreden van de zus van [bestuurder/CEO] als bestuurder enige maatregel is getroffen om de nadelige gevolgen van de gepercipieerde invloed van de Chinese aandeelhouder op Nexperia en haar onderneming tegen te gaan.
4.113 Het subonderdeel vervolgt met de klacht (PI 85) dat het bestreden oordeel verder onbegrijpelijk is, omdat juist geen sprake was van afgestemde governancewijzingen ten aanzien van het openstaande punt van de invoering van de raad van commissarissen met specifieke goedkeuringsrechten (“[z]ie nr. 83”) en niet valt in te zien hoe de implementatie van dergelijke governancewijzigingen de dreigende handelsbeperkingen met de mogelijke invoering van de 50%-rule had kunnen tegengaan.
4.114 De klacht in PI 84 stuit af op het volgende.
4.114.1 Niet onbegrijpelijk in het licht van de in PI 83 bedoelde stellingen is het voorlopige oordeel van de OK dat sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia in verband met een gebrek aan voortvarendheid bij Nexperia met betrekking tot de governancewijzigingen. Dat dat gebrek aan voortvarendheid voldoende aannemelijk is geworden, is door de OK in het bestreden oordeel toereikend gemotiveerd. Dit gebrek aan voortvarendheid vindt overigens ook bevestiging in de eerstefasebeschikking.
4.114.2 Evenmin onbegrijpelijk in het licht van de in PI 83 bedoelde stellingen is de slotzin van de uitgewerkte beschikking, rov. 3.20:
“niet [heeft] kunnen vaststellen dat behoudens het terugtreden van diens zuster als bestuurder zijdens [bestuurder/CEO] enige maatregel is getroffen om de nadelige gevolgen van de gepercipieerde invloed van de Chinese aandeelhouder op Nexperia en haar onderneming tegen te gaan.”
4.114.3 In het verweerschrift van Yuching, nr. 51 wordt een beroep gedaan op een e-mail van [verweerder 4] van 20 februari 2025, overgelegd als productie 20 bij het verzoekschrift van Nexperia, over “(i) een voorstel voor een RvC, (ii) een nieuw informatieveiligheidsbeleid, (iii) een nieuw bedrijfsgeheimenbeleid en (iv) een IP-veiligheidsbeleid.”
4.114.4 Deze e-mail was een reactie op de e-mail van 20 december 2024 van EZ aan onder anderen [verweerder 4] , ook deel uitmakend van genoemde productie 20, waaruit de OK heeft geciteerd in de uitgewerkte beschikking, rov. 2.16. In laatstgenoemde e-mail werden “unequivocal measures to be developed, adopted and implemented by Nexperia” vereist.
4.114.5 In deze e-mail van 20 december 2024 werd een onderscheid gemaakt tussen governancemaatregelen en beleidsmaatregelen: “Those measures relate to some aspects of its governance as well as its security and information policy including the protection of IP and sensitive data”. In de daaropvolgende e-mailcorrespondentie, ook onderdeel van genoemde productie 20, wordt dit onderscheid steeds opnieuw gemaakt.
4.114.6 In het licht van de gedingstukken bij de OK is dus duidelijk - het volgt ook uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19-3.20 in totaliteit bezien - dat de OK in de slotzin van de uitgewerkte beschikking, rov. 3.20 met maatregelen om de nadelige gevolgen van de gepercipieerde invloed van de Chinese aandeelhouder op Nexperia en haar onderneming tegen te gaan, doelde op de governancemaatregelen. Ofwel: de OK heeft niet kunnen vaststellen dat behoudens het terugtreden van de zuster van [bestuurder/CEO] enige governancemaatregel is getroffen.
4.114.7 Dit oordeel is niet onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
4.114.8 Immers, gezien het voorgaande is prima te volgen dat de OK de stellingen van Yuching en [bestuurder/CEO] waarop de klacht een beroep doet (dus inzake de implementatie van het vernieuwde informatieveiligheidsbeleid en het bedrijfsgeheimen- en IP-veiligheidsbeleid) plaatst in de sleutel van beleidsmaatregelen, niet van governancemaatregelen. Die stellingen, wat daarvan verder zij, betekenen derhalve niet dat ook naast het terugtreden van de zuster van [bestuurder/CEO] enige governancemaatregel is geïmplementeerd.
4.114.9 Hierop ketst de klacht af.
4.115 De klacht in PI 85 boekt evenmin succes. Wat het punt van het gebrek aan voortvarendheid met betrekking tot de invoering van een raad van commissarissen met specifieke goedkeuringsrechten betreft, geldt het volgende.
4.115.1 De klacht voert onder verwijzing naar stellingen van [bestuurder/CEO] en Yuching, weergegeven onder 4.108 hiervoor, op zichzelf terecht aan dat geen overeenstemming is bereikt over de specifieke goedkeuringsrechten (de zogenoemde reserved matters) van de in te stellen raad van commissarissen. Uit de door de OK vastgestelde feiten blijkt ook dat de OK heeft onderkend dat en waarom Nexperia moeite had met dit aspect van de invoering van een raad van commissarissen (zie onder 2.15 en 2.18 hiervoor). Aan de begrijpelijkheid van het oordeel van de OK over een gebrek aan voortvarendheid met betrekking tot de governancewijziging doet dat echter niet af. Dit voorlopige oordeel van de OK vindt inmiddels ook bevestiging in de eerstefasebeschikking. Bovendien ziet dit oordeel van de OK niet uitsluitend op de invoering van de raad van commissarissen, maar heeft de OK in bredere zin geoordeeld dat sprake was van een gebrek aan voortvarendheid met betrekking tot de governancewijzigingen.
4.116 In PI 85 wordt verder nog betoogd dat niet valt in te zien hoe de implementatie van dergelijke governancewijzigingen de dreigende handelsbeperkingen met de mogelijke invoering van de 50%-rule had kunnen tegengaan. Deze klacht berust op het uitgangspunt dat de 50%-rule niet ziet op zeggenschap of toezicht, maar uitsluitend op indirecte eigendom waardoor de toekomstige, nadelige gevolgen van de 50%-rule niet konden worden tegengegaan met wijzigingen in de governance.
4.116.1 Ook dit betoog biedt [bestuurder/CEO] geen soelaas. In de uitgewerkte beschikking, rov. 3.20 heeft de OK immers overwogen dat het ging om “maatregelen te treffen om de kans te minimaliseren dat Nexperia door de 50%-rule zou worden geraakt” en dat met deze maatregelen aan BZ en/of EZ “een argument kon worden verschaft jegens de autoriteiten in de Verenigde Staten om de 50%-rule niet ook op Nexperia van toepassing te verklaren”. [onderstreping toegevoegd, A-G] In het kader van de mogelijke effectiviteit van de maatregelen in verband met de 50%-rule is bovendien van belang dat de OK heeft onderkend dat de maatregelen niet beperkt waren tot de invoering van een raad van commissarissen met belangrijke goedkeuringsrechten, maar dat het in bredere zin ging om maatregelen die erop waren gericht, zoals de OK in rov. 3.20 heeft overwogen, “de nadelige gevolgen van de gepercipieerde invloed van de Chinese aandeelhouder op Nexperia en haar onderneming tegen te gaan”. Die maatregelen konden dus wel degelijk relevant zijn in verband met de invoering van de 50%-rule. Dit een en ander moet dus worden gelezen in het licht van hetgeen ik samenvatte onder 4.106.4 hiervoor.
4.117 Voor de overige stellingen in PI 83 geldt dat de OK kennelijk en niet onbegrijpelijk de standpunten van Nexperia en EZ ter zake voldoende aannemelijk heeft geacht. Met betrekking tot de stelling dat uit de gesprekken met EZ niet bleek dat sprake was van urgentie of haast bij de Staat ten aanzien van de noodzaak van een raad van commissarissen met bijzondere goedkeuringsrechten, wijs ik ter illustratie op de spreekaantekeningen van EZ, nrs. 5, 7:
“Het was ‘pappen en nathouden’ (…). (…) Tijdens het gesprek in september 2025 bleek wederom dat Nexperia geen enkele vooruitgang had geboekt en ook geen concrete toezeggingen kon doen, ondanks de urgentie van de dreigende Amerikaanse maatregelen. (…).”
4.118 Daarmee ontvalt de bodem aan subonderdeel 3.2.3.
4.119 Subonderdeel 3.2.4 richt zich met drie klachten tegen de uitgewerkte beschikking, rov. 3.21 (vanaf “Een paar dagen later”, etc.). Ik loop de klachten hierna langs.
4.120 In de eerste plaats klaagt het subonderdeel (PI 87) dat het in PI 86 weergegeven oordeel in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.21 over het ontslag van [verweerder 4] en twee sleutelfunctionarissen uit het EMT onvoldoende is gemotiveerd, omdat [bestuurder/CEO] als verweer tegen dit verwijt van Nexperia heeft gesteld dat het ontslag van de drie functionarissen was ingegeven door legitieme, zakelijke redenen: de tegenwerking van de managers bij het realiseren van de strategische doelstellingen van Nexperia. Een dergelijke keuze bevreemdt niet, in het licht van de plaatsing van [A] op de U.S. Entity List en de mogelijke toepassing van de 50%-rule, omdat het juist dan van belang is dat het hogere senior management op één lijn zit, wat niet het geval was (achteraf is gebleken dat deze managers klaarblijkelijk hebben samengewerkt met EZ om [bestuurder/CEO] en Yuching buitenspel te zetten). De OK heeft dit niet (kenbaar) in de beoordeling betrokken en daarop in ieder geval niet gemotiveerd gerespondeerd. Daarbij is onbegrijpelijk dat de OK [bestuurder/CEO] tegenwerpt dat geen ruggenspraak of overleg plaatsvond over het ontslag van de drie managers, terwijl over het bevel en de daarmee gecoördineerde indiening van het verzoekschrift evenmin overleg plaatsvond met Yuching en [bestuurder/CEO] (sterker nog: dat is bewust al die tijd verzwegen).
4.121 Deze klacht strandt.
4.121.1 De redenen voor het ontslag van de drie sleutelfunctionarissen in de Nederlandse organisatie van Nexperia ( [verweerder 4] , statutair bestuurder, en twee sleutelfunctionarissen uit het EMT: [betrokkene 4] en [betrokkene 5] ) kunnen niet afdoen aan de begrijpelijkheid van het bestreden oordeel. Daarbij wijst de OK immers in het bijzonder op de gebrekkigheid van de gevolgde procedure en op het (ook door [bestuurder/CEO] in gesprekken met EZ onderschreven) belang voor Nexperia van het waarborgen van het Nederlandse karakter van de onderneming van Nexperia, dit een en ander in verbinding met de nakende toepassing van de 50%-rule op Nexperia met de consequenties van dien. Voornoemde redenen, wat daarvan verder zij, laten die door de OK betrokken omstandigheden onverlet. Bij deze stand van zaken behoefde de OK niet nog weer nader te responderen op het desbetreffende verweer van [bestuurder/CEO] (dat de OK dit verweer van [bestuurder/CEO] is ontgaan, blijkt nergens uit).
4.121.2 Het beroep op het gebrek aan overleg over het bevel en de indiening van het verzoekschrift stuit reeds erop af dat het bestreden oordeel ziet op het aangezegde ontslag van die drie sleutelfunctionarissen in de Nederlandse organisatie van Nexperia, dat betrekking heeft op een eerder moment in de tijd dan het bevel en de indiening van het verzoekschrift. De ontslagaanzegging van [verweerder 4] dateert van 9 september 2025 (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 2.24), en die van [betrokkene 4] en [betrokkene 5] van 11 september 2025 (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 2.25), terwijl het bevel eerst bij besluit van 30 september 2025 is gegeven (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 2.27) en het verzoekschrift van Nexperia pas daarna is ingediend, op 1 oktober 2025 (zie onder 3.1 hiervoor).
4.121.3 Overigens volgt uit de aard van het bevel al dat daarover geen voorafgaand overleg plaatsvindt. Dat de indiening van het verzoekschrift tot het moment van indiening is verzwegen, mist bovendien feitelijke grondslag. Voor het indienen van het verzoekschrift is dus door [verweerder 4] , in tegenstelling tot de gang van zaken bij het ontslag van [verweerder 4] , wel de juiste procedurele weg bewandeld. Zelfs als dat niet het geval zou zijn, zou dat het voorlopige oordeel in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.21 ook nog niet onbegrijpelijk maken, nu de OK geen verband behoefde te leggen tussen deze twee verschillende onderwerpen.
4.122 In de tweede plaats klaagt het subonderdeel (PI 88) dat het in PI 86 weergegeven oordeel in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.21 dat de OR niet tijdig was geïnformeerd en in strijd met art. 30 WOR niet om advies was gevraagd, zonder nadere motivering onvoldoende is om te kunnen concluderen dat (naar voorlopig oordeel) sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia. Voorts/althans is deze omstandigheid onvoldoende voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen.
4.123 Ook deze klacht strandt.
4.123.1 Zij leest het bestreden oordeel (veel) te geïsoleerd. Het is niet relevant of de in de klacht centraal gestelde omstandigheid van voldoende gewicht is voor het voorlopige oordeel van de OK dat sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia (als vereist door art. 2:349a lid 3 BW voor het hier treffen van onmiddellijke voorzieningen), of voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen. De feiten en omstandigheden die de OK aan die oordelen ten grondslag heeft gelegd, moeten ten minste in onderling verband en samenhang bezien van voldoende gewicht zijn om die oordelen te kunnen dragen (zie mede onder 4.86.2 hiervoor).
4.123.2 Voornoemde omstandigheid is slechts een van de feiten en omstandigheden die de OK in totaliteit betrekt in de uitgewerkte beschikking, zie in het bijzonder rov. 3.16-3.22 (inzake die gegronde redenen) en rov. 3.23-3.26 (inzake die onmiddellijke voorzieningen, waarbij de OK blijkens rov. 3.23, eerste zin mede voortbouwt op rov. 3.16-3.22).
- Zo wijst de OK eerder in rov. 3.21 erop dat zonder zakelijke toelichting de betalingsbevoegdheden van de CFO en twee andere financiële sleutelfunctionarissen werden ingetrokken en in plaats daarvan een bankvolmacht werd verleend aan personen zonder financiële ervaring, welke handelwijze voor een onderneming van de orde van grootte van Nexperia grenst aan roekeloosheid.
- En zo kan rov. 3.21 niet los worden gezien van hetgeen daaraan voorafgaat in de uitgewerkte beschikking, in het bijzonder de kwestie van het niet opvolgen van toezeggingen aan de Staat om de governance van Nexperia te wijzigen (zie rov. 3.19-3.20).
- Daarvóór heeft de OK dan al gewezen op de kwestie van het tegenstrijdig belang van [bestuurder/CEO] (zie rov. 3.17-3.18).
- Daarbij komt dan dus nog het vervolg in rov. 3.21, vanaf “Een paar dagen later”, etc.
4.123.3 De klacht is terecht niet dat dit alles tezamen van onvoldoende gewicht is voor de door de OK getrokken conclusie dat (naar voorlopig oordeel) sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia, en voor de door de OK getroffen onmiddellijke voorzieningen. Voor zover de klacht nog wil betogen - zoiets staat er niet - dat de daarin centraal gestelde omstandigheid zelfs niet kan bijdragen aan die oordelen van de OK, omdat het “hier naar zijn aard [gaat] om een eenmalige gebeurtenis, die niet tot schade heeft geleid”, vindt dat geen steun in het recht. Het is evident dat een gebeurtenis niet een structureel karakter moet hebben en/of tot schade moet hebben geleid wil deze gebeurtenis een voor die oordelen relevante omstandigheid kunnen zijn.
4.124 In de derde plaats klaagt het subonderdeel (PI 89), voortbouwend op de vorige klacht, dat “dat” evenmin geldt voor het (niet in PI 86 weergegeven) oordeel in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.21 dat de betalingsbevoegdheden van de CFO en twee andere financiële sleutelfunctionarissen werden ingetrokken en een bankvolmacht werd verleend aan personen zonder financiële ervaring. Zelfs indien dit naar het oordeel van de OK zou grenzen aan roekeloosheid, betreft het een eenmalige handeling die als zodanig niet (zelfstandig, zonder meer) grond geeft te twijfelen aan een juist beleid of een juiste gang van zaken. Voorts/althans is deze omstandigheid onvoldoende voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen.
4.125 Deze klacht strandt eveneens.
4.125.1 Zij loopt vast in het voetspoor van de vorige klacht, waarop de klacht ook voortbouwt. Dit behoeft geen verdere toelichting. Wel wijs ik er nog op dat het hier volgens de OK gaat om meer dan een enkele handeling, welke handelwijze, die voor een onderneming van de orde van grootte van Nexperia grenst aan roekeloosheid, naar de aard (een serieus risico op) nadelige gevolgen voor Nexperia meebrengt.
4.126 Dit betekent dat subonderdeel 3.2.4 onderuit gaat.
4.127 Daarmee is gegeven dat onderdeel 3 faalt.
Onderdeel 4
(“Getroffen voorzieningen voldoen niet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit”)
4.128 Onderdeel 4 richt zich tegen het oordeel in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.23-3.24 dat onmiddellijke voorzieningen worden getroffen en dat deze voldoen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. De klacht (PI 90) is dat dit oordeel onjuist is, omdat het de juiste maatstaf miskend dan wel onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd in het licht van essentiële stellingen van [bestuurder/CEO] (en Yuching). Het onderdeel is uitgewerkt in drie subonderdelen.
4.129 Subonderdeel 4.1 (PI 91-96) bevat een rechtsklacht die niet is beperkt tot de onmiddellijke voorzieningen die [bestuurder/CEO] betreffen, maar geldt voor (het samenstel van) alle getroffen onmiddellijke voorzieningen (PI 91). De klacht (PI 93) is dat het bestreden oordeel (weergegeven in PI 91-92) blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en is uitgewerkt langs twee routes.
4.129.1 In de eerste plaats (PI 94) wordt aangevoerd dat de OK heeft miskend dat op grond van art. 2:349a lid 2 BW een noodzaak voor het treffen van onmiddellijke voorziening moet bestaan. De OK heeft in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.23 slechts geoordeeld dat de toestand van Nexperia “het nodig maakt” de desbetreffende onmiddellijke voorzieningen te treffen, wat volgens de klacht een wezenlijk ander criterium is.
4.129.2 In de tweede plaats (PI 95-96) wordt betoogd dat de OK, hoewel zij in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.24 lijkt te onderkennen dat onmiddellijke voorzieningen dienen te voldoen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit, niet heeft onderzocht of de voorzieningen niet verder ingrijpen dan noodzakelijk en of hetzelfde doel niet met minder ingrijpende voorzieningen kan worden bereikt. De OK herhaalt slechts de redenen die ten grondslag zijn gelegd aan de onmiddellijke voorzieningen zelf en tracht daarmee de zwaarte van de maatregelen te rechtvaardigen met de zwaarte van de voorlopig aangenomen gegronde redenen. Dat zegt volgens de klacht niets over proportionaliteit en subsidiariteit.
Behandeling
4.130 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.130.1 De eerste route berust enkel op een woordenspel. In de kop-staart-beschikking, rov. 3.3 heeft de OK overwogen dat zij van oordeel is “dat de toestand van Nexperia c.s. het noodzakelijk maakt de navolgende onmiddellijke voorzieningen te treffen”. [onderstreping toegevoegd, A-G] In de uitgewerkte beschikking, rov. 3.23 e.v., onder het opschrift “Onmiddellijke voorzieningen”, heeft de OK dit oordeel nader uitgewerkt. Die uitwerking begint in rov. 3.23, eerste zin met het bestreden oordeel dat “de toestand van Nexperia, zoals die blijkt uit het voorgaande het nodig maakt de navolgende onmiddellijke voorzieningen te treffen”. [onderstreping toegevoegd, A-G] Deze beide overwegingen kunnen redelijkerwijs niet anders worden verstaan dan als een parafrasering van het wettelijke criterium van art. 2:349a lid 2 BW dat “een onmiddellijke voorziening vereist is in verband met de toestand van de rechtspersoon”. [onderstreping toegevoegd, A-G] Daar komt nog bij dat “noodzakelijk” niet een (wezenlijk) andere taalkundige betekenis heeft dan “nodig” of “vereist”. Het voorgaande vindt bovendien nog een keer bevestiging in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.24, waarin de OK heeft overwogen dat de schorsing van [bestuurder/CEO] en het onder beheer plaatsen van alle aandelen van Yuching minus één “noodzakelijk, en proportioneel met het oog op het belang van de vennootschap, haar onderneming en de daarbij betrokkenen” is. [onderstreping toegevoegd, A-G] De OK heeft dus de juiste maatstaf toegepast. Hierop loopt de eerste route spaak.
4.130.2 Dan de tweede route. Die berust op een onjuiste lezing van de uitgewerkte beschikking, rov. 3.24 en faalt daarmee bij gebrek aan feitelijke grondslag. De OK heeft immers in die rov. 3.24 wel degelijk gemotiveerd waarom zij van oordeel is dat de getroffen onmiddellijke voorzieningen voldoen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. De OK heeft eerst overwogen dat op zitting uitvoerig met partijen is besproken of minder vergaande voorzieningen de voorkeur verdienen en oordeelt dan dat zij die vraag ontkennend beantwoordt. Vervolgens heeft de OK geoordeeld dat de getroffen voorzieningen, tegen de achtergrond van het aandeel van zowel [bestuurder/CEO] als bestuurder (“illustreert zijn handelwijze ten aanzien van”, etc.) als Yuching als aandeelhouder (“Het bezwaar (…) treft zowel [bestuurder/CEO] als bestuurder als Yuching als aandeelhouder”) in de door de OK in de daaraan voorafgaande overwegingen (rov. 3.16 e.v.) besproken gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia, noodzakelijk en proportioneel worden geacht. Dat is dus niet slechts een herhaling van de gegronde redenen of een rechtvaardiging van de zwaarte van de getroffen voorzieningen met de zwaarte van de gegronde redenen. Hierop loopt ook de tweede route vast.
4.131 Kortom, subonderdeel 4.1 mist doel.
4.132 Subonderdeel 4.2 klaagt dat voor zover het bestreden oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, het onbegrijpelijk is geformuleerd omdat de OK niet (kenbaar) heeft onderzocht of de te treffen voorzieningen voldoen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit (PI 97). Het subonderdeel doet daartoe een beroep op de spreekaantekeningen van [bestuurder/CEO] , nrs. 120, 126 (PI 98-99) en het verweerschrift van Yuching, nr. 226 (PI 100). Volgens de klacht (PI 101) heeft de OK niet onderzocht of de schorsing van [bestuurder/CEO] noodzakelijk was gelet op de toestand van Nexperia en of er minder vergaande voorzieningen getroffen konden worden. De OK (nog steeds volgens PI 101) heeft, ondanks de daartoe gedane suggesties van [bestuurder/CEO] en Yuching, niet kenbaar de door hen aangedragen minder vergaande alternatieven onderzocht en daarmee is het oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
Behandeling
4.133 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.133.1 Het subonderdeel ziet er vooreerst aan voorbij dat uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.24 wel degelijk uitdrukkelijk blijkt dat de OK de “proportionaliteit en subsidiariteit” van de onmiddellijke voorzieningen heeft beoordeeld. Om herhaling te voorkomen verwijs ik naar 4.130.2 hiervoor.
4.133.2 Deze feitelijke beoordeling, die zich in cassatie niet op juistheid laat toetsen, is ook voldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Het subonderdeel stelt te hoge eisen aan de motiveringsplicht van de OK in dit verband. Die motiveringsplicht gaat niet zover dat de OK voor ieder aangevoerde minder vergaande alternatieve onmiddellijke voorziening moet motiveren waarom daarmee niet kan worden volstaan gelet op hetgeen vereist is in verband met de toestand van de vennootschap en gelet op de belangen van de vennootschap en degenen die krachtens de wet en de statuten bij haar organisatie zijn betrokken. Uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.24 blijkt dat de OK de door [bestuurder/CEO] en Yuching aangedragen minder vergaande voorzieningen heeft onderzocht en van oordeel is dat die uit oogpunt van proportionaliteit en subsidiariteit niet de voorkeur verdienen. Daarmee is het bestreden oordeel toereikend gemotiveerd. Ik licht dat nog als volgt toe.
4.133.3 Aan de spreekaantekeningen van [bestuurder/CEO] , nr. 120 ontleent de klacht, kort gezegd, dat geen sprake is van (i) gebrekkige governance, (ii) verstoorde verhoudingen binnen het bestuur, en (iii) onbehoorlijk financieel beleid of ondernemingsbeleid van Nexperia. Dit betoog stuit af op het voorlopig oordeel van de OK dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia, zoals door de OK is gemotiveerd in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.16 e.v. Een van die gronden houdt immers verband met (herziening van) de governance van Nexperia (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19-3.20). Uit dat voorlopige oordeel blijkt bovendien dat sprake is van verstoorde verhoudingen binnen het bestuur van Nexperia. Het bestuur bestond immers uit twee bestuurders, [bestuurder/CEO] en [verweerder 4] (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 2.3), en [bestuurder/CEO] wilde [verweerder 4] als statutair bestuurder (en ook enkele EMT-functionarissen) ontslaan, omdat ze kort gezegd niet meer op dezelfde lijn zaten (zie onder meer de uitgewerkte beschikking, rov. 2.24 en 3.21). Verder blijkt uit dat voorlopige oordeel dat sprake was van onbehoorlijk financieel beleid of ondernemingsbeleid. Zo had [bestuurder/CEO] bij het aangaan van grote orders voor wafers bij WSS een tegenstrijdig belang en is niet gebleken dat de vereiste verhoogde zorgvuldigheid bij tegenstrijdig in acht werd genomen (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 3.18 en 3.24). En in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.21 merkt de OK de handelwijze van [bestuurder/CEO] met betrekking tot de betalingsbevoegdheden van Nexperia zelfs aan als grenzend aan roekeloosheid voor een onderneming van de orde van grootte van Nexperia. Dat duidt dus bepaald niet op een behoorlijk financieel beleid of ondernemingsbeleid. Onder 4.130.2 hiervoor merkte ik al op dat de OK het aandeel van [bestuurder/CEO] en Yuching in de gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia heeft betrokken in het oordeel over proportionaliteit en subsidiariteit in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.24. Hierop loopt het beroep op de spreekaantekeningen van [bestuurder/CEO] , nr. 120 (PI 98) spaak.
4.133.4 [bestuurder/CEO] ontleent aan zijn spreekaantekeningen, nr. 126 de stelling dat schorsing van [bestuurder/CEO] als bestuurder van Nexperia pas in beeld zou kunnen komen als de benoeming van een tijdelijke bestuurder met doorslaggevende stem waarbij de overige bestuurders in functie bleven niet effectief genoeg zou zijn. In dit verband verdient in de eerste plaats opmerking dat de OK een van de bestuurders ( [bestuurder/CEO] ) heeft geschorst (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 3.24) en de andere bestuurder ( [verweerder 4] ) in functie heeft gelaten (zie rov. 3.25 van die beschikking). Dit laatste wordt in cassatie niet bestreden. De OK heeft het aanblijven van [verweerder 4] gemotiveerd met de overweging dat het in het belang van Nexperia en (de continuïteit van) haar onderneming is dat hij (en het EMT) in staat worden gesteld de uitdagende omstandigheden het hoofd te bieden. Dit sluit aan bij de passage uit het proefschrift van Eikelboom waar in PI 99 naar wordt verwezen: [verweerder 4] (en het EMT) kunnen, in de woorden van Eikelboom, “de dagelijkse gang van zaken [blijven] runnen”. Uit die rov. 3.24 blijkt ook afdoende waarom de OK van oordeel was dat [bestuurder/CEO] niet (ook) als bestuurder kon aanblijven: “Wat [bestuurder/CEO] als bestuurder betreft, illustreert zijn handelwijze ten aanzien van onderwerpen waarbij hij een tegenstrijdig belang heeft, dat hij zich niet uitsluitend heeft laten leiden door het belang van Nexperia en haar onderneming, maar mogelijk zijn belangen in WSS de doorslag heeft doen geven ten koste van die van Nexperia”. Ik merkte onder 4.133.3 hiervoor ook al op dat uit het oordeel van de OK blijkt dat het tussen [bestuurder/CEO] en [verweerder 4] , die samen het bestuur van Nexperia vormden en waarvan het blijkens die rov. 3.25 in het belang van Nexperia werd geacht dat [verweerder 4] aanbleef, niet meer boterde. In de overweging in die rov. 3.24 dat op zitting uitvoerig met partijen is besproken of minder vergaande voorzieningen mogelijk waren, welke vraag door de OK ontkennend is beantwoord, ligt ook besloten dat de OK daarbij mede het oog had op de spreekaantekeningen van [bestuurder/CEO] , nr. 126. Die zijn immers, zoals ook blijkt uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025 (p. 6) en de uitgewerkte beschikking, rov. 1.5, voorgedragen. Het beroep op de spreekaantekeningen van [bestuurder/CEO] , nr. 126 (PI 99) slaagt daarmee evenmin.
4.133.5 Verder wordt nog een beroep gedaan op het verweerschrift van Yuching, nr. 226. Daaraan ontleent de klacht het betoog dat benoeming van “een onafhankelijke niet-uitvoerend bestuurder met beslissende stem en zelfstandige vertegenwoordigingsbevoegdheid” te vergaand is, omdat dit de facto een ‘enkelvoudig machtscentrum’ creëert dat noodzakelijk noch proportioneel is en dat Yuching uitdrukkelijk op een even effectieve, minder vergaande ingreep heeft gewezen: “een tijdelijk, onafhankelijk toezichthouder of board observer zonder beslissende stem of zelfstandige vertegenwoordigingsbevoegdheid, met een strikt afgebakende opdracht en looptijd, gericht op monitoring van compliance met het Bevel en op signalering van eventuele tegenstrijdige belangen”. Dit wordt een herhaling van zetten. Uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.24 blijkt afdoende dat de OK ook dit betoog van Yuching heeft beoordeeld en verworpen. Een dergelijke toezichthouder met beperkte bevoegdheden of board observer zou immers niet effectief kunnen optreden tegen de handelwijze van [bestuurder/CEO] ten aanzien van onderwerpen waarbij hij een tegenstrijdig belang heeft en zich niet uitsluitend heeft laten leiden door het belang van Nexperia en haar onderneming, en mogelijk zijn belangen in WSS de doorslag heeft doen geven ten koste van die van Nexperia. Dat de door de OK getroffen onmiddellijke voorzieningen de facto een enkelvoudig machtscentrum zouden creëren, valt ook niet in te zien. Eerder het tegendeel is het geval, namelijk dat de OK het enkelvoudige machtscentrum van [bestuurder/CEO] als bestuurder en indirect controlerend aandeelhouder van Nexperia heeft doorbroken met zijn schorsing en de benoeming van een OK-bestuurder en daarnaast de benoeming van een OK-beheerder van Yuchings aandelen minus één. Ook binnen het bestuur verdient het creëren van een enkelvoudig machtscentrum door de benoeming van een tijdelijke bestuurder met beslissende stem en zelfstandige vertegenwoordigingsbevoegdheid overigens relativering, nu als gezegd [verweerder 4] als bestuurder is aangebleven. Het beroep op het verweerschrift van Yuching, nr. 226 (PI 100) kan [bestuurder/CEO] hier dus ook niet baten.
4.133.6 Gelet op het voorgaande ontvalt de bodem aan de klacht in PI 101.
4.134 Kortom, ook subonderdeel 4.2 mist doel.
4.135 Subonderdeel 4.3 bevat twee sub(sub)onderdelen, die ik hierna langsloop.
4.136 Het subonderdeel klaagt in de eerste plaats (PI 102) dat indien naar het oordeel van de OK een minder ingrijpende maatregel niet effectief zou zijn, geldt dat de noodzaak van de zwaardere maatregel, en de met het oog op de gevolgen ervan gemaakte billijke afweging, voldoende uit de uitspraak moet blijken. Volgens het subonderdeel zijn de uitgewerkte beschikking, rov. 3.23-3.24 onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, omdat die in het geheel geen blijk geven van de vereiste belangenafweging. Volgens het subonderdeel valt uit de uitgewerkte beschikking evenmin af te leiden waarom de toestand van Nexperia een onverwijlde schorsing van [bestuurder/CEO] noodzakelijk maakte (PI 104).
Behandeling
4.137 In zoverre faalt het subonderdeel, gelet op het volgende.
4.137.1 Het subonderdeel ziet hier eraan voorbij dat de noodzaak van de getroffen onmiddellijke voorzieningen en de met het oog op de gevolgen ervan gemaakte billijke afweging, wel degelijk blijkt uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.23-3.24.
4.137.2 In dat oordeel staat namelijk meer dan het subonderdeel hier doet voorkomen:
“3.23 De Ondernemingskamer is van oordeel dat de toestand van Nexperia, zoals die blijkt uit het voorgaande het nodig maakt de navolgende onmiddellijke voorzieningen te treffen. Zij zal [bestuurder/CEO] schorsen als bestuurder van Nexperia en in zijn plaats G.R.C. Dierick tot niet-uitvoerende bestuurder van Nexperia benoemen. (…) De Ondernemingskamer ziet ook aanleiding om de aandelen in Nexperia Holding met uitzondering van één aandeel ten titel van beheer over te dragen aan mr. drs. A.R.J. Croiset van Uchelen. (…).
3.24
Op zitting is uitvoerig met partijen besproken of minder vergaande voorzieningen uit oogpunt van proportionaliteit en subsidiariteit de voorkeur verdienen. De Ondernemingskamer beantwoordt die vraag ontkennend. Wat [bestuurder/CEO] als bestuurder betreft, illustreert zijn handelwijze ten aanzien van onderwerpen waarbij hij een tegenstrijdig belang heeft, dat hij zich niet uitsluitend heeft laten leiden door het belang van Nexperia en haar onderneming, maar mogelijk zijn belangen in WSS de doorslag heeft doen geven ten koste van die van Nexperia. Het bezwaar dat geen uitvoering is gegeven aan eerdere toezeggingen betreffende de wijziging van de governance nadat [A] op de Entity List werd geplaatst en in het zicht van de 50%-rule treft zowel [bestuurder/CEO] als bestuurder als Yuching als aandeelhouder. Tegen deze achtergrond acht de Ondernemingskamer een schorsing van [bestuurder/CEO] en het onder beheer plaatsen van alle aandelen minus één aandeel noodzakelijk, en proportioneel met het oog op het belang van de vennootschap, haar onderneming en de daarbij betrokkenen.”
4.137.3 Met “de toestand van Nexperia, zoals die blijkt uit het voorgaande” in rov. 3.23 heeft de OK kennelijk en niet onbegrijpelijk het oog gehad op de acute noodsituatie als bedoeld in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.12-3.13, en op de uitgewerkte beschikking, rov. 3.16-3.22, waarin de OK niet alleen heeft geconstateerd dat toezeggingen aan de Staat om de governance van Nexperia te wijzigen niet werden opgevolgd, maar ook met betrekking tot Nexperia heeft gewezen - kort gezegd - op: de handelwijze van [bestuurder/CEO] aangaande orders waarbij hij een tegenstrijdig belang heeft; het geven van betalingsbevoegdheden aan personen zonder financiële ervaring; en het ontslag van drie sleutelfunctionarissen. Uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.24 blijkt vervolgens uitdrukkelijk dat de OK de “proportionaliteit en subsidiariteit” (zie ook: “noodzakelijk, en proportioneel”) van de onmiddellijke voorzieningen heeft beoordeeld. Onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting is de OK van oordeel dat minder vergaande voorzieningen in dit geval niet mogelijk zijn, in welk verband de OK ook uitdrukkelijk de belangen van [bestuurder/CEO] als bestuurder en van Yuching als aandeelhouder in de beoordeling heeft betrokken. Deze feitelijke beoordeling, die zich in cassatie niet op juistheid laat toetsen, is voldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Wat dit laatste betreft merk ik nog op dat de OK de schorsing van [bestuurder/CEO] als bestuurder en de aanstelling van een tijdelijke bestuurder in [bestuurder/CEO] plaats in samenhang heeft beoordeeld met de overdracht van Yuchings aandelen ten titel van beheer. Dat is ook alleszins begrijpelijk gelet op het feit dat [bestuurder/CEO] tevens indirect controlerend aandeelhouder was van Yuching, de enig aandeelhouder van Nexperia Holding. Het behoeft immers geen betoog dat de noodzakelijk geachte bevordering van sanering en herstel van gezonde verhoudingen binnen een vennootschap en haar onderneming niet uitsluitend via het bestuur kan worden bereikt, indien de geschorste bestuurder tevens (indirect) controlerend aandeelhouder van de vennootschap is.
4.137.4 Hierop stuit het subonderdeel al af wat betreft de klachten in PI 102-104. Kort en goed: de daarin bedoelde miskenning door althans onvoldoende (begrijpelijke) motivering van de OK doet zich in werkelijkheid niet voor
4.138 Het subonderdeel vervolgt in PI 105-106met een motiveringsklacht gericht tegen het oordeel in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.24 dat bij de keuze om [bestuurder/CEO] als bestuurder van Nexperia te schorsen meeweegt dat geen uitvoering is gegeven aan eerdere toezeggingen betreffende de wijziging van de governance nadat [A] op de U.S. Entity List werd geplaatst in het zicht van de 50%-rule, welk bezwaar zowel [bestuurder/CEO] als bestuurder als Yuching als aandeelhouder treft. De klacht is dat dit oordeel onbegrijpelijk is, omdat [bestuurder/CEO] de invoering van een raad van commissarissen met specifieke goedkeuringsrechten simpelweg niet kon doorvoeren. Dit is volgens het subonderdeel een bevoegdheid van de algemene vergadering (art. 2:231 lid 1 BW in verbinding met art. 2:250 lid 1 BW). Uit het bestreden oordeel volgt niet (begrijpelijk) waarom dit bezwaar ook [bestuurder/CEO] als bestuurder treft.
Behandeling
4.139 Ook in zoverre faalt het subonderdeel, gelet op het volgende.
4.139.1 Aan het bestreden oordeel gaat het oordeel vooraf dat wat betreft [bestuurder/CEO] als bestuurder met betrekking tot zijn handelwijze ten aanzien van onderwerpen waarbij hij een tegenstrijdig belang heeft, illustreert dat hij zich niet uitsluitend heeft laten leiden door het belang van Nexperia en haar onderneming, maar mogelijk zijn belangen in WSS de doorslag heeft doen geven ten koste van die van Nexperia. Dat oordeel ten aanzien van [bestuurder/CEO] als bestuurder kan de noodzaak en proportionaliteit van de ten laste van hem getroffen voorzieningen al dragen. Met het daaropvolgende bestreden oordeel over het governancebezwaar voegt de OK daaraan toe dat dat bezwaar zowel [bestuurder/CEO] als bestuurder als Yuching als aandeelhouder treft. Met het bestreden oordeel heeft de OK met andere woorden gemotiveerd waarom (niet alleen de schorsing van [bestuurder/CEO] als bestuurder, maar) ook de overdracht van Yuchings aandelen (minus één) ten titel van beheer noodzakelijk en proportioneel werd geacht.
4.139.2 Het is overigens in het licht van de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19-3.20 ook niet onbegrijpelijk dat de OK heeft geoordeeld dat het governancebezwaar (de tweede grond voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia) ook [bestuurder/CEO] als bestuurder treft. De OK heeft in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.20 immers overwogen dat “het voor [bestuurder/CEO] als bestuurder van Nexperia” duidelijk moet zijn geweest dat implementatie van de governancemaatregelen nodig was en dat “[d]esondanks geen stappen [zijn] gezet [lees: onder meer door [bestuurder/CEO] als bestuurder, A-G]” om in het belang van de vennootschap tot aanpassing van de governance te komen. De klacht neemt op zichzelf terecht tot uitgangspunt dat [bestuurder/CEO] als bestuurder geen raad van commissarissen kon instellen maar dat die bevoegdheid, via een statutenwijziging, bij de algemene vergadering ligt. Uit het “geen stappen” hebben gezet, volgt echter dat de OK niet het oog had op die uiteindelijke formele bevoegdheid tot statutenwijziging, maar op het daaraan voorafgaande implementatiestadium waarin [bestuurder/CEO] als bestuurder wel degelijk was betrokken, zoals ook strookt met de door de OK vastgestelde feiten (zie onder meer de uitgewerkte beschikking, rov. 2.13 en 2.14).
4.140 Kortom, subonderdeel 4.3 treft evenmin doel.
4.141 Daarmee is gegeven dat onderdeel 4 faalt.
Onderdeel 5
(“De door de Ondernemingskamer opgelegde geheimhoudingsplicht ex art. 28 Rv is rechtens onjuist of althans ontoereikend gemotiveerd”)
4.142 Onderdeel 5 is gericht tegen het in de ex parte-beschikking opgelegde en in de kop-staart-beschikking gehandhaafde verbod aan verzoeksters, verweersters, belanghebbenden en alle overige (rechts)personen die kennis hebben of op enig moment zullen krijgen van deze procedure om aan derden mededelingen te doen omtrent de procedure, om de redenen vermeld in de ex parte-beschikking, rov. 2.2 en zoals is herhaald in de opheffingsbeschikking II, rov. 2.1. Dit een en ander zou blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting althans ontoereikend zijn gemotiveerd (PI 107). Dit werkt het onderdeel uit langs drie routes.
Behandeling
4.143 Het onderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.144 Vanaf 4.145 hierna ga ik nader in op die drie routes. Ik begin met een opmaat over het belang van [bestuurder/CEO] bij de klachten in het onderdeel.
4.144.1 Op grond van art. 399 Rv, voor de verzoekschriftprocedure in samenhang met art. 426 lid 4 Rv, staat geen cassatieberoep open indien men zijn of haar bezwaren kan doen herstellen door dezelfde rechter bij wie de zaak heeft gediend. De (voor het eerst in dit middel tot uiting gebrachte) bezwaren van [bestuurder/CEO] tegen het desbetreffende verbod komen erop neer dat de OK het verbod in verschillende opzichten te ruim heeft geformuleerd. Art. 28 lid 2 Rv opent de mogelijkheid om op een later tijdstip - in de lopende procedure, maar ook nog, bij apart verzoekschrift, na afloop van die procedure - aan het gerecht dat het desbetreffende verbod heeft opgelegd te verzoeken om dit geheel of gedeeltelijk op te heffen. Van die mogelijkheid bij de OK heeft [bestuurder/CEO] geen gebruik gemaakt. Hij heeft zich aanvankelijk juist verweerd tegen het verzoek van EZ tot gedeeltelijke opheffing van het verbod, en zich vervolgens bij het verzoek van EZ het verbod geheel op te heffen gerefereerd aan het oordeel van de OK. De OK heeft die verzoeken van EZ in de opheffingsbeschikking I en de opheffingsbeschikking II toegewezen.
4.144.2 De opheffing van het verbod neemt niet weg dat het verbod vanaf het moment dat het is opgelegd (op 1 oktober 2025) heeft gegolden tot het moment dat het is opgeheven (gedeeltelijk op 8 oktober 2025 en geheel op 13 oktober 2025). In dat tijdsbestek was het op grond van het door de OK opgelegde verbod voor de door de OK genoemde partijen op de voet van het klachtdelict van art. 272 Sr strafbaar om mededelingen aan derden te doen omtrent de procedure. De beslissing op een verzoek om opheffing op de voet van art. 28 lid 2 Rv heeft geen terugwerkende kracht, maar werkt vanaf het moment dat door het desbetreffende gerecht op dat verzoek wordt beslist (zoals de gedeeltelijke opheffing per 8 oktober 2025 en de gehele opheffing per 13 oktober 2025). In het tijdsbestek tussen opleggen en eerst gedeeltelijk en dan geheel opheffen van het verbod, is het verbod (in zoverre) dus van kracht gebleven. Het slagen van een of meer klachten in het onderdeel zou het effect kunnen sorteren dat het verbod voor de periode tussen 1 oktober en 13 oktober 2025 wordt vernietigd.
4.144.3 Dit effect kan niet via een verzoek aan de OK op de voet van art. 28 lid 2 Rv worden bereikt, zodat art. 399 Rv in verbinding met art. 426 lid 4 Rv hier niet geldt. Met betrekking tot het oordeel over het opleggen van een verbod ex art. 28 Rv geldt ook geen rechtsmiddelenverbod (vergelijk met betrekking tot het opheffen van een verbod ex art. 28 Rv onder 4.4 hiervoor). Bovendien klaagt [bestuurder/CEO] dat de OK bij het opgelegde verbod in verschillende opzichten buiten de grenzen van art. 28 Rv is getreden. Dat [bestuurder/CEO] ter zitting bij de OK op 6 oktober 2025 geen verweer heeft gevoerd tegen de reikwijdte van het desbetreffende verbod maakt het voorgaande ook niet anders. Het verbod was immers al opgelegd in de ex parte-beschikking en op of voor 6 oktober 2025 was er ook nog geen nieuwsbericht van een entiteit van de [A] -groep gepubliceerd (zie ook de opheffingsbeschikking II, rov 1.3). Het bericht dat door [A] in China zou zijn gepubliceerd, dateert van 12 oktober 2025.
4.144.4 In zoverre heeft [bestuurder/CEO] m.i. dan ook belang bij de klachten in het onderdeel.
4.144.5 Daarmee kom ik toe aan de inhoudelijke bespreking van het onderdeel, te beginnen met de eerste van voornoemde drie routes.
4.146 Ten eerste klaagt het onderdeel (PI 108-111) dat de OK heeft miskend dat art. 28 Rv geen grond biedt om aan derden te verbieden mededelingen te doen “omtrent een procedure” in algemene (categorische) zin. De klacht verwijst naar wetsgeschiedenis en stelt dat in het licht daarvan het van een onjuiste rechtsopvatting getuigt dat de OK in algemene zin heeft verboden mededelingen te doen “omtrent deze procedure”. Het verbod ziet onder meer op het aanhangig zijn van de procedure, de inzet ervan en het feit dat een beschikking is gegeven en wat de inhoud daarvan is, en gaat aldus de grenzen van art. 28 Rv te buiten. Het verbod is zo ruim dat niet alleen de in art. 28 lid 1 Rv specifiek vermelde gegevens daaronder vallen, maar kennelijk alle informatie die aan de OK is voorgelegd, zonder specificering en beperking, en óók informatie die niet valt onder de specifiek in art. 28 lid 1 Rv vermelde categorieën. Ook dit gaat de grenzen van art. 28 Rv te buiten.
4.147 Ik zie deze klacht niet slagen.
4.147.1 Art. 28 lid 1 Rv bevat drie categorieën gevallen waarvoor geldt dat het partijen verboden is mededelingen te doen.
4.147.2 Art. 28 lid 1, aanhef en onder a Rv bevat een mededelingenverbod voor het verhandelde op een zitting met gesloten deuren. Deze eerste categorie is aan de orde in onze zaak. De OK heeft in de ex parte-beschikking, rov. 2.1-2.2 geoordeeld dat de zitting van 6 oktober 2025 op de voet van art. 27 lid 1, aanhef en onder b Rv (dat wil zeggen: in het belang van de veiligheid van de Staat) met gesloten deuren plaatsvindt, waarmee het verbod van art. 28 lid 1, aanhef en onder a Rv is geactiveerd. De vertrouwelijkheid op grond van art. 28 lid 1, aanhef en onder a Rv is, met andere woorden, het gevolg van de beslissing van de OK tot sluiting van de deuren op de voet van art. 27 lid 1, aanhef en onder b Rv.
4.147.3 De OK heeft het verbod ruimer getrokken door eveneens toepassing te geven aan art. 28 lid 1, aanhef en onder b Rv, de tweede categorie. Die bepaling biedt de grondslag voor de rechter om een geheimhoudingsplicht op te leggen voor andere, niet ter zitting behandelde, informatie. In de wetsgeschiedenis is hierover onder meer het volgende vermeld:
“De rechter kan ook een geheimhoudingsplicht opleggen voor andere, niet ter terechtzitting behandelde, informatie (eerste lid, onder b). Daaraan kan - op voormelde gronden - evenzeer behoefte bestaan, ook als geen sprake is van een niet of slechts gedeeltelijk openbare terechtzitting. Zo is denkbaar dat onder omstandigheden een geheimhoudingsplicht wordt gevraagd ten aanzien van gegevens die in een conclusie van antwoord zijn opgenomen, of gegevens die op een rechterlijk bevel ingevolge artikel 1.3.4 [art. 22 Rv, A-G] worden overgelegd. Ook kan gedacht worden aan vertrouwelijke gegevens die wel in de processtukken zijn vermeld, maar niet op een terechtzitting aan de orde zijn geweest. In dergelijke gevallen kan de partij die daarbij belang heeft aan de rechter verzoeken een geheimhoudingsplicht op te leggen.”
4.147.4 Art. 28 lid 1, aanhef en onder c Rv bevat sinds 1 januari 2025 een specifieke categorie van gevallen waarin vertrouwelijke gegevens zijn verstrekt op grond van bepalingen zoals art. 22 Rv of art. 195 Rv die ik hier verder kan laten rusten, omdat die derde categorie in onze zaak niet aan de orde is.
4.147.5 Het door de OK opgelegde verbod mededelingen te doen “omtrent deze procedure” betreft dus een combinatie van:
- het verhandelde ter zitting met gesloten deuren (art. 28 lid 1, aanhef en onder a Rv), en
- andere informatie die niet (of ten tijde van de ex parte-beschikking nog niet) ter zitting is behandeld (art. 28 lid 1, aanhef en onder b Rv).
4.147.6 Laatstbedoelde informatie betreft ten tijde van de ex parte-beschikking, los van de procedure als zodanig, mede het verzoekschrift met bijlagen van Nexperia van 1 oktober 2025 en de brief van EZ van dezelfde datum en vervolgens ook de voorafgaand aan de zitting van 6 oktober 2025 ingediende stukken met bijlagen: het verweerschrift van EZ van 5 oktober 2025 en het verweerschrift van Yuching van 6 oktober 2025. Dit blijkt als het dictum wordt gelezen in het licht van de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen. In de ex parte-beschikking, rov. 2.2 heeft de OK overwogen dat voor de redenen waarom het partijen en belanghebbenden wordt verboden aan derden mededelingen te doen omtrent de procedure wordt verwezen naar paragraaf 1 van het verzoekschrift van Nexperia van 1 oktober 2025 en naar p. 2 (onder “Vertrouwelijkheid”) van de brief van EZ van dezelfde datum.
4.147.7 Na de zitting met gesloten deuren van 6 oktober 2025 geldt ook het verbod van art. 28 lid 1, aanhef en onder a BW. In de wetsgeschiedenis staat hierover bijvoorbeeld:
“Als de rechter (…) van de in artikel 1.3.9 geboden mogelijkheid [bedoeld is de mogelijkheid van art. 27 lid 1 Rv, zoals een zitting met gesloten deuren, A-G] gebruik heeft gemaakt, dient de vertrouwelijkheid ook na afloop van de zitting te zijn gewaarborgd en behoort het verhandelde ter terechtzitting ook niet later door partijen zelf «aan de grote klok» te worden gehangen. Om dat te
bereiken, verbiedt het eerste lid, onder a, aan partijen om daarover aan derden mededelingen te doen.”
4.147.8 Na afloop van de zitting van 6 oktober 2025 geldt het verbod in de zin van art. 28 lid 1, aanhef en onder b Rv dus nog voor andere informatie die niet reeds wordt gedekt door het verbod van art. 28 lid 1, aanhef en onder a Rv met betrekking tot het verhandelde ter zitting met gesloten deuren. Een combinatie van een verbod als bedoeld in art. 28 lid 1, aanhef en onder a Rv en een verbod als bedoeld in art. 28 lid 1, aanhef en onder b Rv is in het systeem van art. 28 Rv niet uitgesloten. Een zitting met gesloten deuren waarvan de vertrouwelijkheid van het verhandelde op grond van art. 28 lid 1, aanhef en onder a Rv wordt gewaarborgd, zou immers weinig effectief zijn als partijen en belanghebbenden andere, niet ter zitting met gesloten deuren behandelde, vertrouwelijke informatie wel aan de grote klok zouden mogen hangen. Het aanvullende verbod van art. 28 lid 1, aanhef en onder b Rv dient nu juist om dat laatste te voorkomen.
4.147.9 Van belang is verder dat de OK aan (i) de behandeling met gesloten deuren op de voet van art. 27 lid 1, tweede zin en onder b Rv, met het daaraan gekoppelde mededelingenverbod van art. 28 lid 1, aanhef en onder a Rv, en (ii) het mededelingenverbod van art. 28 lid 1, aanhef en onder b Rv nog een derde trap heeft toegevoegd. In de ex parte-beschikking, rov. 2.6 heeft de OK overwogen (iii) dat zij “de zaak niet [zal] opnemen in openbare overzichten van aanhangige zaken en geen mededelingen aan derden over deze zaak [zal] doen”. Dit laatste berust niet op art. 28 lid 1 Rv, want betreft (de griffie van) de OK zelf.
4.147.10 Trap (iii) begrijp ik zo dat de OK daarmee tevens te kennen geeft dat zolang de bij trap (i) en (ii) bedoelde verboden gelden, een eventueel verzoek van een derde op de voet van art. 29 lid 2 Rv om verstrekking van een afschrift van een beschikking in de onderhavige procedure zal worden geweigerd door (de griffie van) de OK gegeven de hier spelende zwaarwegende belangen, in het bijzonder van Nexperia en haar onderneming. De wetsgeschiedenis van art. 29 Rv bevestigt dat ook bij in het openbaar uitgesproken beslissingen verstrekking van een afschrift aan derden kan worden geweigerd (niet slechts door anonimisering beperkt wordt) in verband met zwaarwegende belangen van anderen, waaronder die van partijen.
4.147.11 Het gecombineerde effect van deze drietrapsraket (dus (i) t/m (iii)) is een volledig vertrouwelijke behandeling van de onderhavige zaak. Dit strookt ook met de opheffingbeschikking II, rov. 2.1. Daaruit blijkt dat het opgelegde verbod om mededelingen te doen over deze procedure door de OK, in haar korte samenvatting:
“is opgelegd om de betrokken partijen de gelegenheid te bieden om zonder de externe druk die van eventuele publiciteit zou kunnen uitgaan in het belang van Nexperia en haar onderneming tot een werkbare oplossing van de ontstane situatie te komen.”
Zo’n volledig vertrouwelijke behandeling van de onderhavige zaak was ook - naar het niet onbegrijpelijke oordeel van de OK - de strekking van paragraaf 1 van het verzoekschrift van Nexperia van 1 oktober 2025, zoals gesteund door EZ blijkens p. 2 van de brief van dezelfde datum (onder “Vertrouwelijkheid”): dit een en ander ademt de noodzaak van een zo maximaal mogelijke vertrouwelijkheid ter zake. Zie onder 4.147.6 hiervoor.
4.147.12 Van deze drietrapsraket wordt in het onderdeel uitsluitend kenbaar geklaagd over het mededelingenverbod op de voet van art. 28 lid 1, aanhef en onder b Rv, dus trap (ii). Het mededelingenverbod op de voet van art. 28 lid 1, aanhef en onder a Rv bij trap (i) vloeit immers automatisch voort uit de beslissing tot het houden van een zitting met gesloten deuren, en tegen die beslissing op de voet van art. 27 lid 1, aanhef en onder b Rv (zie de ex parte-beschikking, rov. 2.2, eerste zin) is het onderdeel niet gekant. Ook de ex parte-beschikking, rov. 2.6, ofwel trap (iii), is in cassatie onbestreden.
4.147.13 Tegen deze achtergrond bezie ik nu de deelaspecten van de klacht nader.
4.147.14 De klacht beroept zich onder meer op de volgende passages uit de wetsgeschiedenis van art. 28 Rv:
“(…)
Aldus biedt het eerste lid [gedoeld wordt op wat thans is bepaald in art. 28 lid 1, aanhef en onder a en b Rv, A-G] niet alleen bescherming aan partijen, maar schept het ook een voorwaarde voor een meer onbevangen, en daardoor mogelijk vruchtbaarder, waarheidsvinding. (…)
Openbaarheid van de rechtspleging blijft zoals gezegd de hoofdregel. Er is geen reden een geheimhoudingsplicht te creëren voor alle gegevens die partijen in een procedure verkrijgen. Als gegevens ter openbare terechtzitting zijn behandeld of als zij blijken uit een in het openbaar uitgesproken beslissing, zijn zij reeds uit dien hoofde openbaar. Daarbij past geen geheimhoudingsplicht. Vertrouwelijkheid volgens het eerste lid is steeds het gevolg van een rechterlijke beslissing: sluiting van de deuren, beperking van de toegang tot een terechtzitting, dan wel een uitdrukkelijke vertrouwelijk-verklaring.
(…).”
4.147.15 Deze passages baten de klacht niet. Dat het bepaalde in art. 28 lid 1, aanhef en onder (a en) b Rv “ook een voorwaarde [schept] voor een meer onbevangen, en daardoor mogelijk vruchtbaarder, waarheidsvinding”, wil niet zeggen dat de OK ‘dus’ niet kon overgaan tot het mededelingenverbod op de voet van art. 28 lid 1, aanhef en onder b Rv ter bescherming van betrokken belangen zoals zij heeft gedaan bij trap (ii). Dit laatste volgt evenmin uit het vervolg, vanaf “Openbaarheid”, etc. Lezen we dat deel van het citaat als geheel, dan is de bedoeling ervan duidelijk: die openbaarheid van de rechtspleging is het uitgangspunt (“de hoofdregel”), zo’n geheimhoudingsplicht is dus geen automatisme. Ofwel: een beperking van die openbaarheid, het gelden van zo’n geheimhoudingsplicht, behelst een uitzondering en vergt daarom telkens een daartoe strekkende rechterlijke beslissing (“is steeds het gevolg van een rechterlijke beslissing”). Ook hieraan ziet de OK dus niet voorbij met het opgelegde mededelingenverbod op de voet van art. 28 lid 1, aanhef en onder b Rv bij trap (ii).
4.147.16 Daarop strandt eveneens de opmerking in de klacht dat art. 28 Rv volgens de wetgever een uitzondering is op het uitgangspunt van “openbaarheid van procedurele gegevens”. Daaraan ziet de OK dus niet voorbij met het opgelegde mededelingenverbod op de voet van art. 28 lid 1, aanhef en onder b Rv bij trap (ii). Het fundamentele beginsel van openbaarheid van rechtspraak draagt geen absoluut karakter, zo volgt ook al direct uit art. 28 lid 1 Rv. Illustratief is een Hoge Raad-uitspraak van 21 april 2023 waarin onder meer en kortweg de mogelijkheid wordt genoemd dat de rechter, om te voorkomen dat vertrouwelijke gegevens worden geopenbaard, op de voet van art. 28 lid 1, aanhef en onder b Rv kan verbieden dat partijen omtrent bepaalde gegevens uit de procedure mededelingen doen aan derden.
4.147.17 In het licht hiervan mist de klacht ook doel, voor zover daarin wordt geponeerd dat uit het citaat onder 4.147.14 hiervoor (specifiek de zin: “Er is geen reden een geheimhoudingsplicht te creëren voor alle gegevens die partijen in een procedure verkrijgen”) een kenbare begrenzing zou volgen van wat de rechter - zoals hier de OK - in een concreet geval vermag in het kader van art. 28 lid 1 Rv. Zo’n begrenzing valt daaruit niet op te maken.
4.147.18 Voor zover de klacht aanvoert dat gelet op de onder 4.147.17 hiervoor genoemde wetsgeschiedenis de rechter moet specificeren waarop voornoemde geheimhoudingsplicht ziet, en dit betekent dat een mededelingenverbod op de voet van art. 28 lid 1, aanhef en onder b Rv slechts kan zien op specifieke documenten of uitlatingen in een procedure, mist dit eveneens doel. Zo’n begrenzing van art. 28 lid 1 Rv valt niet te lezen in de desbetreffende passages. Overigens onderkent de klacht dat in de onderhavige zaak duidelijk is wat de OK heeft beoogd met het opgelegde verbod, zie onder 4.146 hiervoor.
4.147.19 Daarbij betrek ik ook het citaat onder 4.147.3 hiervoor, in welk licht de tekst van art. 28 lid 1, aanhef en onder b Rv valt te verstaan. Dit laat zien dat blijkens de wetsgeschiedenis de door de bepaling geboden mogelijkheid potentieel zeer ruim is:
“De rechter kan ook een geheimhoudingsplicht opleggen voor andere, niet ter terechtzitting behandelde, informatie (eerste lid, onder b). Daaraan kan - op voormelde gronden - evenzeer behoefte bestaan, ook als geen sprake is van een niet of slechts gedeeltelijk openbare terechtzitting.”
Wat daarop volgt in het citaat betreft illustraties van de toepassing van de bepaling. Kortom, er is gekozen voor een open formulering van wat de rechter op grond van de bepaling kan en mag in een concreet geval. Naar volgt uit al het voorgaande is de OK met toepassing daarvan in de onderhavige, uitzonderlijke zaak niet voorbij de spankracht van de bepaling gegaan.
4.147.20 Daarmee ontvalt reeds de bodem aan de klacht. Kort en goed: de daarin bedoelde miskenning door de OK van art. 28 Rv doet zich in werkelijkheid niet voor.
4.148 Ten tweede klaagt het onderdeel (PI 112-114) dat het oordeel van de OK van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, omdat de wens om publiciteit buiten de deur te houden, die blijkens de ex parte-beschikking, rov. 2.2 en de opheffingsbeschikking II, rov. 2.1 ten grondslag ligt aan het opgelegde verbod, geen toereikende omstandigheid kan zijn om het bestaan van de procedure als zodanig, de inzet ervan en de gegeven beslissingen en/of wat in dat kader aan de rechter bekend is gemaakt, geheim te verklaren, althans dat het oordeel ontoereikend is gemotiveerd. De OK had, in het bijzonder vanwege het door de wetgever nadrukkelijk vooropgestelde uitgangspunt van openbaarheid van rechtspraak, inzichtelijk moeten maken waarom een dermate verstrekkende geheimhoudingsplicht nodig was. De klacht wijst er nog op (i) dat “[d]aarbij is te bedenken” dat een beursvennootschap zoals [A] op grond van regelgeving onderhevig is aan meldingsplichten, en (ii) dat “[h]et voorgaande eens temeer [klemt]” omdat het opgelegde verbod verder gaat dan is verzocht door Nexperia en ondersteund door EZ.
4.149 Ik zie ook deze klacht niet slagen.
4.149.1 De rechtsklacht strandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag, nu zij veronderstelt dat de OK slechts “[d]e wens om publiciteit buiten de deur te houden” ten grondslag heeft gelegd aan het opgelegde verbod. Het gaat in werkelijkheid evenwel om meerdere redenen.
4.149.2 Dat blijkt al uit de ex parte-beschikking, rov. 2.2, waarin de OK voor deze redenen verwijst naar paragraaf 1 van het verzoekschrift van Nexperia van 1 oktober 2025 en p. 2 van de brief van EZ van dezelfde datum (onder “Vertrouwelijkheid”). De OK heeft aldaar overwogen dat het verbod voor partijen en belanghebbenden om aan derden mededelingen te doen omtrent deze procedure “om dezelfde redenen” wordt toegewezen als het verzoek om de zitting met gesloten deuren te houden. Dat is dus (i) het belang van de veiligheid van de Staat en (ii) het belang van Nexperia en haar onderneming. Ter illustratie van belang (ii) dient het volgende citaat uit het verzoekschrift van Nexperia, nr. 6:
“(…) Ingeval de onderhavige kwestie in het openbaar zou worden behandeld, dreigt Nexperia schade te lijden die enkel ongemak te boven gaat, omdat tot dan toe onbekende gegevens over haar en haar onderneming naar buiten zullen komen. (…) Als de inhoud van deze maatregel [het bevel, A-G] openbaar zou worden door openbare behandeling van deze zaak, zal het functioneren van Nexperia ernstig worden bemoeilijkt en haar bedrijfseconomische positie in gevaar komen. (…) De ontstane [geopolitieke, A-G] situatie brengt de continuïteit van Nexperia in gevaar. (…) Daar komt bij dat in deze procedure - en in dit verzoekschrift - commercieel- en concurrentiegevoelige informatie over Nexperia aan de orde komt. (…).”
4.149.3 In de opheffingsbeschikking II, rov. 2.1 vat de OK deze redenen aldus samen dat het verbod:
“is opgelegd om de betrokken partijen de gelegenheid te bieden om zonder externe druk die van eventuele publiciteit zou kunnen uitgaan in het belang van Nexperia en haar onderneming tot een werkbare oplossing van de ontstane situatie te komen.”
De OK plaatst het verbod hier dus uitdrukkelijk ook in de sleutel van (ii) het belang van Nexperia en haar onderneming, nog daargelaten dat dit slechts één van de redenen is die blijken uit de ex parte-beschikking, rov. 2.2.
4.149.4 Daarmee ontvalt ook al de bodem aan (i) en (ii) in de klacht, waarbij immers wordt voortgebouwd op voornoemde onjuiste veronderstelling. Bij (i) geldt nog dat de klacht niet uiteenzet om welke regelgeving dit dan meer precies zou gaan, laat staan dat daarop door [bestuurder/CEO] (bij wege van verweer) bij de OK een beroep is gedaan, zodat de klacht in zoverre hoe dan ook niet voldoet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv. Bij (ii) geldt nog dat dit hoe dan ook voorbijziet aan hetgeen ik uiteenzette onder 4.147.6 en 4.147.11 hiervoor.
4.149.5 Overigens acht ik die motivering van de OK toereikend. Daarbij zie ik geen grond voor het aannemen van een verzwaarde motiveringsplicht van de rechter in het geval hij een verplichting tot geheimhouding oplegt.
4.150 Ten derde klaagt het onderdeel (PI 115-117) dat de OK heeft miskend dat art. 28 Rv geen grondslag biedt voor een zo ruim mededelingenverbod als “alle overige (rechts)personen die kennis hebben of op enig moment zullen krijgen van deze procedure”. De klacht beroept zich wederom op het uitgangspunt van openbaarheid van rechtspraak en de uitzondering die art. 28 Rv hierop vormt, en voorts op de omstandigheid dat schenden van het verbod ex art. 28 Rv op basis van art. 272 Sr strafrechtelijk is gesanctioneerd. Voor zover het wel mogelijk is het verbod tot anderen dan partijen of belanghebbenden te richten, is het oordeel ontoereikend gemotiveerd in het licht van die omstandigheden en de omstandigheid dat niet is verzocht om een dergelijk verstrekkend verbod althans Nexperia en de Staat niet hebben toegelicht waarom zo’n verbod nodig zou zijn.
4.151 Ik zie deze klacht evenmin slagen.
4.151.1 Uit de wettekst van art. 28 lid 1 Rv volgt dat een verbod op grond van deze bepaling is gericht tot “partijen”. Uit de wetsgeschiedenis van de bepaling blijkt dat het partijbegrip ruim moet worden uitgelegd. Behalve eiser en gedaagde en eventuele derden-partijen in een dagvaardingsprocedure zijn daaronder ook verzoeker(s) en belanghebbende(n) in een verzoekschriftprocedure begrepen. In de literatuur wordt aangenomen dat het verbod zich ook kan uitstrekken tot eventuele derden die geen partij zijn, zoals deskundigen of getuigen. In lijn hiermee heeft de Hoge Raad al eens beslist dat art. 28 Rv ten aanzien van deskundigen van overeenkomstige toepassing is. Dit sluit aan bij de ratio van de bepaling, die beoogt te voorkomen dat partijen en eventuele derden mededeling doen van vertrouwelijke gegevens. Uit de wetsgeschiedenis blijkt verder dat de formulering van art. 28 Rv voor een deel is ontleend aan art. 2:353 lid 3 BW, de bepaling uit het enquêterecht op grond waarvan de OK kort gezegd aan anderen dan de rechtspersoon (dus ook een ruime formulering) kan verbieden mededelingen te doen uit het onderzoekverslag.
4.151.2 In verschillende rechtspraakcommentaren bij de bestreden OK-beschikkingen is opgemerkt dat de OK mogelijk te ver is gegaan door het mededelingenverbod mede te richten tot “alle overige (rechts)personen die kennis hebben of op enig moment zullen krijgen van deze procedure”. Ik zie dat anders. Deze passage moet volgens mij niet geïsoleerd worden gelezen in de betekenis van “iedereen”, maar worden verstaan in samenhang met de daaraan voorafgaande door de OK genoemde partijen en belanghebbenden tot wie het mededelingenverbod is gericht: verzoeksters en verweersters (Nexperia) en belanghebbenden (Yuching, [bestuurder/CEO] , [verweerder 4] , de OR en EZ). Hieruit blijkt dat Nexperia (Nexperia Holding en Nexperia B.V.) niet een opzichzelfstaande (enkelvoudige) rechtspersoon is. Zij heeft verschillende dochterondernemingen (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 2.2). De aandelen in Nexperia Holding worden indirect, via Yuching, gehouden door [A] , wier aandelen zijn genoteerd aan de Shanghai Stock Exchange onder toezicht van de CSRC (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 2.5), waarbij [bestuurder/CEO] geldt als (indirect) controlerende aandeelhouder van Yuching en [A] (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 2.1, 2.5). In de PI wordt ook onderkend dat Nexperia onderdeel is van de [A] -groep.
4.151.3 Met deze economische werkelijkheid, als onderdeel van de omstandigheden van het geval, heeft de OK kennelijk rekening gehouden bij de formulering van de reikwijdte van het mededelingenverbod in de ex parte-beschikking. Dat ligt ook voor de hand, nu het - ik wees daarop al - naar vaste rechtspraak uitgangspunt is bij de toepassing van het enquêterecht dat het uiteindelijk vooral aankomt op de economische werkelijkheid. Zie onder 4.18.8 en 4.106.1 hiervoor. De OK heeft, anders en kort gezegd, bij de formulering van de reikwijdte van het mededelingenverbod rekening willen houden met het feit dat sprake is van een organisatorisch verband van (rechts)personen in de [A] -groep, waartoe ook Nexperia behoort. Een mededelingenverbod waarbij niet met deze groepsrealiteit rekening gehouden zou worden (ofwel enkel gericht tot de opzichzelfstaande, enkelvoudige (rechts)personen die behoren tot de verzoeksters, verweersters en belanghebbenden), zou immers weinig effectief zijn nu andere (rechts)personen die onderdeel zijn van de [A] -groep dan niet onder de reikwijdte van het verbod zouden vallen.
4.151.4 De wettelijke grondslag voor een mededelingenverbod met een dergelijke ruime personele reikwijdte kan, voor een geval als het onderhavige, worden gevonden in art. 28 lid 1 Rv. Voor bepalingen in Boek 2 BW die de opzichzelfstaande (enkelvoudige) rechtspersoon tot uitgangspunt nemen, heeft de Hoge Raad een paar jaar geleden in een enquêterechtelijke zaak aanvaard dat bij de uitleg van dergelijke bepalingen en de toepassing daarvan in een concreet geval van belang kan zijn dat sprake is van een organisatorisch verband van rechtspersonen. In die zaak leidde het op deze wijze rekening houden met de economische werkelijkheid, als onderdeel van de omstandigheden van het geval, tot een ruime personele reikwijdte van art. 2:8 lid 1 BW in de zin dat tot degenen die krachtens de wet en de statuten bij de organisatie van de rechtspersoon zijn betrokken als bedoeld in die bepaling (bijvoorbeeld) ook een middellijk aandeelhouder van die rechtspersoon kan behoren. Ik zie niet in waarom deze redenering niet ook kan worden toegepast in een enquêterechtelijke zaak met betrekking tot een bepaling als art. 28 lid 1 Rv.
4.151.5 Voor een dergelijke ruime uitleg van “partijen” als bedoeld in art. 28 lid 1 Rv is te meer aanleiding gelet op hetgeen ik onder 4.151.1 hiervoor opmerkte over de ratio en ontstaansgeschiedenis van de bepaling, die ten dele is ontleend aan het enquêterecht. Voor de goede orde merk ik nog op dat de juridische techniek hier geen ‘overeenkomstige’ toepassing van art. 28 lid 1 Rv op overige (rechts)personen is: deze overige (rechts)personen (lees: in de [A] -groep) vallen hier, gezien de economische werkelijkheid van dit geval, onder het ruim uit te leggen partijbegrip van art. 28 lid 1 Rv. Zo bezien is het opgelegde mededelingenverbod ook niet ruimer dan verzocht, nu de OK aldus binnen de grenzen van art. 28 lid 1 Rv is gebleven. Het verbod is aldus ook niet tot anderen dan de in art. 28 lid 1 Rv genoemde “partijen” gericht. Tot onaanvaardbare uitkomsten, mede gelet op de strafrechtelijke sanctionering in art. 272 Sr, leidt een dergelijke ruime uitleg van het partijbegrip in art. 28 lid 1 Rv evenmin.
4.151.6 Gelet op het voorgaande valt, anders de klacht voorstaat, niet in te zien dat de OK wat betreft de personele reikwijdte van het opgelegde mededelingenverbod art. 28 Rv heeft miskend of haar oordeel dienaangaande onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd. Hierop stuit de klacht reeds af.
4.152 Daarmee is gegeven dat ook onderdeel 5 faalt.
Slotsom
4.153 Het cassatiemiddel van [bestuurder/CEO] is derhalve vergeefs voorgesteld.
5Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep, althans voor wat betreft de opheffingsbeschikking I en de opheffingsbeschikking II mede tot niet-ontvankelijkheid zoals uiteengezet onder 4.12 hiervoor.
Zie Hof Amsterdam (OK) 1 oktober 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2738.
Zie Hof Amsterdam (OK) 7 oktober 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2739.
Zie Hof Amsterdam (OK) 8 oktober 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2740.
Zie Hof Amsterdam (OK) 13 oktober 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2742.
Zie Hof Amsterdam (OK) 13 oktober 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2752.
Zie de vorige noot.
Toevoeging A-G: bedoeld is NXP Semiconductors N.V., dat weer is afgesplitst van Koninklijke Philips N.V. Zie ook het verzoekschrift van Nexperia, nr. 23 en het verweerschrift van Yuching, nr. 16.
Toevoeging A-G: aanvankelijk JAB Capital, uiteindelijk het hierna te noemen [A] (via Yuching). [bestuurder/CEO] houdt (indirect) ongeveer 15% van de aandelen in [A] en geldt als controlerend aandeelhouder. Zie ook het verzoekschrift van Nexperia, nr. 23 en het verweerschrift van Yuching, nr. 16.
Zie noot 1 hiervoor.
Zie noot 2 hiervoor.
Zie noot 3 hiervoor.
Zie noot 4 hiervoor.
Zie noot 5 hiervoor.
Hierna ook wel afgekort als: de PI. Verwijzingen naar de PI in de hoofdtekst van deze conclusie zijn, omwille van de leesbaarheid, iets compacter geformuleerd dan zulke verwijzingen in de noten van deze conclusie.
Zie art. 3.2.17.1 Procesreglement HR.
Zie Hof Amsterdam (OK) 11 februari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:318.
Zie Hof Amsterdam (OK) 17 februari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:508.
Zie de PI, nrs. 1-2.
Zie voor de gelijkenissen en verschillen met de zaak 25/04297 ook de transponeringtabel in het verweerschrift in cassatie van Nexperia, p. 92-98. Het grootste verschil is dat [bestuurder/CEO] geen beroep doet op art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM, wat met name doorwerkt in de onderdelen 1 en 4.
Zie de PI, nrs. 3-47.
Zie de PI, nrs. 48-62.
Zie de PI, nrs. 63-89.
Zie de PI, nrs. 90-106.
Zie de PI, nrs. 107-117.
Zie bijv. C.D.J. Bulten e.a., ‘Inleiding’, in: Handboek Enquêterecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 10. Zie over de twee fasen van de enquêteprocedure bijv. HR 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9440, NJ 2003/486, rov. 3.3.3 (“(…) de eerste fase van de enquêteprocedure waarin moet worden beoordeeld of er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid te twijfelen, en de tweede fase waarin moet worden beoordeeld of van wanbeleid sprake is geweest en welke gevolgen daaraan eventueel moeten worden verbonden”). Zie ook mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2025:436) voor HR 13 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:907, RvdW 2025/769, onder 3.15, met verwijzingen.
Zie bijv. Bulten e.a. 2022, p. 10.
Zie bijv. HR 27 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7245, NJ 2000/653, rov. 4.1.
Zie bijv. HR 10 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1233, NJ 1990/465, rov. 3.
In onze zaak heeft de OK onmiddellijke voorzieningen getroffen voordat (in de eerstefasebeschikking) een onderzoek werd gelast. Art. 2:349a lid 3 BW biedt daarvoor de grondslag indien er naar het voorlopig oordeel van de OK gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen (zie voor dat laatste de ex parte-beschikking, rov. 2.4; de kop-staart-beschikking, rov. 3.2; en de uitgewerkte beschikking, rov. 3.7, 3.16-3.22).
Zie bijv. F.E. Vermeulen & G.P. Oosterhoff, ‘Toetsing in cassatie’, in: Handboek Enquêterecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 1005 en P.M. Storm, Corporate Litigation bij de Ondernemingskamer, Den Haag: BJu 2018, p. 197, 346.
Van de eerstefasebeschikking en de beschikking van 17 februari 2026 heeft zowel [bestuurder/CEO] als Yuching inmiddels ook afzonderlijk cassatieberoep ingesteld. Zie onder 3.24 hiervoor.
Zie de opheffingsbeschikking I, rov. 1.3.
Zie de opheffingsbeschikking II, rov. 1.3.
Vgl. bijv. art. 31 lid 4 Rv (“Tegen de verbetering of weigering daarvan staat geen voorziening open”) en art. 32 lid 3 Rv (“Tegen de weigering van de aanvulling staat geen voorziening open”).
Zie bijv. F.J.P. Lock, T&C Rv, Deventer: Wolters Kluwer 2026 (bijgewerkt t/m 15 februari 2026), art. 28 Rv, aant. 4 onder b.
Zie bijv. A.I.M. van Mierlo, T&C Rv, Deventer: Wolters Kluwer 2025 (bijgewerkt t/m 25 november 2025), art. 261 Rv, aant. 5 onder c en E.L. Schaafsma-Beversluis, GS Burgerlijke Rechtsvordering, Deventer: Wolters Kluwer 2024 (bijgewerkt t/m 1 maart 2024), art. 261 Rv, aant. 2 onder c, beiden met als voorbeelden onder meer art. 31 en 32 Rv.
Zie Lock 2026, art. 28 Rv, aant. 4.
Dat is overigens in dit geval ook gebeurd. Zie de opheffingsbeschikking I, rov. 1.3 en de opheffingsbeschikking II, rov. 1.3.
Zie T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, Deventer: Wolters Kluwer 2025 (bijgewerkt t/m 14 juli 2025), art. 28 Rv, aant. 4, onder verwijzing naar HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2395, NJ 2019/37, rov. 3.5, 3.8.1-3.8.3.
Ik neem aan dat in de uitgewerkte beschikking de nadere uitwerking van de opheffingsbeschikking I ook op dit aspect betrekking heeft.
Zie bijv. F.J.P. Lock, T&C Rv, Deventer: Wolters Kluwer 2026 (bijgewerkt t/m 15 februari 2026), art. 19 Rv, aant. 1 onder a, met verwijzingen.
Zie de PI, nr. 3 (“(…) met de procesgang voorafgaand aan de Ex Parte Beschikking en daarna, uitmondend in de Verkorte [kop-staart, A-G] Beschikking en Uitgewerkte Beschikking, (…).” Zie nog wel subonderdeel 1.2 (“procesgang als geheel is oneerlijk”), maar in dat verband wordt ook weer uitsluitend verwezen naar beslissingen in de ex parte-beschikking en de uitgewerkte beschikking.
Zie de opheffingsbeschikking I, rov. 1.6-1.8.
Zie de opheffingsbeschikking II, rov. 1.5-1.6.
Zie de PI, nr. 52 (“De Ondernemingskamer heeft blijkens de Ex Parte Beschikking, de Verkorte Beschikking, de Opheffingsbeschikking 1 en de Uitgewerkte Beschikking EZ aangemerkt als belanghebbende, die als zodanig alle procedurele rechten van een belanghebbende kan uitoefenen, waaronder mede begrepen het indienen van een verweerschrift, het gehoord worden en het kunnen doen van een verzoek ex art. 28 lid 2 Rv. (…)”).
Zie bijv. Kamerstukken II 1999/00, 26855, 3, p. 18 en Lock 2026, art. 28 Rv, aant. 2 onder b.
Zie bijv. de PI, nr. 49.
Zie de PI, nrs. 107, 110, 112.
Met als opschrift: “Geen wettelijke grondslag voor Ex Parte Beschikking en de daarin getroffen en vervolgens door de Ondernemingskamer gehandhaafde onmiddellijke voorzieningen”.
Zie bijv. Kamerstukken II 1999/00, 26855, 3, p. 49-50, alsmede Lock 2026, art. 19 Rv, aant. 1 onder a en T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, Deventer: Wolters Kluwer 2026 (bijgewerkt t/m 16 februari 2026), art. 19 Rv, aant. 1.
Illustratief is HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2321, NJ 2019/88, rov. 4.4.3: “(…) [D]e rechter [mag] in verband met het bepaalde in art. 19 Rv of art. 6 EVRM in het algemeen niet op een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening (…) beslissen zonder de belanghebbenden in de gelegenheid te hebben gesteld zich over dat verzoek uit te laten (…).” Zie bijv. ook Tjong Tjin Tai 2026, art. 19 Rv, aant. 1.
Zie bijv. B. Winters, ‘De verzoekschriftprocedure’, in: Handboek Enquêterecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 87-88 en mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:925), onder 3.14, met verwijzingen, in de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is geweest onder zaaknummer 20/00337 (zie nader J.H.M. Willems in ARO 2021/122).
Zie bijv. Lock 2026, art. 19 Rv, aant. 3 onder a en Tjong Tjin Tai 2026, art. 19 Rv, aant. 3.
Zie bijv. EHRM 15 oktober 2009, ECLI:CE:ECHR:2009:1015JUD001705606, NJ 2010/180, rov. 86.
Zie bijv. A-G Timmerman in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2007:AZ9324) voor HR 20 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9324, NJ 2007/241, onder 2.12.
Zie voor een uitzondering waarin vooraf wordt gehoord, althans daartoe gelegenheid wordt gegeven: art. 720, laatste zin Rv.
Iets anders is dat de mogelijkheid van desgevorderde opheffing van het gelegde beslag in kort geding bestaat, zie art. 705 Rv.
Zie bijv. Tjong Tjin Tai 2026, art. 19 Rv, aant. 3.
Zie bijv. HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2321, NJ 2019/88, rov. 4.4.3, onder verwijzing naar HR 20 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9324, NJ 2007/241, waaruit ik hierna citeer.
Zie HR 20 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9324, NJ 2007/241, rov. 3.3.3.
Zie HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2321, NJ 2019/88, rov. 4.4.2-4.4.3. Het citaat betreft rov. 4.4.3.
Zie bijv. HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2321, NJ 2019/88, rov. 4.4.2-4.4.3; HR 31 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1414, NJ 2018/411, rov. 3.4.2; en HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533, NJ 2016/261, rov. 3.4-3.5.
Zie bijv. HR 20 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9324, NJ 2007/241, rov. 3.3.3.
A-G Timmerman noemt in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2007:AZ9324) voor HR 20 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9324, NJ 2007/241, onder 2.12 als mogelijke wettelijke basis een ruime toepassing van de uitzondering als bedoeld in art. 279 lid 1 Rv om een mondelinge behandeling achterwege te laten (“tenzij hij zich aanstonds onbevoegd verklaart of het verzoek toewijst”). Wat daarvan zij, die Hoge Raad-uitspraak biedt geen aanknopingspunt voor de lezing dat de Hoge Raad de toegelaten uitzondering op het beginsel van hoor/wederhoor heeft gestoeld op een ruime toepassing van de bevoegdheid ex art. 279 lid 1 Rv om een mondelinge behandeling achterwege te laten. Die uitspraak rept immers niet over art. 279 lid 1 Rv, maar noemt alleen art. 2:298 lid 2 BW.
Tussen voorlopige voorzieningen als bedoeld in art. 223 Rv en art. 2:298 BW en onmiddellijke voorzieningen als bedoeld in art. 2:349a BW bestaat een sterke gelijkenis. Zie over die gelijkenis bij art. 223 Rv en art. 2:349a BW bijv. mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:925), onder 3.12, met verwijzingen, in de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is geweest onder zaaknummer 20/00337. Zie over die gelijkenis bij art. 2:298 BW en art. 2:349a BW bijv. de conclusie van A-G Timmerman (ECLI:NL:HR:2010:BK5989) voor HR 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5989, NJ 2010/296, onder 3.4. In rov. 3.5.1 van laatstgenoemde uitspraak zoekt de Hoge Raad bij de uitleg van art. 2:298 BW aansluiting bij onder meer de regeling van een onmiddellijke voorziening als bedoeld in art. 2:349a BW. Zie bijv. ook E. Schmieman in JOR 2007/171, nr. 5.
Zie bijv. HR 31 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1414, NJ 2018/411, rov. 3.4.2-3.4.4 over de in art. 821-826 Rv vervatte bijzondere regeling voor de scheidingsprocedure, waarop art. 223 Rv niet van overeenkomstige toepassing is. Dit laatste geldt ook - een ander voorbeeld - voor de bijzondere regels vervat in art. 800 lid 3 Rv en art. 809 lid 3 Rv inzake beslissingen tot het treffen van voorlopige kinderbeschermingsmaatregelen, waarover bijv. HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2321, NJ 2019/88, rov. 4.4.2.
Zie bijv. O.J.W. Schotel in JPBr 2025/31, nrs. 5.4-6 en Asser Procesrecht/I. Giessen, Beginselen van burgerlijk procesrecht (1), Deventer: Wolters Kluwer 2024, nr. 330. Zie ook Lock 2026, art. 19 Rv, aant. 3 onder a, die kortweg noteert: “Soms kan ook de spoedeisendheid van een verzochte voorziening aanleiding geven om het horen van betrokkene(n) achterwege te laten (zie HR 20 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9324, NJ 2007/241).”
Zie bijv. EHRM 15 oktober 2009, ECLI:CE:ECHR:2009:1015JUD001705606, NJ 2010/180, rov. 86.
Zie over de verwantschap tussen het treffen van onmiddellijke voorzieningen op de voet van art. 2:349a BW en in de kortgedingprocedure op de voet van art. 254 Rv ook mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:925), onder 3.4, met verwijzingen, in de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is geweest onder zaaknummer 20/00337. Zie algemener over enquêterecht en kort geding bijv. A. Hammerstein, ‘Enquêterecht en kort geding’, in: Handboek Enquêterecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, hfst. 44.
Zie over deze term bijv. E. Gras, R.G. Hendrikse & A.W. Jongbloed, Compendium van het Burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 339-340 (nr. 12.7).
Zie bijv. Asser Procesrecht/R.J.B. Boonekamp, Het kort geding (6), Deventer: Wolters Kluwer 2024, nr. 83, die daar spreekt van een “‘voorlopige’ voorlopige voorziening” (het “treffen van een voorlopige maatregel in afwachting van de behandeling en beslissing” in kort geding).
Zie bijv. Asser Procesrecht/Boonekamp 2024, nr. 83.
Zie bijv. Asser Procesrecht/Boonekamp 2024, nrs. 82, 106, onder verwijzing naar T.A.W. Sterk, ‘Goede orde in het kort geding’, in: Onverwijlde spoed, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1987, p. 29, waar deze gedachte als volgt wordt verwoord: “[D]e provisionele voorziening in afwachting van het eindvonnis in kort geding is niet anders dan het mindere dat alvast op grond van een uiterst summier onderzoek kan worden toegewezen.”
Zie in dit verband voor kort geding bijv. ook Asser Procesrecht/Boonekamp 2024, nr. 82.
Naar vaste rechtspraak is uitgangspunt bij de toepassing van het enquêterecht, welke regeling is gericht op het belang van de rechtspersoon, dat het uiteindelijk vooral aankomt op de economische werkelijkheid. Zie bijv. HR 22 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1283, NJ 2024/22, rov. 3.4 onder verwijzing naar HR 4 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR8899, NJ 2005/127, rov. 3.3.4. Zie nader hierover bijv. B.F. Assink & L. Timmerman, ‘Is de economische werkelijkheid een uitgangspunt voor het gehele ondernemingsrecht?’, Ondernemingsrecht 2023/101 en B.F. Assink, ‘Iets over de economische werkelijkheid, binnen het enquêterecht en daarbuiten’, WPNR 2026, p. 105-108, met verwijzingen (in de aldaar in nr. 9 onder b aangestipte zaak heeft de Hoge Raad inmiddels uitspraak gedaan: HR 13 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:403, JOR 2026/67).
Zie dus bijv. HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2321, NJ 2019/88, rov. 4.4.2-4.4.3 en HR 20 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9324, NJ 2007/241, rov. 3.3.3.
Zie dus onder 4.18.7 hiervoor.
Zie dus onder 4.18.2 hiervoor.
Dat de voorzieningenrechter deze bevoegdheid heeft, vindt overigens bevestiging in de feitenrechtspraak waarnaar de PI, noot 13 verwijst. Vgl. over de (ir)relevantie van art. 223 Rv in dit verband 4.18.6 hiervoor.
De OK heeft, voor zover mij bekend, niet eerder in een enquêteprocedure ex parte onmiddellijke voorzieningen getroffen.
Zie de Wet van 8 november 1993 tot wijziging en aanvulling van de regeling van het recht van enquête, Stb. 1993, 597. Zie hierover ook mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:925), onder 3.4, met verwijzingen, in de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is geweest onder zaaknummer 20/00337.
Een voorbeeld daarvan, dat ook wordt genoemd in de PI, nr. 11, is de Signa Sports United-zaak. Het verzoekschrift in die zaak werd ingediend op vrijdag 20 oktober 2023, waarna de OK (het bestuur van) de vennootschap tot uiterlijk maandag 23 oktober 2023 12:00 uur in de gelegenheid had gesteld op het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen te reageren. In het weekend heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden en ondanks het uitblijven van een reactie van (het bestuur van) de vennootschap heeft de OK een onmiddellijke voorziening getroffen. Dat de onmiddellijke voorziening op die dag werd getroffen, hield kennelijk ermee verband dat dat de laatste dag was waarop een verzoek tot herziening van het besluit tot delisting van de aandelen in de vennootschap aan de NYSE bij de Committee of the Board of Directors of the Exchange en beëindiging van de beursnotering van de vennootschap zonder een dergelijk herzieningsverzoek definitief zou zijn. Zie Hof Amsterdam (OK) 23 oktober 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2477, rov. 1.4, 3.1-3.2 en 4. Zie hierover ook C.D.J. Bulten, ‘Inkleuring van een caleidoscopisch beeld’, in: Grensoverschrijdend ondernemingsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2025, p. 1-2. De spoedeisendheid in deze zaak was dus iets minder groot dan in de onderhavige zaak, waardoor in die zaak nog gelegenheid tot verweer tot 23 oktober 2023, 12:00 uur kon worden geboden.
Een ander voorbeeld daarvan is de Impromex Technics Holding-zaak. Daarin dateert het verzoekschrift van 18 maart 2020 en heeft de OK partijen diezelfde dag bericht dat zij door de maatregelen rondom het COVID-19-virus niet in de gelegenheid is het verzoek op korte termijn ter zitting te behandelen, dat de mondelinge behandeling is bepaald op 28 mei 2020 en dat partijen in de gelegenheid worden gesteld zich schriftelijk uit te laten over (uitsluitend) de noodzaak om voordien onmiddellijke voorzieningen te treffen, waarbij de OK termijnen heeft gesteld voor het indienen van een verweerschrift en voor het indienen van re- en dupliek. Na deze schriftelijke ronde heeft de OK voorafgaand aan de mondelinge behandeling onmiddellijke voorzieningen getroffen. Zie Hof Amsterdam (OK) 16 april 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1088, rov. 1.2-1.5, 3.8 en 4. Zie hierover ook A.J. van Wees, ‘Mondelinge behandeling’, in: Handboek Enquêterecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 538-539. De in die zaak gehanteerde uitzondering hield dus geen verband met de spoedeisendheid van de zaak.
Een voorbeeld daarvan is de ABN Amro-zaak. Daarin werd op 27 april 2007 het verzoekschrift ingediend, werden op 27 en 28 april 2007 verweerschriften ingediend en werd nog diezelfde dag - zaterdag (!) 28 april 2007 - het verzoek voor zover het strekte tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen behandeld ter zitting, waarna de OK op 3 mei 2007 haar beschikking gaf. Zie Hof Amsterdam (OK) 3 mei 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BA4395, rov. 1.1-1.4. Zie hierover ook toenmalig OK-voorzitter J.H.M. Willems, ‘Van beleggingsbescherming en zeggenschapsverwerving’, in: 100 jaar VEB, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 270.
Zie de brief van Nexperia van 1 oktober 2025, p. 1 (“Zoals nader toegelicht op pagina 4 e.v. van deze brief, wordt de Ondernemingskamer verzocht op zo kort mogelijke termijn (binnen enkele dagen) een mondelinge behandeling te bepalen waarin (ten minste) het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen kan worden behandeld”), p. 4 (“Nexperia verzoekt de Ondernemingskamer deze zaak met bijzondere spoed te behandelen en op de kortst mogelijke termijn, oftewel binnen enkele dagen, een zitting te plannen”), en p. 5 (“Nexperia verzoekt u dan ook om een mondelinge behandeling van het verzoek op zo kort mogelijke termijn en om zo mogelijk op de zitting uitspraak te doen”).
Zie de brief van EZ van 1 oktober 2025, p. 1-2 (onder “Spoedeisendheid”), waar onder meer staat: “(…) Kortom, iedere dag dat deze situatie voortduurt, vormt een bedreiging voor de continuïteit van de onderneming en daarmee voor de economische veiligheid van Nederland en Europa. Een spoedig optreden van de Ondernemingskamer kan dat voorkomen. De Minister steunt de verzoeken van Nexperia c.s. dan ook en verzoekt de Ondernemingskamer met klem deze zo spoedig mogelijk te behandelen en op de kortst mogelijke termijn op de verzoeken te beslissen.”
Zie HR 20 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7322, NJ 2011/212.
Zie HR 30 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8210, NJ 2007/293.
Zie HR 20 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7322, NJ 2011/212, rov. 3.7.
Zie HR 30 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8210, NJ 2007/293, rov. 4.4.
Zie de noten 85-86 hiervoor.
Zie bijv. ook Asser Procesrecht/Boonekamp 2024, nr. 83: “De eiser kan hetzij in de conceptdagvaarding, hetzij nader per brief aan de voorzieningenrechter een voorlopig ge- of verbod vragen.”
Zie hierover ook mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:925), onder 3.4, met verwijzingen, in de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is geweest onder zaaknummer 20/00337.
Zie over dit laatste bijv. ook HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:199, NJ 2023/166, rov. 3.4.2.
Zie bijv. Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, p. 20: “Onmiddellijke voorzieningen zijn naar hun aard ordemaatregelen, die worden ingegeven door de toestand van de rechtspersoon of het belang van het onderzoek. De situatie waarin de rechtspersoon of het onderzoek verkeert, moet een onmiddellijk ingrijpen door de rechter rechtvaardigen.”
Zie reeds HR 10 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1234, NJ 1990/466, rov. 4.1. Zie bijv. ook HR 14 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3523, NJ 2008/105, rov. 3.6, waarover nader onder 4.19.13 hierna. Ik kan de discussie over de zgn. connexiteitseis hier verder laten rusten. Zie nader mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:925), onder 3.12, met verwijzingen, in de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is geweest onder zaaknummer 20/00337.
Zie bijv. de conclusie van A-G Timmerman (ECLI:NL:PHR:2010:BL6182) voor HR 16 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6182, RvdW 2010/540, onder 3.25, die daarbij ook uiteenzet dat “met de meeste spoed” al voorkwam in de wettelijke regeling van het enquêterecht bij invoering ervan in 1928. Zie ook art. 53 lid 4, eerste zin WvK (oud) betreffende het oorspronkelijke enquêterecht van 1928: “De rechtbank behandelt het verzoek met den meesten spoed in raadkamer en beslist na verhoor of behoorlijke oproeping van de naamlooze vennootschap; (...).” Zie nadien bijv. Kamerstukken II 2011/12, 32887, 6, p. 24.
Dus: “In afwijking van artikel 282 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan iedere belanghebbende een verweerschrift indienen tot een door de ondernemingskamer bepaald tijdstip voorafgaand aan de aanvang van de behandeling. De verzoekers en de rechtspersoon verschijnen hetzij bij advocaat, hetzij bijgestaan door hun advocaten. Alvorens te beslissen kan de ondernemingskamer ook ambtshalve getuigen en deskundigen horen.”
In de wetsgeschiedenis zijn hieraan niet veel woorden gewijd. Zie bijv. Kamerstukken II 1991/92, 22400, 3, p. 15: “Het behoeft weinig betoog, dat de bevoegdheid tot het treffen van voorlopige voorzieningen, met name het verbod tot het uitvoeren van bepaalde besluiten die als wanbeheer kunnen worden beschouwd of die het ingestelde onderzoek kunnen doorkruisen, in elk stadium van het geding moeten kunnen worden getroffen.”
Zie hierover bijv. ook P.G.F.A. Geerts, GS Rechtspersonen, Deventer: Wolters Kluwer 2022 (bijgewerkt t/m 18 oktober 2022), art. 2:349a BW, aant. 3.3.1.
Zie bijv. Kamerstukken II 1991/92, 22400, 3, p. 16: “Het spreekt vanzelf dat de president in kort geding een terughoudend standpunt moet innemen indien van hem een voorziening wordt gevraagd vóór het enquêteverzoek is ingediend en dat hij, indien een dergelijk verzoek wordt gedaan met het oog op een in te dienen enquêteverzoek, in beginsel de duur van de door hem te treffen voorziening beperkt [tot het] tijdstip dat de Ondernemingskamer op een verzoek om voorlopige voorzieningen zal hebben beslist. Aldus kunnen tegenstrijdige of slecht met elkaar in overeenstemming te brengen beslissingen worden voorkomen.”
Uit de in de PI, noot 19 aangehaalde bronnen blijkt ook niet iets anders. Zie Lock 2026, art. 19 Rv, aant. 3 onder a en P. Smits, Artikel 6 EVRM en de civiele procedure, Deventer: Kluwer 2008, par. 3.3.5. Dat Smits hier niet verwijst naar voornoemde Hoge Raad-uitspraak van 20 april 2007 heeft waarschijnlijk ermee te maken dat zijn boek een bewerking is van zijn proefschrift met dezelfde titel uit 1996. Terzijde: in zoverre is het onderhavige geval bij de OK wel vergelijkbaar met art. 700 Rv in verbinding met art. 705 Rv, nu Yuching en [bestuurder/CEO] ook achteraf, bij verweerschrift en op de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025, zijn gehoord. Vgl. hierover ook al A-G Timmerman in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2007:AZ9324) voor die Hoge Raad-uitspraak van 20 april 2007, onder 2.12: “Anders dan het subonderdeel veronderstelt, brengt het feit dat het tijdstip waarop [verzoeker] zich heeft kunnen uitlaten gelegen is ná de toewijzing van het verzoek, op zichzelf genomen nog niet mee dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden. Zo is met het oog op art. 6 EVRM overwogen dat voor de vraag of het daarin gewaarborgde beginsel van hoor en wederhoor is geschonden, de procedure in haar geheel moet worden bezien”, etc.
Zie HR 14 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3523, NJ 2008/105.
Zie HR 14 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4887, NJ 2007/612.
Zie HR 19 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5138, NJ 2002/92.
Zie HR 14 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3523, NJ 2008/105, rov. 3.6.
Zie hierover nader mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:925), onder 3.4, met verwijzingen, in de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is geweest onder zaaknummer 20/00337.
Zie HR 19 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5138, NJ 2002/92, rov. 3.6: “(…) Daarbij dient in aanmerking genomen te worden dat de Ondernemingskamer de vrijheid heeft zodanige voorlopige voorzieningen te treffen als zij in verband met de toestand van de rechtspersoon noodzakelijk acht, ook indien daarbij tijdelijk inbreuk wordt gemaakt op de geldende rechtsverhoudingen binnen de vennootschap, en dat aan het treffen van voorlopige voorzieningen niet zonder meer in de weg behoeft te staan dat deze kunnen leiden tot onomkeerbare gevolgen, mits de voorziening naar haar aard een voorlopige is en bij het treffen van een zodanige voorziening voldoende rekening is gehouden met, en een billijke afweging heeft plaatsgevonden van, de belangen van de betrokken partijen. (…).”
Zie HR 14 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4887, NJ 2007/612, rov. 4.5 (“(vgl. HR 19 oktober 2001, nr. OK 85, NJ 2002, 92)”).
Zie hierover ook plv. P-G Mok in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2001:AD5138) voor HR 19 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5138, NJ 2002/92, onder 3.2.4.4, met verwijzingen. Evenzo J.M.M. Maeijer in zijn annotatie onder SkyGate in NJ 2002/92: “Het is dan niet verwonderlijk dat de HR in [de derde zin van rov. 3.6 (“Daarbij dient in aanmerking” etc.), in noot 108 hiervoor geciteerd, A-G] aansluit bij hetgeen hij leert ten aanzien van de bevoegdheid van de rechter in kort geding. De laatstgenoemde is immers bevoegd voorzieningen te treffen waarvan de gevolgen in feite niet meer herstelbaar zijn, indien het spoedeisende karakter aanwezig is en de gevraagde voorziening wordt gerechtvaardigd door een billijke afweging van de belangen van partijen.”
Dus: “De ondernemingskamer beslist daarna binnen een redelijke termijn op het verzoek als bedoeld in artikel 345.”
Zie Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, p. 34.
Zie Hof Amsterdam (OK) 11 februari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:318, rov. 1.3, 1.7.
Zie bijv. Rb. Amsterdam 28 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2315, rov. 4.4.3: “Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt de ernst van de aan de verzoeken ten grondslag gelegde feiten en de spoedeisendheid dat zij bij wijze van ordemaatregel de verzoeken tot schorsing van [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] voorlopig toewijst zonder hen vooraf te horen.” Dit betrof een geval in navolging van voornoemde Hoge Raad-uitspraak van 20 april 2007 (in het kader van art. 2:298 BW). Zie in het kader van Boek 1 BW bijv. W.S. Maas-van Weert, ‘De spoedwijzigingsbeslissing van art. 1:265g lid 1 BW’, REP 2024/345, waar op p. 49 wordt betoogd, mede onder verwijzing naar voornoemde Hoge Raad-uitspraken van 14 december 2018 en 20 april 2007 (in de in het citaat niet-overgenomen noot): “Het spoedwijzigingsverzoek op grond van art. 1:265g lid 1 BW waarbij wordt verzocht om een beslissing te nemen zonder toepassing van hoor en wederhoor zal dus (uitsluitend) moeten worden aangemerkt als een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van art. 223 Rv, ongeacht de vraag of dit verzoek ook als zodanig wordt bestempeld. Onder verwijzing naar de jurisprudentie van de Hoge Raad, art. 8 EVRM en het belang van het kind zou het hoorrecht tijdelijk kunnen worden opgeschort indien uit de feiten en omstandigheden blijkt dat de behandeling ter zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige. Een periode van maximaal twee weken zou moeten worden uitgetrokken voor het verhoor van de belanghebbenden en de minderjarige, (…).” De termijn van twee weken is ontleend aan art. 800 lid 3 Rv en art. 809 lid 3 Rv, waarover ook onder 4.18.6 hiervoor. Ik merk op dat de OK in de onderhavige zaak met het houden van een mondelinge behandeling op 6 oktober 2025 ook binnen een termijn van twee weken is gebleven.
Zie hierover bijv. mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:925), onder 3.3-3.4, met verwijzingen, in de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is geweest onder zaaknummer 20/00337. Zie ook R.G.J. de Haan, ‘Onmiddellijke voorzieningen’, in: Handboek Enquêterecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 768.
Zie HR 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5989, NJ 2010/296, rov. 3.6.1.
Zo bijv. ook T. Salemink & M.P. Nieuwe Weme, ‘De OK-bestuurder en de OK-commissaris’, in: Handboek Enquêterecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 811, met verwijzingen.
Onder verwijzing naar de volgende passage uit de brief van Nexperia van 1 oktober 2025, p. 1: “op zo kort mogelijke termijn (binnen enkele dagen) een mondelinge behandeling te bepalen waarin (ten minste) het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen kan worden behandeld.”
Zie de noten 85-86 hiervoor.
Onder verwijzing naar het verzoekschrift van Nexperia, nr. 194. Het betreft kennelijk de passage onder (iii): “De Ondernemingskamer wordt verzocht (…) om voor de duur van het geding de door Yuching Holding gehouden aandelen in Nexperia Holding ten titel van beheer over te dragen aan een onafhankelijke derde, zodat wordt voorkomen dat [bestuurder/CEO] langs deze weg alsnog invloed kan uitoefenen en [bestuurder/CEO] ook de benodigde herziening van de governance niet langer kan frustreren.”
Zie voor het kort geding bijv. Asser Procesrecht/Boonekamp 2024, nr. 138. Een algemeen, openbaar of maatschappelijk belang zoals de economische veiligheid van Nederland en Europa kan overigens ook over de band van het belang van de rechtspersoon en de met hem verbonden onderneming in de afweging worden betrokken. Zie daarover verder bijv. K. Spruitenburg, ‘De enquêtebevoegdheid van de advocaat-generaal’, in: Handboek Enquêterecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 297 en J.W. van der Staay & A. Doorman, ‘Overname- en zeggenschapsgeschillen bij beursvennootschappen’, in hetzelfde handboek, p. 1123, telkens met verwijzingen.
Zie voor het kort geding bijv. Asser Procesrecht/Boonekamp 2024, nr. 83: “Buiten het kader van een aanhangig kort geding is de voorzieningenrechter niet bevoegd, al dan niet ex parte, een voorlopige voorziening te geven, behoudens voor zover een bijzondere wettelijke bepaling hem daartoe bevoegd maakt. (…) Anders dan het Duitse recht kent het Nederlandse recht niet een algemene regeling op grond waarvan in bepaalde gevallen zonder mondelinge behandeling en soms zelfs zonder de wederpartij te horen een voorlopige voorziening kan worden gegeven.”
Met als opschrift: “ [bestuurder/CEO] is onvoldoende gelegenheid geboden om zijn verweer tegen het Verzoekschrift en de Ex Parte Beschikking voor te bereiden: procesgang als geheel is oneerlijk”.
Onder verwijzing naar de spreekaantekeningen van [bestuurder/CEO] , nrs. 20-24, het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025, p. 6 en de uitgewerkte beschikking, rov. 3.11.
Met als opschrift: “Ten onrechte heeft de Ondernemingskamer het beginsel van hoor en wederhoor tegen [bestuurder/CEO] gekeerd en niet getoetst of [bestuurder/CEO] de redelijke mogelijkheid had om zich te kunnen verweren”.
Zie hierover bijv. Winters 2022, p. 103, waaruit blijkt dat dit ook in het enquêterecht geldt.
Zie bijv. A.I.M. van Mierlo, T&C Rv, Deventer: Wolters Kluwer 2026 (bijgewerkt t/m 9 maart 2026), art. 279 Rv, aant. 1 onder d.
Zie noot 97 hiervoor.
Zie bijv. Geerts 2022, art. 2:349a BW, aant. 2. In noot 84 hiervoor gaf ik hiervan een voorbeeld. Zie voor meer voorbeelden bijv. F. Veenstra, Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (diss. Groningen), Deventer: Kluwer 2010, p. 137.
Zie de oproepingsbrief van de OK van 1 oktober 2025.
Zie bijv. ook Veenstra 2010, p. 134.
Zie bijv. Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, p. 33: “Met deze bestaande voorschriften [art. 279 Rv en art. 2:349a BW, A-G] is niet zekergesteld dat de betrokkenen in de procedure voldoende tijd hebben om zich tegen een enquêteverzoek te verweren.”
In het bijzonder: “Iedere belanghebbende kan tot de aanvang van de behandeling of, indien de rechter dit toestaat, in de loop van de behandeling een verweerschrift indienen. (…).”
Zie bijv. Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, p. 33: “Een tijdstip dat tenminste een week voor de dag van de behandeling ligt, is normaliter gepast. In spoedeisende gevallen kan een kortere termijn verdedigbaar zijn.” En nog duidelijker Kamerstukken II 2011/12, 32887, 6, p. 21: “De regeling is flexibel voor wat betreft de duur van de termijn; de Ondernemingskamer bepaalt op welke termijn voor de behandeling verweerschriften moeten zijn ontvangen. Ik meen dat een termijn van een week normaliter voldoende voorbereidingstijd voor de betrokkenen oplevert. Ook de Commissie vennootschapsrecht ging uit van een week, maar gaf aan dat de Ondernemingskamer in spoedgevallen zou moeten kunnen kiezen voor een kortere termijn. Ik kan mij dat voorstellen (…). In dat geval moet de Ondernemingskamer afwegen of aanpassing van de termijn tot twee dagen voor de behandeling voldoende rekening houdt met de belangen van de overige betrokkenen.”
Zie de kop-staart-beschikking, rov. 1.4.
Zie bijv. ook Kamerstukken II 2011/12, 32887, 6, p. 2: “Dat betekent dat verweerschriften kunnen worden ingediend tot de aanvang van de (mondelinge) behandeling of in de loop van de behandeling indien de rechter dat toelaat. In de praktijk heeft dat laatste geleid tot de klacht dat betrokkenen in enquêteprocedures in de situatie kunnen komen dat zij onvoldoende tijd hebben om zich te verweren. Dat risico doet zich voor wanneer men pas vlak voor of tijdens de behandeling van het verzoek kan worden geconfronteerd met een verweerschrift of een zelfstandig verzoek van een belanghebbende om bijvoorbeeld een onmiddellijke voorziening.”
Zie bijv. de conclusie van A-G Wesseling-van Gent (ECLI:NL:PHR:2004:AO2327) voor HR 23 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO2327, NJ 2004/350, onder 2.18, met verwijzingen. Zie verder bijv. E.L. Schaafsma-Beversluis, GS Burgerlijke Rechtsvordering, Deventer: Wolters Kluwer 2024 (bijgewerkt t/m 1 maart 2024), art. 279 Rv, aant. 14.
Zie voor het eerst HR 23 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO2327, NJ 2004/350, rov. 3.11, nadien ook toegepast in HR 14 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR3646, NJ 2005/251, rov. 3.4.2. Zie hierover bijv. L.M. Coenraad, ‘Kroniek Algemene beginselen’, TCR 2005-4, p. 118-119. Zie bijv. ook HR 16 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1490, NJ 2007/637, rov. 3.9.2. H.J. Snijders merkt in nr. 3 van zijn NJ-annotatie onder laatstgenoemde uitspraak op: “Ook al zou de limitatieve opsomming van gronden voor een uitstel door de Hoge Raad - vgl. het woordje ‘slechts’ - in de toekomst misschien iets te rigide kunnen zijn en beperkte bijstelling vragen, de strengheid van de Hoge Raad valt in haar algemeenheid te billijken. De vereiste voortgang van zaken is gebaat bij niet al te soepele beoordeling van verzoeken tot uitstel.”
Aldus bijv. Veenstra 2010, p. 139.
Zie bijv. Hof Amsterdam (OK) 19 december 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:5338, in de ADO Den Haag-zaak. Het verzoekschrift van ADO was in die zaak ingekomen op 2 december 2016 (rov. 1.2). De OK heeft partijen opgeroepen voor een mondelinge behandeling op 15 december 2016 over uitsluitend het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen, waarbij aanvankelijk een mogelijkheid is geboden een verweerschrift in te dienen tot uiterlijk 12 december 2016 om 13:00 uur (rov. 1.3). Namens de in China gevestigde aandeelhouder van ADO (UVS) is verzocht de mondelinge behandeling uit stellen, althans uitstel van de termijn voor indiening van het verweerschrift te verlenen. ADO heeft bezwaar gemaakt tegen uitstel van de mondelinge behandeling (rov. 1.9). De OK heeft het verzoek tot uitstel van de mondelinge behandeling afgewezen, maar wel de termijn voor indiening van een verweerschrift door UVS verlengd tot 14 december 2016 om 12:00 uur (rov. 1.9). In de beschikking heeft de OK hierover overwogen (rov. 3.4): “In aanmerking genomen (a) dat het verzoek betrekking heeft op de gang van zaken binnen ADO en in het bijzonder de rol van UVS en Wang daarin, waarmee UVS geacht moet worden bekend te zijn, (b) dat de zaak, zoals hieronder nog aan de orde zal komen, spoedeisend is, (c) dat aan UVS uitstel is verleend voor het indienen van haar verweerschrift en (d) dat bij gelegenheid van de uitvoerige mondelinge behandeling niet gebleken is dat UVS door de beperkte tijd tussen de oproep en de mondelinge behandeling in serieuze mate is gehinderd in de mogelijkheid verweer te voeren (…), acht de Ondernemingskamer de termijn tussen de oproeping en de mondelinge behandeling niet zo kort dat UVS in enig recht tekort is gedaan. (…).”
Zie noot 114 hiervoor.
Zie de brief van Yuching van 3 oktober 2025, p. 2 (“Yuching benadrukt volledigheidshalve dat de gepretendeerde belangen van Verzoekers bij toewijzing van dit verzoek [om de mondelinge behandeling te laten plaatsvinden op een latere datum, bijvoorbeeld op 14 oktober 2025, A-G] niet in het gedrang komen, nu de Ondernemingskamer reeds ingrijpende voorlopige voorzieningen heeft getroffen. Yuching zal de onmiddellijk getroffen voorlopige voorzieningen vanzelfsprekend respecteren, in afwachting van de nadere beslissing van de Ondernemingskamer, nadat de - uitgestelde - mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden”).
Zie de brief van Nexperia van 3 oktober 2025, p. 1-2 (“Waar is geconcludeerd dat (verdergaande) ingrepen in de Nexperia-organisatie en de relatie met WSS nodig zijn, wordt dit thans geïnventariseerd en voorbereid, maar zijn de statutair bestuurder, CFO en COO - vooralsnog - voornemens tot implementatie daarvan over te gaan na de bestendiging c.q. aanvulling van de onmiddellijke voorzieningen op een inter partes basis. Daarbij is voorts, zoals eveneens in het verzoekschrift beschreven, noodzakelijk dat zo snel mogelijk voldoende duidelijk is dat Nexperia niet langer onder controle staat van [A] , zodat Nexperia bij de Amerikaanse overheid kan aanvoeren dat de 50%-regel niet (langer) van toepassing zou moeten zijn. Hiervoor is afstemming vereist met de Amerikaanse overheid. Ook daartoe dient er op korte termijn zo veel mogelijk duidelijkheid te bestaan over (de status van) de onmiddellijke voorzieningen en de governance van Nexperia voor de nabije toekomst”).
Ik citeer: “De Ondernemingskamer heeft kennisgenomen van het namens Yuching Holding Ltd gedane verzoek tot uitstel van de mondelinge behandeling in bovengenoemde zaak, alsmede de reactie van Nexperia Holding B.V. c.s. en de Staat der Nederlanden. De Ondernemingskamer bewilligt niet in het verzoek van Yuching Holding Ltd. De mondelinge behandeling zal plaatsvinden op maandag 6 oktober om 13.00 uur en ook voor het overige blijft hetgeen in de oproepingsbrief staat vermeld van kracht.”
Onder verwijzing naar de PI, nr. 23. Zie ook rov. 3.11 uitgewerkte beschikking: “Aan Yuching en [bestuurder/CEO] kan worden toegegeven dat de gang van zaken zeer ongebruikelijk is, omdat (i) de Ondernemingskamer enkele uren na ontvangst van het verzoek ex parte enige ingrijpende onmiddellijke voorzieningen heeft getroffen, (ii) de Ondernemingskamer binnen drie werkdagen (vijf dagen) een zitting heeft georganiseerd, terwijl (iii) het gaat om een complexe zaak en (iv) Yuching en [bestuurder/CEO] in deze periode ook nog op zoek moesten naar een advocaat, (v) op een moment waarop in China belangrijke feestdagen worden gevierd.”
Met als opschrift: “De dreiging van de 50% Regel en het belang van Nexperia (en de Staat) dat de eenzijdigheid van de bevriezing zo snel mogelijk eindigt, is niet rechtens relevant”.
Zie het citaat uit de brief van Nexperia van 3 oktober 2025 in noot 143 hiervoor.
Met als opschrift: “Ten onrechte overweegt de Ondernemingskamer dat in de gegeven omstandigheden zo veel mogelijk recht is gedaan aan het beginsel van hoor en wederhoor”.
Dat zijn de volgende: “Belanghebbenden is tot 9.00 uur op 6 oktober 2025 (maandagochtend), vier uur voor de mondelinge behandeling, gelegenheid gegeven een verweerschrift in te dienen. Yuching heeft een volwaardig verweerschrift ingediend en haar verweer op zitting nader aangevuld. [bestuurder/CEO] - die niet in de gelegenheid is geweest tijdig een verweerschrift in te dienen - heeft op zitting extra tijd gekregen haar positie toe te lichten. De behandeling op zitting is vervolgens meermalen geschorst, opdat de advocaten van [bestuurder/CEO] en Yuching in de gelegenheid werden gesteld telefonisch overleg te plegen met hun cliënten. Aldus is tegen de ongebruikelijke achtergrond van deze zaak en de hoge spoedeisendheid (…).”
Zie voor het eerste onderwerp de spreekaantekeningen van [bestuurder/CEO] , nrs. 119-120 onder (i) en voor het tweede onderwerp, idem, onder (iii). Ik citeer nr. 120 onder (i): “van ongeoorloofde belangenverstrengeling is geen sprake. Alle bewuste contracten zijn at arm’s length tot stand gekomen, en voor zover aan de orde, bijvoorbeeld ten aanzien van WSS heeft [bestuurder/CEO] zich onthouden zijn stemrecht uit te oefenen; (…).” En 120 onder (iii): “Hiervoor kwam al aan de orde dat de governance niet gebrekkig is. De organen van de onderneming functioneren gewoon, en partijen zijn, of waren tot verkort nog, in gesprek met het Ministerie om herziening van de governance te bespreken. In zoverre is het Verzoek dus ongegrond, of minst genomen prematuur; (…).” Op deze beide onderwerpen wordt nader ingegaan in hoofdstuk 6 (met het opschrift “Aanpassingen bedrijfsvoering - in het belang van Nexperia”) en hoofdstuk 5 (met het opschrift “Governance herzieningen en het bevel”) van de spreekaantekeningen van [bestuurder/CEO] .
Zie ook de oproepingsbrief van de OK van 1 oktober 2025: “Bij de mondelinge behandeling geldt een maximale spreektijd van 20 minuten per (cluster van) procespartij(en).” En de e-mail van de OK van 5 oktober 2025, waarin de OK in vergelijking met Yuching en [bestuurder/CEO] een kortere spreektijd van in totaal 45 minuten heeft toegekend aan het ‘cluster’ Nexperia, EZ en de OR tezamen.
Kennelijk hield dat verband met Chinese feestdagen. Vgl. de spreekaantekeningen van Yuching, nr. 1 (“Vandaag staan wij voor u op Zhongqiu Jie (wat betekent ‘vrolijk Midherfstfestival’), een feestdag in verband met hereniging van Chinese families. De afsluiting van de Gouden Week. Cliënte is er daarom vandaag niet om zich te verweren tegen de wensen van Verzoeksters”). Zie ook het verweerschrift van Yuching, nr. 9. Voor de goede orde: hierop wordt in cassatie dus geen beroep gedaan. In de spreekaantekeningen van [bestuurder/CEO] wordt als ik het goed zie geen beroep gedaan op deze omstandigheid.
Vgl. voor een geval van een door de OK niet deugdelijk opgeroepen belanghebbende die ook niet was verschenen HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1279, NJ 2019/335, rov. 5.1.3, 5.2.2 (schending van de eisen van hoor/wederhoor).
Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025, p. 4: “Ter terechtzitting zijn aanwezig: (…) - Mrs. Polkerman en De Ruijter voormeld namens Yuching Holding Limited (hierna: Yuching). - Mrs. Vader en Meijer van Gelderen voormeld namens [bestuurder/CEO] (hierna: [bestuurder/CEO] ). (…).” Verder verdient nog opmerking dat een verklaring van [bestuurder/CEO] zelf van 4 pagina’s aan zijn spreekaantekeningen is gehecht (“Subject: A Statement concerning Trust, Betrayal, and a Plea for Justice”).
Zie bijv. de noten 54 en 140 hiervoor.
Met als opschrift: “Het voorgaande klemt te meer/althans, omdat Nexperia haar enquêteverzoek klaarblijkelijk ruim van tevoren heeft voorbereid en op enig moment heeft afgestemd met EZ. Hiermee is tevens sprake van schending van het beginsel van equality of arms”.
Zie het verzoekschrift van Nexperia, nr. 202 (“[D]doordat het voornemen daartoe [indiening van het verzoekschrift ex art. 2:345 lid 1 BW, A-G] pas in een laat stadium is geconcretiseerd”). Dit strookt ook met de door de OK vastgestelde feiten, waaruit blijkt dat de situatie bij Nexperia in de loop van september 2025 is geëscaleerd.
Ik citeer: “(…) In dat geval [een verzoek ex art. 2:345 lid 1 BW gedaan door de rechtspersoon, zoals hier aan de orde, A-G] worden de raad van commissarissen [niet aanwezig bij Nexperia, A-G] onderscheidenlijk het bestuur en de ondernemingsraad zo spoedig mogelijk op de hoogte gesteld van het voornemen om het verzoek in te dienen onderscheidenlijk het indienen van het verzoek. (…).” Zie ook het verzoekschrift van Nexperia, nr. 202: “Zoals vereist op grond van art. 2:349 lid 1 BW, heeft [verweerder 4] de andere bestuurder van Nexperia Holding en Nexperia B.V. ( [bestuurder/CEO] ) op de hoogte gesteld van het voornemen om dit enquêteverzoek in te dienen. (…).” Overigens is niet gesteld of gebleken dat Yuching (via haar bestuurder en indirect controlerende aandeelhouder [bestuurder/CEO] ) niet op de hoogte is geraakt van het voornemen van [verweerder 4] (Nexperia) om het enquêteverzoek in te dienen.
Zie EHRM 27 oktober 1993, ECLI:CE:ECHR:1993:1027JUD001444888, NJ 1994/534, rov. 33.
De cursivering voegde ik toe.
Zie voor latere EHRM-rechtspraak van deze strekking bijv. de PI, noot 31 en mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2024:104) voor HR 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:628, NJ 2024/156, noot 122 aldaar.
Met als opschrift: “Gebrek aan hoor en wederhoor; aan [bestuurder/CEO] valt in elk geval niet tegen te werpen dat hij stellingen onvoldoende gemotiveerd heeft betwist”.
Met als opschrift: “EZ is ten onrechte aangemerkt als belanghebbende”.
Onder verwijzing naar HR 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9440, NJ 2003/486, rov. 3.3.2-3.3.3.
Onder verwijzing naar (“Vgl.”) HR 25 oktober 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC03S7, NJ 1992/149.
Zie HR 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9440, NJ 2003/486, rov. 3.3.2.
Toevoeging A-G: dit laatste ziet op HR 25 oktober 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0387, NJ 1992/149, rov. 4.2, waaronder: “Uit art. 429n lid 2 Rv [thans art. 358 lid 2 Rv, A-G] volgt dat het recht van hoger beroep van voor hoger beroep vatbare beschikkingen behalve aan de verzoeker ook toekomt aan ‘belanghebbenden’. Wie tot de belanghebbenden in de zin van deze bepaling zijn te rekenen, is in de wet niet in het algemeen aangegeven, maar moet voor ieder type verzoekschriftprocedure uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen worden afgeleid.”
Toevoeging A-G: zie voor een voorbeeld van toepassing van de Scheipar-maatstaf in het enquêterecht HR 6 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1586, NJ 2014/167, rov. 4.8.4, waarin het ging om een ‘tweede kring’-belanghebbende die anderszins nauw is betrokken bij het onderwerp van de enquêteprocedure. Deze (twee)kringenleer is vaste rechtspraak, ook buiten het enquêterecht. Zie nader bijv. mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2025:1287) voor HR 27 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:516, NJ 2026/137, onder 3.19, met verwijzingen alsmede rov. 3.3 van die Hoge Raad-uitspraak, ook met verwijzingen.
Een vindplaats in het verweerschrift van EZ wordt in de PI, nr. 50 overigens niet vermeld bij dat citaat. Kennelijk (zie ook het citaat in het verweerschrift in cassatie van EZ, nr. 3.9) gaat het om de volgende passage in nr. 5.2.1 van dat verweerschrift: “De Minister mengt zich in beginsel niet in vennootschappelijke verhoudingen en stelt zich ten aanzien van geschillen hierover terughoudend op. Mede vanwege het gegeven Bevel heeft de Minister een belang om in deze procedure te verschijnen. De Minister komt daarom als belanghebbende in onderhavige procedure op en ziet in de huidige situatie aanleiding de verzoeken van Nexperia c.s. (zoals uiteengezet in hoofdstuk 5.1 hiervóór) tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen en het gelasten van een onderzoek naar haar beleid en gang van zaken te steunen.” [cursivering toegevoegd, A-G]
Zie ook het verweerschrift in cassatie van EZ, nr. 2.20.
Zie het verweerschrift van EZ, nr. 1.4 (ook opgenomen in het verweerschrift in cassatie van EZ, nr. 3.9): “Ingrijpen door uw Ondernemingskamer is voorts in het belang van Nexperia c.s. - en daarmee in het belang van de Nederlandse economische veiligheid - omdat dit de onderneming in staat zal stellen om zonder belangenconflicten haar strategie verder te ontwikkelen en de huidige geopolitieke uitdagingen het hoofd te bieden. De Minister heeft in de gesprekken die hij gedurende de afgelopen 1,5 jaar met Nexperia c.s. heeft gevoerd inmiddels ervaren dat zonder uw ingrijpen twijfelachtig is of de onderneming daartoe in staat is c.q. wordt gesteld. Zo heeft Nexperia c.s. om onduidelijke redenen geen gevolg gegeven aan concrete afspraken met de Minister over een herziening van de governance die (ook) door haarzelf van strategisch belang werd geacht, met als (voorspelbaar) gevolg dat Nexperia c.s. inmiddels is getroffen door Amerikaanse zware exportcontroleregels en daardoor hard zal worden geraakt.”
Zie bijv. de uitgewerkte beschikking, rov. 2.1: “De klachten hebben onder meer betrekking op de implementatie van de afspraken met EZ tegen de achtergrond van de groeiende risico’s dat Nexperia zou worden onderworpen aan de 50%-rule.”
Zie in deze zin inmiddels eveneens de eerstefasebeschikking, rov. 3.4, waaruit kort gezegd blijkt dat de OK ook van oordeel is dat EZ gelet op het onderwerp van de gesprekken van Nexperia met EZ vanaf eind 2023 over herziening van de governance van Nexperia in ieder geval als ‘tweede kring’-belanghebbende is aan te merken.
Zie HR 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9440, NJ 2003/486, rov. 3.3.3 (“Gelet op de zo-even vermelde maatstaf [rov. 3.3.2, hiervoor geciteerd, A-G] en op het doel van een enquêteprocedure, moet worden aangenomen dat de voormalige bestuurder van de rechtspersoon (…) als belanghebbende kan worden aangemerkt. (…)” [cursivering toegevoegd, A-G]). In de PI, noot 48 wordt niet alleen verwezen naar rov. 3.3.2, maar ook naar rov. 3.3.3.
Zie bijv. HR 10 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1234, NJ 1990/466, rov. 4.1.
Zie ook het verweerschrift in cassatie van EZ, nrs. 2.30-2.31.
Zie bijv. ook B.J. Blok & G.C. Makkink, ‘Belanghebbendenbegrip’, in: Handboek Enquêterecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 387-388: “Buiten die kring [de ‘eerste kring’, A-G] biedt het Scheipar-criterium ruimte voor maatwerk. In gevallen waarin een verzoek van een betrokkene om als belanghebbende te worden aangemerkt door geen van partijen wordt weersproken en de Ondernemingskamer - kennelijk - vindt dat aan het Scheipar-criterium is voldaan, wordt de betrokkene veelal zonder nadere motivering toegelaten. Waar de status van betrokkenen als belanghebbende wel in het geding is, toetst de Ondernemingskamer expliciet aan het Scheipar-criterium.”
Zie de eerstefasebeschikking, rov. 3.1: “In beschikking 1 [de ex parte-beschikking, A-G] heeft de Ondernemingskamer de Staat aangemerkt als belanghebbende. Yuching stelt die hoedanigheid ter discussie. (…).”
Zie voor die motivering met name de eerstefasebeschikking, rov. 3.4.
Daarbij wordt - in de PI, noot 49 - via “Vgl.” verwezen naar HR 25 oktober 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0387, NJ 1992/149, zonder nadere aanduiding van een ter zake relevante rechtsoverweging in die Hoge Raad-uitspraak. Het is mij niet duidelijk waar het subonderdeel naartoe wil met die verwijzing.
Onder verwijzing naar bijlage 1 bij het verzoekschrift van Nexperia. Ik merk op dat niet wordt aangegeven waar dit citaat in het (23 pagina’s tellende) bevel is opgenomen. Kennelijk heeft de klacht het oog op de volgende passage op p. 20 van het bevel: “Ten eerste stel ik [de minister, A-G] vast dat het openbaar belang dat gediend wordt met dit bevel groot is. (…) Ik verwijs kortheidshalve naar hetgeen ik hierboven uiteengezet heb over de dreiging voor de economische veiligheid.”
Onder verwijzing naar (“Vgl.) Hof Amsterdam (OK) 25 augustus 2010 (in de PI, noot 51 en op rechtspraak.nl volgens mij abusievelijk gedateerd op 25 augustus 2013), ECLI:NL:GHAMS:2013:4742, rov. 2.4.
Zie hierover in algemene zin bijv. M.E. de Meijer, Het openbaar ministerie in civiele zaken (diss. Rotterdam), Deventer: Kluwer 2003. Boek 2 BW bevat meer van dergelijke civielrechtelijke bevoegdheden voor het openbaar ministerie. Zie hierover bijv. mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:593) voor HR 13 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1789, RvdW 2020/1205, onder 2.16 en noot 88 aldaar.
Zie Kamerstukken II 1967/68, 9596, 3, p. 7: “Teneinde de bijzondere positie van de procureur-generaal in deze privaatrechtelijke materie te doen uitkomen, leek het wenselijk om, evenals in artikel 1 Faillissementswet geschiedt, uitdrukkelijk te bepalen dat hij optreedt wanneer het openbaar belang dit vereist, en dus niet om zuiver particuliere belangen te dienen.”
Zie P.J. Verdam e.a., Herziening van het ondernemingsrecht. Rapport van de Commissie ingesteld bij beschikking van de Minister van Justitie van 8 april 1960, ’s-Gravenhage: Staatsuitgeverij 1965, p. 65. Dit citaat uit het rapport van de commissie-Verdam is ook opgenomen in Kamerstukken II 1967/68, 9596, 3, p. 5, waarbij in noot 1 aldaar wordt opgemerkt dat in vergelijking met het voorstel van de commissie-Verdam “[h]et wetontwerp (…) te dezen een meer beperkte formulering heeft.” Zie (met betrekking tot dezelfde clausulering in de jaarrekeningprocedure) in deze zin ook HR 5 september 1990, ECLI:NL:HR:1990:AB9154, NJ 1991/62, rov. 4.2 (onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis aangehaald in de conclusie van A-G Verburg voor deze Hoge Raad-uitspraak, zie onder 11-15 aldaar). Zie over de totstandkoming van de enquêtebevoegdheid van de A-G bij het ressortsparket verder bijv. Spruitenburg 2022, p. 289-290.
Zie bijv. Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, p. 8: “Ik meen dat het goed is de bestaande regeling te handhaven, omdat de mogelijkheid om op te treden om redenen van openbaar belang een belangrijke aanvulling is, bijvoorbeeld in het geval een bepaalde partij zelf geen toegang heeft tot de enquêteprocedure en voorts het openbaar belang in het geding is.”
Zie voor 2:349a BW ook onder 4.67-4.68 hierna. Art. 2:355 BW betreft de bevoegdheid van de oorspronkelijke verzoekers en andere enquêtegerechtigden (onder wie, maar niet beperkt tot, de A-G bij het ressortsparket) om in de tweede fase van de enquêteprocedure eindvoorzieningen (als bedoeld in art. 2:356 BW) te verzoeken indien uit het onderzoekverslag is gebleken van wanbeleid. Zie over art. 2:349a en 2:355 BW in dit verband ook de eerstefasebeschikking, rov. 3.2.
Zie over dat laatste bijv. ook de conclusie van A-G Timmerman (ECLI:NL:PHR:2019:1058) voor HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:479, RvdW 2020/499, onder 3.13.
Zie Kamerstukken II 1967/68, 9596, 3, p. 4.
Zie bijv. ook de conclusie van A-G Timmerman (ECLI:NL:PHR:2019:1058) voor HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:479, RvdW 2020/499, onder 3.19.
Zie bijv. HR 23 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1056, NJ 2012/393, rov. 4.1.3.
Zie bijv. de conclusie van A-G Timmerman (ECLI:NL:PHR:2019:1058) voor HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:479, RvdW 2020/499, onder 3.19.
Zie Hof Amsterdam (OK) 4 juli 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2716, rov. 1.5.
Zie Hof Amsterdam (OK) 4 juli 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2716, rov. 3.5.
Op de voet van art. 2:346 lid 1, aanhef en onder d BW in verbinding met art. 2:346 lid 2 BW door de raad van toezicht van de stichting. Zie Hof Amsterdam (OK) 4 juli 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2716, rov. 1.2.
Overigens zijn in de literatuur wel voorstellen gedaan om de kring van enquêtegerechtigden uit te breiden tot organisaties die opkomen voor bepaalde collectieve of maatschappelijke belangen. Zie bijv. in deze richting met een concreet voorstel voor een nieuw art. 2:347a BW K.A.M. van Vught, ‘De maatschappelijke enquête herrezen. Over een enquêtebevoegdheid voor maatschappelijke organisaties’, Ondernemingsrecht 2021/91. De achtergrond hiervan is onder meer dat de A-G bij het ressortsparket zelden gebruik maakt van zijn enquêtebevoegdheid ex art. 2:345 lid 2 BW. Zie (meest) recent Hof Amsterdam (OK) 3 november 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:3139. Daarvóór was het meer dan twintig jaar geleden dat de A-G bij het ressortsparket van de bevoegdheid ex art. 2:345 lid 2 BW gebruik had gemaakt. Zie Hof Amsterdam (OK) 26 oktober 2000, JOR 2000/240 (geen ECLI beschikbaar). Ik kan dit voorstel tot uitbreiding van de kring van enquêtegerechtigden hier verder laten rusten.
Zie Hof Amsterdam (OK) 4 juli 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2716, rov. 3.2.
Zie Hof Amsterdam (OK) 4 juli 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2716, rov. 3.3.-3.4.
Zie Hof Amsterdam (OK) 4 juli 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2716, rov. 3.5, onder verwijzing naar HR 23 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1056, NJ 2012/393.
Zie bijv. ook Kamerstukken II 2011/12, 32887, 6, p. 5: “Indien reeds door een andere partij om een enquête is verzocht, kan ik mij voorstellen dat de advocaat-generaal minder aanleiding ziet om ook zelf een verzoek in te dienen.” Voor de goede orde merk ik op dat de A-G bij het ressortsparket wel nog steeds bevoegd zou zijn om zich om redenen van openbaar belang in een reeds aanhangige enquêteprocedure te mengen. Zie bijv. HR 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8832, NJ 2002/226, rov. 3.2. Daaruit wordt wel afgeleid dat de enquêtebevoegdheid van die A-G geen subsidiair karakter heeft, in de zin dat die A-G alleen van zijn bevoegdheid gebruik zou kunnen maken indien enquêtegerechtigden als bedoeld in art. 2:346-347 BW blijven stilzitten. Zie hierover bijv. Spruitenburg 2022, p. 299-300. Tot een frequenter gebruik van de bevoegdheid ex art. 2:345 lid 2 BW heeft dit overigens niet geleid (zie ook noot 196 hiervoor).
Ik citeer: “Indien de rechtspersoon wegens het bedrijf dat hij uitoefent, is onderworpen aan het toezicht van De Nederlandsche Bank N.V., de Stichting Autoriteit Financiële Markten of de Europese Centrale Bank, doet de griffier een afschrift van het verzoekschrift ook aan de toezichthoudende instelling toekomen.” Overigens beroept de klacht zich niet op deze bepaling.
Ik citeer: “In het geval, bedoeld in artikel 348, neemt de ondernemingskamer geen beslissing, alvorens de in dat artikel genoemde, op de rechtspersoon toezichthoudende instelling in de gelegenheid te hebben gesteld over het verzoek te worden gehoord.” Overigens beroept de klacht zich evenmin op deze bepaling.
Zie bijv. ook Blok & Makkink 2022, p. 385-386: “Ook buiten de reikwijdte van deze bepalingen [art. 2:348 en 2:355 BW, A-G] kan een toezichthoudende instantie een belanghebbende zijn.”
Zie bijv. ook HR 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:20212:BU5613, NJ 2012/61, rov. 3.3.3: “(…) De overheid handelt steeds ter uitvoering van haar publieke taak, ook indien zij rechtshandelingen naar burgerlijk recht verricht. (…).”
Zie noot 182 hiervoor.
Zie al Hof Amsterdam (OK) 24 november 2008, ECLI:NL:GHAMS:2008:BG5150, kop en rov. 1.4.
Zie Hof Amsterdam (OK) 10 juni 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BM8183, rov. 3.
Zie over dit onderscheid tussen ‘inzagebelanghebbenden’ en ‘282 Rv belanghebbenden’ bijv. ook F.G.K. Overkleeft, ‘Inzage, geheimhouding en gebruik van het onderzoeksverslag’, in: Handboek Enquêterecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 661-664. Overigens signaleert Overkleeft aldaar dat de OK in latere beschikkingen een betere maatstaf voor inzagebelanghebbenden heeft geformuleerd (onder verwijzing naar Hof Amsterdam (OK) 9 december 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:5514, rov. 2.8), en merkt hij op dat de OK de algemene maatstaf in de Fortis-beschikking van 25 augustus 2010 “wat al te rigide toepaste”.
Zie Hof Amsterdam (OK) 25 augustus 2010 (op rechtspraak.nl volgens mij abusievelijk gedateerd op 25 augustus 2013), ECLI:NL:GHAMS:2013:4742, rov. 2.4.
Zie noot 181 hiervoor.
Met als opschrift: “Optreden van de Staat als belanghebbende onderhevig aan “doorkruisingsleer”; onaanvaardbare doorkruising van het bestuursrechtelijk kader”.
Onder verwijzing naar de Windmill-uitspraak, ofwel HR 26 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC0965, NJ 1991/393.
De PI, nrs. 53 en 54-62 hebben als opschrift: “Doorkruisingsrechtspraak geldt ook voor optreden door Staat als belanghebbende in een enquêteprocedure”, respectievelijk: “Van onaanvaardbare doorkruising van het bestuursrechtelijk kader van de Wbg en titel 5.1 t/m 5.3 Awb is sprake”.
Zo bijv. ook Geerts 2022, art. 2:349a BW, aant. 3.4.1.9 op, naar aanleiding van het onder 4.68 hiervoor besproken voorbeeld uit de OK-rechtspraak.
In zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2024:266) voor HR 24 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:742, NJ 2024/183. Ik neem de noten uit het origineel niet over.
Zie Stb. 1952, 407. Het bevel, dat als gezegd is overgelegd als productie 1 bij het verzoekschrift van Nexperia, is gegrond op art. 2 Wbg. Zie hierover bijv. ook P.R. van den Berghe, ‘Nood breekt wet. Inzichten in en over overheidsingrijpen bij oorlog’, in: Onderneming en oorlogsdreiging, Zutphen: Uitgeverij Paris 2024, p. 211: “Op grond van deze wet [art. 2 lid 1 Wbg, A-G] is iedere minister, indien dit naar zijn oordeel noodzakelijk is ter verzekering van het beschikbaar blijven van goederen ter voorbereiding op noodsituaties, bevoegd aan de rechthebbende bij algemeen of bijzonder bevel te gelasten dat bepaalde goederen ongewijzigd moeten blijven of juist gewijzigd moeten worden of een goed niet mag worden gebruikt of verwerkt zonder vergunning. (…) Opmerkelijk is overigens dat de Wet beschikbaarheid goederen al inzetbaar is ter voorbereiding op noodsituaties [art. 2, lid 1, aanhef, Wbg].” Voor de goede orde merk ik op dat in de onderhavige zaak uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025 kenbaar is dat Van den Berghe namens EZ ter zitting bij de OK is verschenen en het woord heeft gevoerd.
Oorspronkelijk luidde art. 8 lid 1 Wbg: “Onze Minister, die een bevel heeft gegeven of doen geven, kan op kosten van de overtreder doen wegnemen, beletten, verrichten of in de vorige toestand doen herstellen, zonodig met gebruikmaking van alle de overtreder ten dienste staande goederen, productiemiddelen, bedrijfsinstallaties en -benodigdheden en vervoermiddelen, hetgeen in strijd met een bevel is of wordt verricht of nagelaten. (…).” In het kader van de invoering van de Awb is dat een last onder bestuursdwang als bedoeld in art. 5:21 Awb geworden. Art. 8 lid 1 Wbg luidt thans: “Onze Minister, die een bevel heeft gegeven of doen geven, is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen.” Deze wijziging van art. 8 Wbg is kort als volgt toegelicht in de memorie van toelichting bij de Aanpassingswet derde tranche Awb I: “157, model 38. Onder de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang is begrepen de bestaande mogelijkheid dat bestuursdwang kan worden uitgevoerd met gebruikmaking van alle goederen, productiemiddelen, bedrijfsinstallaties, bedrijfsbenodigdheden en vervoermiddelen van degene tot wie het bevel gericht is.” Zie Kamerstukken II 1996/97, 25280, 3, p. 92. “157, model 38” houdt het volgende in blijkens Kamerstukken II 1996/97, 25280, 3, p. 47: “157. Model 38: toekenning bestuursdwangbevoegdheid ... (aanduiding bestuursorgaan) is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van ...(aanduiding desbetreffende verplichtingen). Dit model stelt buiten twijfel dat de bepalingen van afdeling 5.3 van toepassing zijn.”
Zie ook het bevel, p. 6-7: “Niet-nakoming van het bevel krachtens artikel 2 Wbg (…) is strafbaar (artikel 9 eerste tot en met derde lid, Wbg). Ter handhaving van de bij het bevel gestelde verplichtingen ben ik eveneens bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang (artikel 8, eerste lid, Wbg).”
Zie art. 2 lid 1, aanhef Wbg: “ter verzekering van het beschikbaar blijven van goederen ter voorbereiding op noodsituaties.” Zie ook het bevel, p. 7: “Ik wil met dit bevel voorkomen dat de cruciale bedrijfs- en productiegoederen en vermogensrechten zullen worden verplaatst naar een of meer derde landen buiten de Europese Unie. Hiermee zou een tekort aan chips (moedwillig) kunnen ontstaan en daarmee ook een onaanvaardbare strategische afhankelijkheid van één of meer buitenlandse mogendheden.”
Zie Kamerstukken II 1951/52, 2419, 9, p. 30.
Toevoeging A-G: zie ook de toelichting op art. 7 Wbg op dezelfde pagina (zie de vorige noot) over controle op de naleving van een bevel op grond van art. 2 Wbg: “[V]oor het met de wet beoogde doel [zal een geregelde controle op de naleving van een bevel, A-G] meer effect opleveren dan de opsporing van overtredingen, wanneer de voorwerpen reeds verdwenen kunnen zijn. Uit dien hoofde dient bij de contrôle de nadruk te worden gelegd op de preventie.”
Eerder in het verweerschrift van EZ, in nr. 3.6, is dit vermoeden onder meer als volgt toegelicht: “De machtsstrijd binnen de onderneming is namelijk direct nadat het Bevel werd gegeven verder tot uiting gekomen. Zo werden door een statutair-bestuurder instructies rondom de naleving van het Bevel gegeven die namens de andere statutair-bestuurder (dus niet door hemzelf) werden tegengesproken c.q. ingetrokken (zie bijlagen 062 en 063 bij het verzoekschrift). De onduidelijkheid rondom de zeggenschap binnen de onderneming versterkte de - bij de Minister reeds bestaande - zorg dat de strafbaarstelling van niet-naleving van het Bevel onvoldoende zal zijn om te garanderen dat het Bevel wordt nageleefd, met hoogstwaarschijnlijk onomkeerbare gevolgen voor de economische veiligheid van Nederland en Europa.”
Zie bijv. de annotatie van H.Ph.J.A.M. Hennekens onder de Windmill-uitspraak (zie noot 212 hiervoor) in AB Klassiek 2009/15.
Dit is een relevant gezichtspunt volgens HR 26 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC0965, NJ 1991/393, rov. 3.2.
Zie in deze zin ook de eerstefasebeschikking, rov. 3.4.
Zie HR 26 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC0965, NJ 1991/393, rov. 3.2.
Zie ook de brief van EZ van 1 oktober 2025, p. 2 (“De Minister steunt de verzoeken van Nexperia c.s. dan ook (…)” en het verweerschrift van EZ, nr. 6.1 (“De Minister concludeert tot toewijzing van de verzoeken van Nexperia c.s.”).
Zie ook Geerts 2022, art. 2:349a BW, aant. 3.4.1.9. Overigens geldt het omgekeerde volgens mij niet zonder meer. Indien niet Nexperia, maar (alleen) EZ als belanghebbende bij wijze van zelfstandig verzoek op de voet van art. 282 lid 4 Rv had verzocht om onmiddellijke voorzieningen op de voet van art. 2:349a BW, zou ik dat ook niet zonder meer als een onaanvaardbare doorkruising van het bestuursrechtelijke kader willen aanmerken (zie ook onder 4.75-4.78 hiervoor). Bovendien zou EZ in dat geval door zich te wenden tot de A-G bij het ressortsparket hetzelfde resultaat hebben kunnen bereiken, nu het openbaar belang evident in het geding was.
Onder verwijzing naar de spreekaantekeningen van Yuching, nrs. 8-11, 18 en (“vgl.”) de spreekaantekeningen van [bestuurder/CEO] , nr. 141 in samenhang met nrs. 26, 103-110, 136-139.
Zie de PI, noot 53. Ik neem de noten uit het origineel niet over.
Zie bijv. ook HR 7 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1473, NJ 1995/719, rov. 4.4.
Zie bijv. N. du Bois & R.M. Hermans, ‘Gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid of juiste gang van zaken’, in: Handboek Enquêterecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 440-441.
Zo ook bijv. J.M. de Jongh, ‘Een geschiedenis van het enquêterecht’, in: Handboek Enquêterecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 22 (“een dubbel voorlopig oordeel dus”). Voor de goede orde merk ik op dat De Jongh als raadsheer deel uitmaakt van de combinatie die de vijf bestreden OK-beschikkingen in de onderhavige zaak heeft gegeven.
Zie bijv. Kamerstukken II 2011/12, 32887, 6, p. 24.
Zie hierover nader bijv. mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:925), onder 3.4, met verwijzingen, in de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is geweest onder zaaknummer 20/00337.
Zie HR 14 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3523, NJ 2008/105, rov. 3.6. Zie voordien bijv. P.G.F.A. Geerts, ‘Kroniek enquêterecht 2005’, in: Geschriften vanwege de Verenging Corporate Litigation 2005-2006, Deventer: Kluwer 2006, p. 53-54.
Zie Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, p. 33. De DSM-uitspraak wordt aldaar aangehaald op p. 32.
Zie Kamerstukken II 2011/12, 32887, 6, p. 23.
Zie Kamerstukken II 2011/12, 32887, 6, p. 24. Met de bij nota van wijziging aangepaste formulering van art. 2:349a lid 3 BW wordt terugverwezen naar Kamerstukken II 2011/12, 32887, 6, p. 23. Zie voor deze nota van wijziging Kamerstukken II 2011/12, 32887, 7.
Zie noot 106 hiervoor.
Zie zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:1975:AB5277) voor HR 19 maart 1975, ECLI:NL:HR:1975:AB5277, NJ 1976/267.
Toevoeging A-G: in het voorgaande citeert A-G Van Soest onder meer uit het SER-advies inzake het enquêterecht, 19 mei 1967, uitgaven van de SER, 1967, no. 5, p. 7 (“Het systeem brengt met zich mede dat de feitelijke grondslag van de procedure van den beginne af aan dezelfde is: hij is reeds in de bezwaren die de verzoekers schriftelijk aan directie en commissarissen kenbaar maken, te vinden. De waardering van die feiten verandert in de loop der procedure. De bezwaren van (….) [thans art. 2:349 lid 1 BW, A-G], zijn een eenzijdige waardering van de feiten door de betrokken partij. De uitspraak van de Ondernemingskamer ex (…) [thans art. 2:350 lid 1 BW, A-G]), dat er gegronde redenen bestaan om aan een juist beleid en een goede gang van zaken te twijfelen, is een voorlopige waardering van de Ondernemingskamer over dezelfde feiten, echter slechts gebaseerd op summiere gegevens. Komt het zover dat er voorzieningen getroffen moeten worden op grond van (…) [thans art. 2:355-356 BW, A-G] dan is de Ondernemingskamer aan de hand van het ingestelde onderzoek in staat te verklaren dat de feiten die eerst tot subjectieve bezwaren, later tot objectieve twijfel aan een juist beleid of een goede gang van zaken aanleiding gaven, al dan niet door wanbeleid veroorzaakt zijn”). Verder wijst A-G Van Soest erop dat de minister deze opvatting van de SER, waaruit een voortschrijdend proces blijkt dat ook tot uitdrukking is gebracht in de wettelijke terminologie, heeft onderschreven in Kamerstukken II 1967/68, 9596, 3, p. 6-7.
Toevoeging A-G: zie hierover recent ook HR 13 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:403, JOR 2026/67, rov. 3.2.
Toevoeging A-G: dit citaat is niet afkomstig uit de memorie van toelichting (Kamerstukken II 1967/68, 9596, 3), maar uit de memorie van antwoord, zie Kamerstukken II 1968/69, 9596, 6, p. 13.
Toevoeging A-G: zie nadien bijv. ook HR 11 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:AC1918, NJ 1992/459, rov. 3.
Zie bijv. ook (in het kader van art. 2:350 lid 1 BW) Asser/J.M.M. Maeijer/G. van Solinge & M.P. Nieuwe Weme, De naamloze en besloten vennootschap (2-II*), Deventer: Kluwer 2009, nr. 753.
Zie bijv. Winters 2022, p. 111-112, onder verwijzing (in noot 91 aldaar) naar een uitspraak in kort geding: HR 15 maart 1968, ECLI:NL:HR:1968:AB4858, NJ 1968/228, waarin de Hoge Raad overwoog “dat bij de berechting van zaken in kort geding het in de artikelen 103 en 199 Rv. gegeven imperatieve voorschrift tot het bevelen van een getuigenverhoor bij het vervuld zijn van de in die artikelen omschreven voorwaarden, in verband met het spoedeisend karakter van het kort geding toepassing mist; dat zulks medebrengt, dat het in zodanige zaken aan het beleid van de rechter die over de feiten oordeelt is overgelaten, of hij op een aanbod om zekere feiten door middel van getuigen te bewijzen zal ingaan, en dat hij, indien hij daarvoor geen termen aanwezig acht, een zodanig gedaan bewijsaanbod zonder uitdrukkelijke en met redenen omklede beslissing kan passeren; dat in deze zaken de rechter op dezelfde wijze mag handelen, wanneer het gaat om een bewijsaanbod zonder vermelding van de te bezigen bewijsmiddelen; (…).” Zie hierover nader bijv. Asser Procesrecht/Boonekamp 2024, nr. 115. Zie verder ook Van Wees 2022, p. 519: “In de eerste fase, het verzoek om een onderzoek [en ook het verzoek om onmiddellijke voorzieningen te treffen, A-G], is sprake van een voorlopige feitenvaststelling en ook de aard van de procedure - de spoedeisendheid - brengt eveneens het uitsluiten van art. 284 Rv met zich mee.”
Zie HR 8 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5010, NJ 2006/443, rov. 3.9 (geen recht voor commissarissen om tegenbewijs te leveren tegen voor hen nadelige onderzoeksbevindingen).
Zie Asser Procesrecht/Boonekamp 2024, nr. 113. Ik neem de noten uit het origineel niet over.
Zo lees ik bijv. ook (in het kader van art. 2:350 lid 1 BW) Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2009, nr. 753, onder verwijzing naar HR 11 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:AC1918, NJ 1992/459.
Met als opschrift: “Zorgvuldigheidstoets bij mogelijk tegenstrijdig belang”.
Met als opschrift: “De Ondernemingskamer past de rechtsregels in r.o. 3.17 niet toe in r.o. 3.18”.
Onder verwijzing naar de annotatie van A.F.J.A. Leijten in JOR 2025/259 (nr. 12).
Zie Hof Amsterdam (OK) 26 mei 1983, ECLI:NL:GHAMS:1983:AC8007, NJ 1984/481. In rov. 4 van die beschikking heeft de OK overwogen: “(…) Bij haar overwegingen, waarbij wel met het aspect [van een tegenstrijdig belang, A-G] wordt rekening gehouden, stelt de Ondernemingskamer voorop dat in Nederland aan de materie van het tegenstrijdig belang weinig aandacht is besteed. Dit heeft tot gevolg gehad dat aan betrokkenen een gedragslijn waarnaar zij zich konden richten heeft ontbroken. Bij een tegenstrijdig belang is het van grote betekenis dat de te onderscheiden belangen op zorgvuldige wijze gescheiden worden gehouden. Het betrachten van een zo groot mogelijke openheid is daarvoor een waarborg. Inschakeling van deskundige derden kan gewenst en onder omstandigheden geboden zijn. (…).”
In de woorden van annotator A.F.J.A. Leijten in JOR 2025/259 (nr. 12), waarop de klacht zich beroept (zie noot 253 hiervoor): “(…) De OK stelt niet vast dat [bestuurder/CEO] de onthoudingsregel heeft geschonden. Het is de OK wel gebleken dat [bestuurder/CEO] erop heeft aangedrongen dat Nexperia 215.000 wafers bij WSS zou bestellen, dat hij ‘wilde’ dat maandelijks 5.000 wafers werden besteld, terwijl Nexperia er maar 400 nodig had en dat ‘op aandringen’ van [bestuurder/CEO] Nexperia bij elke bestelling 70% van de koopprijs vooraf moet betalen (r.o. 3.18). Ik vermoed dat dit aandringen niet in formele bestuursvergaderingen heeft plaatsgevonden. Naar mijn mening is het aan te bevelen dat ook bij informele besluitvorming uit documentatie blijkt dat de onthoudingsregel materieel is nageleefd. Dat is blijkens het aandringen door [bestuurder/CEO] niet het geval geweest. Deze omissie kan leiden tot interne aansprakelijkheid van [bestuurder/CEO] voor de schade als gevolg van de onnodige orders. (…).”
Zo ook het vervolg van de annotatie van A.F.J.A. Leijten in JOR 2025/259 (nr. 12) (zie noot 253 hiervoor): “De OK had een schending van de wettelijke onthoudingsregel overigens niet nodig om conform de Linders/Hofstee-regels vast te stellen dat haar niet was gebleken dat bij het plaatsen van de orders de vereiste zorgvuldigheid bij tegenstrijdig belang in acht is genomen om te waarborgen dat de transactie geschiedt onder redelijke en marktconforme voorwaarden en zakelijk verantwoord is.” Zie bijv. ook J.B. Wezeman, ‘Geconflicteerde bestuurders in het enquêterecht’, O&F 2026, afl. 1, p. 26: “De OK heeft de afgelopen decennia met name voor bestuurders een aantal gedragsregels geformuleerd (de (…) ‘Linders/Hofstee-regels’) waaraan deze zich binnen de organisatie van de vennootschap in tegenstrijdigbelangsituaties dienen te houden. Deze regels leiden in de kern tot een op het bestuur rustende bijzondere verplichting ervoor te zorgen dat ook in een soms niet te voorkomen tegenstrijdigbelangsituatie het behartigen van het vennootschappelijk belang bij bestuurshandelingen vooropstaat. In ieder geval moet ‘ontoelaatbare verstrengeling van belangen’ worden voorkomen, zoals de Hoge Raad het heeft uitgedrukt in de bekende Zwagerman-beschikking. [met in een noot verwijzing naar HR 1 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9857, NJ 2002/296, rov. 3.4, A-G] De OK kan mogelijke schendingen van die gedragsregels in de eerstefasebeschikking in een enquêteprocedure aanmerken als gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid of juiste gang van zaken zoals bedoeld in art. 2:350 Burgerlijk Wetboek (BW). Is ‘aan gerede twijfel onderhevig’ of de Linders/Hofstee-regels zijn nageleefd, dan kan een enquêteverzoek worden toegewezen.” Hieraan valt toe te voegen dat mogelijke schendingen van de Linders/Hofstee-regels ook grond kunnen vormen voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen als bedoeld in art. 2:349a lid 3 BW (op basis van het (dubbel) voorlopig oordeel van de OK dat daarmee sprake is van gegronde reden om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen).
Met als opschrift: “Drie motiveringsklachten over r.o. 3.18”.
Zie noot 254 hiervoor.
Zie het verzoekschrift van Nexperia, nrs. 92-97 (onder het opschrift “Artificieel hoge orders”).
Zie de vorige noot (bijv. nr. 97: “(…) Tijdens deze bijeenkomst is aan [bestuurder/CEO] voorgehouden dat hij geconflicteerd is. [bestuurder/CEO] heeft deze bezwaren echter naast zich neergelegd”) en verder bijv. de spreekaantekeningen van Nexperia, nr. 26: “Een van de belangrijke issues in deze zaak is nu juist dat er zich een patroon voordoet waarbij met WSS niet at arm’s length wordt gehandeld. Er is sprake van een patroon van belangenverstrengeling en handelingen in strijd met het vennootschapsbelang. Dát is, zoals ook toegelicht in het verzoekschrift, de uiteindelijke oorzaak van de huidige situatie en daarmee ook van het enquêteverzoek. In het verweerschrift [van Yuching, A-G] wordt hier nauwelijks op ingegaan. (…).”
Zie de eerstefasebeschikking, rov. 3.15.
Onder verwijzing naar de spreekaantekeningen van [bestuurder/CEO] , nrs. 70-72.
Zie hierover de uitgewerkte beschikking, rov. 3.17, in cassatie onbestreden: “Het voorlopig oordeel heeft in de eerste plaats betrekking op tegenstrijdig belang. In dit verband memoreert de Ondernemingskamer dat een tegenstrijdig belang als bedoeld in artikel 2:239 lid 6 BW zich voordoet indien een bestuurder te maken heeft met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen uitsluitend laat leiden door het belang van de vennootschap en haar onderneming (vgl. HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0033, Bruil). De vraag of een tegenstrijdig belang bestaat moet worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Bij aanwezigheid van een tegenstrijdig belang is een hogere mate van zorgvuldigheid vereist in de voorbereiding, besluitvorming en uitvoering van de transactie. Daarbij moeten de te onderscheiden belangen op zorgvuldige wijze gescheiden worden gehouden en dient een zo groot mogelijke openheid te worden betracht. De verhoogde zorgvuldigheid dient in beginsel erop te zijn gericht dat de transactie geschiedt onder redelijke en marktconforme voorwaarden zodat deze zakelijk verantwoord is. Daartoe kan inschakeling van deskundige derden gewenst en onder omstandigheden geboden zijn. Indien in het bestuur beraadslaging en/of besluitvorming plaatsvindt waarbij een bestuurder een tegenstrijdig belang heeft, dient deze zich op de voet van artikel 2:239 lid 6 BW van deelname te onthouden.” Zie overigens recent ook HR 10 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:592, RvdW 2026/514, rov. 3.2.1-3.2.3.
Ik citeer de vooropstelling van de OK aldaar: “ [bestuurder/CEO] heeft een indirect belang in Nexperia van ongeveer 15%. Tegelijk heeft hij een controlerend belang in WSS. Dat betekent dat [bestuurder/CEO] ten aanzien van transacties tussen Nexperia en WSS te maken heeft met onverenigbare belangen waarbij, zeker nu de financiële positie van WSS slecht is, in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen als bestuurder van Nexperia uitsluitend laat leiden door het belang van Nexperia en haar onderneming.”
En het vervolg: “Tussen Nexperia en WSS zijn in de FSA afspraken gemaakt over wafers die door WSS zouden worden geproduceerd en aan Nexperia zouden worden geleverd. Nexperia heeft uitvoerig onderbouwd dat in 2025 zeer grote orders bij WSS werden geplaatst, in een omvang die Nexperia niet nodig heeft en die zelfs - volgens medewerkers van Nexperia - werden geplaatst for scrap (voor vernietiging). Volgens een interne inschatting van 8 mei 2025 zou het bedrijfsonderdeel Metal-Oxide-Semiconductor in 25Q2, 25Q3 en 25Q4 in totaal 98.400 wafers nodig hebben. [bestuurder/CEO] drong er evenwel op aan dat Nexperia voor dit bedrijfsonderdeel 215.000 wafers bij WSS zou bestellen. Terwijl bedrijfsonderdeel Logic verwachtte maandelijks 400 wafers nodig te hebben, wilde [bestuurder/CEO] dat maandelijks 5.000 wafers bij WSS zouden worden besteld. De door [bestuurder/CEO] gewenste orders bij WSS voor 2025 kwamen daarmee uit op US$ 200 miljoen, terwijl de behoefte van de business zou leiden tot orders ter grootte van US$ 70-80 miljoen. Volgens interne berichten zou dit betekenen dat de door WSS te leveren wafers niet verwerkt zullen worden, maar zolang op voorraad zullen worden gehouden dat ze verouderd zijn voordat ze gebruikt kunnen worden, zodat Nexperia de orders feitelijk for scrap zou plaatsen. De Ondernemingskamer is niet gebleken dat bij het plaatsen van de orders de vereiste verhoogde zorgvuldigheid bij tegenstrijdig belang in acht is genomen om te waarborgen dat de transactie geschiedt onder redelijke en marktconforme voorwaarden en zakelijk verantwoord is. Integendeel, Nexperia heeft voldoende onderbouwd dat betwijfeld kan worden dat [bestuurder/CEO] bij het plaatsen van deze orders uitsluitend het belang van Nexperia voor ogen heeft gehad en niet met name ook dat van WSS. Het gaat daarbij niet om geringe bedragen: volgens Nexperia had zij in 2025 behoefte aan wafers voor een totaalbedrag van US$ 70-80 miljoen, terwijl voor US$ 200 miljoen aan orders is geplaatst. Bij dit alles moet worden bedacht dat de FSA op aandringen van [bestuurder/CEO] met ingang van 1 januari 2025 aldus is gewijzigd, dat zij bij elke bestelling 70% van de koopprijs vooraf moet betalen.”
Onder verwijzing naar het verzoekschrift van Nexperia, nr. 94.
Overgelegd als productie 29 bij het verzoekschrift van Nexperia en geciteerd in nr. 94 van het verzoekschrift van Nexperia (zie voor het desbetreffende citaat ook de PI, nr. 72).
Zie bijv. ook het citaat uit een interne e-mail (niet-anoniem en onder vermelding van een datum), overgelegd als productie 30 bij het verzoekschrift van Nexperia, waaruit wordt geciteerd in het verzoekschrift van Nexperia, nr. 95 en waaruit volgens Nexperia blijkt dat “de door [bestuurder/CEO] voorgestane maandelijkse order binnen één jaar zou kunnen voorzien in de demand voor drie jaren”. En verder de weergave van een bespreking van een EMT-vergadering in het verzoekschrift van Nexperia, nr. 97, bij welke gelegenheid “verschillende leden van het EMT [hebben] aangegeven dat zij geen goede reden zagen om de wafer fab van WSS op deze wijze van opdrachten te voorzien. Als voor de hand liggende argumenten werd aangegeven dat er voor de Nexperia Group een veroudersingsrisico is ten aanzien van de geproduceerde voorraad, dat zij een financieel risico zou lopen, dat vooraf moeilijk te bepalen is welke producten in welke mate zouden worden geproduceerd en dat de aanpak tegen elke industry standard indruist.”
Met het opschrift, gelijk de PI, nr. 74: “Voortbouwklacht over relevantie van wijziging FSA”.
Zie nader noot 264 hiervoor.
Daarop sluit het bestreden oordeel ook kenbaar aan (“Bij dit alles moet worden bedacht”, etc.).
Zie productie 36 bij het verzoekschrift van Nexperia.
Zie het verzoekschrift van Nexperia, nr. 101: “Hun verzet [bedoeld zal zijn: van de CFO en de CLO, [betrokkene 4] en [verweerder 4] , A-G] is de reden dat de deposit agreement tot op heden niet is gesloten.”
Met als opschrift: “Governance”.
Met als opschrift: “Rechtsklacht: maatstaf voor vaststellen vennootschappelijk belang Nexperia”.
Zie bijv. mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2024:385) voor HR 7 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:817, RvdW 2024/597 en HR 7 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:820, RvdW 2024/598, onder 3.7.11.1, met verwijzingen.
Iets anders is dat onder omstandigheden het vennootschapsbelang bij bevordering van het bestendige succes van de met de vennootschap verbonden onderneming kan worden ‘gekleurd’ door, kort gezegd, een publiek belang dat in het spel is. Zie nader bijv. mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2024:385) voor HR 7 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:817, RvdW 2024/597 en HR 7 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:820, RvdW 2024/598, onder 3.7.11.4, met verwijzingen. Zie bijv. ook Asser/M.P. Nieuwe Weme & T. Salemink, NV en BV - Corporate governance (2-llb), Deventer: Wolters Kluwer 2025, nr. 132 onder b, over “OK 17 mei 2023 (r.o. 3.13.3), RO 2023/45; JOR 2023/207 (Estro), waar het vennootschappelijk belang van een publiek gefinancierd kinderopvangbedrijf mede wordt gekleurd door het publieke belang bij de continuïteit van de kinderopvang.”
Zie in het bijzonder HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:797, NJ 2014/286, rov. 4.2.1: “Bij de vervulling van hun taak dienen de bestuurders zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming te richten (vgl. thans art. 2:239 lid 5 BW). Wat dat belang inhoudt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Indien aan de vennootschap een onderneming is verbonden, wordt het vennootschapsbelang in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming.” Zie verder bijv. HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:199, NJ 2023/166, rov. 3.4.2.
Zie inmiddels ook de eerstefasebeschikking, rov. 3.16-3.25 en in het bijzonder rov. 3.24: “De Ondernemingskamer treedt niet in een inhoudelijke beoordeling van de strategische keuze om zich voortaan te richten op het veiligstellen van haar productiecapaciteit in China. Vanuit het perspectief van Yuching en [A] kan het een verdedigbare inschatting zijn geweest dat de inspanningen van EZ er uiteindelijk niet toe zouden leiden dat Nexperia gevrijwaard zou kunnen blijven van de nadelige gevolgen die de toepassing van de 50%-rule voor haar onderneming zou hebben. Vanuit het perspectief van [bestuurder/CEO] kan daarbij ook een rol gespeeld hebben dat inmiddels zijn vertrek als CEO van Nexperia als voorwaarde werd gesteld om in aanmerking te komen voor een ontheffing van de 50%-rule. Voor Nexperia en de door haar wereldwijd gedreven onderneming had die strategische keuze evenwel zeer verstrekkende gevolgen en daaraan waren voor haar ook zeer aanzienlijke risico’s verbonden. Nexperia vroeg EZ om steun maar zette tegelijk de relatie met EZ op een kritiek moment op het spel doordat (i) haar feitelijke handelwijze niet strookte met het verhaal dat zij aan EZ vertelde en (ii) Nexperia talmde met de implementatie van de wijziging van de governance. Daarmee nam Nexperia het risico dat zij het vertrouwen van EZ zou verspelen juist op een moment waarop die steun - gelet op de geopolitieke onzekerheid waarin zij verkeerde - hard nodig zou kunnen hebben. Dat deze risicovolle strategische keuze door [bestuurder/CEO] met zijn medebestuurder en binnen het EMT is besproken en dat daar een gedegen besluitvormingsproces aan ten grondslag heeft gelegen met een behoorlijke afweging van de voor- en nadelen en alle in aanmerking komende belangen en risico’s, is de Ondernemingskamer echter niet gebleken.”
Zo begrijp ik de PI, nr. 77 althans, gelet ook op de verwijzing in de PI, noten 75, 77 naar HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:199, NJ 2023/166, rov. 3.4.2, 3.4.4 en in noot 78 aldaar (“Vgl.”) naar art. 2:8 BW en HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:797, NJ 2014/286, rov. 4.2.2. Ik lees (ook) hier het middel welwillend.
Zie bijv. HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:199, NJ 2023/166, rov. 3.4.2, 3.4.4.
Zie bijv. HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:797, NJ 2014/286, rov. 4.2.2 en HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:199, NJ 2023/166, rov. 3.4.4. Het gaat bij die belangen van al degenen die bij de vennootschap of haar onderneming zijn betrokken dus om andere belangen dan het belang van die vennootschap en haar onderneming. Zie bijv. ook HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7972, NJ 2007/434, rov. 4.5 (“Ook hier geldt dat het bestuur bij de vervulling van zijn bij wet of statuten opgedragen taken het belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming behoort voorop te stellen en de belangen van alle betrokkenen, waaronder die van de aandeelhouders, bij zijn besluitvorming in aanmerking behoort te nemen”) en HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0976, NJ 2010/544, rov. 4.4.1, tweede alinea (in vergelijkbare zin).
Zie bijv. mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2024:385) voor HR 7 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:817, RvdW 2024/597 en HR 7 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:820, RvdW 2024/598, onder 3.23.3, mede in het licht van HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:797, NJ 2014/286, rov. 4.2.2.
Kort gezegd: is twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia gelegen in het niet opvolgen van toezeggingen aan de Staat om de governance van Nexperia te wijzigen, in het bijzonder ten aanzien van de invoering van een raad van commissarissen met belangrijke goedkeuringsrechten?
Zie bijv. ook de verwijzingen in de PI, noot 79 naar o.a. HR 26 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4804, NJ 2002/94, Hof Amsterdam (OK) 13 maart 2003, ECLI:NL:GHAMS:2003:AF5761, NJ 2003/248 en literatuur “over de vraag hoeveel ruimte er overblijft voor het vennootschappelijk belang in concernverhoudingen.”
Illustratief is HR 26 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4804, NJ 2002/94, rov. 4.6, laatste alinea, waar de Hoge Raad “het belang van het concern” - ook wel genoemd “het concernbelang” - relateert aan, maar onderscheidt van, “de andere bij de onderscheiden vennootschappen [“de tot het concern behorende vennootschappen”, A-G] betrokken belangen.” Dat concernbelang gaat dus niet op in het eigen vennootschapsbelang van zo’n tot het concern behorende vennootschap, dat concernbelang is iets anders: een van de bij zo’n vennootschap betrokken belangen. Het gaat hier derhalve om verwante, maar te onderscheiden belangensferen. Asser/Nieuwe Weme & Salemink 2025, nr. 131 onder c zeggen het zo: “Het bestuur van de dochtervennootschap dient zich primair te richten naar het belang van de dochtervennootschap. Volgens HR 26 oktober 2001 (r.o. 4.6), NJ 2002/94; JOR 2002/2 (Juno) moet het concernbelang daarbij worden meegewogen, maar is het niet doorslaggevend in die zin dat het prevaleert boven het belang van de dochtervennootschap. Evenzo OK 10 februari 2022 (r.o. 4.31); RO 2022/21; JOR 2022/147 (Funda). Wij lezen de overweging van de HR niet aldus dat het belang van de dochtervennootschap altijd doorslaggevend is. Onder omstandigheden is het onzes inziens denkbaar dat het belang van de dochtervennootschap moet worden achtergesteld bij het concernbelang.” Zie verder bijv. Hof Amsterdam (OK) 13 maart 2003, ECLI:NL:GHAMS:2003:AF5761, NJ 2003/248, waaronder rov. 3.4-3.6 over “het belang van de vennootschap” en “het belang van het concern”.
Met als opschrift: “Rechtsklacht - vrijheid van inrichting”.
Onder verwijzing naar het verweerschrift van Yuching, nr. 73.
Onder verwijzing naar het verweerschrift van Yuching, nrs. 53-56 en 75 onder (i).
Zie inmiddels ook de eerstefasebeschikking, rov. 3.24 (geciteerd in noot 278 hiervoor).
Met als opschrift: “Motiveringsklachten over r.o. 3.19-3.20”.
Met vindplaatsen in de PI, noten 87-91.
Zie met name de eerstefasebeschikking, rov. 3.22: “In de zomer van 2025 stond Nexperia doorlopend in contact met EZ (en BZ) (…). Het uitblijven van concrete implementatiemaatregelen door Nexperia weerhield [bestuurder/CEO] niet ervan in een ontmoeting met de Minister op 7 juli 2025 te bevestigen dat Nexperia zich in het licht van de toenemende Amerikaanse druk en dreigende toepassing van de 50%-rule nog steeds als Nederlandse (Europese) onderneming wilde positioneren en in dat kader bereid was om vergaande aanpassingen aan haar governance te doen (2.49). Ook binnen het EMT was dat nog steeds de lijn, en in dat kader heeft het hoofd CEO Office op 22 juli 2025 na overleg met [bestuurder/CEO] aan de CLO en CCA de wensen van Nexperia voor het overleg met EZ doorgegeven (2.50). Tegelijkertijd blijkt niet dat [bestuurder/CEO] nog vertrouwen had in het overleg met EZ. De notulen van de bespreking met EZ op 12 september 2025 zijn in dit verband sprekend (2.63). Ruim een jaar nadat Nexperia had toegezegd dat zij een raad van commissarissen zou installeren, en de beoogde commissarissen al aan EZ waren gepresenteerd, werd ermee geschermd dat de vereiste toestemming van CSRC voor de implementatie een belemmering zouden vormen. Welke inspanningen Nexperia of [A] zich heeft getroost om die toestemming te krijgen is niet duidelijk geworden. Desgevraagd kon ter zitting niet worden bevestigd dat daartoe op enig moment daadwerkelijk stappen zijn gezet, terwijl ook niet duidelijk is geworden welke initiatieven [A] in China heeft ondernomen om het instellen van een raad van commissarissen te bespoedigen. Ondanks dat eerder aan EZ was verklaard dat [bestuurder/CEO] zijn positie als CHRO eenvoudig zou kunnen opgeven, volstond Nexperia nu met de mededeling niet geneigd te zijn toe te geven aan de wensen van de Verenigde Staten.”
Zie de PI, noot 87.
Voor het overige zijn de stellingen van Yuching en [bestuurder/CEO] dienaangaande niet onderbouwd. Zie bijv. het verweerschrift van Yuching, nr. 14 (“In het vervolg van dit processtuk zal Yuching aantonen (…) dat de door EZK gewenste maatregelen grotendeels zijn geïmplementeerd (…)”) en de verklaring van mr. Polkerman (advocaat van Yuching bij de OK), kenbaar uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025, p. 7-8 (“(…) acties zijn deels uitgevoerd (tot tevredenheid van de Minister) (…)”).
Zie de e-mail van EZ van 12 maart 2025: “We acknowledge the great effort that has been put into the Information Security Framework. (…) Similarly the Trade Secrets Policy and the Nexperia IP Security Policy Summary show a well developed security approach (…). However we have still some concerns because neither the Supervisory Board as to be implemented in your proposal nor any other legal framework ensures that the Dutch and European identity of the Company is guaranteed. (…).” Zie voorts de e-mail van [verweerder 4] van 28 maart 2025, waarover ook de uitgewerkte beschikking, rov. 2.17: “You have seen we have - and will further develop - a robust Information Security Framework. (…) In relation to the outstanding topics on rights and obligations of the Supervisory Board, especially the Dutch/European identity topic (…) we respond as follows. (…).” Zie ten slotte de e-mail van EZ van 28 april 2025, bedoeld in de uitgewerkte beschikking, rov. 2.18: “First of all we agree that your robust Information Security Framework helps to justify our continued support for Nexperia. And we really appreciate the result[.] But as you are fully aware that framework is part of a broader set of measures (i.e. an effective supervisory board with clearly defined and limited powers regarding security and European identity of the company + a process for shareholder diversification whereby a substantial minority is sold either through an IPO or a trade sale to a trustworthy shareholder) we have discussed. (…) For further assistance and help from our side there must be more sufficient assurance by the company and its CEO. This needs to be clarified as well as a clear engagement to implement the broader measures as discussed. (…).”
Zie onder meer de eerstefasebeschikking, rov. 3.19 (“In de zomer van 2024 is [bestuurder/CEO] op zijn schreden teruggekeerd; hij was niet langer bereid bovenwettelijke bevoegdheden aan de raad van commissarissen toe te kennen, en de invulling van de functie van CSO werd beperkt (2.15, 2.17, 2.18). EZ werd hierover niet meteen geïnformeerd. (…)”), rov. 3.20 (“(...) In de gesprekken met EZ had Nexperia al in april 2024 toegezegd dat zij een raad van commissarissen zou installeren met de bevoegdheid over bepaalde reserved matters (2.11 en 2.12). Van die laatste toezegging was Nexperia inmiddels teruggekomen, maar de toezegging een raad van commissarissen in te voeren had zij nooit ingetrokken. Zelfs de personele invulling van de raad van commissarissen was al lange tijd gereed en met EZ afgestemd. Toch had Nexperia sinds de zomer van 2024 geen concrete stappen gezet om deze in te voeren. (…)”), rov. 3.21 (“(…) Concrete stappen om tot implementatie van de door EZ verlangde governance wijzigingen te komen bleven echter nog steeds. (…)”), en rov. 3.22 (geciteerd in noot 292 hiervoor).
Met als opschrift: “Motiveringsklacht over r.o. 3.21”.
Onder verwijzing naar de spreekaantekeningen van [bestuurder/CEO] , nrs. 34-36 en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025, p. 8 (verklaring van mr. Vader, advocaat van [bestuurder/CEO] bij de OK).
Kort en goed: zonder overleg of ruggenspraak, en zonder dat de OR was geïnformeerd, laat staan dat de OK op de voet van art. 30 WOR tijdig om advies was gevraagd over een voorgenomen ontslag van [verweerder 4] als statutair bestuurder, dit terwijl de bij de ontslagaanzegging gebruikte woorden (“We therefore aim to terminate your employment agreement and statutory positions”) ondubbelzinnig duidelijk maken dat het ontslagbesluit al vast stond.
Zie ook de eerste zin van de uitgewerkte beschikking, rov. 3.21, waarin de OK overweegt: “Vanaf september 2025 wees het optreden van [bestuurder/CEO] zelfs eerder in de tegengestelde richting.” Dit slaat terug op rov. 3.20, in het bijzonder waar de OK erop wijst: dat zeker vanaf het moment dat [A] op de U.S. Entity List is geplaatst, het voor [bestuurder/CEO] als bestuurder van Nexperia duidelijk moet zijn geweest dat implementatie van de in overleg met EZ afgestemde maatregelen nodig was om te voorkomen dat Nexperia en haar onderneming in toenemende mate de nadelige gevolgen zouden ondervinden van de gepercipieerde invloed van haar Chinese aandeelhouder; dat desondanks geen stappen zijn gezet om in het belang van Nexperia en haar onderneming tot aanpassing van de governance te komen; en dat toen in juni 2025 duidelijk werd dat er een aanzienlijke kans was dat de 50%-rule zou worden ingevoerd, waardoor Nexperia ook direct door handelsbeperkingen uit de Verenigde Staten zou worden geraakt, het op de weg van [bestuurder/CEO] lag om maatregelen te treffen om de kans te minimaliseren dat Nexperia door de 50%-rule zou worden geraakt: “Nakoming van de eerdere toezeggingen tot wijziging van de governance werd zeker vanaf dat moment evident in het belang van Nexperia, omdat BZ en/of EZK daarmee een argument kon worden verschaft jegens de autoriteiten in de Verenigde Staten om de 50%-rule niet ook op Nexperia van toepassing te verklaren. De Ondernemingskamer heeft niet kunnen vaststellen dat behoudens het terugtreden van diens zuster als bestuurder zijdens [bestuurder/CEO] enige maatregel is getroffen om de nadelige gevolgen van de gepercipieerde invloed van de Chinese aandeelhouder op Nexperia en haar onderneming tegen te gaan.”
Dit is dus mede te bezien in het licht van de uitgewerkte beschikking, rov. 3.20, waarin de OK al onder meer erop wijst dat het in het belang van Nexperia en haar onderneming was om BZ en/of EZ argumenten te verschaffen jegens de autoriteiten in de Verenigde Staten om de 50%-rule niet ook op Nexperia van toepassing te verklaren. Zie ook de vorige noot.
Ik merk nog op dat de OK in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.21 specifiek wijst op de gedragslijn van [bestuurder/CEO] .
Zie bijv. het verzoekschrift van Nexperia, nr. 202 (“Zoals vereist op grond van art. 2:349 lid 1 BW, heeft [verweerder 4] de andere bestuurder van Nexperia Holding en Nexperia B.V. ( [bestuurder/CEO] ) op de hoogte gesteld van het voornemen om dit enquêteverzoek in te dienen. Gelet op de omstandigheden en doordat het voornemen daartoe pas in een lat stadium is geconcretiseerd, heeft [verweerder 4] dit kort voor indiening van het verzoekschrift gedaan. Daarnaast is de ondernemingsraad op de hoogte gesteld van het indienen van het verzoek”).
Zie ook noot 300 hiervoor.
Want om het intrekken van betalingsbevoegdheden (bankvolmachten) van drie sleutelfunctionarissen én het verlenen van een bankvolmacht aan drie andere personen zonder financiële ervaring.
Zie bijv. de uitgewerkte beschikking, rov. 2.22-3.23. Daaruit blijkt onder meer dat [betrokkene 4] , de CFO, in reactie op deze handelwijze ervoor heeft gewaarschuwd dat dit zou leiden tot “significant operational impact” en heeft gewezen op de fiscale gevolgen, de gevolgen voor het cash management, hedging risico’s en het risico op fouten en vertragingen indien het financiële beheer in handen zou komen van personen zonder financiële ervaring.
Met als opschrift: “Rechtsklacht”.
Onder verwijzing naar A. van Wees in haar annotatie in COBE 2025 / N-015. De klacht is kennelijk ontleend aan de volgende passage in haar annotatie: “In de [uitgewerkte, A-G] beschikking (…) gaat de Ondernemingskamer expliciet in op proportionaliteit en subsidiariteit. Zij merkt daarbij op dat dit onderwerp uitvoerig met partijen is besproken, maar blijft in de uitwerking van haar beslissing summier. De motivering bestaat in wezen uit een herhaling van de redenen die ook ten grondslag zijn gelegd aan de onmiddellijke voorzieningen zelf. Daarmee lijkt de Ondernemingskamer de zwaarte van de maatregelen te rechtvaardigen met de zwaarte van de voorlopig aangenomen gegronde redenen. Dat zegt echter niets over de proportionaliteit en subsidiariteit. Onbesproken blijft of de maatregelen daadwerkelijk niet verder ingrijpen dan noodzakelijk is en of hetzelfde doel niet met minder ingrijpende voorzieningen had kunnen worden bereikt. (…).”
Zie bijv. de Dikke van Dale (online geraadpleegd) bij het lemma “noodzakelijk”, wat onder meer betekent: “vereist voor het in stand houden van een toestand of het bereiken van doel” ofwel “nodig”.
Daarin lees ik opnieuw een parafrasering van art. 2:349a lid 2 BW. Ik citeer: “Indien gelet op de belangen van de rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken een onmiddellijke voorziening vereist is in verband met de toestand van de rechtspersoon (…).”
Met als opschrift: “Motiveringsklacht: proportionaliteit en subsidiariteit”.
Het betreft kennelijk de volgende passage: “(…) (iii) Hiervoor kwam al aan de orde dat de governance niet gebrekkig is. De organen van de onderneming functioneren gewoon, en partijen zijn, of waren tot verkort nog, in gesprek met het Ministerie om herziening van de governance te bespreken. In zoverre is het Verzoek dus ongegrond of minst genomen prematuur; (iv) De verhoudingen zijn evenmin niet, althans niet dusdanig, verstoord dat ingrijpen nodig is, zeker niet op de manier zoals die nu voorligt. Van een impasse in één van de organen is namelijk geen sprake, niet op bestuurs- en ook niet op aandeelhoudersniveau. De onderneming functioneert gewoon, heel goed zelfs. Dat een enkeling (al dan niet anoniem) zich niet kan vinden in de managementstijl van [bestuurder/CEO] maakt dat niet anders. Dat zijn geen kwesties, die een gegronde reden(…) opleveren om aan een juist beleid te twijfelen; en (v) Dat sprake (…) zou zijn van onbehoorlijk financieel of ondernemingsbeleid is tot slot ook niet aan de orde. Immers, de doelstellingen voor 2025 waren misschien ambitieus, maar de resultaten laten zien dat die niet onrealistisch waren.”
Ik citeer: “Ten tweede, wat betreft de ingreep in het bestuur is het uitgangspunt dat tijdelijk een bestuurder met een doorslaggevende stem wordt aangesteld en dat de overige bestuurders in functie worden gelaten. Als dat niet effectief genoeg is, wordt veelal gegrepen naar het schorsten van beide bestuurders en het tijdelijk aanstellen van een OK-bestuurder. Als slechts een van de bestuurders wordt geschorst, is het gebruikelijk dat daarnaast een OK-bestuurder wordt benoemd. Dat is ook logisch, omdat de vennootschap anders geheel wordt overgeleverd aan een van de kampen. Dat een van deze kampen de controle krijgt, is ongebruikelijk en onwenselijk. Waarom dat in deze nodig zou zijn, blijkt geheel niet uit de beschikking van 1 oktober 2025.”
Zie F. Eikelboom, De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (diss. Groningen), Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 551.
Dit randnummer luidt: “De benoeming van een “onafhankelijke niet-uitvoerend bestuurder met beslissende stem en zelfstandige vertegenwoordigingsbevoegdheid” is in dezelfde lijn te vergaand. Een dergelijke functie creëert de facto een enkelvoudig machtscentrum dat noch noodzakelijk is, noch past bij de proportionele waarborging van belangen van vennootschap en stakeholders. Indien de Ondernemingskamer al een aanvullende waarborg wenselijk acht, ligt een aanzienlijk lichtere variant voor de hand: een tijdelijk, onafhankelijk toezichthouder of board observer zonder beslissende stem of zelfstandige vertegenwoordigingsbevoegdheid, met een strikt afgebakende opdracht en looptijd, gericht op monitoring van compliance met het Bevel en op signalering van eventuele tegenstrijdige belangen. Meer is niet nodig om de door Verzoeksters geschetste, overigens niet-onderbouwde zorgen te adresseren.”
Met als opschrift: “Motiveringsklacht: belangenafweging”.
Zie bijv. ook het verweerschrift in cassatie van Nexperia, nr. 197.
Met als opschrift: “Motiveringsklacht: [bestuurder/CEO] kon geen RvC instellen”.
Zie ook het verweerschrift in cassatie van EZ, nrs. 4.3-4.7.
Zie bijv. Kamerstukken II 1999/00, 26855, 3, p. 61.
Zie bijv. Kamerstukken II 1999/00, 26855, 3, p. 61.
Ik maak dit op uit de term “opheffen” in art. 28 lid 2 Rv en uit Kamerstukken II 1999/00, 26855, 3, p. 61, waaronder: “Het tweede lid opent de mogelijkheid dat de rechter de geheimhoudingsplicht - op een later tijdstip - geheel of gedeeltelijk opheft. Aan opheffing van het verbod kan behoefte bestaan als een partij de onderwerpelijke gegevens in een andere procedure wil gebruiken. Het belang van de waarheidsvinding kan dan meebrengen dat de bescherming van vertrouwelijke gegevens moet wijken. De rechter zal daarbij de betrokken belangen opnieuw moeten afwegen.”
Kenbaar uit de brief van EZ van 13 oktober 2025: “Zoals de Ondernemingskamer ambtshalve zal hebben geconstateerd, is bovengenoemde kwestie sinds 12 oktober 2025 uitgebreid beschreven in de nationale en internationale media. Naar het zich laat aanzien is dat een gevolg van een melding van [A] (…), de indirect 100%-aandeelhouder van de onderneming, bij de Shanghai Stock Exchange en een bericht van [A] op haar officiële WeChat blog (zie ook bijlage).”
Zie Kamerstukken II 1999/00, 26855, 3, p. 60-61.
Zie bijv. ook Kamerstukken II 1999/00, 26855, 3, p. 60-61.
Zie Kamerstukken II 1999/00, 26855, 3, p. 60.
Zie de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht, Stb. 2024/62 (inwerkingtreding 1 januari 2025, Stb. 2024/72). Zie hierover bijv. ook Kamerstukken II 2019/20, 35498, 3, p. 36-37 en Tjong Tjin Tai 2025, art. 28 Rv, aant. 3.
In de desbetreffende paragraaf van het verzoekschrift van Nexperia staat onder meer: “7. Nexperia verzoekt de Ondernemingskamer tevens, in geval zij bepaalt dat behandeling van deze zaak met gesloten deuren zal plaatsvinden, te bepalen dat deze zaak niet op openbare overzichten van aanhangige zaken wordt gepubliceerd, en dat de griffie desgevraagd geen mededelingen over deze zaak zal doen aan derden (…). In dat kader verzoekt Nexperia de Ondernemingskamer voorts toepassing te geven aan art. 28 lid 1, aanhef en onder b, Rv, met betrekking tot dit verzoekschrift, de bijlagen bij dit verzoekschrift, en eventuele verweerschriften en bijlagen daarbij.” [onderstreping toegevoegd, A-G]
Daar staat onder meer: “De Minister steunt deze verzoeken. De uiterst sensitieve geopolitieke aspecten van deze zaak en de mogelijkheid invloed daarvan op de economische veiligheid van Nederland en Europa staan aan een openbare behandeling en iedere vorm van openbaarmaking van het enquêteverzoek in de weg.”
Zie Kamerstukken II 1999/00, 26855, 3, p. 60.
Als gevolg van de beslissing van de OK tot een zitting met gesloten deuren op de voet van art. 27 lid 1, aanhef en onder b Rv.
Als gevolg van een uitdrukkelijke rechterlijke beslissing naar aanleiding van het verzoekschrift van Nexperia van 1 oktober 2025 en de brief van EZ van dezelfde datum.
Naar luid van de ex parte-beschikking is ook deze beslissing door de OK in het openbaar uitgesproken, net als de daarop volgende beslissingen van de OK in de onderhavige procedure, waaronder de kop-staart-beschikking.
Zie bijv. Kamerstukken II 1999/00, 26855, 3, p. 59, 60 (“De nieuwe bepalingen gaan (…) niet uit van een recht op inzage van rechterlijke uitspraken, omdat dit voor de griffies een te grote belemmering van de werkzaamheden oplevert. Wel bestaat in beginsel een recht op afschrift, dat echter met het oog op zwaarwegende belangen van partijen (privacy, bedrijfsgeheimen) kan worden beperkt. In de regel zullen slechts geanonimiseerde afschriften worden verstrekt, al zal anonimisering bijvoorbeeld niet zinvol [zijn] als een concrete uitspraak tussen bekende partijen wordt opgevraagd. (…) Voorts kan ook bij in het openbaar uitgesproken beslissingen verstrekking [van] een afschrift aan derden worden geweigerd in verband met zwaarwegende belangen van anderen, waaronder die van partijen (…). Ook langs die weg wordt schade als gevolg van openbaarmaking van vertrouwelijke gegevens zoveel mogelijk beperkt”) en Kamerstukken II 2000/01, 26855, 16, p. 32-33 (waaronder: “Uitgangspunt van de nieuwe regeling is dat eenieder in beginsel afschriften kan verkrijgen van rechterlijke beslissingen. Dit uitgangspunt houdt verband met het beginsel van openbaarheid van de rechtspraak. Een onbeperkt en ongeclausuleerd recht op afschrift zou echter te ver gaan. Procespartijen en andere rechtstreeks betrokkenen kunnen er belang bij hebben dat bepaalde gegevens niet door middel van afschriften op straat komen te liggen. Hun recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer kan dan meebrengen dat het afschrift van een rechterlijke beslissing geweigerd kan worden dan wel door anonimisering beperkt wordt”). Zie verder bijv. F.J.P. Lock, T&C Rv, Deventer: Wolters Kluwer 2026 (actueel t/m 15 februari 2026), art. 29 Rv, aant. 3 onder b en L.A. Bosch, T&C Rv, Deventer: Wolters Kluwer 2024 (actueel t/m 1 oktober 2024), art. 838 Rv, aant. 7 onder b, mede onder verwijzing naar Rb. Den Haag (vzr.) 20 mei 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BM5127.
Zie Kamerstukken II 1999/00, 26855, 3, p. 60, 61.
Zie bijv. ook Lock 2026, art. 28 Rv, aant. 1 onder a: “Openbaarheid van rechtspraak blijft ook hier hoofdregel. Een uitzondering daarop - derhalve: vertrouwelijkheid - is steeds het gevolg van een rechterlijke beslissing: sluiting van de deuren, beperking van de toegang tot de zitting dan wel een uitdrukkelijke vertrouwensverklaring (MvT, Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 172).”
De klacht noemt als bron daarbij Kamerstukken II 1999/00, 26855, 3, p. 60-61. De geciteerde woorden zien kennelijk op deze zin op p. 60 aldaar: “Openbaarheid van procedurele gegevens blijft het uitgangspunt.”
Zie hierover bijv. ook de conclusie van A-G Valk (ECLI:NL:PHR:2025:514) voor HR 5 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1237, JOR 2025/261, onder 4.17.
Zie HR 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:658, JBPr 2023/41, rov. 3.3.2. Zie hierover ook de in de vorige noot aangehaalde conclusie van A-G Valk, onder 4.17.
Zie ook de in noot 338 hiervoor genoemde conclusie van A-G Valk, onder 4.18 (over “de open formulering van wat de rechter kan en mag volgens (…) art. 28 lid 1 onder b Rv (oud en nieuw) (…)”).
Onder verwijzing naar het verzoekschrift van Nexperia van 1 oktober 2025, nr. 7 en de brief van EZ van dezelfde datum, p. 2.
Evenzo de in noot 338 hiervoor genoemde conclusie van A-G Valk, onder 4.18.
Onder verwijzing naar Kamerstukken II 1999/00, 26855, 3, p. 60-61; Lock 2026, art. 28 Rv, aant. 2; en Asser Procesrecht/Giesen 2024, nr. 362.
Zie bijv. Kamerstukken II 1999/00, 26855, 3, p. 18: “Waar dit begrip in de eerste titel wordt gebruikt, moet het ruim worden uitgelegd. Behalve eiser en gedaagde - en eventuele derden-partijen - in de dagvaardingsprocedure, zijn daaronder eveneens begrepen verzoeker en belanghebbenden in de verzoekschriftprocedure.”
Zie bijv. Lock 2026, art. 28 Rv, aant. 2 onder c.
Zie HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:273, NJ 2024/119, rov. 3.7.5.
Zie bijv. Lock 2026, art. 28 Rv, aant. 1 onder a en de conclusie van A-G Wesseling-van Gent (ECLI:NL:PHR:2018:187) voor HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1775, NJ 2019/70, onder 3.11, waarin wordt opgemerkt dat art. 27-29 Rv zien op waarborgen dat derden geen beschikking krijgen over vertrouwelijke gegevens.
Zie bijv. Kamerstukken II 1999/00, 26855, 3, p. 60. Aldaar wordt overigens abusievelijk verwezen naar art. 3:353 lid 3 BW. Dat art. 2:353 lid 3 BW is bedoeld, blijkt ook uit Kamerstukken II 1999/00, 26855, 3, p. 58. Zie bijv. ook Lock 2026, art. 28 Rv, aant. 1 onder a en Tjong Tjin Tai 2025, art. 28 Rv, aant. 2.
Zie aldus A.F.J.A. Leijten in nr. 7 van zijn annotatie in JOR 2025/259; A. van Wees onder het opschrift “Verbod mededelingen te doen” van haar annotatie in COBE 2025 / N-015; en R.A.M.D. Smit & B.N. Goedhart op p. 83 van hun annotatie in JIN 2026/8.
Zie de PI, nr. 78.
Zie HR 22 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1283, NJ 2024/22, rov. 3.7, 3.9. Zie bijv. ook H.J. de Kluiver in nr. 6 van zijn annotatie onder deze Hoge Raad-uitspraak in NJ 2024/22, volgens wie “de Hoge Raad bedoelt dat alle bepalingen die in Boek 2 BW op de enkelvoudige vennootschap zien ook steeds mogen, en wellicht zelfs moeten, worden uitgelegd met inachtneming van een eventueel aanwezig ‘organisatorisch verband’ met andere rechtspersonen. Dat is een belangrijke en principiële overweging.”
Zoals de overeenkomstige toepassing van art. 28 Rv op deskundigen in HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:273, NJ 2024/119, rov. 3.7.5.
Zie bijv. ook mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2023:360) voor HR 22 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1283, NJ 2024/22, onder 3.12.5 en noot 80 aldaar, en onder 3.15.1 en noot 87 aldaar, met verwijzingen.
Een mededeling aan derden omtrent de procedure (zoals in de publicatie van 12 oktober 2025 van [A] , kenbaar uit de brief van EZ van 13 oktober 2025) betekent immers niet zonder meer dat [A] (laat staan [bestuurder/CEO] en/of Yuching) daarmee aan de delictsomschrijving van art. 272 lid 1 Sr heeft voldaan. Ik citeer: “Hij die enig geheim waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift dan wel van vroeger ambt of beroep verplicht is het te bewaren, opzettelijk schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie.” Het gaat in deze bepaling dus om opzettelijke schending van een geheim. Zie over de betekenis van ‘schenden’ in art. 272 Sr bijv. HR 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:523, RvdW 2020/529, rov. 2.3-2.5. De PI, nr. 113, slot (“Daarbij is te bedenken”, etc.) lijkt bovendien een beroep op een strafuitsluitingsgrond te suggereren (vgl. art. 42 lid 1 Sr: “Niet strafbaar is hij die een feit begaat ter uitvoering van een wettelijk voorschrift”). Verder moet worden bedacht dat uit art. 272 lid 2 Sr volgt dat sprake is van een klachtdelict. Zie hierover bijv. ook A. van Wees onder het opschrift “Verbod mededelingen te doen” van haar annotatie in COBE 2025 / N-015.
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 26/00005
Zitting 12 juni 2026
CONCLUSIE
B.F. Assink
In de zaak
[bestuurder/CEO] (hierna: [bestuurder/CEO])
tegen
1Nexperia Holding B.V. (hierna: Nexperia Holding)
2. Nexperia B.V. (Nexperia Holding en Nexperia B.V. gezamenlijk hierna: Nexperia, in vrouwelijk enkelvoud)
3. Yuching Holding Limited (hierna: Yuching)
4. [verweerder 4] (hierna: [verweerder 4])
5. De ondernemingsraad van Nexperia B.V. (hierna: de OR)
6. De Staat der Nederlanden, Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (hierna: de Staat of EZ)
1Inleiding en samenvatting
1.1
Deze zaak betreft het ingrijpen van de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam (hierna: de OK) op grond van het enquêterecht bij Nexperia, twee Nederlandse vennootschappen die een multinationale onderneming drijven in de halfgeleider- en chipindustrie. De zaak speelt tegen de achtergrond van economische en geopolitieke belangen van China, Nederland en andere lidstaten van de Europese Unie (hierna: de EU), en de Verenigde Staten (hierna: de VS). Op de keper beschouwd, is het echter ‘gewoon’ een enquêteprocedure (primair) gericht op het belang van Nexperia.
1.2
In korte tijd heeft de OK in deze zaak, desverzocht en kort gezegd, de volgende vijf beschikkingen gegeven.
- Bij beschikking van 1 oktober 2025 heeft de OK onder meer bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog ex parte, totdat na een op 6 oktober 2025 te houden mondelinge behandeling op het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen zal zijn beslist, [bestuurder/CEO] als bestuurder van Nexperia geschorst. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden met gesloten deuren en de OK heeft het partijen, belanghebbenden en anderen die kennis hebben of zullen krijgen van de procedure verboden aan derden mededelingen omtrent de procedure te doen.
- Bij kop-staart-beschikking van 7 oktober 2025 heeft de OK onder meer bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog voor de duur van de procedure [bestuurder/CEO] als bestuurder van Nexperia geschorst en een niet-uitvoerende bestuurder van Nexperia benoemd met beslissende stem en bepaald dat deze bestuurder zelfstandig bevoegd is Nexperia te vertegenwoordigen. De OK heeft het mededelingenverbod gehandhaafd.
- Bij beschikking van 8 oktober 2025 heeft de OK onder meer het mededelingenverbod gedeeltelijk opgeheven.
- Bij beschikking van 13 oktober 2025 heeft de OK het mededelingenverbod geheel opgeheven.
- Bij beschikking van eveneens 13 oktober 2025 heeft de OK de beschikkingen van 7 en 8 oktober 2025 nader uitgewerkt.
1.3
[bestuurder/CEO] heeft cassatieberoep ingesteld van deze vijf OK-beschikkingen. Daarop ziet deze conclusie. [bestuurder/CEO] klaagt, m.i. tevergeefs, over schending van zijn recht op een eerlijk proces (onderdeel 1), over de toelating van EZ als belanghebbende (onderdeel 2), over het voorlopig oordeel dat sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia (onderdeel 3), over de getroffen onmiddellijke voorzieningen (onderdeel 4), en over de reikwijdte van het mededelingenverbod (onderdeel 5).
1.4
Yuching, de enig aandeelhouder van Nexperia Holding onder bestuur van [bestuurder/CEO] en zijn echtgenote en met [bestuurder/CEO] als indirect controlerend aandeelhouder, heeft eveneens cassatieberoep ingesteld van deze vijf OK-beschikkingen. Yuchings aandelen in Nexperia Holding zijn door de OK bij wijze van onmiddellijke voorziening, aanvankelijk ook ex parte totdat na de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025 op het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen zal zijn beslist, overgedragen ten titel beheer, welke voorziening vervolgens voor de duur van de procedure minus één aandeel is gehandhaafd. De cassatieklachten van Yuching overlappen grotendeels met het onderhavige cassatieberoep van [bestuurder/CEO] . Het cassatieberoep van Yuching betreft de samenhangende zaak 25/04297. Daarin concludeer ik vandaag eveneens, kort gezegd, tot verwerping van het cassatieberoep.
1.5
[bestuurder/CEO] en Yuching hebben ook ieder cassatieberoep ingesteld van twee nadere OK-beschikkingen in de onderhavige enquêteprocedure, waarbij (i) de OK een onderzoek heeft bevolen naar het beleid en de gang van zaken bij Nexperia en (ii) vervolgens twee onderzoekers heeft aangewezen. Over die cassatieberoepen gaan de onderhavige conclusie en voornoemde conclusie in de samenhangende zaak 25/04297 niet.
2Feiten
In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, ontleend aan rov. 2.1-2.29 van de OK-beschikking van 13 oktober 2025 met de nadere uitwerking van de OK-beschikkingen van 7 en 8 oktober 2025.
2.1
Deze zaak gaat over Nexperia, twee Nederlandse vennootschappen (Nexperia Holding en Nexperia B.V.) die actief zijn in de halfgeleider- en chipindustrie (spin-offs van NXP). Wereldwijd zijn bij Nexperia ongeveer 12.500 mensen werkzaam, van wie ongeveer 400 in Nederland. Sinds 2016 worden de aandelen in Nexperia (middellijk) gehouden door een Chinese partij. Eind 2023 heeft Nexperia contact opgenomen met EZ om steun te zoeken en volledig erkend te worden als Nederlands/Europees halfgeleiderbedrijf. Achtergrond is dat haar onderneming belemmeringen ervoer door de omstandigheid dat de enig aandeelhouder van Nexperia Holding, Yuching, een Chinese vennootschap is. Sinds 2024 is Nexperia daartoe in overleg met EZ over bepaalde herzieningen in de governance. Aan toezeggingen die Nexperia in dat verband aan EZ heeft gedaan, heeft zij weinig opvolging gegeven. Met ingang van 31 december 2024 is [A] Co., Ltd. (hierna: [A]), de indirecte Chinese aandeelhouder van Nexperia, door de VS op de zogeheten U.S. Entity List geplaatst, met als gevolg dat [A] is onderworpen aan bepaalde verstrekkende handelsbeperkingen. Sinds juni 2025 was Nexperia op de hoogte van het risico dat ook zijzelf zou worden onderworpen aan Amerikaanse handelssancties op grond van de zogenoemde 50%-rule, die kort gezegd inhoudt dat genoemde handelsbeperkingen ook gelden voor vennootschappen waarvan de aandelen voor 50% of meer worden gehouden door (rechts)personen op de U.S. Entity List. Op 30 september 2025 is de 50%-rule gepubliceerd en op Nexperia van toepassing verklaard, met als gevolg dat zij in beginsel na 60 dagen zal zijn onderworpen aan Amerikaanse handelsbeperkingen. Op dezelfde dag heeft de minister van (toen nog) Economische Zaken (hierna: de minister) op grond van de Wet beschikbaarheid goederen (hierna: de Wbg) een besluit genomen, bevattende een tot Nexperia gericht bevel tot behoud van haar onderneming en productiemiddelen (hierna: het bevel).
2.2
In deze enquêteprocedure betoogt Nexperia, bij monde van haar bestuurder [verweerder 4] , dat gegronde redenen bestaan om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia. De desbetreffende klachten hebben onder meer betrekking op de implementatie van de afspraken met EZ tegen de achtergrond van de groeiende risico’s dat Nexperia zou worden onderworpen aan de 50%-rule. Verder wordt geklaagd over tegenstrijdigbelangtransacties die zouden zijn aangegaan op instructie van [bestuurder/CEO] , bestuurder van Nexperia en indirect (via [A] ) controlerend aandeelhouder van Yuching, en over onverhoedse wijzigingen in het management en het plotseling intrekken van bankvolmachten. De OR wijst onder meer op schending van het adviesrecht op grond van de Wet op de ondernemingsraden (hierna: de WOR) met betrekking tot het aangekondigde ontslag van bestuurder [verweerder 4] .
2.3
Nexperia drijft een wereldwijd opererend halfgeleiderbedrijf met hoofdkantoor in Nijmegen. Nexperia heeft verschillende dochterondernemingen. Zo heeft zij in Manchester en in Hamburg productiefaciliteiten voor wafers (zogeheten wafer fabs). Een wafer is een dunne schijf van halfgeleidermateriaal, meestal silicium, die wordt gebruikt als basis voor het vervaardigen van micro-elektronische componenten. De back end-activiteiten van Nexperia, dat wil zeggen de assemblage en het testen van de producten, vindt plaats in fabrieken in Dongguan (China), Cabuyao (de Filipijnen) en Seremban (Maleisië). De front end-productie van Nexperia voor onder meer de Chinese markt is ondergebracht bij Shanghai Jiangzin Technology Co., Ltd (hierna: WSS). In Nederland ontwerpt, ontwikkelt en verbetert Nexperia de chips en machines voor de afwerking van die chips. Nexperia heeft R&D-centra (research & development) in onder meer Nederland (Delft), Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, de VS, China, Maleisië, de Filipijnen en Japan.
2.4
Nexperia Holding is opgericht op 6 december 2016 en heeft een monistisch bestuur (one tier board). [bestuurder/CEO] is niet-uitvoerende bestuurder en voorzitter van het bestuur van Nexperia Holding, [verweerder 4] is uitvoerende bestuurder van Nexperia Holding. Nexperia Holding is enig aandeelhouder van Nexperia B.V., opgericht op 20 juni 2016. Het bestuur van Nexperia B.V. bestaat uit [bestuurder/CEO] (uitvoerende bestuurder; CEO) en [verweerder 4] (uitvoerende bestuurder; CLO).
2.5
Op 21 maart 2021 is voor Nexperia B.V. een concept-bestuursreglement opgesteld dat feitelijk geldt als bestuursreglement (hierna: het bestuursreglement Nexperia B.V.). Hierin staat onder meer:
“3.1. The CEO is entrusted with all of the Board’s powers, authorities and discretions (including the power to sub-delegate) other than the powers explicitly retained by the Board or the Board Committees. Matters not expressly included in [article], 1.2 and[/] or in the Board Committee charters shall be validly resolved upon by the CEO and no further resolutions, approvals or other involvement of the Board shall be required.
3.2.
Subject to the limitations in these Board Rules, the CEO is entrusted with all the Board’s powers, authorities and discretions (including the power to sub-delegate) in relation to the operational running of the Company, particularly such matters as: (i) the operational running of the Nexperia Group, (ii) profit responsibility of the Nexperia Group, and (iii) managing business performance.”
2.6
Yuching, een rechtspersoon naar het recht van Hong Kong, is enig aandeelhouder van Nexperia Holding. [bestuurder/CEO] en zijn echtgenote zijn bestuurder van Yuching. Alle aandelen in Yuching worden indirect gehouden door [A] . [A] is genoteerd aan de Shanghai Stock Exchange en wordt gereguleerd door de Chinese Securities Regulatory Commission (hierna: de CSRC). [bestuurder/CEO] houdt (indirect) ongeveer 15% van de aandelen in [A] en geldt als controlerend aandeelhouder. 30% van de aandelen in [A] wordt gehouden door Chinese landelijke en regionale overheden en gelieerde investeringsfondsen. De overige aandelen in [A] betreffen free float.
2.7
In 2020 heeft [bestuurder/CEO] WSS opgericht. WSS is gevestigd te Shanghai en exploiteert een productiefaciliteit voor wafers, waar inmiddels een gedeelte van de front end-productie van Nexperia is ondergebracht. Daartoe hebben WSS en Nexperia B.V. op 4 april 2023 een Foundry Services Agreement getekend (hierna: de FSA).
2.8
In de afgelopen jaren is het publieke sentiment rondom de (Chinese) eigendomsstructuur van Nexperia negatiever geworden. De bedrijfsvoering van Nexperia ondervindt hiervan negatieve gevolgen, in het bijzonder in Europa en in de VS. Eind 2023 heeft Nexperia daarom contact opgenomen met EZ en verzocht om hulp bij de erkenning van Nexperia als Nederlands (Europees) halfgeleiderbedrijf. In januari 2024 zijn in dit kader gesprekken opgestart tussen EZ en Nexperia.
2.9
In 2024 heeft [betrokkene 1] , op dat moment bestuurder en CLO bij Nexperia, Nexperia verlaten. In zijn plaats is [verweerder 4] als bestuurder en CLO van Nexperia benoemd. Na contact met EZ is de zus van [bestuurder/CEO] teruggetreden als bestuurder van Nexperia.
2.10
Op 17 april 2024 hebben [bestuurder/CEO] en [betrokkene 2] , hoofd Corporate Affairs van Nexperia, (hierna: [betrokkene 2]) een brief aan EZ gezonden waarin zij uiteenzetten welke afspraken met EZ zijn gemaakt om het ‘perceptieprobleem’ aan te pakken. Dit zijn de volgende:
“1. Het aantal statutaire directeuren van Nexperia Holding B.V. en Nexperia B.V. is nu teruggebracht van drie naar twee, te weten [ [bestuurder/CEO] ], CEO, en [ [verweerder 4] ], Chief Legal Officer.
2. De installatie van een Raad van Commissarissen (RvC) op het niveau van Nexperia Holding B.V., de moedermaatschappij van de Nexperia-groep. Het belangrijkste doel van deze RvC is te zorgen voor goed toezicht en controles op het gebied van:
a. Bescherming van technologie en intellectuele eigendom;
b. Bescherming van gevoelige gegevens; en
c. Bescherming van de IT-infrastructuur van Nexperia.
3. De verdere versterking van ons informatiebeveiligingsbeleid door de implementatie van een robuuste organisatie die voldoet aan onze eisen en die van uw ministerie. De organisatie omvat de benoeming van een Information Security Committee onder leiding van een Chief Security Officer.”
Verder schrijven zij in deze brief:
“Deze maatregelen hebben een forse en onomkeerbare impact op de manier waarop we ons bedrijf voeren en illustreren onze bereidheid om het huidige perceptieprobleem aan te pakken. Wij zijn blij met het bericht van uw ministerie dat deze maatregelen zullen leiden tot het wegnemen van de zorgen en daarmee samenhangende beperkingen waarmee Nexperia zowel in Nederland als in andere westerse landen wordt geconfronteerd, en tot de erkenning en ondersteuning van Nexperia als gewaardeerde investeerder in de Nederlandse economie.”
2.11
Op 30 april 2024 heeft Nexperia een uitwerking van deze afspraken aan EZ gepresenteerd. Onderdeel daarvan zou zijn het afsplitsen van de Nederlandse activiteiten en werknemers naar een nieuwe structuurvennootschap. Verder stelde Nexperia een diversificatie van het aandeelhoudersbestand voor, erop neerkomend dat eerst een ‘westerse’ minderheidsaandeelhouder een belang zou verwerven, gevolgd door een beursgang. Op het niveau van Nexperia Holding zou in 2024 een raad van commissarissen worden geïntroduceerd. Belangrijk onderdeel van de voorstellen waren de zogeheten reserved matters, dat wil zeggen besluiten van Nexperia Holding die zouden worden onderworpen aan goedkeuring door de raad van commissarissen. De lijst van reserved matters was afgestemd met [bestuurder/CEO] , die zelf niet aanwezig kon zijn, en kwam neer op de volgende:
2.12
In vervolg op deze bijeenkomst hebben Nexperia en EZ conceptdocumentatie gedeeld ter implementatie van deze plannen. Nexperia heeft drie kandidaat-commissarissen geselecteerd die konden rekenen op de goedkeuring van EZ.
2.13
Bij brief van 19 augustus 2024 heeft de minister bevestigd dat de zorgen die leven in het bedrijfsleven, bij overheden en bij kennisinstellingen adequaat worden aangepakt met behulp van de overeengekomen maatregelen. De minister schrijft onder meer:
“Nexperia heeft een belangrijke positie in het Nederlandse en Europese ecosysteem van de halfgeleiderindustrie. Wij onderschrijven uw inzet om als Nederlandse onderneming door te groeien en zich zowel in marktsegmenten en technologie door te ontwikkelen. De strategische visie van uw bestuur en de bereidheid om de dialoog verder voort te zetten geven hier blijk van. In combinatie met de hierboven genoemde maatregelen vormt dit een vertrouwenwekkende basis voor onze verdere samenwerking. Daarmee beschouw ik Nexperia Holding B.V., en de dochtermaatschappijen van deze groep, als een volwaardige onderneming binnen de Nederlandse halfgeleiderindustrie. Waar nodig zal het ministerie dit ook kenbaar maken aan relevante partijen zoals andere overheden, kennisinstellingen en bedrijfsleven. In voorkomend geval kunt u ook verwijzen naar mijn ambtenaren indien derden om een nadere toelichting van deze brief vragen.”
2.14
[bestuurder/CEO] heeft een (Chinees) advocatenkantoor, Fangda Partners, ingeschakeld om te adviseren over de voorgenomen herziene governance. Tussen 30 augustus en 6 september 2024 is er e-mailcontact geweest tussen [betrokkene 3] , destijds Head of Legal bij [A] , (hierna: [betrokkene 3]) en [verweerder 4] over een door Fangda Partners opgestelde vragenlijst met betrekking tot de governanceherziening en gesprekken met EZ. In een e-mail van 30 augustus 2024 schreef [betrokkene 3] onder meer:
“the current proposal of Supervisory board requires quite some changes as the current one will be difficult to implement given the impact it will have on Nexperia company operation and also shareholder control.”
2.15
Op 28 september 2024 heeft een bespreking plaatsgevonden bij Nexperia waarbij het hoger management en [betrokkene 3] aanwezig waren. EZ was hierbij niet aanwezig. Tijdens deze bespreking is geconcludeerd dat de voorliggende governanceherziening niet acceptabel was. [verweerder 4] is vervolgens geïnstrueerd om met EZ te onderhandelen over het achterwege laten van de reserved matters.
2.16
Begin december 2024 werd bekend dat [A] met ingang van 31 december 2024 door het Bureau of Industry and Security (onderdeel van het Amerikaanse Ministerie van Handel) op de zogeheten U.S. Entity List was gezet. Gevolg hiervan was dat [A] werd blootgesteld aan verstrekkende handelsbeperkingen. [A] heeft vervolgens besloten om haar divisie Original Design Manufacturing af te stoten en zich uitsluitend nog te richten op halfgeleideractiviteiten.
2.17
Bij e-mail van 20 december 2024 heeft een ambtenaar van EZ aan onder anderen [betrokkene 2] en [verweerder 4] geschreven dat de steun van de Nederlandse overheid in het licht van de plaatsing van [A] op de U.S. Entity List van groter belang werd en dat die steun “unequivocal measures to be developed, adopted and implemented by Nexperia” vereiste, waarbij de afspraken tussen EZ en Nexperia nog eens werden samengevat. Verder werd namens de minister geschreven:
“Key is the notion that the Nexperia group has an operational independence from its listed shareholder, has an effective and coherent security and information policy both regarding cyber security as well as insider threats and finally has some form of internal supervision which provides for effective protection of these aspects. These measures should be in line with and build upon the measures the Dutch authorities already indicated in its letter of August 2024.”
2.18
Bij e-mail van 28 maart 2025 heeft [verweerder 4] aan EZ onder meer geschreven:
“A clear/unconditional guarantee in relation to the Dutch/European identity/presence cannot be given since this would restrict the shareholder’s control rights too much as well as would also limit the company’s flexibility in relation to its business needs/plans in an unreasonable manner.”
2.19
Namens EZ is hierop bij e-mail van 28 april 2025 geantwoord dat:
“it is essential that the company and its CEO clearly choose to maintain its European and Dutch footprint. (…) For further assistance and help from our side there must be more sufficient assurance by the company and its CEO. This needs to be clarified as well as a clear engagement to implement the broader measures as discussed.”
2.20
In gesprekken en e-mails van onder meer 5 juni 2025 heeft EZ Nexperia geïnformeerd over de mogelijk op korte termijn door de VS in te voeren 50%-rule die ook voor Nexperia tot directe handelsbeperkingen zou kunnen leiden. In deze e-mail staat onder meer:
“Mocht Nijmegen een ontheffingsverzoek indienen, dan heeft VS aangegeven dat het met name zal kijken naar (1) de mitigatiemaatregelen om de overdracht van US IP, technologie, kennis en capaciteiten naar het land van zorgen te beperken (...).”
2.21
Op (onder meer) 12 juni 2025 heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken (hierna: BZ) gesproken met het Bureau of International Security and Nonproliferation van de VS. In het gespreksverslag staat onder andere dat voor de VS een belangrijk punt is:
“dat aan de buitenkant geen zichtbare maatregelen zijn genomen. Dat een divestment tijd kost is begrijpelijk (...) maar dat de CEO van het bedrijf nog steeds diezelfde Chinese eigenaar is, is problematisch. Gesprekspartner en team herhalen meermaals het punt van de CEO. (...) Het is vrijwel zeker dat de CEO zal moeten worden vervangen om in aanmerking te komen voor de uitzondering op de entity list.”
2.22
In lijn met de strategie om te (kunnen) produceren in zowel Europa als in China, plaatste Nexperia geregeld wafer orders bij WSS. Deze orders werden geplaatst op basis van het raamwerk dat in de FSA was overeengekomen. WSS bevond zich in 2025 in een lastige financiële positie.
2.23
Op 4 september 2025 heeft [betrokkene 3] op instructie van [bestuurder/CEO] medegedeeld dat de bankvolmachten van drie financiële functionarissen waren ingetrokken, onder wie die van CFO [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4]), tevens lid van het Enterprise Management Team (hierna ook: het EMT), en die van de Group Treasurer. In hun plaats werd een bankvolmacht verleend aan drie personen zonder bijzondere financiële ervaring. Onder hen is een persoon die geen werknemer van Nexperia is en een medewerker met een ESG-achtergrond. In reactie hierop heeft [betrokkene 4] ervoor gewaarschuwd dat dit zou leiden tot “significant operational impact”. [betrokkene 4] heeft gewezen op de fiscale gevolgen, de gevolgen voor het cash management, hedging risico’s en het risico op fouten en vertragingen indien het financiële beheer in handen zou komen van personen zonder financiële ervaring.
2.24
Naar aanleiding van het intrekken van de bankvolmachten heeft [verweerder 4] bij e-mail van 5 september 2025 aan onder anderen [bestuurder/CEO] en [betrokkene 3] geschreven:
“I am deeply concerned about the developments and interactions on this topic and believe that these do not reflect good governance and are not in the best interests of Nexperia. In my role as Chief Legal Officer and member of the board, it is my duty to advise on this to ensure we all act in the interest of Nexperia and, for board members specifically, to act in line with their fiduciary duties to Nexperia.
My key concern is that, in the context of a meaningful project on enhancing controls and decision making with the treasury team, a request is made to change the authorizations for banking transactions to individuals that have no clear role, no responsibility and, at least to my knowledge, no proper background in Nexperia’s treasury operations. This request is further made without explanation as to the reason why this change is needed. The input that was subsequently provided in response to [betrokkene 4] ’s [ [betrokkene 4] , A-G] questions and remarks does not convince and leaves unanswered why this change to become signatories is suggested and how this is embedded in the organization (chain of command/ lines of responsibility). From a governance and control perspective, I believe these to be fundamental points to be addressed.
These banking authorizations are key to a properly functioning treasury operation and changes to that should be made carefully and with involvement of the CFO and the head of treasury. Within our organization, they bear responsibility for the treasury function. Moving away their authority to enter into banking transactions is a fundamental change that should carefully be considered. These changes therefore warrant robust argumentation and decision making.
[betrokkene 4] has clearly indicated his concerns and demonstrated that this change is not in the interest of Nexperia and conflicts with his (...) responsibilities and duties as CFO and head of treasury respectively. I agree with those concerns.”
2.25
Op 9 september 2025 heeft [bestuurder/CEO] aan [verweerder 4] geschreven:
“As you are aware, the Nexperia Group is undergoing a period of significant transition. (...) Only with a shared vision and unity in execution can we implement the necessary changes effectively and ensure the organization is futureproof.
As part of this strategic reorientation, we have also assessed the extent to which key individuals are aligned with the strategic direction of the organization. In your case, we have observed that your approach diverges from the course envisioned by the Board on several key points.
It is our conclusion that your current role is no longer aligned with the requirements of this phase of transition and commercial focus. (...) We therefore aim to terminate your employment agreement and statutory positions.”
2.26
De OR is niet in kennis gesteld van het voorgenomen ontslag van [verweerder 4] als bestuurder van Nexperia.
2.27
Op 11 september 2025 heeft [bestuurder/CEO] brieven met vergelijkbare inhoud verzonden aan [betrokkene 4] en [betrokkene 5] (COO, lid van het EMT) (hierna: [betrokkene 5]). [verweerder 4] , [betrokkene 4] en [betrokkene 5] zijn niet akkoord gegaan met de aan hen aangeboden vaststellingsovereenkomsten.
2.28
In september 2025 heeft het Global Head Finance na 39 jaar bij (de voorlopers van) Nexperia ontslag genomen. In zijn ontslagbrief schrijft hij onder meer:
“Given the recent decisions to replace a Key Number of European EMT Members, I feel the Mgt Culture but also the Company is now a purely Chinese Company where (executive) leaders are expected to literally execute top-down decisions in a micro managed way. This Style of Mgt may be common in Local Chinese Companies but surely is not in Global companies.”
2.29
Bij besluit van 30 september 2025 heeft de minister het bevel op grond van de Wbg aan Nexperia gegeven.
2.30
Op 30 september 2025 heeft de Amerikaanse overheid de 50%-rule gepubliceerd op basis waarvan entiteiten die (direct of indirect) voor 50% of meer in handen zijn van een entiteit op de U.S. Entity List zijn onderworpen aan dezelfde exportcontrolevereisten als de entiteiten op de U.S. Entity List. Als gevolg hiervan dient iedere partij die enig product of enige technologie waarop exportcontrolerestricties van toepassing zijn, wil uitvoeren naar of overdragen aan Nexperia, hiervoor een vergunning van het U.S. Bureau of Industry and Security te verkrijgen, waarbij als uitgangspunt geldt dat de vergunning wordt geweigerd. De productie- en R&D-locaties van Nexperia in China, Maleisië en de Filipijnen vallen met onmiddellijke ingang onder deze nieuwe regels, terwijl de regels voor Nexperia pas na 60 dagen zullen gelden (dat wil zeggen met ingang van 28 november 2025). Deze regels kunnen aanzienlijke gevolgen hebben voor de R&D-inspanningen in de VS die waarschijnlijk aan dezelfde restricties onderhevig zullen zijn.
2.31
Op 4 oktober 2025 heeft de Chinese overheid exportrestricties opgelegd aan onderaannemers van Nexperia, alsmede aan de Chinese back end-productieorganisatie van Nexperia.
3Procesverloop
De ex parte-beschikking
3.1
Bij verzoekschrift van 1 oktober 2025 heeft Nexperia de OK, kort samengevat, verzocht een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van Nexperia en voor de duur van de procedure enkele onmiddellijke voorzieningen te treffen, waaronder de schorsing van [bestuurder/CEO] als bestuurder van Nexperia, het buiten toepassing verklaren van art. 3 bestuursreglement Nexperia B.V., de benoeming van een onafhankelijke niet-uitvoerende bestuurder met beslissende stem en zelfstandige vertegenwoordigingsbevoegdheid, en de overdracht van de door Yuching gehouden aandelen in Nexperia Holding aan een door de OK te benoemen beheerder. Nexperia heeft de OK verder verzocht het verzoek te behandelen met gesloten deuren, de zaak niet op te nemen in openbare overzichten van aanhangige zaken, geen mededelingen van de griffie aan derden over deze zaak te doen, partijen op de voet van art. 28 lid 1, aanhef en onder b Rv te verbieden aan derden mededelingen te doen omtrent deze procedure, en geen vertrouwelijke informatie op te nemen in de beschikking dan wel vertrouwelijke informatie weg te laten in de publicatieversie van de beschikking of aan derden te vertrekken. Bij brief van later die dag, 1 oktober 2025, heeft EZ het verzoek van Nexperia ondersteund en de OK met klem verzocht om het verzoek op de kortst mogelijke termijn toe te wijzen.
3.2
Bij beschikking van (eveneens) 1 oktober 2025 (hierna ook: de ex parte-beschikking) heeft de OK, kort samengevat:
a. bepaald dat het verzoek om onmiddellijke voorzieningen te treffen op maandag 6 oktober 2025 met gesloten deuren zal worden behandeld;
b. verzoeksters, verweersters, belanghebbenden en alle overige (rechts)personen die kennis hebben of op enig moment zullen krijgen van deze procedure verboden aan derden mededelingen te doen omtrent de procedure;
c. verstaan dat naar voorlopig oordeel gegronde redenen bestaan om te twijfelen aan een juist beleid of juiste gang van zaken bij Nexperia;
d. bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog totdat na de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025 op het verzoek onmiddellijke voorzieningen te treffen zal zijn beslist met ingang van heden:
(i) [bestuurder/CEO] als uitvoerende bestuurder van Nexperia Holding en als niet-uitvoerende bestuurder van Nexperia B.V. geschorst;
(ii) de werking van art. 3 bestuursreglement Nexperia B.V. geschorst;
(iii) bepaald dat alle aandelen in Nexperia Holding ten titel van beheer zijn overgedragen aan een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon;
e. iedere verdere beslissing aangehouden.
3.3
De OK heeft daartoe in de ex parte-beschikking als volgt overwogen:
“2.1 De Ondernemingskamer zal partijen oproepen voor een op 6 oktober 2025 te 13:00 uur te houden mondelinge behandeling van, vooralsnog, uitsluitend het verzoek om onmiddellijke voorzieningen te treffen.
2.2
Om redenen vermeld in paragraaf 1 van het verzoekschrift en in de brief van de Staat (p. 2 onder ‘Vertrouwelijkheid’) zal de Ondernemingskamer op de voet van art. 27 lid 1, aanhef en onder b, Rv bepalen dat het verzoek alsdan zal worden behandeld met gesloten deuren. De Ondernemingskamer zal om dezelfde redenen partijen en belanghebbenden verbieden aan derden mededelingen te doen omtrent deze procedure.
2.3
De Ondernemingskamer ziet in de bijzondere aard van het verzoek en de grote spoedeisendheid van de verzochte voorzieningen aanleiding reeds thans, voorafgaand aan de op maandag 6 oktober 2025, te 13:00 te houden mondelinge behandeling, en dus ex parte op de voet van artikel 2:349a lid 3 BW te beslissen op - een deel van - de verzochte voorzieningen.
2.4
Naar het voorlopig oordeel van de Ondernemingskamer zijn er gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van Nexperia c.s. (vgl. art. 2:349a lid 3 BW). De Ondernemingskamer verwijst ter nadere motivering naar hetgeen Nexperia c.s. daarover in hun verzoekschrift in paragraaf 2 (randnummer 9 tot en met 16) hebben vermeld, zoals uitgewerkt in het vervolg van het verzoekschrift en hetgeen is vermeld in het bevel van de minister van Economische Zaken van 30 september 2025 (bijlage 1 bij het verzoekschrift).
2.5
Wat betreft de spoedeisendheid verwijst de Ondernemingskamer naar hetgeen is vermeld in de brief van mr. Van der Schrie[c]k [advocaat van Nexperia, A-G] van 1 oktober 2025, p. 1 tot en met 5, eerste alinea. Op de gronden vermeld in het verzoekschrift, paragraaf 6 en 7 zal het verzoek worden toegewezen als in het dictum vermeld.
2.6
De Ondernemingskamer zal de zaak niet opnemen in openbare overzichten van aanhangige zaken en zal geen mededelingen aan derden over deze zaak doen.”
De kop-staart-beschikking
3.4
Bij verweerschrift van 5 oktober 2025 heeft EZ zich achter het verzoek van Nexperia geschaard. Bij verweerschrift van 6 oktober 2025 respectievelijk mondeling verweer ter zitting hebben [bestuurder/CEO] en Yuching de internationale bevoegdheid van de OK betwist. Subsidiair hebben zij verzocht om, kort samengevat, Nexperia niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek althans het verzoek af te wijzen, de in de ex parte-beschikking getroffen onmiddellijke voorzieningen per direct op te heffen en het verzoek om onmiddellijke voorzieningen van Nexperia af te wijzen. Voor zover de OK onmiddellijke voorzieningen treft, verzoekt Yuching [verweerder 4] te schorsen als bestuurder en een onafhankelijke bestuurder te benoemen die (namens [bestuurder/CEO] ) het concernbelang behartigt en bepaalde instructies ten aanzien van het bevel te verstrekken. [bestuurder/CEO] heeft eveneens als voorwaardelijk tegenverzoek schorsing van [verweerder 4] verzocht. Bij mondeling verweer ter zitting heeft de OR steun uitgesproken voor het verzoek van Nexperia.
3.5
Van het verhandelde ter zitting van de OK van 6 oktober 2025 is proces-verbaal opgemaakt. Aan het slot van de mondelinge behandeling heeft de OK medegedeeld dat op 7 oktober 2025 een verkorte beschikking zal worden gegeven en dat de nadere uitwerking daarvan zo spoedig mogelijk op schrift zal worden gesteld.
3.6
Bij beschikking van 7 oktober 2025 (hierna ook: de kop-staart-beschikking) heeft de OK, uitvoerbaar bij voorraad en voor zover relevant:
- de beslissingen in de ex parte-beschikking als bedoeld onder 3.2 sub b en c hiervoor gehandhaafd;
- de onmiddellijke voorzieningen in de ex parte-beschikking als bedoeld onder 3.2 sub d (i) t/m (iii) hiervoor verlengd tot vooralsnog de duur van de procedure, met dien verstande dat de onmiddellijke voorziening onder (iii) betrekking heeft op alle aandelen minus één in Nexperia Holding;
- bij wijze van onmiddellijke voorziening met onmiddellijke ingang, vooralsnog ook voor de duur van de procedure en voor zover nodig in afwijking van de statuten, G.R.C. Dierick benoemd tot niet-uitvoerende bestuurder van Nexperia met beslissende stem en bepaald dat deze bestuurder zelfstandig bevoegd is Nexperia te vertegenwoordigen (hierna ook: de OK-bestuurder);
- de verzoeken van Yuching en [bestuurder/CEO] afgewezen;
- iedere verdere beslissing aangehouden.
3.7
De OK heeft daartoe in de kop-staart-beschikking onder meer als volgt overwogen:
“3.1 De Ondernemingskamer is internationaal bevoegd kennis te nemen van het verzoek. Nexperia c.s. zijn ontvankelijk in hun verzoek.
3.2
Naar voorlopig oordeel van de Ondernemingskamer is sprake van gegronde redenen om aan een juist beleid en juiste gang van zaken te twijfelen, zoals bedoeld in artikel 2:349a lid 3 BW.
3.3
De Ondernemingskamer is van oordeel dat de toestand van Nexperia c.s. het noodzakelijk maakt de navolgende onmiddellijke voorzieningen te treffen.
3.4
De Ondernemingskamer zal bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog voor de duur van de procedure [bestuurder/CEO] schorsen als niet-uitvoerende bestuurder van Nexperia Holding en als uitvoerende bestuurder van Nexperia B.V.
3.5
De Ondernemingskamer zal de hierna te noemen persoon benoemen tot tijdelijk niet-uitvoerende bestuurder van Nexperia c.s. aan wie in het bestuur van Nexperia c.s. - voor zover nodig in afwijking van de statuten - een beslissende stem toekomt, wat betekent dat overeenkomstig die stem wordt besloten, ook als die stem afwijkt van de meerderheid van de uitgebrachte stemmen en die zelfstandig bevoegd is Nexperia c.s. te vertegenwoordigen.
3.6
Ook acht de Ondernemingskamer het noodzakelijk om bij wijze van onmiddellijke voorziening
en vooralsnog voor de duur van de procedure, de door Yuchin[g] Holding gehouden aandelen in Nexperia Holding, minus één aandeel, ten titel van beheer over te dragen aan nader te noemen beheerder van aandelen.
(…)
3.8
Verder acht de Ondernemingskamer het noodzakelijk om bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog voor de duur van de procedure de werking van artikel 3 van het bestuursreglement van Nexperia B.V. te schorsen, voor zover dit reglement van kracht is.
3.9
Voor het treffen van andere onmiddellijke voorzieningen ziet de Ondernemingskamer vooralsnog geen aanleiding.
(…).”
De opheffingsbeschikking I
3.8
Bij brief van 7 oktober 2025 heeft EZ op de voet van art. 28 lid 2 Rv verzocht om gedeeltelijke opheffing van het mededelingenverbod, vervat in de beslissing in de ex parte-beschikking als bedoeld onder 3.2 sub b hiervoor en gehandhaafd in de kop-staart-beschikking, namelijk voor zover dit in het kader van diplomatieke contacten (in het belang van de onderneming) nodig is. Bij e-mail van de OK van 7 oktober 2025 zijn partijen in staat gesteld uiterlijk 8 oktober 2025 om 10:00 uur op het verzoek van EZ te reageren. De OR en Nexperia hebben het verzoek van EZ gesteund. [bestuurder/CEO] en Yuching hebben per e-mail om uitstel gevraagd, waarna de OK uitstel heeft verleend tot 8 oktober 2025 om 12:00 uur. Bij e-mails van 8 oktober 2025 (respectievelijk 11:59 uur en 12:12 uur) hebben [bestuurder/CEO] en Yuching bezwaar gemaakt tegen het verzoek van EZ.
3.9
Bij beschikking van 8 oktober 2025 (hierna ook: de opheffingsbeschikking I) heeft de OK, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat het verbod tot het doen van mededelingen aan derden omtrent deze procedure gedeeltelijk wordt opgeheven, namelijk voor zover die mededelingen worden gedaan door of namens EZ in het kader van diplomatiek overleg met betrekking tot Nexperia in verband met deze zaak. Verder heeft de OK A.R.J. Croiset van Uchelen aangewezen als beheerder van de aandelen als bedoeld in de kop-staart-beschikking (hierna ook: de OK-beheerder).
3.10
De OK heeft daartoe in de opheffingsbeschikking I als volgt overwogen:
“2.1 De Ondernemingskamer stelt vast dat, gegeven de aan het enquêteverzoek ten grondslag liggende internationale problematiek en de positie waarin Nexperia c.s. zich thans bevinden, het voor Nexperia c.s. van groot belang is dat er op zo kort mogelijke termijn diplomatiek overleg kan plaatsvinden teneinde handelsbelemmeringen voor Nexperia c.s. zoveel mogelijk te voorkomen. Daarbij is noodzakelijk dat zijdens de Minister mededelingen gedaan kunnen worden over de stand van zaken in deze procedure en de gevolgen die dat heeft en mogelijk zal hebben voor de governance van Nexperia c.s. De Ondernemingskamer weegt daarbij mee dat Nexperia c.s. de noodzaak van diplomatiek overleg onderschrijven en dat zijdens de Minister van Economische Zaken is toegezegd dat hij alle ontvangers van informatie over onderhavige procedure zal wijzen op het verbod op het doen van mededelingen en hen zal verzoeken zich hieraan te houden. De Ondernemingskamer zal het verzoek van de Staat daarom toewijzen in die zin dat het verbod om mededelingen over deze procedure zal worden opgeheven voor zover die mededelingen worden gedaan door of namens de Staat (de Minister van Economische Zaken) in het kader van diplomatieke contacten met betrekking tot Nexperia c.s. in verband met deze zaak.
2.2
De Ondernemingskamer zal verder de hierna te vermelden persoon aanwijzen als beheerder van aandelen, één en ander zoals bedoeld in haar beschikking van 7 oktober 2025.”
De opheffingsbeschikking II
3.11
Bij brief van 13 oktober 2025 heeft EZ verzocht het voornoemde mededelingenverbod geheel op te heffen, onder verwijzing naar een bijgevoegd bericht dat door [A] in China zou zijn gepubliceerd. De OK-beheerder, Yuching en [bestuurder/CEO] hebben zich gerefereerd aan het oordeel van de OK. Nexperia heeft het verzoek van EZ gesteund.
3.12
Bij beschikking van 13 oktober 2025 (hierna ook: de opheffingsbeschikking II) heeft de OK, uitvoerbaar bij voorraad, het mededelingenverbod geheel opgeheven.
3.13
De OK heeft daartoe in de opheffingsbeschikking II als volgt overwogen:
“2.1 Bij beschikkingen van 1 en 7 oktober 2025 heeft de Ondernemingskamer het verbod om mededelingen te doen over deze procedure opgelegd. Het verbod is opgelegd om de betrokken partijen de gelegenheid te bieden om zonder de externe druk die van eventuele publiciteit zou kunnen uitgaan in het belang van Nexperia en haar onderneming tot een werkbare oplossing van de ontstane situatie te komen. Met de publicatie van het bericht door Win[g]tech en de daarop gevolgde nieuwsberichten dient verdere geheimhouding geen redelijk doel meer. De Staat en Nexperia onderschrijven dat. Yuching Holding, [bestuurder/CEO] en de OK-beheerder hebben zich gerefereerd aan het oordeel van de Ondernemingskamer. De Ondernemingskamer zal daarom het verbod opheffen.”
De uitgewerkte beschikking
3.14
Bij beschikking van eveneens 13 oktober 2025 (hierna ook: de uitgewerkte beschikking) heeft de OK een nadere uitwerking gegeven van de kop-staart-beschikking en de opheffingsbeschikking I. De OK heeft eerst onder het opschrift “Rechtsmacht van de Nederlandse rechter” overwogen waarom zij de bevoegdheid heeft van de verzoeken van Nexperia kennis te nemen (rov. 3.1-3.5), en vervolgens onder het opschrift “Ontvankelijkheid” waarom Nexperia in haar verzoek kan worden ontvangen (rov. 3.6-3.10). Het beroep van Yuching en [bestuurder/CEO] op strijd met de goede procesorde en/of het bepaalde in art. 6 EVRM heeft de OK in de uitgewerkte beschikking met de volgende motivering verworpen:
“Strijd met goede procesorde en/of artikel 6 EVRM
3.11
Yuching en [bestuurder/CEO] voeren tot hun verweer verder aan dat de gang van zaken in deze procedure in strijd is met fundamentele beginselen van een goede procesorde en met het bepaalde in artikel 6 EVRM, waaronder het recht op equality of arms en een redelijke mogelijkheid tot het voeren van verweer. Aan Yuching en [bestuurder/CEO] kan worden toegegeven dat de gang van zaken zeer ongebruikelijk is, omdat (i) de Ondernemingskamer enkele uren na ontvangst van het verzoek ex parte enige ingrijpende onmiddellijke voorzieningen heeft getroffen, (ii) de Ondernemingskamer binnen drie werkdagen (vijf dagen) een zitting heeft georganiseerd, terwijl (iii) het gaat om een complexe zaak en (iv) Yuching en [bestuurder/CEO] in deze periode ook nog op zoek moesten naar een advocaat, (v) op een moment waarop in China belangrijke feestdagen worden gevierd.
3.12
De eerste beschikking is ex parte gegeven in het licht van het onderbouwde beroep door Nexperia en de Staat dat zich bij Nexperia een acute noodsituatie voordeed. Zoals de Staat ter zitting heeft toegelicht, was het bevel in voorbereiding op het moment waarop de Staat werd overvallen door de vervroegde invoering van de 50%-rule, welke vervroeging was ingegeven door de sluiting van de federale overheid in de Verenigde Staten. Zoals in het verzoekschrift is onderbouwd, leidde de samenval van de 50%-rule en het bevel tot een onhoudbare situatie bij Nexperia, nu daarmee haar bedrijfsvoering mogelijk zou kunnen stilvallen.
3.13
Verder is van belang dat de Staat heeft betoogd dat de door Nexperia gedreven onderneming van essentieel belang is voor de economische veiligheid van Nederland en Europa, terwijl op heel korte termijn cruciale bedrijfsprocessen, goederen en kennis verloren dreigden te gaan door verplaatsing naar locaties buiten Europa. De Staat heeft daarbij de vrees uitgesproken dat overtreding van het bevel zeer waarschijnlijk zou leiden tot een feitelijk onomkeerbare situatie. Iedere dag dat deze situatie zou voortduren, zo heeft de Staat betoogd, vormde een bedreiging voor de continuïteit van de onderneming en daarmee voor de economische veiligheid van Nederland en Europa. Onder deze uitzonderlijke omstandigheden is ex parte beslist tot het treffen van enkele onmiddellijke voorzieningen, waarmee werd beoogd de situatie te bevriezen tot het verzoek inhoudelijk zou zijn behandeld en om te voorkomen dat in de periode tot aan de inhoudelijke behandeling Nexperia en haar onderneming onherstelbare schade zou worden berokkend.
3.14
Juist uit oogpunt van hoor en wederhoor is besloten deze eenzijdige bevriezing van de situatie zo kort mogelijk te doen voortduren en is op zeer korte termijn een inhoudelijke behandeling gelast. Een tweede reden voor het plannen van een zitting binnen enkele dagen was gelegen in de onderkenning dat Nexperia op korte termijn dreigt te worden getroffen door de maatregelen uit hoofde van de 50%-rule en dat in de gesprekken van Nexperia, respectievelijk de Staat met de Amerikaanse autoriteiten van groot belang is dat aan die tijdelijke bevriezing zo snel mogelijk een einde komt. Om die reden heeft de Ondernemingskamer niet bewilligd in het verzoek van Yuching en [bestuurder/CEO] tot uitstel van de mondelinge behandeling.
3.15
Intussen is in de gegeven omstandigheden zo veel mogelijk recht gedaan aan het beginsel van hoor en wederhoor. Belanghebbenden is tot 9.00 uur op 6 oktober 2025 (maandagochtend), vier uur voor de mondelinge behandeling, gelegenheid gegeven een verweerschrift in te dienen. Yuching heeft een volwaardig verweerschrift ingediend en haar verweer op zitting nader aangevuld. [bestuurder/CEO] - die niet in de gelegenheid is geweest tijdig een verweerschrift in te dienen - heeft op zitting extra tijd gekregen [zijn] positie toe te lichten. De behandeling op zitting is vervolgens meermalen geschorst, opdat de advocaten van [bestuurder/CEO] en Yuching in de gelegenheid werden gesteld telefonisch overleg te plegen met hun cliënten. Aldus is tegen de ongebruikelijke achtergrond van deze zaak en de hoge spoedeisendheid voldoende recht gedaan aan het beginsel van hoor en wederhoor en de redelijke mogelijkheid geboden tot het voeren van verweer. Het beroep op strijd met de goede procesorde en het bepaalde in artikel 6 EVRM wordt daarom verworpen.”
3.15
Naar voorlopig oordeel van de OK zijn er gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia, die geen verband houden met het bevel maar onder meer betrekking hebben op een tegenstrijdig belang van [bestuurder/CEO] , op het niet opvolgen van toezeggingen aan EZ om de governance van Nexperia te wijzigen, op het verlenen van een bankvolmacht aan personen zonder financiële ervaring, en op de ontslagaanzegging van [verweerder 4] en enkele sleutelfunctionarissen uit het EMT:
“Gegronde redenen om aan een juist beleid en juiste gang van zaken te twijfelen
3.16
Naar voorlopig oordeel van de Ondernemingskamer zijn gegronde redenen aanwezig om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia. Dit voorlopig oordeel steunt niet op het bevel en de gronden waarop het bevel berust. Het bevel heeft nog geen formele rechtskracht en er moet rekening mee worden gehouden dat bezwaar en beroep tegen het besluit waarbij het bevel is gegeven zal worden ingesteld. Nu het voorlopig oordeel niet steunt op het bevel, behoeft de Ondernemingskamer verder niet te treden in de uitspraak die in dat kader van de bestuursrechter mag worden verwacht (vgl. HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1128).
3.17
Het voorlopig oordeel heeft in de eerste plaats betrekking op tegenstrijdig belang. In dit verband memoreert de Ondernemingskamer dat een tegenstrijdig belang als bedoeld in artikel 2:239 lid 6 BW zich voordoet indien een bestuurder te maken heeft met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen uitsluitend laat leiden door het belang van de vennootschap en haar onderneming (vgl. HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0033, Bruil). De vraag of een tegenstrijdig belang bestaat moet worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Bij aanwezigheid van een tegenstrijdig belang is een hogere mate van zorgvuldigheid vereist in de voorbereiding, besluitvorming en uitvoering van de transactie. Daarbij moeten de te onderscheiden belangen op zorgvuldige wijze gescheiden worden gehouden en dient een zo groot mogelijke openheid te worden betracht. De verhoogde zorgvuldigheid dient in beginsel erop te zijn gericht dat de transactie geschiedt onder redelijke en marktconforme voorwaarden zodat deze zakelijk verantwoord is. Daartoe kan inschakeling van deskundige derden gewenst en onder omstandigheden geboden zijn. Indien in het bestuur beraadslaging en/of besluitvorming plaatsvindt waarbij een bestuurder een tegenstrijdig belang heeft, dient deze zich op de voet van artikel 2:239 lid 6 BW van deelname te onthouden.
3.18
[bestuurder/CEO] heeft een indirect belang in Nexperia van ongeveer 15%. Tegelijk heeft hij een controlerend belang in WSS. Dat betekent dat [bestuurder/CEO] ten aanzien van transacties tussen Nexperia en WSS te maken heeft met onverenigbare belangen waarbij, zeker nu de financiële positie van WSS slecht is, in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen als bestuurder van Nexperia uitsluitend laat leiden door het belang van Nexperia en haar onderneming. Tussen Nexperia en WSS zijn in de FSA afspraken gemaakt over wafers die door WSS zouden worden geproduceerd en aan Nexperia zouden worden geleverd. Nexperia heeft uitvoerig onderbouwd dat in 2025 zeer grote orders bij WSS werden geplaatst, in een omvang die Nexperia niet nodig heeft en die zelfs - volgens medewerkers van Nexperia - werden geplaatst for scrap (voor vernietiging). Volgens een interne inschatting van 8 mei 2025 zou het bedrijfsonderdeel Metal-Oxide-Semiconductor in 25Q2, 25Q3 en 25Q4 in totaal 98.400 wafers nodig hebben. [bestuurder/CEO] drong er evenwel op aan dat Nexperia voor dit bedrijfsonderdeel 215.000 wafers bij WSS zou bestellen. Terwijl bedrijfsonderdeel Logic verwachtte maandelijks 400 wafers nodig te hebben, wilde [bestuurder/CEO] dat maandelijks 5.000 wafers bij WSS zouden worden besteld. De door [bestuurder/CEO] gewenste orders bij WSS voor 2025 kwamen daarmee uit op US$ 200 miljoen, terwijl de behoefte van de business zou leiden tot orders ter grootte van US$ 70-80 miljoen. Volgens interne berichten zou dit betekenen dat de door WSS te leveren wafers niet verwerkt zullen worden, maar zolang op voorraad zullen worden gehouden dat ze verouderd zijn voordat ze gebruikt kunnen worden, zodat Nexperia de orders feitelijk for scrap zou plaatsen. De Ondernemingskamer is niet gebleken dat bij het plaatsen van de orders de vereiste verhoogde zorgvuldigheid bij tegenstrijdig belang in acht is genomen om te waarborgen dat de transactie geschiedt onder redelijke en marktconforme voorwaarden en zakelijk verantwoord is. Integendeel, Nexperia heeft voldoende onderbouwd dat betwijfeld kan worden dat [bestuurder/CEO] bij het plaatsen van deze orders uitsluitend het belang van Nexperia voor ogen heeft gehad en niet met name ook dat van WSS. Het gaat daarbij niet om geringe bedragen: volgens Nexperia had zij in 2025 behoefte aan wafers voor een totaalbedrag van US$ 70-80 miljoen, terwijl voor US$ 200 miljoen aan orders is geplaatst. Bij dit alles moet worden bedacht dat de FSA op aandringen van [bestuurder/CEO] met ingang van 1 januari 2025 aldus is gewijzigd, dat zij bij elke bestelling 70% van de koopprijs vooraf moet betalen.
3.19
Een tweede grond voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken is gelegen in het niet opvolgen van toezeggingen aan de Staat om de governance van Nexperia te wijzigen - in het bijzonder ten aanzien van de invoering van een raad van commissarissen met belangrijke goedkeuringsrechten. Daarbij moet worden bedacht dat het Nexperia was die in verband met de negatieve gevolgen van de perceptie van de invloed van haar Chinese aandeelhouder contact heeft gezocht met EZK en heeft gevraagd om steun voor haar als Nederlandse onderneming. Het voorgaande ging te meer klemmen toen [A] op de US Entity List werd geplaatst en werd nog urgenter toen Nexperia op 5 juni 2025 en nadien door BZ en EZK erover is geïnformeerd dat de 50%-rule mogelijk zou worden ingevoerd. Voor alle betrokkenen was duidelijk dat de 50%-rule een grote negatieve impact op Nexperia en haar onderneming zou kunnen hebben.
3.20
Tegen deze achtergrond roept het gebrek aan voortvarendheid waarmee Nexperia uitvoering heeft gegeven aan de met EZK afgestemde governance wijzigingen de nodige vragen op. Zeker vanaf het moment dat [A] op de Entity List is geplaatst moet het voor [bestuurder/CEO] als bestuurder van Nexperia duidelijk zijn geweest dat implementatie van de in overleg met EZK afgestemde maatregelen nodig was om te voorkomen dat Nexperia en haar onderneming in toenemende mate de nadelige gevolgen zouden ondervinden van de gepercipieerde invloed van haar Chinese aandeelhouder. Desondanks zijn geen stappen gezet om in het belang van Nexperia en haar onderneming tot aanpassing van de governance te komen. Ook niet toen in juni 2025 duidelijk werd dat er een aanzienlijke kans was dat de 50%-rule zou worden ingevoerd, waardoor Nexperia ook direct door handelsbeperkingen uit de Verenigde Staten zou worden geraakt. Vanaf dat moment lag het op de weg van [bestuurder/CEO] om maatregelen te treffen om de kans te minimaliseren dat Nexperia door de 50%-rule zou worden geraakt. Nakoming van de eerdere toezeggingen tot wijziging van de governance werd zeker vanaf dat moment evident in het belang van Nexperia, omdat BZ en/of EZK daarmee een argument kon worden verschaft jegens de autoriteiten in de Verenigde Staten om de 50%-rule niet ook op Nexperia van toepassing te verklaren. De Ondernemingskamer heeft niet kunnen vaststellen dat behoudens het terugtreden van diens zuster als bestuurder zijdens [bestuurder/CEO] enige maatregel is getroffen om de nadelige gevolgen van de gepercipieerde invloed van de Chinese aandeelhouder op Nexperia en haar onderneming tegen te gaan.
3.21
Vanaf september 2025 wees het optreden van [bestuurder/CEO] zelfs eerder in de tegengestelde richting. Zonder zakelijke toelichting werden de betalingsbevoegdheden van de CFO en twee andere financiële sleutelfunctionarissen ingetrokken. In plaats daarvan werd een bankvolmacht verleend aan personen zonder financiële ervaring. Voor een onderneming van de orde van grootte van Nexperia grenst een dergelijke handelwijze aan roekeloosheid. Een paar dagen later kregen [verweerder 4] en enkele sleutelfunctionarissen uit het EMT ontslag aangezegd. De gebruikte woorden ‘We therefore aim to terminate your employment agreement and statutory positions’ maken ondubbelzinnig duidelijk dat het ontslagbesluit al vast stond. De ondernemingsraad was over dit alles niet geïnformeerd, laat staan dat hij op de voet van artikel 30 WOR tijdig om advies was gevraagd over een voorgenomen ontslag van [verweerder 4] als statutair bestuurder. De keuze om in het licht van de nakende toepassing van de 50%-rule zonder overleg of ruggenspraak over te gaan tot het ontslag van deze drie sleutelfunctionarissen in de Nederlandse organisatie van Nexperia bevreemdt te meer nu ook [bestuurder/CEO] in de gesprekken met EZK onderschreef dat het voor Nexperia van belang was het Nederlandse karakter van de onderneming te waarborgen.
3.22
De Ondernemingskamer is reeds gelet op het voorgaande voorshands van oordeel dat gegronde redenen bestaan voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van Nexperia Holding en Nexperia BV. De overige aangevoerde gronden behoeven daarmee op dit moment geen behandeling.”
3.16
Over de door de OK getroffen onmiddellijke voorzieningen is in de uitgewerkte beschikking het volgende overwogen:
“Onmiddellijke voorzieningen
3.23
De Ondernemingskamer is van oordeel dat de toestand van Nexperia, zoals die blijkt uit het voorgaande het nodig maakt de navolgende onmiddellijke voorzieningen te treffen. Zij zal [bestuurder/CEO] schorsen als bestuurder van Nexperia en in zijn plaats G.R.C. Dierick tot niet-uitvoerende bestuurder van Nexperia benoemen. Deze bestuurder heeft in het bestuur een beslissende stem, wat betekent dat overeenkomstig die stem wordt besloten, ook als die stem afwijkt van de meerderheid van de uitgebrachte stemmen. Deze bestuurder zal zich bij de uitoefening van zijn bestuurstaak naar eigen inzicht kunnen doen bijstaan door [bestuurder/CEO] op door hem te bepalen, nader te stellen voorwaarden. De Ondernemingskamer ziet ook aanleiding om de aandelen in Nexperia Holding met uitzondering van één aandeel ten titel van beheer over te dragen aan mr. drs. A.R.J. Croiset van Uchelen. Tot slot ziet de Ondernemingskamer aanleiding de werking van artikel 3 van het Bestuursreglement te schorsen voor zover dit niet reeds strijdig is met dwingend recht.
3.24
Op zitting is uitvoerig met partijen besproken of minder vergaande voorzieningen uit oogpunt van proportionaliteit en subsidiariteit de voorkeur verdienen. De Ondernemingskamer beantwoordt die vraag ontkennend. Wat [bestuurder/CEO] als bestuurder betreft, illustreert zijn handelwijze ten aanzien van onderwerpen waarbij hij een tegenstrijdig belang heeft, dat hij zich niet uitsluitend heeft laten leiden door het belang van Nexperia en haar onderneming, maar mogelijk zijn belangen in WSS de doorslag heeft doen geven ten koste van die van Nexperia. Het bezwaar dat geen uitvoering is gegeven aan eerdere toezeggingen betreffende de wijziging van de governance nadat [A] op de Entity List werd geplaatst en in het zicht van de 50%-rule treft zowel [bestuurder/CEO] als bestuurder als Yuching als aandeelhouder. Tegen deze achtergrond acht de Ondernemingskamer een schorsing van [bestuurder/CEO] en het onder beheer plaatsen van alle aandelen minus één aandeel noodzakelijk, en proportioneel met het oog op het belang van de vennootschap, haar onderneming en de daarbij betrokkenen.
3.25
De Ondernemingskamer ziet geen aanleiding [verweerder 4] te schorsen als bestuurder en evenmin om bij onmiddellijke voorziening te verbieden dat hij wordt geschorst of ontslagen. Het is [op] dit moment veeleer in het belang van Nexperia en (de continuïteit van) haar onderneming dat [verweerder 4] en het EMT in staat worden gesteld de uitdagende omstandigheden het hoofd te bieden. De Ondernemingskamer ziet evenmin aanleiding instructie(s) aan de bestuurder te geven; deze dient naar eigen inzicht het belang van Nexperia te dienen. Of dat belang meebrengt dat bezwaar wordt gemaakt tegen het besluit waarbij het bevel is gegeven, is aan het bestuur van Nexperia.”
3.17
Over het door de OK opgelegde mededelingenverbod is in de uitgewerkte beschikking het volgende overwogen:
“3.26 In de kop-staart beschikking van 7 oktober 2025 heeft de Ondernemingskamer partijen verboden (…) mededelingen te doen over deze procedure. Bij beschikkingen van 8 en 13 oktober 2025 is dit verbod gedeeltelijk en vervolgens geheel opgeheven. Om die reden zal hierover in het dictum niets meer worden vermeld.”
3.18
Verder heeft de OK in de uitgewerkte beschikking nog onder meer overwogen:
“3.27 De Ondernemingskamer zal binnen redelijke termijn een zitting bepalen om het enquêteverzoek ten gronde te behandelen.”
Cassatieberoep
3.19
Bij procesinleiding van 2 januari 2026 heeft [bestuurder/CEO] (tijdig) cassatieberoep ingesteld van de ex parte-beschikking, de kop-staart-beschikking, de opheffingsbeschikking I, de opheffingsbeschikking II en de uitgewerkte beschikking. [bestuurder/CEO] heeft Yuchings verzoek om spoedbehandeling ondersteund. Omdat de grond voor een spoedbehandeling in strikte zin door de ontwikkelingen is achterhaald (zie met name onder 3.22-3.23 hierna), heeft de rolraadsheer dit verzoek afgewezen, waarbij overigens wel is toegezegd dat ernaar wordt gestreefd de zaak met voortvarendheid te behandelen.
3.20
Door Nexperia, EZ en de OR zijn verweerschriften ingediend.
3.21
Yuching heeft eveneens cassatieberoep ingesteld van de vijf onder 3.19 hiervoor genoemde OK-beschikkingen. De cassatieklachten van Yuching overlappen grotendeels met die van [bestuurder/CEO] en in deze samenhangende zaak, die bij de Hoge Raad aanhangig is onder zaaknummer 25/04297, wordt ook door dezelfde partijen verweer gevoerd. Ik neem vandaag in de zaak 25/04297 een afzonderlijke conclusie. Hoewel de cassatieklachten een grote inhoudelijke overlap vertonen, bespreek ik de cassatieklachten in beide conclusies volledig.
Ontwikkelingen nadien
3.22
Bij beschikking van 11 februari 2026 (hierna ook: de eerstefasebeschikking) heeft de OK vastgesteld dat er gegronde redenen bestaan om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia, en een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van deze vennootschappen over de periode vanaf 1 december 2023 tot de datum van de beschikking als omschreven in rov. 3.35 (hierna geciteerd). De OK heeft de bij de kop-staart-beschikking getroffen onmiddellijke voorzieningen in de eerstefasebeschikking gehandhaafd. Hoewel het onderhavige cassatieberoep van [bestuurder/CEO] niet is gericht tegen de eerstefasebeschikking, komt het mij dienstig voor enkele overwegingen uit die beschikking uit te lichten.
“De Staat als belanghebbende
3.1
In beschikking 1 [de ex parte-beschikking, A-G] heeft de Ondernemingskamer de Staat aangemerkt als belanghebbende. Yuching stelt die hoedanigheid ter discussie. Volgens Yuching komt de Staat in deze procedure op ter handhaving van het bevel. Handhaving van het bevel is echter geen eigen belang waarin de Staat door de uitkomst van deze procedure geraakt kan worden, zodat hij daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang. Indien het openbare belang moet worden behartigd door middel van een enquêteprocedure, is dit volgens Yuching op grond van de wet exclusief voorbehouden aan het Openbaar Ministerie. Verder levert de uitoefening door de Staat van eventuele privaatrechtelijke bevoegdheden als belanghebbende in deze procedure volgens Yuching een onaanvaardbare doorkruising op van de handhavingsbevoegdheden krachtens de Wbg en de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waaruit volgt dat het bevel slechts via het bestuursrecht kan worden gehandhaafd. Daarbij komt dat de Staat kennelijk beoogt om via het enquêterecht preventief handhavend op te treden, terwijl hij die bevoegdheid op grond van de Wbg en de Awb niet heeft, aldus telkens Yuching.
3.2
De Ondernemingskamer verwerpt dit betoog. Het feit dat het Openbaar Ministerie ingevolge artikel 124 Wet RO is belast met de strafrechtelijke handhaving en andere bij wet vastgestelde taken staat niet eraan in de weg dat de Staat in een enquêteprocedure optreedt als belanghebbende. Ook de bevoegdheden die in de artikelen 2:345 lid 2, 2:349 lid 1 en 2:355 lid 1 BW zijn toegekend aan de advocaat-generaal bij het ressortsparket Amsterdam staan hieraan niet in de weg (vgl. o.a. HR 4 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2456, SNS; HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:600, SNS).
3.3
De vraag of de Staat belanghebbende is, moet worden beoordeeld op basis van de maatstaf die de Hoge Raad heeft geformuleerd in de Scheipar-beschikking (HR 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9440). Volgens de Hoge Raad zal daarbij een rol spelen (i) in hoeverre de Staat door de uitkomst van (…) deze procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat hij daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang of (ii) in hoeverre de Staat anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen.
3.4
De Ondernemingskamer merkt de Staat reeds op de tweede grond aan als belanghebbende. Een belangrijk onderwerp dat in deze procedure wordt behandeld is het beleid en de gang van zaken bij Nexperia in relatie tot de met EZ vanaf 2023 gevoerde gesprekken. Nexperia heeft uit eigen beweging steun bij EZ gezocht om te worden erkend als Nederlands (Europees) halfgeleiderbedrijf. In het enquêteverzoek en in de verschillende verweerschriften komt onder meer aan de orde de vraag welke voorwaarden EZ heeft gesteld aan het verlenen van steun, welke toezeggingen Nexperia in dit verband heeft gedaan, of zij van bepaalde toezeggingen is teruggekomen en of (en zo ja: hoe) zij aan toezeggingen aan EZ uitvoering heeft gegeven. Reeds in deze betrokkenheid van EZ is een voldoende belang gelegen voor de Staat om in de procedure als belanghebbende te verschijnen. Daarom kan in het midden blijven of de Staat in de procedure (slechts) beoogt het bevel te handhaven en of daarmee de uitoefening door de Staat van zijn publiekrechtelijke bevoegdheden uit hoofde van de Wbg en Awb op onaanvaardbare wijze wordt doorkruist.
(…)
Belangenafweging en onderzoek
3.32
Yuching en [bestuurder/CEO] hebben betoogd dat het verzoek - ook bij gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid of een juiste gang van zaken - op grond van een belangenafweging moet worden afgewezen. Zij voeren aan dat de enquêteprocedure heeft geleid tot aanzienlijke schade voor Nexperia, zowel operationeel als financieel. Tegelijk moet worden erkend, zo betogen Yuching en [bestuurder/CEO] , dat een onderzoek geen oplossing kan bieden voor de problematiek die Nexperia aan de orde stelt, noch voor de huidige crisis, nu deze in de kern het gevolg is van de gewijzigde geopolitieke verhoudingen en het optreden van de Minister. Een onderzoek zal de onderneming van Nexperia juist nog verder belasten, zo betogen zij. Ook kan het onderzoek niet het publieke belang dienen nu de enquêteprocedure niet geschikt is om de ‘economische veiligheid’ in Nederland en Europa te waarborgen. Het verkrijgen van openheid van zaken en het vaststellen bij wie de verantwoordelijkheid berust voor mogelijk blijkend wanbeleid had volgens hen ook op andere wijze kunnen worden gerealiseerd. Er is bovendien een gerede kans dat er aan het eind van een eventueel onderzoek geen aan Nexperia verbonden onderneming meer zal bestaan. Daarbij wijzen zij op het vertrek van werknemers en klanten. Maatregelen van reorganisatorische aard kunnen in dit geval geen soelaas bieden. Het enige wat resteert is een schadevergoedingsvordering tegen de Nederlandse staat, zo betogen Yuching en [bestuurder/CEO] .
3.33
De Ondernemingskamer stelt voorop dat de bevoegdheid een enquête te bevelen indien er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken te twijfelen, een discretionaire is. Bij de uitoefening van die bevoegdheid dient een afweging van de betrokken belangen plaats te vinden. De belangenafweging moet steunen op de feiten en omstandigheden van het concrete geval, waarbij naast de doeleinden van het enquêterecht mede moeten worden betrokken de aard van het tussen de verzoeker en de rechtspersoon bestaande geschil en de bezwaren tegen een ruime toepassing van het middel van enquête. De regeling van het enquêterecht is gericht op het belang van de rechtspersoon en bij de belangenafweging staat dat belang daarom voorop (HR, 18 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1705, SMHHC).
3.34
In de belangenafweging spelen het bevel, de opschorting daarvan en de beweegredenen die aan die besluiten ten grondslag liggen geen rol; de Ondernemingskamer treedt niet in deze onderwerpen die zich bevinden buiten het bereik van het enquêterecht. Uit het voorgaande is gebleken dat op belangrijke onderdelen van het vennootschapsrechtelijke en ondernemingsbeleid twijfel is gerezen. Het betreft onder meer kernelementen van goed bestuur, waaronder de naleving van vennootschapsrechtelijke regels bij tegenstrijdig belang en het functioneren van collegiaal bestuur, onder meer bij de vaststelling van de strategie. Die twijfel over het interne functioneren van het bestuur werkt ook door naar het ondernemingsbeleid - zie bijvoorbeeld de gang van zaken bij het intrekken van de bankvolmachten ondanks principiële bezwaren van een van de twee statutaire bestuurders. Een te gelasten onderzoek kan over de oorzaken van dit alles meer duidelijkheid geven en daarmee handvatten bieden voor het treffen van maatregelen om de rust binnen de onderneming te herstellen en in het belang van Nexperia herhaling te voorkomen. De Ondernemingskamer heeft er oog voor dat Nexperia onderdeel is van een internationaal concern met een wereldwijd vertakte onderneming en een Chinese aandeelhouder. Ook onderkent zij dat Nexperia als gevolg van geopolitieke ontwikkelingen werd geplaatst voor ingewikkelde dilemma’s. Dat alles brengt echter niet mee dat in dit geval een onderzoek achterwege dient te blijven.
3.35
De Ondernemingskamer zal een onderzoek gelasten naar het beleid en de gang van zaken van Nexperia vanaf eind 2023, toen Nexperia voor het eerst contact zocht met EZ. Gelet op het voorgaande dient het onderzoek zich in het bijzonder toe te spitsen op:
a. de wijze waarop Nexperia is omgegaan met tegenstrijdig belang. Naast de onderwerpen die onder 3.9-3.15 aan de orde zijn gekomen, kan de onderzoeker ook andere onderwerpen die betrekking hebben op tegenstrijdig belang in zijn onderzoek betrekken. Daarbij valt te denken aan de deposit agreement en de discussie over het ter beschikking stellen van machines en van IE-rechten aan WSS;
b. de wijze waarop Nexperia heeft geacteerd in het licht van de listing van [A] en de dreigende toepassing van de 50%-rule op Nexperia. Daarbij dient het onderzoek in het bijzonder betrekking te hebben op de gang van zaken in relatie tot EZ en andere Nederlandse overheidsorganen. Verder dient aandacht te worden besteed aan de strategische keuzes die daarbij zijn gemaakt, hoe deze zich verhouden tot de gesprekken met EZ en in hoeverre deze berusten op deugdelijke en collegiale besluitvorming binnen het statutair bestuur en het EMT. Daarbij kan, zoals subsidiair en voorwaardelijk door Yuching is verzocht, ook aandacht worden besteed aan het optreden van de CLO, CFO en COO in dat kader;
c. de gang van zaken rondom de intrekking van de bankvolmachten en de ontslagaanzegging van de CLO, CFO en COO. Desgewenst kan onderzoeker deze onderwerpen behandelen als onderdeel van het onder b bedoelde onderwerp;
d. de gang van zaken na de beschikking van 1 oktober 2025 tot heden, in het bijzonder omtrent het schisma tussen Nexperia enerzijds en [bestuurder/CEO] , [A] , Yuching en Nexperia China anderzijds.
(…)
Onmiddellijke voorzieningen
3.38
De Ondernemingskamer is van oordeel dat de toestand van Nexperia, zoals die blijkt uit het voorgaande het nodig maakt dat de eerder getroffen onmiddellijke voorzieningen worden gehandhaafd. De toestand van Nexperia vraagt nu in de eerste plaats om rust zodat zij in staat gesteld wordt de gezonde interne verhoudingen, haar productieketen en de levering aan haar klanten wereldwijd te herstellen. Dat vereist een bestuur dat in zijn functioneren niet belemmerd wordt door het geschil tussen de verschillende onderdelen van de multinationale onderneming van Nexperia en/of haar aandeelhouder. Daarnaast heeft Nexperia nog steeds het hoofd te bieden aan de geopolitieke omstandigheden en de beperkingen die dat meebrengt voor het functioneren van haar wereldwijde onderneming. Handhaving van de onmiddellijke voorzieningen stelt Nexperia in staat om daarvoor een oplossing te vinden.
3.39
De Ondernemingskamer zal in de eerste plaats de schorsing van [bestuurder/CEO] als bestuurder van Nexperia en de benoeming van G.R.C. Dierick tot niet-uitvoerende bestuurder van Nexperia met beslissende stem handhaven. De Ondernemingskamer onderkent dat de schorsing voor [bestuurder/CEO] om diverse (door [bestuurder/CEO] in zijn verweerschrift uiteengezette) gronden bezwaarlijk kan zijn, maar deze bezwaren wegen gelet op de gegronde redenen voor twijfel aan het beleid en de gang van zaken niet op tegen het belang van Nexperia bij rust en het herstel van gezonde verhoudingen.
3.40
De Ondernemingskamer ziet ook aanleiding om de overdracht van de aandelen in Nexperia Holding met uitzondering van één aandeel ten titel van beheer aan A.R.J. Croiset van Uchelen te handhaven. Naar het oordeel van de Ondernemingskamer kan het in het belang van Nexperia noodzakelijke herstel van gezonde verhoudingen alleen worden bereikt als de daarvoor nodige besluitvorming binnen de algemene vergadering onbelemmerd kan plaatsvinden. De toestand van de vennootschap vereist daarom dat de tijdelijke overdracht ten titel van beheer van alle aandelen minus één, in stand blijft. De keuze om één aandeel in Nexperia Holding bij Yuching te laten is gemaakt om te waarborgen dat Yuching toegang houdt tot de algemene vergadering van Nexperia Holding en de in dat kader aan de aandeelhouders te verstrekken informatie. De Ondernemingskamer merkt daarbij op dat de overdracht ten titel van beheer betekent dat de aan de aandelen verbonden vennootschapsrechtelijke bevoegdheden (waaronder het vergaderrecht en het stemrecht) tijdelijk zijn overgedragen aan de OK-beheerder, maar dat de overige (economische) aandeelhoudersrechten - waaronder het recht op dividend, voorkeursrechten en rechten in het kader van de geschillenregeling en de uitkoopprocedure - bij de aandeelhouder blijven. De door de Ondernemingskamer benoemde beheerder van aandelen is dan ook niet bevoegd om over de aan hem in beheer gegeven aandelen te beschikken; die bevoegdheid blijft bij de aandeelhouder (vgl. OK 30 april 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1535).
(…).”
3.23
Bij beschikking van 17 februari 2026 heeft de OK M. Bijkerk en R.J.W. Analbers aangewezen als onderzoekers.
3.24
Het is mij ambtshalve bekend dat Yuching en [bestuurder/CEO] inmiddels ook, op 8 mei 2026 respectievelijk 11 mei 2026, cassatieberoep hebben ingesteld van de eerstefasebeschikking en de OK-beschikking van 17 februari 2026. Deze cassatieberoepen zijn bij de Hoge Raad aanhangig onder zaaknummer 26/01783 (Yuching) en zaaknummer 26/01817 ( [bestuurder/CEO] ). Voor de goede orde: op deze cassatieberoepen ziet de onderhavige conclusie niet.
4Bespreking van het cassatiemiddel
4.1
Het cassatiemiddel van [bestuurder/CEO] beslaat ruim 50 pagina’s. Het middel vangt aan met een korte inleiding zonder klacht, waarin onder meer wordt gewezen op de grote overlap - “met wat verkorting” - met het cassatiemiddel van Yuching. De onderdelen gaan, kort samengevat, over het volgende.
- Onderdeel 1 klaagt in de kern dat de OK [bestuurder/CEO] recht op een eerlijk proces heeft geschonden (art. 19 lid 1 Rv en art. 6 EVRM), met name hoor/wederhoor en equality of arms.
- Onderdeel 2 komt erop neer dat de OK EZ ten onrechte heeft aangemerkt als belanghebbende dan wel dat bij het optreden van EZ als belanghebbende sprake is van een onaanvaardbare doorkruising van het bestuursrechtelijke kader.
- Onderdeel 3 komt op tegen het voorlopige oordeel van de OK dat sprake is van gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia.
- Onderdeel 4 betoogt dat de door de OK getroffen onmiddellijke voorzieningen niet voldoen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.
- Onderdeel 5, ten slotte, klaagt over het door de OK opgelegde mededelingenverbod van art. 28 Rv.
Vooraf: iets over ontvankelijkheid en belang
4.2
Het cassatiemiddel van [bestuurder/CEO] geeft mij aanleiding tot de volgende prealabele opmerkingen over ontvankelijkheid en belang.
4.3
Doorgaans wordt in enquêteprocedures onderscheid gemaakt tussen twee fasen. De eerste fase begint met het indienen van het enquêteverzoek als bedoeld in art. 2:345 lid 1 BW en eindigt in geval van toewijzing in beginsel met de deponering van het onderzoekverslag ter griffie van de OK (art. 2:353 lid 1 BW). In onze zaak is de eerste fase dus gestart op 1 oktober 2025 (zie onder 3.1 hiervoor) en loopt die fase, gelet op het in de eerstefasebeschikking bevolen onderzoek gevolgd door de aanwijzing van twee onderzoekers, in beginsel nog door tot de deponering van het onderzoekverslag ter griffie van de OK. Indien het tot een tweede fase komt, neemt die eerst een aanvang met het indienen van een verzoek tot het vaststellen van wanbeleid als bedoeld in art. 2:355 lid 1 BW. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de beide fasen als twee afzonderlijke procedures worden beschouwd. De eerstefasebeschikking is met andere woorden een eindbeschikking waarvan cassatieberoep openstaat. Zowel in de eerste fase als in de tweede fase kan de OK onmiddellijke voorzieningen treffen als bedoeld in art. 2:349a BW (voor de tweede fase in verbinding met art. 2:355 lid 3 BW). Onmiddellijke voorzieningen zijn voorlopige voorzieningen als bedoeld in art. 401a lid 1 Rv en met betrekking tot een OK-beschikking waarin onmiddellijke voorzieningen zijn getroffen, bestaat dus in beginsel een keuze om dadelijk cassatieberoep in te stellen van die beschikking (art. 401a lid 1 Rv in verbinding met art. 426 Rv) of dat tegelijk te doen met het cassatieberoep van de desbetreffende eindbeschikking (in dit geval zou dat dus tegelijk met het cassatieberoep van de eerstefasebeschikking zijn).
4.4
[bestuurder/CEO] heeft met het instellen van het onderhavige cassatieberoep niet gewacht tot het instellen van cassatieberoep van de eerstefasebeschikking. Niet alle vijf bestreden OK-beschikkingen zijn echter uitspraken waarbij een voorlopige voorziening wordt toegestaan of geweigerd als bedoeld in art. 401a lid 1 Rv in verbinding met art. 426 Rv. Alleen de ex parte-beschikking, de kop-staart-beschikking en de uitgewerkte beschikking kwalificeren als zodanig. Dat geldt niet voor de opheffingsbeschikking I en de opheffingsbeschikking II voor zover die verband houden met art. 28 Rv. In art. 28 lid 2 Rv is geregeld dat de rechter het mededelingenverbod als bedoeld in lid 1 van de bepaling op verzoek van een van de partijen geheel of gedeeltelijk kan opheffen. Eerst heeft EZ op de voet van art. 28 lid 2 Rv verzocht om gedeeltelijke opheffing van het verbod, welk verzoek is toegewezen in de opheffingsbeschikking I. Vervolgens heeft EZ op diezelfde voet verzocht om het verbod geheel op te heffen, welk verzoek is toegewezen in de opheffingsbeschikking II. In art. 28 Rv is niet uitgemaakt of tegen de beslissing op het verzoek als bedoeld in art. 28 lid 2 Rv een voorziening openstaat. Op het eerste gezicht lijkt het gebruik van de woorden “op verzoek” in art. 28 lid 2 Rv te wijzen op toepasselijkheid van de regels voor de verzoekschriftprocedure (art. 261 e.v. Rv), waaruit dan zou kunnen worden afgeleid dat tegen een opheffingsbeschikking een rechtsmiddel (in dit geval cassatieberoep) openstaat. Het gebruik van de wettelijke term “op verzoek” impliceert echter niet altijd dat de regels voor de verzoekschriftprocedure van toepassing zijn. Volgens Lock lijkt voor art. 28 lid 2 Rv ook veeleer aannemelijk dat de wetgever het oog heeft gehad op de informelere ‘procedure op verlangen’. Dat ook op informele wijze (niet bij verzoekschrift, maar bijvoorbeeld per gewone brief) om opheffing kan worden verzocht, betekent echter niet zonder meer dat tegen een beschikking waarin op een dergelijk verzoek is beslist geen rechtsmiddel openstaat. Volgens Tjong Tjin Tai is de beslissing op het verzoek tot gehele of gedeeltelijke opheffing als bedoeld in art. 28 lid 2 Rv een eindbeschikking waar geen rechtsmiddel tegen openstaat. Daarvan uitgaande, geldt het volgende.
4.5
[bestuurder/CEO] is dan in beginsel niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep voor zover dat is gericht tegen de opheffingsbeschikking I en de opheffingsbeschikking II. Voor de opheffingsbeschikking I plaats ik daarbij de kanttekening dat [bestuurder/CEO] wél in zijn cassatieberoep van deze beschikking kan worden ontvangen voor zover het de beslissing tot aanwijzing van de OK-beheerder betreft (zie rov. 2.2 en dictum). Dit laatste staat immers niet in de sleutel van art. 28 lid 2 Rv, maar van art. 2:349a lid 3 BW. En daartegen kan [bestuurder/CEO] als gezegd, gelet op art. 401a lid 1 Rv in verbinding met art. 426 Rv, in cassatie wél (dadelijk) opkomen.
4.6
Bij het voorgaande dient verder de mogelijkheid van een doorbrekingsgrond onder ogen te worden gezien. Zo is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat bij veronachtzaming van een zo fundamenteel beginsel van behoorlijke rechtspleging, zoals het beginsel van hoor/wederhoor, niet meer kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak en grond bestaat voor doorbreking van een rechtsmiddelenverbod.
4.7
Volgens [bestuurder/CEO] onderdeel 1 is sprake van schending van zijn recht op een eerlijk proces, met name hoor/wederhoor en equality of arms. Als ik het goed zie, richt [bestuurder/CEO] zijn pijlen in dit onderdeel echter niet op de opheffingsbeschikking I en de opheffingsbeschikking II. Dat bij deze opheffingsbeslissingen essentiële vormen zouden zijn verzuimd, valt overigens ook niet in te zien. Uit de opheffingsbeschikking I blijkt immers dat de OK het uitgestelde verweer van [bestuurder/CEO] en Yuching tegen de gedeeltelijke opheffing van het verbod in de beoordeling heeft betrokken, en uit de opheffingsbeschikking II blijkt dat [bestuurder/CEO] en Yuching tijdig te kennen hebben gegeven dat zij zich refereren aan het oordeel van de OK over de gehele opheffing van het verbod. Deze beschikkingen dateren ook van na de mondelinge behandeling op 6 oktober 2025.
4.8
In [bestuurder/CEO] onderdeel 2 zou wellicht een beroep op een andere mogelijke doorbrekingsgrond gelezen kunnen worden, namelijk dat de OK buiten het toepassingsgebied van art. 28 Rv is getreden in de opheffingsbeschikking I, bij het verzoek van EZ (belanghebbende) tot gedeeltelijke opheffing van het verbod op de voet van art. 28 lid 2 Rv. Een dergelijk verzoek kan volgens de wettekst alleen worden gedaan door “een der partijen”, welk partijbegrip blijkens de wetsgeschiedenis ruim moet worden uitgelegd en in een verzoekschriftprocedure ook een belanghebbende omvat. Volgens onderdeel 2 is EZ ten onrechte als belanghebbende aangemerkt. Dat zou kunnen worden verstaan als het buiten het toepassingsgebied van art. 28 Rv treden, in de zin dat het verzoek dan niet door een der partijen als bedoeld in art. 28 lid 2 Rv is gedaan, namelijk volgens dit onderdeel door een niet-belanghebbende. Hoe dit ook zij, onderdeel 2 is alleen gericht tegen de opheffingsbeschikking I en laat dus onbestreden de opheffingsbeschikking II waarin eveneens op verzoek van EZ het desbetreffende verbod geheel is opgeheven, zodat al geen belang bestaat bij cassatieberoep van de opheffingbeschikking I in verband met EZ als belanghebbende.
4.9
In [bestuurder/CEO] onderdeel 5 komt de opheffingsbeschikking II nog wel aan de orde. Dit onderdeel is onder meer gericht tegen rov. 2.1 van deze beschikking voor zover de OK daarin heeft overwogen wat de reden voor het opleggen van het verbod is geweest, te weten om de betrokken partijen de gelegenheid te bieden zonder de externe druk die van eventuele publiciteit zou kunnen uitgaan in het belang van Nexperia en haar onderneming tot een werkbare oplossing van de ontstane situatie te komen. De motivering voor het opleggen van het verbod blijkt echter al uit de ex parte-beschikking, rov. 2.2. Dat een van de redenen voor het opleggen van het verbod in de opheffingsbeschikking II, rov. 2.1 nog eens wordt herhaald, levert geen grond op voor cassatie(beroep) van de beslissing in de opheffingsbeschikking II om het verbod geheel op te heffen.
4.10
Hoewel EZ reeds in de ex parte-beschikking als belanghebbende is aangemerkt, heeft de OK de motivering voor de toelating van EZ als belanghebbende pas in de eerstefasebeschikking gegeven (rov. 3.1-3.4). Deze motivering (geciteerd onder 3.22 hiervoor) kan dan volgens mij wel bij de beoordeling van [bestuurder/CEO] onderdeel 2 worden betrokken, overigens met de kanttekening dat hij hier, gelet op de volgorde van/het tijdsverloop tussen de PI en de eerstefasebeschikking, nog geen rekening heeft kunnen houden met deze motivering. Eenzelfde dynamiek speelt in het kader van [bestuurder/CEO] onderdeel 4 over de getroffen onmiddellijke voorzieningen van onder meer de schorsing van [bestuurder/CEO] als bestuurder en benoeming van G.R.C. Dierick als niet-uitvoerende bestuurder van Nexperia, en de overdracht ten titel van beheer van Yuchings aandelen minus één. In de eerstefasebeschikking heeft de OK toegelicht waarom voor deze onmiddellijke voorzieningen is gekozen (rov. 3.39-3.40, ook geciteerd onder 3.22 hiervoor). Wel is het zo dat de OK in de uitgewerkte beschikking (rov. 3.24) hierover ook al enig licht laat schijnen.
4.11
Verder merk ik nog op dat [bestuurder/CEO] onderdeel 5, anders dan de onderdelen 1 t/m 4, geen verband houdt met de door de OK getroffen onmiddellijke voorzieningen. Dit onderdeel heeft betrekking op de reikwijdte van het door de OK in verband met art. 28 lid 1 Rv in de ex parte-beschikking opgelegde en in de kop-staart-beschikking gehandhaafde mededelingenverbod. Onderdeel 5 klaagt dat de OK met dit verbod in verschillende opzichten de grenzen van art. 28 Rv heeft miskend. Wordt aangenomen dat geen cassatieberoep openstaat van de beslissingen op het verzoek als bedoeld in art. 28 lid 2 Rv om het verbod eerst gedeeltelijk (opheffingsbeschikking I) en daarna geheel (opheffingsbeschikking II) op te heffen, dan laat dit onverlet dat in het onderhavige cassatieberoep wel erover geklaagd kan worden dat de OK bij het opgelegde verbod buiten het toepassingsgebied van art. 28 Rv zou zijn getreden. Zie vanaf 4.142 hierna.
4.12
Resumerend concludeer ik, uitgaande van de hiervoor geschetste lijn, tot niet-ontvankelijkheid van [bestuurder/CEO] in zijn cassatieberoep betreffende de opheffingsbeschikking I en de opheffingsbeschikking II voor zover daarin beslissingen op de voet van art. 28 lid 2 Rv zijn gegeven. Dit met de kanttekening dat voor zover de opheffingsbeschikking I verband houdt met het treffen van onmiddellijke voorzieningen (dat wil hier dus zeggen: de beslissing over de aanwijzing van de OK-beheerder als bedoeld in de kop-staart-beschikking) [bestuurder/CEO] wél, evenals bij de andere drie beschikkingen (de ex parte-beschikking, de kop-staart-beschikking en de uitgewerkte beschikking), in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.
4.13
Voor zover wel een rechtsmiddel zou openstaan tegen de beslissingen op de voet van art. 28 lid 2 Rv in de opheffingsbeschikking I en de opheffingsbeschikking II merk ik op dat [bestuurder/CEO] , gelet ook op de feitelijke gang van zaken en zijn uiteindelijke opstelling ter zake bij de OK (zie nader onder 3.13 en 4.7 hiervoor), ook geen belang heeft bij vernietiging van deze opheffingsbeslissingen en het cassatieberoep voor zover het is gericht tegen deze opheffingsbeslissingen dus hoe dan ook dient te worden afgewezen (verworpen). Overigens verdient nog opmerking dat voor zover de opheffingbeschikking I wordt betrokken in subonderdeel 2.2 (zie PI 52), te gelden heeft dat het daarin door [bestuurder/CEO] gedane beroep op de ‘doorkruisingsleer’ in ieder geval faalt, nog los van het voorgaande. Zie vanaf 4.73 hierna.
Nu naar de inhoud
4.14
Daarmee kom ik toe aan de inhoudelijke bespreking van [bestuurder/CEO] cassatieklachten.
Onderdeel 1
(“Schending van [bestuurder/CEO] recht op een eerlijk proces, met name hoor en wederhoor en equality of arms”)
4.15
Onderdeel 1 (PI 3) klaagt in de kern dat de OK met de procesgang voorafgaand aan de ex parte-beschikking en daarna, uitmondend in de kop-staart-beschikking en de uitgewerkte beschikking, [bestuurder/CEO] door art. 19 lid 1 Rv en art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijke behandeling van de zaak heeft geschonden. Volgens het onderdeel heeft de OK ten onrechte onmiddellijke voorzieningen getroffen en deze vervolgens gehandhaafd, zonder dat [bestuurder/CEO] (voldoende) in de gelegenheid is gesteld zich daartegen te verweren. Het onderdeel bevat drie subonderdelen (PI 4).
4.16
Volgens subonderdeel 1.1 (PI 5) bestaat, kort samengevat, geen uitdrukkelijke wettelijke grondslag voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen in een enquêteprocedure zonder dat de daardoor direct geraakte belanghebbenden van tevoren worden gehoord en de mogelijkheid hebben om verweer te voeren. Het subonderdeel bevat een rechtsklacht (toegelicht in PI 6-18) en een motiveringsklacht (toegelicht in PI 19-21).
Behandeling
4.17
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.18
Onder 4.18.1-4.18.8 hierna maak ik enkele inleidende opmerkingen. Onder 4.19 hierna keer ik terug naar het subonderdeel, te beginnen met de rechtsklacht.
4.18.1
Het recht op rechterlijk gehoor en het daarmee samenhangende recht op hoor/wederhoor (art. 19 lid 1 Rv en art. 6 EVRM), waaronder equality of arms, wordt wel beschouwd als het meest fundamentele beginsel van het (burgerlijk) procesrecht. Hoewel het naar de letter gaat om een recht van partijen, is het ook toepasselijk op belanghebbenden in een verzoekschriftprocedure. Art. 6 EVRM kan eveneens spelen bij de behandeling van een verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen in de zin van art. 2:349a BW als door die onmiddellijke voorzieningen, die kunnen worden beschouwd als zogenoemde interim measures, burgerlijke rechten en verplichtingen worden vastgesteld. Toch is het niet zo dat de OK in verband met het bepaalde in art. 19 Rv en art. 6 EVRM nimmer mag beslissen op een verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen zonder belanghebbenden, zoals hier [bestuurder/CEO] , in de gelegenheid te hebben gesteld zich over dat verzoek uit te laten. Een dergelijke absolute gelding hebben die bepalingen niet.
4.18.2
Zo laat de EHRM-rechtspraak over interim measures uitdrukkelijk de mogelijkheid open dat in uitzonderlijke (spoedeisende) gevallen burgerlijke rechten en verplichtingen kunnen worden vastgesteld zonder dat onmiddellijk aan alle vereisten van art. 6 EVRM wordt voldaan. En zo biedt art. 19 lid 1 Rv uitdrukkelijk de ruimte voor uitzonderingen, want “een en ander tenzij uit de wet anders voortvloeit”. Een bekend voorbeeld van dit laatste is het verzoek tot verlof voor het leggen van conservatoir beslag waarop de voorzieningenrechter na summier onderzoek en meestal beslist zonder de aspirant-beslagene vooraf te hebben gehoord (zie art. 700 Rv). Daarnaast zijn ook gevallen uit de rechtspraak bekend waarin een partij afstand heeft gedaan van de in het beginsel van hoor/wederhoor gelegen bescherming, of waarin een partij geen belang heeft bij hoor/wederhoor over een bepaald stuk.
4.18.3
Het is verder vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat, hoewel de rechter in verband met het bepaalde in art. 19 Rv of art. 6 EVRM in het algemeen niet op een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening mag beslissen zonder de belanghebbende(n) in de gelegenheid te hebben gesteld zich over dat verzoek uit te laten, de omstandigheden van het concrete geval zodanig bijzonder kunnen zijn dat de rechter met spoed voorlopig op dat verzoek beslist zonder de belanghebbende(n) te horen. Geen wet van Meden en Perzen derhalve.
4.18.4
Illustratief is de volgende passage uit een Hoge Raad-uitspraak van 20 april 2007:
“(…) Voorzover het onderdeel berust op de opvatting dat een verzoek ingevolge art. 2:298 lid 2 BW tot het treffen van voorlopige voorzieningen als de onderhavige nimmer kan worden toegewezen zonder dat de betrokken bestuurder vooraf is gehoord, faalt het omdat die opvatting in haar algemeenheid onjuist is. In het algemeen dient de rechter niet te beslissen zonder een dergelijk verhoor vooraf. Het bepaalde in art. 19 Rv. of art. 6 EVRM staat echter niet eraan in de weg dat de rechter met het oog op de ernst van de aan het verzoek tot schorsing van een bestuurder en benoeming van een tijdelijk bestuurder ten grondslag gelegde feiten of de spoedeisendheid van de verzochte voorzieningen, tot het treffen daarvan overgaat zonder de betrokken bestuurder vooraf te horen. Bij de verdere behandeling van het verzoek tot ontslag van de voorlopig geschorste bestuurder dient de rechter dan, eventueel na een verzoek tot vervroegde mondelinge behandeling, te beoordelen of de gronden tot het treffen van de voorlopige voorzieningen en de noodzaak tot het handhaven daarvan nog steeds bestaan, en zijn oordeel dienaangaande, indien hetgeen de geschorste bestuurder in dat verband aanvoert daartoe aanleiding geeft, nader te motiveren.”
4.18.5
Hierop bouwde de Hoge Raad op 14 december 2018 als volgt voort, inzake een beslissing tot schorsing van een schriftelijke aanwijzing op de voet van art. 1:264 lid 1, laatste zin BW (waarop de algemene bepaling inzake voorlopige voorzieningen van art. 223 Rv van overeenkomstige toepassing is):
“Hoewel de rechter in verband met het bepaalde in art. 19 Rv of art. 6 EVRM in het algemeen niet op een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening mag beslissen zonder de belanghebbenden in de gelegenheid te hebben gesteld zich over dat verzoek uit te laten, kan dat anders zijn bij een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening als hier aan de orde. Genoemde bepalingen staan niet eraan in de weg dat de kinderrechter met het oog op de spoedeisendheid van het verzoek tot schorsing van een schriftelijke aanwijzing, mede gelet op de ernst van de eraan ten grondslag gelegde feiten, met spoed voorlopig op dat verzoek beslist zonder de belanghebbenden te horen. Het is aan de kinderrechter overgelaten of hij daartoe overgaat. Beslist de kinderrechter met spoed voorlopig en zonder de belanghebbenden te horen op het schorsingsverzoek, dan dient hij bij de verdere behandeling van het verzoek tot vervallenverklaring, eventueel na een verzoek tot vervroegde mondelinge behandeling, het schorsingsverzoek nader te beoordelen en zijn oordeel dienaangaande zo nodig te heroverwegen of nader te motiveren mede in het licht van hetgeen de belanghebbenden in dat verband aanvoeren (vgl. HR 20 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9324).”
4.18.6
Waar de omstandigheden van het concrete geval de rechter aanleiding geven met spoed voorlopig op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening te beslissen zonder de belanghebbende(n) te horen, kan, voor zover dan nodig, de wettelijke basis voor een uitzondering in de zin van art. 19 lid 1 Rv gevonden worden: in de algemene regeling inzake voorlopige voorzieningen van art. 223 Rv, waar deze zich leent voor overeenkomstige toepassing in de desbetreffende verzoekschriftprocedure; of in een bijzondere regeling inzake voorlopige voorzieningen, zoals in Boek 2 BW te vinden is in het stichtingenrecht (art. 2:298 lid 2 BW), en in het enquêterecht (art. 2:349a lid 2-3 BW), waarbij aan overeenkomstige toepassing van art. 223 Rv niet wordt toegekomen. Ik schrijf “voor zover dan nodig”, nu in de literatuur wel lijkt te worden aangenomen dat een dergelijk spoedeisend geval een afzonderlijke categorie betreft, naast het geval waarin een (uitdrukkelijke) wettelijke basis voor een uitzondering in zin van art. 19 lid 1 Rv is vereist en bestaat, zoals het reeds genoemde art. 700 Rv. De rechtspraak van het EHRM biedt hiertoe trouwens ook een aanknopingspunt.
4.18.7
In de onderhavige zaak gaat het om een enquêteprocedure. Dat daarin, voor zover nodig, art. 2:349a lid 2-3 BW als zodanig zo’n wettelijke basis biedt, laat zich ook onderbouwen door een parallel te trekken met onmiddellijke voorzieningen in kort geding (art. 254 Rv). In kort geding bestaat de mogelijkheid tot het treffen van een zogenoemde freezing order, waarmee in dit verband onder meer wordt bedoeld dat de voorzieningenrechter voorafgaand aan de mondelinge behandeling een voorlopige voorziening treft met gelding tot aan de mondelinge behandeling. Daarbij dient de voorzieningenrechter in beginsel eerst gelegenheid te geven aan de gedaagde op zeer korte termijn summierlijk zijn standpunt te delen, maar de voorzieningenrechter wordt ook bevoegd geacht in uitzonderlijke gevallen waarin zelfs dat verweer niet kan worden afgewacht zo’n freezing order te geven zonder de gedaagde te horen (dus ex parte). Zo’n freezing order kan worden gegeven zodra het kort geding aanhangig is. De grondslag voor deze bevoegdheid van de voorzieningenrechter wordt niet gevonden in (overeenkomstige toepassing van) art. 223 Rv, maar in art. 254 Rv als zodanig, dat immers al de bevoegdheid tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen geeft.
4.18.8
Deze redenering laat zich naar mijn idee doortrekken naar art. 2:349a lid 2-3 BW, aldus dat deze bijzondere regeling (overeenkomstige toepassing van) art. 223 Rv, of art. 254 Rv, hier overbodig maakt: de bevoegdheid van de OK tot het treffen van een freezing order voorafgaand aan de mondelinge behandeling in een enquêteprocedure volgt immers al uit art. 2:349a BW. In lid 2 daarvan is bepaald dat een onmiddellijke voorziening “in elke stand van het geding” kan worden getroffen, wat dus betekent vanaf het moment dat een enquêteverzoek in de zin van art. 2:345 lid 1 BW is ingediend. In art. 2:349a lid 3 BW wordt nog eens uitdrukkelijk bevestigd dat onmiddellijke voorzieningen kunnen worden getroffen voorafgaand aan de beslissing op het enquêteverzoek (“[i]ngeval nog geen onderzoek is gelast”). Uit de aard van de in de ex parte-beschikking getroffen onmiddellijke voorzieningen en uit de motivering in met name de uitgewerkte beschikking, rov. 3.12-3.13 maak ik overigens op dat het de OK ook te doen was om het tijdelijk bevriezen van de bestaande situatie tot de mondelinge behandeling ter voorkoming van onherstelbare schade aan Nexperia en de met haar verbonden onderneming, dus met inachtneming van de economische werkelijkheid in dit concrete geval.,
4.19
Bezien tegen deze achtergrond voert het subonderdeel m.i. geen overtuigende redenen aan waarom hetgeen in het kader van het treffen van voorlopige voorzieningen als bijvoorbeeld bedoeld in art. 223 Rv en art. 2:298 lid 2 BW door de Hoge Raad is goedgekeurd, en mogelijk wordt geacht als freezing order op de voet van art. 254 Rv in een kort geding, en bovendien uitdrukkelijk in uitzonderlijke (spoedeisende) gevallen is toegelaten door het EHRM, niet mogelijk zou (moeten) zijn in het kader van het treffen van onmiddellijke voorzieningen als bedoeld in art. 2:349a lid 2-3 BW. Daarop stuit de rechtsklacht in het subonderdeel af. Kort en goed, voor zover al een uitdrukkelijke wettelijke grondslag is vereist voor ex parte onmiddellijke voorzieningen is die er hier, te weten art. 2:349a lid 2-3 BW. Ik licht dit hierna verder toe voor zover nodig, onder verwijzing naar relevante randnummers in de PI.
4.19.1
Het betoog in PI 6 dat de uitdrukkelijke wettelijke grondslag niet kan worden gevonden in art. 279 Rv kan [bestuurder/CEO] niet baten, nu, voor zover nodig, in dit geval art. 2:349a BW een toereikende wettelijke basis in de zin van art. 19 lid 1 Rv biedt, zoals overigens uitdrukkelijk door de OK is overwogen in de ex parte-beschikking, rov. 2.3 (“ex parte op de voet van artikel 2:349a lid 3 BW te beslissen op - een deel van - de verzochte voorzieningen”). De ex parte-beschikking biedt geen enkel aanknopingspunt voor de lezing dat de OK haar bevoegdheid ex parte onmiddellijke voorzieningen te treffen mede zou hebben ontleend aan art. 279 Rv.
4.19.2
In PI 7 wordt de onder 4.18.4 hiervoor bedoelde Hoge Raad-uitspraak van 20 april 2007 verkeerd gelezen, voor zover tot uitgangspunt wordt genomen dat de Hoge Raad in die uitspraak geen wettelijke basis als bedoeld in art. 19 lid 1 Rv heeft aangewezen. De wettelijke basis die in die uitspraak wordt genoemd is immers art. 2:298 lid 2 BW.
4.19.3
Volgens PI 8 ligt het in de rede dat ex parte beslissingen in verzoekschriftprocedures:
“hooguit toelaatbaar zijn in bijzonder spoedeisende gevallen, waarin geen twijfel bestaat over de onevenredige en onherstelbare schade die voor de verzoeker zal ontstaan door naleving van het beginsel van hoor en wederhoor, waarbij de rechterlijke beslissing slechts een conserverend, niet-ingrijpend karakter kan hebben en waarbij de toepasselijke regeling zich niet tegen een ex parte procedure verzet.” [noten niet overgenomen uit het origineel, A-G]
Voor zover hiermee wordt bedoeld te klagen dat in het onderhavige geval geen sprake is van een dergelijk geval, geldt het volgende. Uit de ex parte-beschikking, rov. 2.3 blijkt dat de OK “in de bijzondere aard van het verzoek en de grote spoedeisendheid van de verzochte voorzieningen” aanleiding heeft gezien ex parte op de voet van art. 2:349a lid 3 BW te beslissen op een deel van de verzochte voorzieningen. Dat sprake was van een bijzonder spoedeisend geval blijkt ook uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.12-3.13, waarin de OK onder meer heeft overwogen dat de ex parte voorzieningen zijn gegeven “in het licht van het onderbouwde beroep door Nexperia en de Staat dat zich bij Nexperia een acute noodsituatie voordeed”. De onevenredige en onherstelbare schade die voor Nexperia zou ontstaan als niet onmiddellijk door de OK werd ingegrepen, is eveneens toegelicht in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.12-3.13, waarin onder meer wordt gewezen op “een onhoudbare situatie bij Nexperia” (rov. 3.12), op “een bedreiging voor de continuïteit van de onderneming en daarmee voor de economische veiligheid van Nederland en Europa” (rov. 3.13), en op het “voorkomen dat in de periode tot aan de inhoudelijke behandeling Nexperia en haar onderneming onherstelbare schade zou worden berokkend” (rov. 3.13). Verder geldt dat de onmiddellijke voorzieningen die ex parte door de OK zijn getroffen slechts een conserverend, niet-ingrijpend karakter hadden. Volgens de OK is in die rov. 3.13 onder de aldaar genoemde uitzonderlijke omstandigheden ex parte beslist tot het treffen van enkele onmiddellijke voorzieningen “waarmee werd beoogd de situatie te bevriezen tot het verzoek inhoudelijk zou zijn behandeld (…)”, ofwel een zo kort mogelijke “eenzijdige bevriezing van de situatie” (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14). Dat slechts sprake was van een tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie, ofwel een zuiver conserverende maatregel, blijkt ook uit de in de ex parte-beschikking getroffen onmiddellijke voorzieningen. Tijdelijk, vooralsnog totdat na de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025 op het verzoek werd beslist, werd uitsluitend: [bestuurder/CEO] geschorst als bestuurder van Nexperia; de werking van art. 3 bestuursreglement Nexperia B.V. geschorst; en bepaald dat de aandelen van Yuching in Nexperia Holding ten titel van beheer werden overgedragen. De OK-bestuurder en de OK-beheerder zijn pas later, na gelegenheid tot hoor/wederhoor van [bestuurder/CEO] en Yuching op de mondelinge behandeling en bij verweerschrift, aangewezen, respectievelijk in de kop-staart-beschikking (van 7 oktober 2025) en de opheffingsbeschikking I (van 8 oktober 2025). Dat de toepasselijke wettelijke regeling, art. 2:349a BW, zich niet verzet tegen het ex parte treffen van onmiddellijke voorzieningen kwam al aan de orde: zie mede onder 4.18.6-4.18.8 hiervoor. Dat bepalingen zoals art. 700 lid 3, 809 lid 3 en 1019e lid 1 Rv een uitdrukkelijke wettelijke grondslag bieden om geen wederhoor toe te passen, zoals PI 8 aanvoert, betekent ook niet dat a contrario de bevoegdheid om ex parte onmiddellijke voorzieningen te kunnen treffen niet aan art. 2:349a BW kan worden ontleend. Hierbij is niet een vergelijking met de hiervoor genoemde Rv-bepalingen leidend, maar laat zich, zoals gezegd, een parallel trekken met bijvoorbeeld art. 254 Rv op grond waarvan in kort geding zo nodig ex parte een freezing order kan worden opgelegd. Zie nader onder 4.18.6-4.18.8 hiervoor.
4.19.4
In PI 10 wordt aangevoerd dat de inrichting van de enquêteprocedure en de daarin verplichte belangenafweging voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen zich, zeker als dat berust op een louter voorlopig oordeel ex art. 2:349a lid 3 BW, verzet tegen het ex parte treffen van onmiddellijke voorzieningen. Dit argument stuit ook reeds af op die parallel met het treffen van onmiddellijke voorzieningen in kort geding op de voet van art. 254 Rv.
4.19.5
Dat, zoals PI 11 kort samengevat aanvoert, de OK sinds haar instelling in 1971 voor zover bekend uit de gepubliceerde rechtspraak niet eerder in een enquêteprocedure ex parte onmiddellijke voorzieningen heeft getroffen, laat, ook indien juist, eveneens onverlet dat die mogelijkheid in genoemde uitzonderlijke gevallen als de onderhavige wel op grond van art. 2:349a BW toelaatbaar is (nog daargelaten dat de bevoegdheid van de OK tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen niet al sinds 1971, maar pas veel later, sinds 1 januari 1994, in de wet (art. 2:349a BW) is opgenomen). Iets anders is dat de OK in het verleden ook wel op andere wijze rekening heeft gehouden met de bijzonderheden van het concrete geval waar het ging om het beslissen op een verzoek tot (onder meer) het treffen van onmiddellijke voorzieningen. Ik denk bijvoorbeeld aan:
- het treffen van onmiddellijke voorzieningen zonder voorafgaande mondelinge behandeling, maar wel met mogelijkheid tot schriftelijk verweer; ,
- het houden van een mondelinge behandeling op een (zeer) korte termijn.
Dit laatste, het houden van een mondelinge behandeling binnen een of enkele dagen na indiening van het verzoekschrift met zo mogelijk direct uitspraak, lijkt ook de route te zijn die Nexperia aanvankelijk voor ogen had. Later die dag, 1 oktober 2025, werd het spoedverzoek nog kracht bijgezet door de brief van EZ. Daarin heeft de OK - kennelijk en niet onbegrijpelijk - aanleiding gezien om met de beslissing tot het treffen van enkele onmiddellijke voorzieningen die de bestaande situatie bij Nexperia tijdelijk zouden bevriezen niet nog enkele dagen, tot (na) de op 6 oktober 2025 geplande mondelinge behandeling, te wachten, maar hierop onmiddellijk, ex parte, te beslissen. Hierbij heeft de OK de procedurele waarborgen die volgen uit de onder 4.18.4-4.18.5 hiervoor bedoelde Hoge Raad-uitspraken van 14 december 2018 en 20 april 2007 in acht genomen. Ter mondelinge behandeling van 6 oktober 2025 uitmondend in de kop-staart-beschikking is heroverwogen, rekening houdend met het verweer van [bestuurder/CEO] en Yuching, of de onmiddellijke voorzieningen gehandhaafd dienden te worden, welk antwoord naar het oordeel van de OK bevestigend luidde, met de kanttekening dat de overdracht van Yuchings aandelen ten titel van beheer werd gewijzigd in de zin dat Yuching één aandeel niet hoefde over te dragen aan de OK-beheerder (zie onder meer de kop-staart-beschikking, rov. 3.3, 3.6). En in de uitgewerkte beschikking (rov. 3.23-3.25) heeft de OK de getroffen onmiddellijke voorzieningen nader gemotiveerd, waarbij uitdrukkelijk rekening is gehouden met wat [bestuurder/CEO] en Yuching ter zitting en als verweer hebben aangevoerd. Dat is dus geheel volgens het spoorboekje dat door de Hoge Raad is uiteengezet in voornoemde uitspraken van 14 december 2018 en 20 april 2007.
4.19.6
Het beroep in PI 12-13 op de Hoge Raad-uitspraken inzake KPNQwest en ATR Leasing treft evenmin doel. Ik licht toe.
4.19.7
In KPNQwest heeft de Hoge Raad overwogen:
“De voorzitter van de ondernemingskamer [thans de raadsheer-commissaris als bedoeld in art. 2:350 lid 4 BW, A-G] heeft voorts de vrijheid op de voet van art. 279 lid 1 Rv. het verzoek [als bedoeld in art. 2:352 lid 1 BW, dat wil zeggen een verzoek van de onderzoeker(s) tot het geven van bevelen ter handhaving van de in art. 2:351 BW aan de onderzoeker(s) ter vervulling van diens/hun onderzoekstaak verleende rechten en bevoegdheden, A-G] onmiddellijk toe te wijzen als hij van oordeel is dat het verzochte bevel op de wet is gegrond en aanstonds kan worden verleend en hij zal alleen het oproepen van belanghebbenden moeten bevelen als de mogelijkheid bestaat dat het bevel niet of niet geheel dan wel niet op de gevraagde wijze toewijsbaar is in verband met de rechten of belangen van anderen. Daarbij zal, gelet op de aard van het bevel, meestal uitsluitend aan de orde zijn of de rechtspersoon grond kan hebben de door de onderzoeker(s) verlangde medewerking te weigeren.
Het bevel is immers in de eerste plaats gericht tot de te onderzoeken rechtspersoon, die de wettelijke verplichting heeft aan het onderzoek medewerking te verlenen. Het beginsel van hoor en wederhoor brengt alleen dan een verplichting tot oproeping van andere belanghebbenden mee als aannemelijk is dat dezen door het geven van het bevel rechtstreeks in hun belangen kunnen worden geschaad. Hieruit volgt dat onderdeel 4 wat de in 3.3.2 onder c en d bedoelde klachten betreft, berust op de onjuiste rechtsopvatting dat altijd alle bekende belanghebbenden moeten worden opgeroepen om ter terechtzitting te worden gehoord.”
Hoewel, zoals in PI 12-13 wordt onderkend, dit oordeel betrekking heeft op een heel ander verzoek dan het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen, zou hieruit bij wijze van analogie kunnen worden afgeleid dat het beginsel van hoor/wederhoor een verplichting tot oproeping van [bestuurder/CEO] met zich brengt met betrekking tot het verzoek tot het treffen van de onmiddellijke voorziening van schorsing van [bestuurder/CEO] als bestuurder van Nexperia, nu [bestuurder/CEO] met betrekking tot dat verzoek immers rechtstreeks in zijn belang kan worden geschaad. Die KPNQwest-uitspraak onderstreept met andere woorden in algemene zin dat het beginsel van hoor/wederhoor in de enquêteprocedure moet worden gerespecteerd. Die uitspraak doet echter niet af aan een (op de voet van art. 19 lid 1 Rv en art. 6 EVRM) toegelaten uitzondering op dat beginsel bij het treffen van onmiddellijke voorzieningen op de voet van art. 2:349a BW in bijzondere situaties, in lijn met voornoemde Hoge Raad-uitspraken van 14 december 2018 en 20 april 2007, en naar analogie van een freezing order in kort geding op de voet van art. 254 Rv. Zie onder 4.18.1-4.18.8 hiervoor. Voor de goede orde benadruk ik nog een keer dat die wettelijke basis hier niet bestaat in art. 279 Rv (of art. 223 Rv dan wel art. 254 Rv), maar in art. 2:349a BW.
4.19.8
In ATR Leasing heeft de Hoge Raad overwogen:
“Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. De ondernemingskamer mag een onderzoek als bedoeld in art. 2:345 BW niet bevelen zonder dat daaraan een daartoe strekkend verzoek ten grondslag ligt, doch als zij gebruik maakt van haar wettelijke bevoegdheden heeft de ondernemingskamer een ruime mate van vrijheid in haar beoordeling. Het is in beginsel aan het oordeel van de ondernemingskamer overgelaten het verzoek tot een enquête al dan niet toe te wijzen, met dien verstande dat ingevolge art. 2:350 BW het verzoek slechts toewijsbaar is wanneer blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid van de betrokken rechtspersoon te twijfelen (HR 20 november 1996, nr. OK55, NJ 1997, 188). De ondernemingskamer moet daarbij zowel op de belangen van verzoekers tot een enquête letten als op die van andere bij de (onderneming van de) rechtspersoon betrokken belanghebbenden. Daarbij staat het belang van de rechtspersoon voorop.
Met het oog hierop en gelet op de aard van deze op een spoedige beslissing gerichte procedure, past het niet de eis te stellen dat de ondernemingskamer slechts kan beslissen binnen de strikte grenzen van het verzoek zoals verzoekers dit hebben ingekleed. Deze beoordelingsvrijheid brengt mee dat belanghebbenden, ook indien zij niet de bevoegdheid hebben een verzoek tot het bevelen van een onderzoek in te dienen, over alle aspecten van het (verzoek tot het bevelen van een) onderzoek hun standpunt mogen kenbaar maken, dus niet alleen over de al dan niet toewijsbaarheid van het verzoek, maar ook over de aard en omvang van het eventueel door de ondernemingskamer te bevelen onderzoek, waaronder begrepen de periode waarover het zich moet uitstrekken. Als de ondernemingskamer vervolgens van oordeel is dat het verzoek toewijsbaar is, zal zij de omvang van het onderzoek, en daarmee dus eveneens de periode waarover dat zich moet uitstrekken, alsmede van de daartoe noodzakelijke voorzieningen dienen te bepalen. Haar komt daarbij een grote mate van vrijheid toe (HR 6 juni 2003, nr. R02/078, NJ 2003, 486). Daarbij zal de ondernemingskamer, in verband met het voorschrift van art. 24 Rv., geen beslissing mogen geven waarop de betrokken partijen, gelet op het verloop van het geding en het processuele debat, niet bedacht behoefden te zijn en over de consequenties waarvan zij zich niet hebben kunnen uitlaten. Het staat de ondernemingskamer dan ook niet vrij beslissingen te geven of voorzieningen te treffen die niet stroken met de strekking van het ingediende verzoek of die aan de kenbare bedoeling van verzoekers zodanig afbreuk doen dat moet worden aangenomen dat zij het verzoek, als daaraan op deze wijze uitvoering wordt gegeven, niet zouden hebben gehandhaafd.”
Hieruit blijkt dat die uitspraak niet zozeer betrekking heeft op de beslissing op het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen, als wel op de beslissing op het verzoek tot het bevelen van een onderzoek. Overigens heeft de OK in de onderhavige zaak niet ex parte andere onmiddellijke voorzieningen getroffen dan waar door Nexperia om is verzocht. Dat enkele voorzieningen reeds ex parte zijn getroffen, lijkt mij ook geen verrassingsbeslissing als bedoeld in ATR Leasing, nu die beslissing strookt met de strekking van het ingediende verzoek althans geen afbreuk doet aan de kenbare bedoeling van verzoekers. Nexperia heeft immers, daarin gesteund door EZ, verzocht om de zaak “met bijzondere spoed” te behandelen. Dat zij daarbij niet uitdrukkelijk heeft verzocht om ex parte onmiddellijke voorzieningen te treffen, is te verklaren door het feit dat de OK hiertoe, voor zover mij bekend, niet eerder is overgegaan. Zie ook onder 4.19.5 hiervoor. In dit verband acht ik tevens van belang dat het ex parte treffen van onmiddellijke voorzieningen volgens mij niet als een afzonderlijk incident onder overeenkomstige toepassing van art. 223 Rv moet worden beschouwd, maar als een bevoegdheid die rechtstreeks zijn grondslag vindt in art. 2:349a BW. Zie ook onder 4.18.6 en 4.18.8 hiervoor. De OK heeft met andere woorden in de ex parte-beschikking niet ambtshalve, zonder dat daaraan een verzoek op de voet van art. 2:349a BW ten grondslag ligt, beslist tot het ex parte treffen van enkele onmiddellijke voorzieningen. Ik merk verder op dat wat betreft het moment waarop het treffen van een onmiddellijke voorziening vereist is in verband met de toestand van de rechtspersoon (of in het belang van het onderzoek) aan de OK een grote mate van vrijheid toekomt, die voortvloeit uit het karakter van onmiddellijke voorzieningen als ordemaatregel en besloten ligt in de discretionaire bevoegdheid van de OK in het kader van art. 2:349a lid 2-3 BW.
4.19.9
In PI 14 wordt een beroep gedaan op de aard en doeleinden van de enquêteprocedure, welk beroep overigens slechts wordt toegelicht onder verwijzing naar delen van de tekst van art. 2:349a BW. Ik zie niet in dat de OK met het ex parte treffen van onmiddellijke voorzieningen de aard of doeleinden van de enquêteprocedure zou hebben miskend. Wat de aard van de enquêteprocedure betreft, kan bijvoorbeeld worden gewezen op de onder 4.19.8 hiervoor geciteerde rechtsoverweging uit ATR Leasing, waaruit onder meer blijkt dat de enquêteprocedure een op een spoedige beslissing gerichte procedure is waarin het belang van de rechtspersoon vooropstaat. In de aard van de enquêteprocedure in het algemeen en de aard van onmiddellijke voorzieningen in het bijzonder ligt juist een rechtvaardiging besloten voor het onmiddellijk (zo nodig ex parte) moeten kunnen ingrijpen door de OK indien de toestand van de rechtspersoon (of het belang van het onderzoek) dat vergt. Evenmin valt in te zien dat het ex parte treffen van onmiddellijke voorzieningen niet zou stroken met de doeleinden van het enquêterecht, waartoe immers onder meer behoort de sanering van en het herstel van gezonde verhoudingen door maatregelen van organisatorische aard binnen de onderneming van de betrokken rechtspersoon.
4.19.10
Voor zover PI 14 aanvoert dat art. 2:349a BW geen grondslag biedt voor het ex parte treffen van onmiddellijke voorzieningen, ziet het verder voorbij aan het volgende. Art. 2:349a lid 1, eerste zin BW bepaalt dat de OK het verzoek “met de meeste spoed” behandelt. Dit heeft overigens niet alleen betrekking op het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen, maar ook op het enquêteverzoek in de zin van art. 2:345 lid 1 BW zelf. Uit het vervolg van art. 2:349a lid 1 BW blijkt dat de wetgever daarbij een (mondelinge) behandeling van het verzoek voor ogen heeft gestaan, waarbij belanghebbenden voorafgaand aan de aanvang van de behandeling tot een bepaald door de OK te bepalen tijdstip een verweerschrift kunnen indienen, verzoekers en de rechtspersoon hetzij bij advocaat hetzij bijgestaan door hun advocaten verschijnen, en de OK ook ambtshalve getuigen en deskundigen kan horen alvorens te beslissen op het verzoek. Het wettelijke uitgangspunt is dus dat na een mondelinge behandeling tegelijk wordt beslist op het enquêteverzoek en het treffen van onmiddellijke voorzieningen voor zover ook om dat laatste is verzocht. Uit het vervolg van art. 2:349a BW blijkt echter dat beide verzoeken los van elkaar kunnen worden behandeld. Volgens art. 2:349a lid 2 BW kan het treffen van onmiddellijke voorzieningen immers “in elke stand van het geding” geschieden, en art. 2:349a lid 3 BW bepaalt uitdrukkelijk dat en onder welke voorwaarden dat kan ingeval “nog geen onderzoek is gelast”. Een onmiddellijke voorziening kan dus worden getroffen vanaf het moment dat een enquêteverzoek (met tevens een verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen) is ingediend; anders gezegd, het geding vangt aan met het indienen van het verzoekschrift als bedoeld in art. 2:345 lid 1 BW. Voor die tijd, wanneer nog geen enquêteverzoek is ingediend, is men voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen aangewezen op de voorzieningenrechter, die dan terughoudend moet optreden.
4.19.11
In PI 15 wordt aangevoerd dat een parallel met het ex parte leggen van conservatoir beslag op grond van een geïnstitutionaliseerde wettelijke grondslag (“art. 700 jo 705 Rv”) niet opgaat. Het belang van het wijzen op verschillen tussen het ex parte kunnen (geven van verlof voor het) leggen van conservatoir beslag en het al dan niet ex parte kunnen treffen van onmiddellijke voorzieningen ontgaat mij. Het bestreden oordeel van de OK is trouwens ook niet (mede) ingestoken op enige parallel met het ex parte kunnen (geven van verlof voor het) leggen van conservatoir beslag. Waar het om gaat, is immers of er, voor zover nodig, een toereikende wettelijke basis in de zin van art. 19 lid 1 Rv is voor de door de OK gemaakte uitzondering op het beginsel van hoor/wederhoor. En die basis in de wet is er, te weten art. 2:349a BW. Het gaat met andere woorden om een andere basis in de wet dan die in Rv waarop PI 15 is geënt.
4.19.12
In PI 16 wordt in twijfel getrokken of die uitspraak van Hoge Raad van 20 april 2007 in overeenstemming is met de wet. Daarmee wordt kennelijk bedoeld dat de Hoge Raad in die uitspraak geen wettelijke basis in de zin van art. 19 lid 1 Rv voor de uitzondering op het beginsel van hoor/wederhoor zou hebben aangewezen. Dat berust als gezegd op een verkeerde lezing van die uitspraak, nu de door de Hoge Raad aangewezen wettelijke basis in die uitspraak art. 2:298 lid 2 BW betreft. In PI 18 wordt bij herhaling opgemerkt dat in het onderhavige geval een deugdelijke wettelijke basis zoals vereist in art. 19 lid 1 Rv zou ontbreken. Deze basis kan in het onderhavige geval evenwel worden gevonden in art. 2:349a BW, zoals overigens ook uitdrukkelijk door de OK is overwogen in de ex parte-beschikking, rov. 2.3 (“ex parte op de voet van artikel 2:349a lid 3 BW te beslissen op - een deel van - de verzochte voorzieningen”).
4.19.13
Anders dan de hiervoor besproken Hoge Raad-uitspraken inzake KPNQwest en ATR Leasing hebben de Hoge Raad-uitspraken inzake DSM,Versatel en SkyGate, waarop in PI 16-17 beroep wordt gedaan, wel specifiek betrekking op het door de OK treffen van onmiddellijke voorzieningen. Ik citeer uit DSM:
“(…) De wetgever heeft (…) niet uitgesloten dat de ondernemingskamer van deze bevoegdheid gebruik maakt voordat zij op het verzoek tot het instellen van een onderzoek heeft beslist, en dus vooruitlopend op een definitief oordeel daarover. Niettemin zal in dit stadium van die bevoegdheid slechts een terughoudend gebruik kunnen worden gemaakt. In dit stadium kan immers slechts aan de hand van een beperkt partijdebat voorlopig worden beoordeeld of gegronde redenen bestaan om aan een juist beleid te twijfelen. Voorts dient ook in dit stadium van het geding in het oog te worden gehouden dat te zijner tijd, afhankelijk van de uitkomsten van een eventueel in te stellen onderzoek, voor het treffen van voorzieningen als bedoeld in art. 2:356 BW slechts plaats is indien dit gerechtvaardigd is met het oog op de met de regeling van het enquêterecht beoogde sanering en herstel van gezonde verhoudingen door maatregelen van reorganisatorische aard binnen de onderneming van de rechtspersoon. In elk geval zal de ondernemingskamer bij de uitoefening van haar bevoegdheid voldoende rekening moeten houden met, en een billijke afweging moeten maken van, de belangen van betrokken partijen (HR 19 oktober 2001, nr. OK85, NJ 2002, 92). Een en ander brengt mee dat van de bevoegdheid tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen voordat een onderzoek wordt gelast, slechts gebruik kan worden gemaakt indien daartoe in verband met de toestand van de rechtspersoon of in het belang van het onderzoek voldoende zwaarwegende redenen bestaan.”
4.19.14
Deze rechtsoverweging is per 1 januari 2013 gecodificeerd in art. 2:349a lid 2-3 BW. In PI 17 wordt op zichzelf terecht uit deze rechtsoverweging afgeleid dat van de mogelijkheid om onmiddellijke voorzieningen te treffen voordat op het verzoek tot het instellen van een onderzoek is beslist met terughoudendheid en met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel gebruik moet worden gemaakt. De te betrachten terughoudendheid heeft de OK hier echter niet miskend bij het ex parte treffen van onmiddellijke voorzieningen, waaronder de schorsing van [bestuurder/CEO] als bestuurder van Nexperia en de overdracht ten titel van beheer van de aandelen van Yuching. Het ging immers slechts om een tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie aan de hand van toewijzing van slechts een deel van de verzochte onmiddellijke voorzieningen, die bovendien kort heeft geduurd (van 1 oktober 2025 tot 6 althans 7 oktober 2025) en waarvoor naar het oordeel van de OK in verband met de toestand van de rechtspersoon voldoende zwaarwegende redenen bestonden. Het ex parte treffen van onmiddellijke voorzieningen is ook niet onverenigbaar met de belangenafweging die de OK behoort te maken (het evenredigheidsbeginsel), zoals in onder meer PI 16 wordt gesteld. Het is waar dat de OK zich niet kan beperken tot een afweging van de belangen van Nexperia (in hoedanigheid van verzoekster en verweerster), maar dat ook moet worden gelet op de belangen van onder meer [bestuurder/CEO] die als bestuurder van Nexperia door de onmiddellijke voorziening direct kan worden geraakt. Volgens PI 16 kan deze belangenafweging niet (naar behoren) worden gemaakt als geen verweer is of kan worden gevoerd. De overweging uit DSM hieromtrent is ontleend aan SkyGate, waarnaar ook wordt verwezen in Versatel. In SkyGate klinkt op dit punt een parallel met rechtspraak over onmiddellijke voorzieningen in kort geding door. In kort geding laat deze rechtspraak onverlet dat de voorzieningenrechter bevoegd is, zo nodig ex parte, een freezing order te treffen. Zie onder 4.18.7 hiervoor. Ik zie niet in dat dit op de voet van art. 2:349a BW anders zou (moeten) zijn. De ex parte getroffen onmiddellijke voorzieningen hadden immers geen onomkeerbare gevolgen voor [bestuurder/CEO] (of Yuching). De OK-bestuurder is pas op 7 oktober 2025 aangesteld (de OK-beheerder pas op 8 oktober 2025), dus na de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025, waarbij (zie ook de kop-staart-beschikking, rov. 3.2-3.3, 3.6 en de uitgewerkte beschikking, rov. 3.23-3.24) wel hoor/wederhoor is toegepast ofwel rekening is gehouden met het verweer van [bestuurder/CEO] (en Yuching). Dat de OK aldus onvoldoende heeft verantwoord welke belangen dienaangaande zijn afgewogen, en hoe, valt - anders dan wordt gesuggereerd in PI 16 - niet in te zien.
4.19.15
In PI 17 wordt verder betoogd dat de OK in de bestreden beschikkingen niet heeft gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn een definitieve beslissing volgt op het enquêteverzoek. Dat betreft kennelijk een verwijzing naar het vereiste van art. 2:349a lid 3, laatste zin BW. In de wetsgeschiedenis wordt toegelicht dat ervan wordt uitgegaan dat in de regel binnen enkele maanden na het treffen van de onmiddellijke voorzieningen op het enquêteverzoek kan worden beslist, maar dat deze termijn in bijzondere omstandigheden langer kan zijn. De OK heeft in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.27 in lijn met dit vereiste vermeld dat binnen een redelijke termijn een zitting zal worden bepaald om het enquêteverzoek ten gronde te behandelen. Deze mondelinge behandeling heeft na overleg met partijen plaatsgevonden op 14 januari 2026, waarna op het enquêteverzoek is beslist bij eerstefasebeschikking (van 11 februari 2026). De OK heeft de redelijke termijn in de zin van art. 2:349a lid 3 BW dus wel degelijk onder ogen gezien in de uitgewerkte beschikking en inmiddels is gebleken dat de beslissing op het enquêteverzoek ook daadwerkelijk is genomen binnen enkele maanden na het treffen van de onmiddellijke voorzieningen in oktober 2025. Zie ook onder 3.22-3.23 hiervoor.
4.19.16
Op PI 18 ben ik onder 4.19.12 hiervoor al ten dele ingegaan In PI 18 wordt in het verlengde daarvan nog opgemerkt dat “enige grond in (consistente) rechtspraak in het verleden” op dit punt zou ontbreken. Voor zover daarmee weer wordt bedoeld, kort samengevat, dat de OK sinds haar instelling in 1971 voor zover bekend uit de gepubliceerde rechtspraak niet eerder ex parte onmiddellijke voorzieningen zou hebben getroffen, verwijs ik naar 4.19.5 hiervoor. Verder geldt dat er weliswaar niet veel rechtspraak is over ex parte-beslissingen op verzoeken tot het treffen van voorlopige of onmiddellijke voorzieningen, maar mij niet is gebleken van inconsistentie in de rechtspraak dienaangaande. Dat er ter zake niet veel rechtspraak voorhanden is, is weinig verwonderlijk nu het gaat om situaties die zich slechts bij hoge uitzondering voordoen. Voornoemde uitspraak van 20 april 2007 staat in elk geval niet op zichzelf, want de daarin door de Hoge Raad uitgezette lijn is nadien, in voornoemde uitspraak van 14 december 2018, door de Hoge Raad juist bevestigd. Ook in de feitenrechtspraak wordt een enkele keer een ex parte-beslissing tot het treffen van een voorlopige voorziening genomen.Verder memoreer ik dat de EHRM-rechtspraak over art. 6 EVRM hiertoe ook ruimte laat, zie onder 4.18.2 hiervoor.
4.19.17
Het beroep in PI 18 op EHRM-rechtspraak voor zover daaruit voortvloeit dat de noodzaak om te zorgen voor procedurele waarborgen groter wordt naarmate de gevolgen van de getroffen maatregelen voor de betrokkene ingrijpender zijn, ziet eraan voorbij dat in de korte periode dat de schorsing van [bestuurder/CEO] als bestuurder van Nexperia ex parte van toepassing is geweest (van 1 oktober 2025 tot 6 althans 7 oktober 2025) slechts sprake was van een tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie ofwel een zuiver conserverende maatregel, in welke periode ook nog geen OK-bestuurder was aangesteld (zie ook onder 4.19.3 hiervoor). Voor zover in PI 18 wordt betoogd dat het treffen van de onmiddellijke voorzieningen niet ex parte toelaatbaar is vanwege de mogelijk blijvende gevolgen faalt dat eveneens. Op zichzelf is het waar dat in een enquêteprocedure getroffen onmiddellijke voorzieningen tot onomkeerbare gevolgen kunnen leiden. In de korte periode dat de onmiddellijke voorzieningen ex parte van toepassing zijn geweest (van 1 oktober 2025 tot 6 althans 7 oktober 2025), was echter hoe dan ook nog slechts sprake van een tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie ofwel een zuiver conserverende maatregel, nu de OK-beheerder pas in de opheffingsbeschikking I (van 8 oktober 2025) is aangewezen en ook de andere in de ex parte-beschikking getroffen onmiddellijke voorzieningen, de schorsing van [bestuurder/CEO] als bestuurder van Nexperia en schorsing van de werking van art. 3 bestuursreglement Nexperia B.V., niet verder gingen dan tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie. De OK-bestuurder is immers ook pas aangewezen in de kop-staart-beschikking (van 7 oktober 2025). Verder verdient in dit verband opmerking dat de Hoge Raad in voornoemde uitspraak van 20 april 2007 de ex parte benoeming, bij wijze van voorlopige voorziening op de voet van art. 2:298 lid 2 BW, van een tijdelijke bestuurder bij een stichting heeft toegelaten en dat een dergelijke benoeming in wezen niet verschilt van een OK-bestuurder die is aangesteld bij wijze van onmiddellijke voorziening op de voet van art. 2:349a BW. Voor een OK-bestuurder geldt eveneens dat die besluiten kan nemen of andere bestuurshandelingen kan verrichten waarvan de gevolgen onomkeerbaar zijn. Het door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunt voor een tijdelijke bestuurder op de voet van art. 2:298 lid 2 BW van een zekere terughoudendheid bij het uitoefenen van de bevoegdheden lijkt mij overigens evenzeer te gelden voor een OK-functionaris, zoals een OK-bestuurder of een OK-beheerder, met de kanttekening dat dit uitgangspunt niet eraan in de weg staat dat een dergelijke OK-functionaris soms zeer ingrijpende beslissingen (met onomkeerbare gevolgen) moet (kunnen) nemen. In de ex parte-periode was er in het onderhavige geval echter als gezegd nog geen OK-bestuurder of OK-beheerder aangewezen.
4.20
Daarmee is het lot van de rechtsklacht in het subonderdeel bezegeld.
4.21
Het subonderdeel bevat daarnaast in PI 19-21 een motiveringsklacht, die inhoudt dat ontoereikend is gemotiveerd het oordeel van de OK in de ex parte-beschikking en de uitgewerkte beschikking dat in de gegeven omstandigheden een voldoende grondslag en rechtvaardiging bestond om [bestuurder/CEO] niet voorafgaand aan het treffen van onmiddellijke voorzieningen te horen. Deze klacht treft evenmin doel. Ik leg uit waarom.
4.21.1
De klacht faalt al bij gebrek aan feitelijke grondslag voor zover die berust op de uitgangspunten uiteengezet in PI 20. De OK heeft het uitgangspunt dat een rechterlijke beslissing in een ex parte-procedure hooguit een conserverend, niet ingrijpend karakter kan hebben met de ex parte getroffen onmiddellijke voorzieningen immers niet miskend. Met de ex parte getroffen onmiddellijke voorzieningen, die slechts enkele dagen van kracht zijn geweest, heeft de OK een tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie bewerkstelligd, zoals is gemotiveerd in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.13-3.14. De OK heeft niet nagelaten duidelijk te maken op welke wettelijke grondslag zij de mogelijkheid baseert om ex parte onmiddellijke voorzieningen toe te wijzen. De wettelijke grondslag die de OK daartoe - gelet op ook het falen van de rechtsklacht in dit subonderdeel: niet ten onrechte - heeft gebruikt, is art. 2:349a BW, zoals uitdrukkelijk blijkt uit de ex parte-beschikking, rov. 2.3. Verder heeft de OK afdoende gemotiveerd, kenbaar met oog voor en onder afweging van de betrokken belangen, dat het recht om gehoord te worden niet kon worden toegepast zonder onnodig afbreuk te doen aan de verwezenlijking van de met de desbetreffende onmiddellijke voorzieningen nagestreefde doelstellingen. Die motivering blijkt onder meer uit de ex parte-beschikking, rov. 2.3, 2.5 en de uitgewerkte beschikking, rov. 3.12-3.13.
4.21.2
Het in PI 21 onder a t/m d aangevoerde kan evenmin tot cassatie leiden. Ik leg uit.
4.21.3
Onder a wordt tot uitgangpunt genomen dat de OK zelfstandig, in afwijking van het verzoek van Nexperia, en daarmee uit eigen beweging is overgegaan tot het geven van een ex parte-beschikking. Hierbij wordt echter selectief uit de brief van Nexperia geciteerd, nu op p. 1 van die brief wordt verwezen naar de ruimere toelichting op p. 4 waarin Nexperia de OK in algemene zin heeft verzocht “deze zaak met bijzondere spoed te behandelen”. Bovendien wordt voorbijgezien aan de brief van EZ van later diezelfde dag waarin de OK “met klem” wordt verzocht de zaak zo spoedig mogelijk te behandelen. Voor zover de OK niet een discretionaire bevoegdheid zou hebben om het moment waarop op het treffen van onmiddellijke voorzieningen moet worden beslist (zie ook onder 4.19.8 hiervoor), is ook niet onbegrijpelijk dat de OK het verzoek van Nexperia, mede in het licht van de aanvullende brief van dezelfde datum van EZ, heeft verstaan als een verzoek tot het ex parte treffen van onmiddellijke voorzieningen. Deze uitleg van de gedingstukken is verder voorbehouden aan de OK als feitenrechter.
4.21.4
Onder b wordt tot uitgangspunt genomen dat de door Nexperia verzochte onmiddellijke voorzieningen in de gegeven omstandigheden niet waren gericht op louter neutrale tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie, omdat Nexperia’s verzoek mede was gericht op het uitlokken van actieve handelingen van de OK-beheerder. Dit ziet eraan voorbij dat de OK in de ex parte-beschikking nog geen OK-beheerder heeft aangewezen en dat in de beperkte periode dat deze voorziening ex parte heeft gegolden de OK-beheerder dus hoe dan ook nog geen actieve handelingen kon verrichten.
4.21.5
Onder c wordt vooreerst betoogd, kort samengevat, dat de OK in de ex parte-beschikking, rov. 2.3 en in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.12-3.13 ontoereikend heeft gemotiveerd dat sprake was van een acute noodsituatie die een vergaande inbreuk op art. 19 lid 1 Rv en art. 6 EVRM rechtvaardigt, te meer/althans omdat naleving van het bevel al was gewaarborgd via publiekrechtelijke handhavingsinstrumenten (“zie subonderdeel 2.2”) en het aan spoedeisendheid ten grondslag gelegde belang van EZ geen belang is dat door de OK mocht worden betrokken in de rechtvaardiging voor een afwijking van art. 19 lid 1 Rv en art. 6 EVRM (“zie subonderdeel 2.1”). Hiermee wordt miskend dat de OK met de gestelde acute noodsituatie in de eerste plaats heeft bedoeld dat het ex parte treffen van enkele onmiddellijke voorzieningen ter tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie was vereist gelet op het belang van Nexperia (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 3.12: “dat zich bij Nexperia een acute noodsituatie voordeed”; “onhoudbare situatie bij Nexperia”; en rov. 3.13: “een bedreiging voor de continuïteit van de onderneming”; “te voorkomen dat in de periode tot aan de inhoudelijke behandeling Nexperia en haar onderneming onherstelbare schade zou worden berokkend”). Verder blijkt dat de OK bij de beslissing om onmiddellijk ex parte in te grijpen het belang van EZ, althans een algemeen, openbaar of maatschappelijk belang heeft meegewogen (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 3.13: “Verder is van belang dat de Staat heeft betoogd dat de door Nexperia gedreven onderneming van essentieel belang is voor de economische veiligheid van Nederland en Europa, terwijl op heel korte termijn cruciale bedrijfsprocessen, goederen en kennis verloren dreigden te gaan door verplaatsing naar locaties buiten Europa”; “daarmee voor de economische veiligheid van Nederland en Europa”). Dat is niet onterecht. Voor zover de klacht hier voortbouwt op onderdeel 2, dat faalt, verwijs ik naar de bespreking van dat onderdeel vanaf 4.52 hierna.
4.21.6
Onder c wordt voorts uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.16 afgeleid dat de gestelde acute noodsituatie geen grondslag vormt voor de gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia, en dus ook geen ingrijpende beperking van het recht op hoor/wederhoor kan rechtvaardigen. In die rov. 3.16 is overwogen dat het voorlopige oordeel dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia niet steunt op het bevel en de gronden waarop het bevel berust. Dit deel van de klacht stuit er reeds op af dat, gezien ook de uitgewerkte beschikking, rov. 3.12, de acute noodsituatie bij Nexperia die de OK aanleiding gaf tot het ex parte treffen van onmiddellijke voorzieningen niet is te reduceren tot het bevel en de gronden waarop het berust.
4.21.7
Het onder d aangevoerde is gebaseerd op subonderdeel 1.2.4 en veronderstelt, kort samengevat, een substantiële voorbereidingstijd van het verzoek van Nexperia. Onder 4.18.8 en 4.19.10 hiervoor is aan de orde gekomen dat een geding bij de OK aanhangig moet zijn voordat, zo nodig ex parte, onmiddellijke voorzieningen op de voet van art. 2:349a BW kunnen worden getroffen. De enquêteprocedure is aanhangig vanaf het moment dat het verzoekschrift als bedoeld in art. 2:345 lid 1 BW bij de OK is ingediend. Het is daarmee een gegeven dat het enige voorbereidingstijd kost voordat, zo nodig ex parte, onmiddellijke voorzieningen kunnen worden (verzocht en) getroffen. Dat het voorbereiden van zo’n verzoekschrift de nodige tijd heeft gekost, maakte de acute noodsituatie die naar het oordeel van de OK op 1 oktober 2025 onmiddellijk - ex parte - ingrijpen noodzakelijk maakte in het belang van Nexperia niet minder acuut. Uit de motivering van de OK blijkt eerder dat het tegendeel het geval was (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 3.13: “Iedere dag dat deze situatie zou voortduren”, etc.). Overigens is gesteld noch gebleken dat Nexperia zou hebben getalmd met het indienen van het enquêteverzoek. Voor zover de klacht hier voortbouwt op subonderdeel 1.2.4, dat faalt, verwijs ik naar de bespreking van dat subonderdeel vanaf 4.46 hierna.
4.22
Subonderdeel 1.1 is aldus ongegrond. Kort en goed: de OK kan desverzocht, in bijzonder spoedeisende gevallen als hier aan de orde, op de voet van art. 2:349a BW ex parte onmiddellijke voorzieningen treffen ter tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie (freezing order). Dit levert geen schending op van art. 19 lid 1 Rv en art. 6 EVRM. En dat de OK daartoe in het onderhavige bijzondere geval is overgegaan, is niet onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
4.23
Subonderdeel 1.2
(PI 4, 22-23) klaagt dat [bestuurder/CEO] onvoldoende gelegenheid is geboden zijn verweer tegen het verzoekschrift en de ex parte-beschikking voor te bereiden, waarmee de procesgang als geheel oneerlijk is. Volgens het subonderdeel is, kort samengevat, het recht geschonden (art. 19 lid 1 Rv en art. 6 EVRM) en/of een onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd oordeel gegeven, doordat de datum voor het verweerschrift en voor de mondelinge behandeling op de (te) korte termijn van 6 oktober 2025 (09:00 uur respectievelijk 13:00 uur) is bepaald, in weerwil van het verweer van [bestuurder/CEO] dat de gang van zaken in strijd is met fundamentele beginselen van een goede procesorde en het bepaalde in art. 6 EVRM. Deze algemene rechts- en motiveringsklacht is uitgewerkt in vier sub(sub)onderdelen: 1.2.1 t/m 1.2.4.
Behandeling
4.24
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.25
Subonderdeel 1.2.1
(PI 24) is gericht tegen een van de twee in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 gegeven redenen waarom de OK niet heeft bewilligd in het verzoek van Yuching tot uitstel van de mondelinge behandeling, namelijk de eerste reden, die inhoudt dat juist uit oogpunt van hoor/wederhoor is besloten de eenzijdige bevriezing van de situatie zo kort mogelijk te doen voortduren en is besloten op zeer korte termijn een inhoudelijke behandeling te gelasten. Daarmee zou de OK art. 19 lid 1 Rv en art. 6 EVRM hebben geschonden, althans een onbegrijpelijk oordeel hebben gegeven. Dit werkt het subonderdeel uit langs drie routes.
4.26
In de eerste plaats, aldus het subonderdeel (PI 25), heeft de OK hiermee miskend dat het fundamentele recht op een eerlijk proces (art. 19 lid 1 Rv en art. 6 EVRM) juist het (proces)belang van [bestuurder/CEO] als belanghebbende en subject van de ex parte getroffen onmiddellijke voorzieningen beogen te beschermen, en de OK gelet op deze strekking het beginsel van hoor/wederhoor niet aan [bestuurder/CEO] had kunnen tegenwerpen. Toen [bestuurder/CEO] op deze korte termijn niet (afdoende) bleek te kunnen reageren op het verzoekschrift en de gronden van de ex parte-beschikking door tijdig voor de mondelinge behandeling een verweerschrift in te dienen, had de OK de mondelinge behandeling en het verweerschrift moeten uitstellen om [bestuurder/CEO] een voldoende mogelijkheid tot het voorbereiden van zijn verweer te geven.
4.26.1
Deze klacht mist doel. Ik licht toe.
4.26.2
Naar luid van art. 279 lid 1 Rv bepaalt de rechter onverwijld dag en uur waarop de (mondelinge) behandeling plaatsvindt. De wet bevat in art. 279 lid 1 Rv geen termijn die de rechter bij de dagbepaling van de mondelinge behandeling in acht moet nemen, maar een nadere invulling van die termijn kan wel in bijzondere wetsbepalingen zijn geregeld. Voor het enquêterecht is dat sinds jaar en dag het geval met het voorschrift (thans opgenomen in art. 2:349a lid 1 BW) dat de OK het verzoek “met de meeste spoed” behandelt. Dat geeft de OK de ruimte om indien nodig met zeer veel spoed op een verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen te beslissen, bijvoorbeeld door een mondelinge behandeling te gelasten een of enkele dagen na indiening van het enquêteverzoek.
4.26.3
In het onderhavige geval heeft de OK een mondelinge behandeling bepaald op 6 oktober 2025 om 13:00 uur (uitsluitend) over het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen (zie de ex parte-beschikking, rov. 2.1 en dictum). Dat is dus op een termijn van vijf dagen na indiening van het verzoekschrift van Nexperia op 1 oktober 2025. De OK heeft partijen (Nexperia) en belanghebbenden ( [bestuurder/CEO] , Yuching, [verweerder 4] , de OR en EZ) voor deze mondelinge behandeling opgeroepen. Op de voet van art. 2:349a lid 1 BW geldt hierbij voor Nexperia een verplichte procesvertegenwoordiging (verschijnen bij advocaat of bijgestaan door een advocaat).
4.26.4
Noch art. 279 lid 1 Rv noch art. 2:349a lid 1 BW geeft een aanwijzing hoeveel tijd de vennootschap en overige belanghebbenden redelijkerwijs moet worden gegund om kennis te nemen van het verzoekschrift en producties en om hun verweer voor te bereiden. Dit is door de wetgever onder ogen gezien. In art. 2:349a lid 1 BW is daartoe (met het oog op voldoende voorbereidingstijd), in afwijking van art. 282 lid 1 Rv, opgenomen dat de OK moet bepalen tot welk tijdstip voorafgaand aan de mondelinge behandeling belanghebbenden een verweerschrift kunnen indienen. Een termijn van een week voorafgaand aan de mondelinge behandeling wordt blijkens de wetsgeschiedenis in beginsel geacht voldoende voorbereidingstijd op te leveren, waarbij de OK uitdrukkelijk de mogelijkheid wordt geboden in spoedeisende gevallen een kortere termijn te hanteren.
4.26.5
In het onderhavige - bijzonder spoedeisende - geval heeft de OK de termijn als bedoeld in art. 2:349a lid 1 BW gesteld op vier uur voorafgaand aan de mondelinge behandeling, dus de mogelijkheid tot indiening van een verweerschrift door belanghebbenden tot 6 oktober 2025 om 09:00 uur (zie de oproepingsbrief van de OK van 1 oktober 2025 en ook de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15). De OK heeft bovendien toegelaten dat tijdens de mondelinge behandeling aanvullend verweer is gevoerd door [bestuurder/CEO] en Yuching en dat door [bestuurder/CEO] een voorwaardelijk tegenverzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen is gedaan, in lijn met het voorwaardelijke tegenverzoek in het tijdig ontvangen verweerschrift van Yuching. Op dit punt heeft de OK dus voor [bestuurder/CEO] en Yuching, ten opzichte van de belangen van de overige belanghebbenden en de vennootschap, coulance betracht. Hier staat tegenover dat Yuching de OK bij brief van 3 oktober 2025 had verzocht om uitstel van de mondelinge behandeling tot bijvoorbeeld 14 oktober 2025 in verband met onvoldoende voorbereidingstijd om zich te kunnen verweren, op welk verzoek Nexperia dezelfde dag afwijzend heeft gereageerd en welk verzoek door de OK bij e-mail van 3 oktober 2025 niet is ingewilligd.
4.26.6
Dit roept de vraag op wanneer de OK gehouden is de mondelinge behandeling uit te stellen. Uitgangspunt is dat het aan het beleid van de feitenrechter is overgelaten of hij - indien hij een daartoe strekkend verzoek heeft ontvangen - de zaak aanhoudt of niet en dat de rechter zijn beslissing dienaangaande niet hoeft te motiveren. Een recht op aanhouding wordt door de Hoge Raad slechts erkend in specifieke omstandigheden waarin de rechter de behandeling moet uitstellen met het oog op het mede door art. 6 EVRM gewaarborgde beginsel van hoor/wederhoor. Dit is in lijn met de benadering van de OK die de mondelinge behandeling niet snel wenst uit te stellen, waarbij soms wel wordt toegelaten dat tot zeer kort voor de mondelinge behandeling een verweerschrift kan worden ingediend.
4.26.7
Ik keer terug naar het subonderdeel.
4.26.8
Dat bestrijdt als gezegd de eerste door de OK gegeven reden voor afwijzing van het uitstelverzoek van Yuching, namelijk om juist vanuit een oogpunt van hoor/wederhoor de eenzijdige (ex parte) tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie zo kort mogelijk te laten voortduren. Zie onder 4.25 hiervoor. Op zichzelf is dat nog niet een sluitende redenering om het verzoek tot uitstel van de mondelinge behandeling tot bijvoorbeeld 14 oktober 2025 af te wijzen. Wel is het zo dat ex parte beslissingen niet eindeloos mogen voortduren en dat wel wordt aangenomen dat belanghebbenden in ieder geval binnen een termijn van twee weken moeten worden gehoord. Vanuit het oogpunt van hoor/wederhoor was er zo bezien geen beletsel tegen het bieden van uitstel van de mondelinge behandeling tot bijvoorbeeld 14 oktober 2025. Die datum benaderde anders gezegd het uiterste moment waarop vanuit een oogpunt van hoor/wederhoor een mondelinge behandeling had moeten plaatsvinden.
4.26.9
Met die eerste door de OK genoemde reden voor afwijzing van het uitstelverzoek heeft zij dan ook niet ten onrechte het beginsel van hoor/wederhoor aan [bestuurder/CEO] tegengeworpen, maar tot uitdrukking willen brengen dat de OK juist vanuit een oogpunt van hoor/wederhoor gehouden was op korte termijn een mondelinge behandeling te houden. De dragende reden waarom dat niet later kon dan 6 oktober 2025 is dan ook gelegen in de tweede door de OK in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 aangevoerde reden, namelijk dat voor Nexperia van groot belang is dat zo snel mogelijk aan de tijdelijke bevriezing aan de hand van de ex parte onmiddellijke voorzieningen een einde komt.
4.26.10
Yuching had er in haar brief van 3 oktober 2025 op gewezen dat het belang van Nexperia niet in het gedrang zou komen als de ex parte onmiddellijke voorzieningen, die Yuching zou respecteren, iets langer (tot bijvoorbeeld 14 oktober 2025) zouden voortduren. Nexperia heeft hier in haar brief van dezelfde datum op gereageerd door gemotiveerd uiteen te zetten waarom zij er belang bij heeft dat de mondelinge behandeling niet wordt uitgesteld. Daarop is die tweede reden van de OK gebaseerd en dat was de doorslaggevende reden waarom de OK niet heeft bewilligd in uitstel van de mondelinge behandeling, nu de eerste reden slechts inhield dat hoe dan ook op korte termijn een mondelinge behandeling moest worden gehouden.
4.26.11
Uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15 blijkt vervolgens waarom de OK van oordeel is dat desondanks het recht op een eerlijk proces van [bestuurder/CEO] en Yuching niet is geschonden. In de aldaar genoemde omstandigheden is naar het oordeel van de OK voldoende recht gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en is de redelijke mogelijkheid geboden tot het voeren van verweer. De OK heeft daarbij uitdrukkelijk onder ogen gezien dat [bestuurder/CEO] niet in de gelegenheid is geweest tijdig een verweerschrift in te dienen.
4.26.12
De klacht ziet er dus aan voorbij dat de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 en 3.15 in onderling verband en samenhang moeten worden gelezen. De klacht is alleen gericht tegen de eerste in rov. 3.14 genoemde reden waarom de OK niet tot uitstel is overgegaan. De klacht faalt reeds omdat, zoals hiervoor bleek, dit niet de dragende reden is voor het door de OK niet bewilligen in Yuchings verzoek tot uitstel van de mondelinge behandeling.
4.27
In de tweede plaats, aldus het subonderdeel (PI 26), is doorslaggevend althans bovenal of mede relevant, en had de OK zelfs ambtshalve erop moeten toezien, dat aan de eis van hoor/wederhoor is voldaan en dat aan [bestuurder/CEO] de tijd en gelegenheid voor behoorlijke kennisneming en deugdelijke voorbereiding van zijn verweer wordt geboden. Dit heeft de OK klaarblijkelijk miskend, omdat uit de ex parte-beschikking, rov. 2.1 en de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 niet kenbaar is dat zij dat heeft onderzocht en beoordeeld.
4.27.1
Deze klacht treft evenmin doel, omdat de daarin veronderstelde miskenning door de OK zich in werkelijkheid niet voordoet. Dat zit zo.
4.27.2
In de ex parte-beschikking, rov. 2.1 heeft de OK slechts overwogen dat zij partijen zal oproepen voor een op 6 oktober 2025 om 13:00 uur te houden mondelinge behandeling over uitsluitend het verzoek om onmiddellijke voorzieningen te treffen. Dit is gebeurd in de oproepingsbrief van diezelfde datum, waarin de mondelinge behandeling is bepaald op 6 oktober 2025 om 13:00 uur en waarin is vermeld dat partijen en belanghebbenden tot uiterlijk 6 oktober 2025 om 09:00 uur een verweerschrift kunnen indienen. Daarin ligt besloten dat de OK op dat moment (1 oktober 2025) ambtshalve van oordeel was dat een mondelinge behandeling vijf dagen later met de mogelijkheid tot indiening van een verweerschrift uiterlijk vier uur voor de mondelinge behandeling belanghebbenden voldoende tijd en gelegenheid bood voor kennisneming van de stukken en voor deugdelijke voorbereiding van het verweer. Op dat moment was er geen aanleiding voor de OK om dat ambtshalve oordeel te motiveren.
4.27.3
Bij brief van 3 oktober 2025 heeft Yuching vervolgens verzocht om uitstel van de mondelinge behandeling. De OK heeft daarop nog diezelfde dag afwijzend beslist, kenbaar uit de e-mail van de OK van 3 oktober 2025. Er is geen rechtsregel die meebrengt dat de OK die beslissing al in de e-mail van 3 oktober 2025 had moeten motiveren en het subonderdeel is overigens ook niet gericht tegen deze e-mail van de OK. Die motivering blijkt uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 en 3.15 die als gezegd in onderling verband en samenhang moeten worden gelezen. De klacht voert aan (PI 26), maar zonder vrucht, dat in de ex parte-beschikking en de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 niet wordt ingegaan op de relevante omstandigheden van het geval. In rov. 3.15, waarin de OK heeft gemotiveerd waarom in de gegeven omstandigheden voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer, heeft de OK deze omstandigheden ook kenbaar (“tegen de ongebruikelijke achtergrond van deze zaak”), en gelet op rov. 3.11 en 3.14: afdoende toegelicht, in de beoordeling betrokken. In de ex parte-beschikking bestond er als gezegd geen aanleiding voor de OK om haar desbetreffende ambtshalve oordeel te motiveren.
4.28
In de derde plaats, aldus het subonderdeel (PI 27), is het bestreden oordeel (dus de eerste in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 genoemde reden) onbegrijpelijk, omdat de OK niet heeft gemotiveerd waarom het belang de ex parte opgelegde bevriezing zo kort mogelijk te laten voortduren moest prevaleren boven het belang van [bestuurder/CEO] bij een adequate voorbereiding van verweer en waarom aan het eerstgenoemde belang niet voldoende tegemoet zou (kunnen) worden gekomen indien het verweerschrift en de mondelinge behandeling zouden worden uitgesteld. Zonder nadere motivering valt niet in te zien dat in deze zaak sprake zou zijn van zulke bijzondere omstandigheden dat de inhoudelijke behandeling al op 6 oktober 2025 moest plaatsvinden, en niet enige tijd kon worden uitgesteld opdat [bestuurder/CEO] zich adequaat kon verweren.
4.28.1
Ook deze klacht is ongegrond. Om herhaling te voorkomen, verwijs ik naar 4.26.7-4.26.12 en 4.27.1-4.27.3 hiervoor.
4.29
Daarmee valt het doek voor subonderdeel 1.2.1.
4.30
Subonderdeel 1.2.2
(PI 28) is gericht tegen de tweede in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 gegeven reden waarom de OK niet heeft bewilligd in het verzoek van Yuching tot uitstel van de mondelinge behandeling, namelijk de onderkenning dat Nexperia op korte termijn dreigde te worden getroffen door de maatregelen uit hoofde van de 50%-rule en dat in de gesprekken van Nexperia respectievelijk de Staat met de Amerikaanse autoriteiten van groot belang was dat aan die tijdelijke bevriezing zo snel mogelijk een einde zou komen. Dat oordeel zou blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk zijn. Dit werkt het subonderdeel uit langs drie routes.
4.31
In de eerste plaats, aldus het subonderdeel (PI 29), heeft de OK hiermee miskend dat voor de beoordeling of met het vasthouden aan de mondelinge behandeling op 6 oktober 2025 voldoende recht wordt gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor, doorslaggevend althans bovenal of mede relevant is of [bestuurder/CEO] met de door hem geboden (minder dan) drie werkdagen (vijf dagen) in staat zou zijn zich voldoende te verweren tegen het verzoekschrift en de ex parte-beschikking. Die tweede reden van de OK gaat hier immers niet op.
4.31.1
Deze klacht boekt geen succes.
4.31.2
De relevantie van de omstandigheid of [bestuurder/CEO] in de korte tijd tot de mondelinge behandeling in staat zou zijn zich voldoende te verweren heeft de OK met het noemen van de tweede reden in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 niet miskend. Met die tweede reden heeft de OK gemotiveerd waarom het in het belang van Nexperia was om niet later dan op 6 oktober 2025 een mondelinge behandeling te houden. In de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15 heeft de OK vervolgens gemotiveerd waarom in de gegeven omstandigheden voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer. Hierop stuit deze klacht af.
4.32
In de tweede plaats, aldus het subonderdeel (PI 30-32), is het bestreden oordeel (dus de tweede in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 genoemde reden) onbegrijpelijk, omdat niet duidelijk is wat de OK met deze overweging heeft bedoeld. De klacht noemt twee mogelijke lezingen. De OK zou bedoeld kunnen hebben dat de ex parte getroffen onmiddellijke voorzieningen worden opgeheven. In die lezing zou het oordeel onbegrijpelijk zijn in het licht van de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19, 3.20 en 3.24, waarin de OK juist tot uitgangspunt heeft genomen dat (dreiging van) toepasselijkheid van de 50%-rule op Nexperia is ingegeven door kort gezegd (de perceptie van) de invloed van haar Chinese aandeelhouder, [A] (PI 30). De OK zou ook bedoeld kunnen hebben dat het algemeen belang van de beschikbaarheid van chips en chipproductie voor Nederland en de EU zwaarder weegt dan [bestuurder/CEO] belang om zich adequaat te kunnen verweren. In die lezing zou het oordeel blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting (PI 31-32).
4.32.1
Ook deze klacht boekt geen succes.
4.32.2
Onder 4.26.9-4.26.10 hiervoor heb ik al opgemerkt dat de OK met de tweede reden in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 heeft gerefereerd aan de reactie van Nexperia op het uitstelverzoek van Yuching.
4.32.3
Tegen die achtergrond is het niet onbegrijpelijk wat de OK heeft bedoeld met de “onderkenning dat Nexperia op korte termijn dreigt te worden getroffen door de maatregelen uit hoofde van de 50%-rule en dat in gesprekken van Nexperia, respectievelijk de Staat met de Amerikaanse autoriteiten van groot belang is dat aan die tijdelijke bevriezing zo snel mogelijk een einde komt.” Het ging erom dat de ex parte getroffen onmiddellijke voorzieningen (de tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie) zo snel mogelijk zouden worden opgeheven en worden vervangen door onmiddellijke voorzieningen voor de duur van het geding, zodat Nexperia bij de Amerikaanse overheid kon aanvoeren dat de 50%-rule niet (langer) van toepassing zou moeten zijn. Die duurzamere onmiddellijke voorzieningen zijn dan ook wel degelijk verenigbaar met de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19, 3.20 en 3.24.
4.32.4
Voor zover de klacht meer of anders leest in die tweede reden faalt zij bij gebrek aan feitelijke grondslag. In ieder geval valt in de verwijzing naar de 50%-rule niet te lezen dat de OK het algemeen belang zou hebben laten prevaleren boven [bestuurder/CEO] belang om zich adequaat te kunnen verweren. Uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15 blijkt immers dat de OK van oordeel is dat in de gegeven omstandigheden voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer.
4.33
In de derde plaats, aldus het subonderdeel (PI 33), is het bestreden oordeel (dus de tweede in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 genoemde reden) onbegrijpelijk, omdat de OK niet heeft gemotiveerd waarom het belang als bedoeld in die tweede reden moest prevaleren boven het belang van [bestuurder/CEO] bij een adequate voorbereiding van zijn verweer en waarom aan eerstgenoemd belang niet voldoende tegemoet zou (kunnen) worden gekomen indien de mondelinge behandeling en het nemen van verweerschrift zou worden uitgesteld tot bijvoorbeeld 14 oktober 2025. De klacht beroept zich daartoe verder op de omstandigheden a) dat Yuching in haar uitstelverzoek (p. 2) te kennen heeft gegeven de ex parte getroffen onmiddellijke voorzieningen te zullen respecteren, b) dat de OK heeft nagelaten kenbaar acht te slaan op de omstandigheden van het geval (genoemd in PI 23), en c) dat de OK niet heeft toegelicht waarom het van belang was dat aan de tijdelijke bevriezing zo snel mogelijk een einde zou komen, hetgeen te meer klemt omdat de 50%-rule pas eind november 2025 van kracht zou worden en de dreiging om door die regel te worden getroffen feitelijk al beperkt was met de ex parte-beschikking.
4.33.1
Deze klacht boekt evenmin succes.
4.33.2
De klacht gaat uit van een valse tegenstelling tussen enerzijds het belang van Nexperia als bedoeld in de tweede in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 genoemde reden en anderzijds het procesbelang van [bestuurder/CEO] . De OK heeft in werkelijkheid het eerste belang niet laten prevaleren boven het laatste belang. Met die tweede reden heeft de OK gemotiveerd waarom een zitting niet later dan 6 oktober 2025 voor Nexperia van belang was. In de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15 heeft de OK gemotiveerd waarom dit niet op ontoelaatbare wijze ten koste ging van het procesbelang van [bestuurder/CEO] : er is in de gegeven omstandigheden voldoende recht gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid geboden tot het voeren van verweer.
4.33.3
De omstandigheden onder a) t/m c) maken het bestreden oordeel evenmin onbegrijpelijk. Ik leg uit.
4.33.4
Wat de omstandigheid onder a) betreft, verwijs ik naar 4.26.7-4.26.12 hiervoor. Dat Yuching de ex parte getroffen onmiddellijke voorzieningen zou respecteren, zou relevant kunnen zijn in het kader van de eerste in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 genoemde reden, maar niet in het kader van de tweede aldaar genoemde - doorslaggevende - reden voor afwijzing van het uitstelverzoek.
4.33.5
De omstandigheid onder b) mist feitelijke grondslag. Uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15 blijkt immers dat de OK wel degelijk acht heeft geslagen op de omstandigheden van het geval. Om herhaling te voorkomen, verwijs ik naar 4.27.1-4.27.3 hiervoor.
4.33.6
De omstandigheid onder c) ziet er in de eerste plaats aan voorbij dat de tweede in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 genoemde reden moet worden begrepen in het licht van de reactie van Nexperia op het uitstelverzoek van Yuching. Op dit punt verwijs ik om herhaling te voorkomen naar 4.32.1-4.32.4 hiervoor.
4.33.7
Voor de stelling onder c) dat de 50%-rule pas eind november 2025 van kracht zou worden, verwijst de klacht niet naar een vindplaats in de gedingstukken bij de OK. De OK kon in het licht van de vaststaande feiten oordelen dat Nexperia “op korte termijn” dreigt te worden getroffen door de maatregelen uit hoofde van de 50%-rule. In de uitgewerkte beschikking, rov. 2.28 heeft de OK immers vastgesteld dat Nexperia pas na 60 dagen (per 28 november 2025) aan de handelsbeperkingen zal worden onderworpen, maar ook dat productie- en R&D-locaties van Nexperia in China, Maleisië en de Filipijnen met onmiddellijke ingang onder de nieuwe handelsbeperkende maatregelen van de VS vielen (zie ook de uitgewerkte beschikking, rov. 2.1: “in beginsel na zestig dagen”).
4.33.8
Ten slotte wordt onder c) nog aangevoerd dat de dreiging om door de 50%-rule te worden getroffen feitelijk al beperkt was met de ex parte-beschikking. Dit laatste ziet eraan voorbij dat, zoals de OK heeft overwogen met de eerste in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 genoemde reden, de eenzijdige (ex parte) tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie hoe dan ook niet lang kon voortduren, waarmee de OK bedoelde dat juist vanuit een oogpunt van hoor/wederhoor niet lang (zie onder 4.26.8 hiervoor over een maximale termijn van twee weken) kon worden gewacht met het houden van een mondelinge behandeling.
4.34
Dit betekent dat subonderdeel 1.2.2 strandt.
4.35
Subonderdeel 1.2.3
(PI 34) is gericht tegen het oordeel in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15 dat in de gegeven omstandigheden zo veel mogelijk recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor, dat tegen de ongebruikelijke achtergrond van deze zaak en de hoge spoedeisendheid voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer, en dat het beroep op strijd met de goede procesorde en het bepaalde in art. 6 EVRM daarom wordt verworpen. Deze oordelen zouden blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk zijn. Dit werkt het subonderdeel uit langs drie routes.
4.36
In de eerste plaats, aldus het subonderdeel (PI 35), kunnen deze oordelen reeds geen standhouden voor zover zij voortbouwen op wat is overwogen in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14, gelet op de klachten in de subonderdelen 1.2.1-1.2.2.
4.36.1
Deze klacht bouwt voort op en deelt daarmee in het lot van de subonderdelen 1.2.1-1.2.2, die dus falen. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.37
In de tweede plaats, aldus het subonderdeel (PI 36), heeft de OK een onjuiste maatstaf aangelegd voor zover zij voldoende heeft geacht dat in de gegeven omstandigheden zo veel mogelijk recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor, althans is het oordeel onbegrijpelijk omdat daaruit niet volgt dat [bestuurder/CEO] daartoe voldoende in de gelegenheid is gesteld.
4.37.1
Deze klacht loopt vast op het volgende. De OK heeft in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15, eerste zin overwogen dat in de gegeven omstandigheden zo veel mogelijk recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor. Uit het vervolg van die rov. 3.15 blijkt echter dat dat niet de maatstaf is die de OK heeft aangelegd in het kader van de beoordeling van het beroep van [bestuurder/CEO] en Yuching op strijd met de goede procesorde en het bepaalde in art. 6 EVRM. Dat beroep is door de OK verworpen, omdat in de gegeven omstandighedenvoldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer. Deze klacht berust dus op een verkeerde lezing van die rov. 3.15 en strandt daarmee op een gebrek aan feitelijke grondslag.
4.38
In de derde plaats, aldus het subonderdeel (PI 37-44), kan dat wat de OK heeft overwogen in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15, zonder nadere motivering, niet de conclusie dragen dat het recht van [bestuurder/CEO] op een eerlijk proces en in het bijzonder zijn recht op hoor/wederhoor en equality of arms (in voldoende mate) is gerespecteerd om recht te doen aan art. 19 Rv en art. 6 EVRM.
4.39
Deze klacht richt pijlen tegen enkele van de door de OK in die rov. 3.15 genoemde omstandigheden. Geen van deze pijlen treft doel.
4.40
Ik stel het volgende voorop. De klacht komt niet op tegen de eerste door de OK genoemde omstandigheid in rov. 3.15, tweede zin, te weten dat belanghebbenden tot zeer kort, vier uur, voor de mondelinge behandeling gelegenheid is gegeven een verweerschrift in te dienen. Voor de relevantie van deze omstandigheid verwijs ik naar 4.26.5 hiervoor. Evenmin bestreden is de omstandigheid in rov. 3.15, derde zin dat Yuching een volwaardig verweerschrift heeft ingediend en haar verweer op zitting nader heeft aangevuld. De relevantie van deze omstandigheden wordt (ook) niet bestreden.
4.41
In PI 38 wordt aangevoerd dat [bestuurder/CEO] , ook volgens de OK, niet in de gelegenheid is geweest tijdig een verweerschrift in te dienen en dat het tijdgebrek bij [bestuurder/CEO] daadwerkelijk nadelige gevolgen heeft gehad omdat [bestuurder/CEO] geen tijd had om een weerlegging voor te bereiden van datgene dat Nexperia had aangevoerd over onder meer het vermeende belangenconflict en de herziening van de governance, terwijl dit juist de gronden zijn waarop de OK blijkens de uitgewerkte beschikking, rov. 3.16 e.v. het handhaven van de ex parte opgelegde onmiddellijke voorzieningen heeft gebaseerd.
4.41.1
Dit loopt vast.
4.41.2
De OK heeft in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15, vierde zin overwogen dat [bestuurder/CEO] , die niet in de gelegenheid is geweest tijdig een verweerschrift in te dienen, op zitting extra tijd heeft gekregen zijn positie toe te lichten. Dit strookt met het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025 (p. 6):
“Mrs. Vader en Meijer van Gelderen delen mede dat zij onvoldoende gelegenheid hebben gehad om tijdig een verweerschrift in te dienen. Zij voeren daarom nu mondeling verweer namens [bestuurder/CEO] en dragen daartoe hun pleitaantekeningen voor, waaraan een verklaring van [bestuurder/CEO] zelf is gehecht. (…).”
Uit de overgelegde spreekaantekeningen van [bestuurder/CEO] , die exclusief de aangehechte verklaring van [bestuurder/CEO] zelf 33 pagina’s beslaan, blijkt dat [bestuurder/CEO] verweer heeft gevoerd tegen onder meer “de beweerdelijk ongeoorloofde belangenverstrengeling” van [bestuurder/CEO] en de “beweerdelijk gebrekkige corporate governance” van Nexperia. [bestuurder/CEO] is dus wel degelijk, ondanks dat hij niet tijdig een verweerschrift heeft kunnen indienen, in de gelegenheid geweest zich te verweren tegen de door Nexperia gestelde gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia, die naar voorlopig oordeel van de OK onder meer aanwezig zijn met betrekking tot tegenstrijdig belang van [bestuurder/CEO] (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 3.17-3.18) en de met EZ afgestemde niet uitgevoerde governanceherziening (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19-3.20). De uitgewerkte beschikking, rov. 3.15, vierde zin draagt zodoende op navolgbare wijze bij aan het oordeel van de OK dat in de gegeven omstandigheden voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer.
4.42
In PI 39-40 wordt betoogd dat de omstandigheden genoemd in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15, vierde en vijfde zin dat [bestuurder/CEO] , die niet in de gelegenheid is geweest tijdig een verweerschrift in te dienen, op zitting extra tijd heeft gekregen zijn positie toe te lichten en dat de behandeling op zitting meermalen is geschorst opdat de advocaten van [bestuurder/CEO] en Yuching in de gelegenheid werden gesteld telefonisch overleg te plegen met hun cliënten, geen toereikende grond kunnen opleveren voor de conclusie dat voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer.
4.42.1
Ook dit loopt vast.
4.42.2
Voor zover de klacht hier bedoelt dat de OK heeft geoordeeld dat deze omstandigheden op zichzelf een toereikende grond opleveren voor de conclusie dat voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer, berust dat op een te geïsoleerde lezing, nu dit slechts een deel betreft van de hier in totaliteit door de OK in aanmerking genomen omstandigheden (ten dele dus onbestreden) waarop die conclusie van de OK rust. Voor zover de klacht hier bedoelt dat onbegrijpelijk is hoe deze omstandigheden bijdragen aan de door de OK bereikte conclusie, wijs ik op het volgende. Dat de OK heeft toegelaten dat [bestuurder/CEO] ter zitting extra tijd heeft gekregen zijn positie toe te lichten, is ter mitigering van de omstandigheid dat hij niet in de gelegenheid is geweest tijdig een verweerschrift in te dienen (zie ook onder 4.26.5 en 4.41.2 hiervoor).
4.42.3
Over de spreektijd wordt in PI 39 verder nog opgemerkt dat [bestuurder/CEO] maar 40 minuten had gekregen, die hij zo nodig zou moeten delen met Yuching. Uit de e-mail van de OK van 5 oktober 2025 blijkt dat Yuching en [bestuurder/CEO] respectievelijk 20 en 40 minuten spreektijd toegekend hebben gekregen (dus per ‘cluster’ in totaal 60 minuten), die zij eventueel in onderling overleg anders konden verdelen. Dit is langer dan gebruikelijk en ook langer dan het ‘cluster’ Nexperia, EZ en de OR. Het subonderdeel verwijst niet naar een vindplaats in de gedingstukken bij de OK waaruit blijkt dat [bestuurder/CEO] bezwaar had tegen deze verdeling en uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling (p. 6) blijkt niet dat de toegekende spreektijd onvoldoende was om zijn spreekaantekeningen geheel voor te dragen. Van onvoldoende spreektijd voor [bestuurder/CEO] is aldus niet gebleken.
4.42.4
In PI 39 wordt verder aangevoerd dat [bestuurder/CEO] noch een vertegenwoordiger van hem bij de mondelinge behandeling aanwezig kon zijn. Een vindplaats in de gedingstukken bij de OK waar staat dat/waarom (een vertegenwoordiger van) [bestuurder/CEO] niet aanwezig kon(den) zijn, heb ik in het middel niet aangetroffen. Het uitgangspunt in verzoekschriftprocedures is dat de opgeroepene in persoon of bij een gemachtigde verschijnt (art. 279 lid 3 Rv). In de enquêteprocedure geldt op grond van art. 2:349a lid 1 BW voor verzoekers en de rechtspersoon (dus in beginsel niet voor belanghebbenden) verplichte procesvertegenwoordiging. Verweerschriften van belanghebbenden moeten overigens wel door een advocaat worden ingediend. Uit de oproepingsbrief van 1 oktober 2025 van de OK blijkt dat zowel [bestuurder/CEO] als Yuching als belanghebbende is opgeroepen voor de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling kan worden afgeleid dat die oproeping deugdelijk is geweest, nu zowel [bestuurder/CEO] als Yuching ter zitting is verschenen. Zij zijn niet in persoon verschenen, maar bij advocaat. Nadat ter zitting was geconstateerd dat [bestuurder/CEO] en Yuching als belanghebbenden waren verschenen, hoefde de OK geen onderzoek in te stellen naar de redenen waarom zij niet in persoon, maar bij advocaat waren verschenen. Er kon bij deze stand van zaken immers redelijkerwijs geen twijfel over bestaan dat de oproep door hen was ontvangen en verschijning in persoon is in het kader van hoor/wederhoor geen vereiste.
4.42.5
Op zichzelf is waar - dit valt toe te geven aan PI 40 - dat telefonisch overleg kunnen plegen tussen [bestuurder/CEO] en Yuching (in China) en hun advocaten (ter zitting aanwezig) tijdens door de OK toegelaten schorsingen van de zitting second best is in vergelijking met de situatie dat (een vertegenwoordiger van) [bestuurder/CEO] en/of Yuching in persoon aanwezig waren/was geweest ter zitting. Dit maakt echter geenszins onbegrijpelijk dat de OK deze schorsingen voor telefonisch overleg wel als omstandigheid, dus als deel van de hier in totaliteit door de OK in aanmerking genomen omstandigheden (ten dele dus onbestreden), heeft kunnen betrekken bij het oordeel dat voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer. Die omstandigheid draagt immers naar de aard bij aan dit laatste oordeel.
4.43
In PI 41-43 wordt gesteld, onder verwijzing naar de uitgewerkte beschikking, dat onbegrijpelijk is hoe “de ongebruikelijke achtergrond van deze zaak” (rov. 3.15, zesde zin) en “de gegeven omstandigheden” (rov. 3.15, eerste zin) bijdragen aan de conclusie dat voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer. Deze klacht is uitgewerkt met twee mogelijke lezingen: een voor het geval (zie PI 42) de OK hiermee onder meer zou hebben gedoeld op de dreiging dat Nexperia door de 50%-rule wordt getroffen als bedoeld in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 (naast andere overwegingen, in rov. 3.12-3.13 van die beschikking), en een voor zover (zie PI 43) de OK hiermee zou hebben gedoeld op de in rov. 3.11 van die beschikking weergegeven omstandigheden.
4.43.1
Dit loopt eveneens vast.
4.43.2
De klacht strandt hier reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag, omdat de OK niet aan de hand van de bestreden zinsneden uit rov. 3.15 tot de conclusie is gekomen dat voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer. Met “de gegeven omstandigheden” en “de ongebruikelijke achtergrond van de zaak” verwijst de OK terug naar hetgeen aan rov. 3.15 voorafgaat, waaronder de omstandigheden genoemd in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.11 en de dreiging dat Nexperia door de 50%-rule zou worden getroffen als bedoeld in rov. 3.14 van die beschikking. Het oordeel van de OK in rov. 3.15 houdt in dat in deze omstandigheden of tegen deze ongebruikelijke achtergrond voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer, gelet op de in rov. 3.15, tweede t/m vijfde zin bedoelde omstandigheden (ten dele onbestreden en voor het overige ook niet onbegrijpelijk).
4.44
In PI 44 wordt, ten slotte, betoogd dat zonder nadere motivering “de hoge spoedeisendheid” in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15, zesde zin evenmin de conclusie van de OK kan dragen dat voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer.
4.44.1
Wederom: dit loopt vast, nog daargelaten dat deze omstandigheid niet zelfstandig dragend is voor het oordeel van de OK dat voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer. Want de OK hoefde in rov. 3.15 niet nader uit te leggen waarom de hoge spoedeisendheid van de zaak relevant was bij dit oordeel, nu deze relevantie van die omstandigheid, als deel van de hier in totaliteit door de OK in aanmerking genomen omstandigheden (ten dele dus onbestreden), die dit oordeel kunnen dragen, evident is.
4.45
Subonderdeel 1.2.3 mislukt dus.
4.46
Subonderdeel 1.2.4
(PI 45-46) klaagt dat het voorgaande te meer klemt omdat Nexperia haar enquêteverzoek klaarblijkelijk ruim van te voren heeft voorbereid en op enig moment heeft afgestemd met EZ, waarmee tevens sprake is van een met art. 19 lid 1 Rv en art. 6 EVRM onverenigbare schending van het beginsel van equality of arms. Volgens het subonderdeel is er sprake van een wanverhouding met de tijd die Nexperia heeft gehad ter voorbereiding van haar enquêteverzoek en maakt dat, samen met de voorafgaande kennisneming door EZ, het des te bezwaarlijker dat aan [bestuurder/CEO] niet de mogelijkheid is geboden om adequaat verweer te voeren.
Behandeling
4.47
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.47.1
Het lijkt mij een gegeven dat het voorbereiden van een enquêteverzoek ex art. 2:345 lid 1 BW van ruim 80 pagina’s met 64 producties enige voorbereidingstijd aan de zijde van Nexperia heeft gekost. Dat sprake is geweest van een “substantiële voorbereidingstijd” (PI 45) mist echter feitelijke grondslag. De relevantie van de stelling dat EZ door voorafgaande kennisneming daarvan niet is overvallen door het verzoekschrift van Nexperia zie ik ook niet. Daaruit kan in ieder geval niet a contrario worden afgeleid dat [bestuurder/CEO] (en Yuching) wél zouden zijn overvallen door het verzoekschrift. Ik wijs daartoe op het vereiste van art. 2:349 lid 1 BW.
4.47.2
Niet valt uit te sluiten dat Nexperia (en wellicht EZ) zich langer heeft (hebben) kunnen voorbereiden op de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025 dan [bestuurder/CEO] (en Yuching). Als dat al zo zou zijn, levert dat op zichzelf nog geen schending op van het beginsel van equality of arms. Het is immers vaste EHRM-rechtspraak dat equality of arms in dit verband inhoudt dat “each party must be afforded a reasonable opportunity to present his case - including his evidence - under conditions that do not place him at a substantial disadvantage vis-à-vis his opponent.”, Dit gaat dus niet zo ver dat een exact evenwicht in voorbereidingstijd tussen verschillende partijen en belanghebbenden moet worden bereikt.
4.47.3
Uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15 blijkt dat de OK binnen dit kader is gebleven.
4.47.4
Hierop stuit het subonderdeel af.
4.48
Dit bezegelt het lot van subonderdeel 1.2.
4.49
Subonderdeel 1.3
(PI 47) bevat deels een herhaling van zetten en loopt deels vooruit op onderdeel 3. De herhaling van zetten houdt in dat uit de subonderdelen 1.1 en 1.2 zou volgen dat [bestuurder/CEO] onvoldoende in de gelegenheid is gesteld verweer te voeren tegen het verzoekschrift van Nexperia en de ex parte-beschikking. Het vooruitlopen op onderdeel 3 houdt in dat voor zover de OK met de door dat onderdeel bestreden oordelen (de uitgewerkte beschikking, rov. 3.18 en 3.21) [bestuurder/CEO] heeft tegengeworpen dat hij de desbetreffende stellingen van Nexperia niet of onvoldoende heeft betwist, de OK heeft miskend dat, gelet op de buitengewone procesgang en de buitengewoon korte voorbereidingstijd, geen hoge eisen mochten worden gesteld aan de motivering van de betwisting door [bestuurder/CEO] van de stellingen van Nexperia, EZ en de OR, en redelijkerwijs niet meer van [bestuurder/CEO] kon worden verwacht dan een verweer op hoofdlijnen en, op punten, een blote ontkenning.
Behandeling
4.50
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.50.1
Voor zover het subonderdeel een herhaling van zetten bevat op basis van de subonderdelen 1.1 en 1.2 deelt het in het lot van die subonderdelen, die dus falen. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.50.2
Voor zover het subonderdeel vooruitloopt op onderdeel 3, strandt het reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag. De OK heeft immers in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.18 en 3.21 slechts enkele onderdelen genoemd op grond waarvan voorshands is geoordeeld dat sprake is van gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia als bedoeld in art. 2:349a lid 3 BW. Met dat voorlopige oordeel op die onderdelen (tegenstrijdig belang, de governance, de ontslagen van senior management en de intrekking van de bankvolmachten) heeft de OK [bestuurder/CEO] niet tegengeworpen dat hij de desbetreffende stellingen van Nexperia onvoldoende heeft betwist en heeft de OK evenmin te hoge eisen gesteld aan de motivering van de betwisting van die stellingen door [bestuurder/CEO] . Overigens faalt onderdeel 3, zoals blijkt uit de bespreking daarvan vanaf 4.85 hierna.
4.51
Daarmee is gegeven dat onderdeel 1 faalt.
Onderdeel 2
(“Oneigenlijk gebruik van enquêterecht door de Nederlandse Staat”)
4.52
Onderdeel 2 is uitgewerkt in twee subonderdelen. Subonderdeel 2.1 (PI 49-51) klaagt in de kern dat de OK blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting althans een onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd oordeel heeft gegeven door EZ als belanghebbende toe te laten in deze enquêteprocedure. Volgens subonderdeel 2.2 (PI 52-62) volgt uit de ‘doorkruisingsleer’ dat bij het optreden van EZ als belanghebbende sprake is van onaanvaardbare doorkruising van het bestuursrechtelijke kader.
4.53
Subonderdeel 2.1
neemt tot uitgangspunt dat de maatstaf voor toelating als belanghebbende van EZ is of zij zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat zij daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang of in hoeverre zij anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen. Het subonderdeel bevat in de kern twee klachten.
4.54
De eerste klacht in het subonderdeel (PI 49-50) is dat de OK ten onrechte niet aan de hand van deze maatstaf heeft beoordeeld of EZ als belanghebbende kon worden toegelaten en voor zover zij dat wel heeft gedaan, dit oordeel onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, omdat niet valt in te zien dat EZ een eigen belang heeft bij deze procedure. De vraag naar ontvankelijkheid van EZ als belanghebbende moest volgens de klacht ambtshalve door de OK worden beoordeeld. Hierbij dient volgens de klacht tot uitgangspunt dat EZ niet behoort tot de kring van partijen die krachtens wet of statuten bij de organisatie van Nexperia zijn betrokken. Volgens de klacht heeft EZ niet gesteld dat zij een eigen belang had bij de procedure en heeft EZ in haar verweerschrift volstaan met de mededeling dat zij “mede vanwege het gegeven Bevel” een belang zou hebben om in de procedure te verschijnen en kon de OK uit het bevel niet afleiden dat daarin ook een eigen belang van EZ is gelegen om in de procedure te verschijnen.
Behandeling
4.55
In zoverre faalt het subonderdeel, gelet op het volgende.
4.56
De klacht gaat uit van de juiste maatstaf voor de beoordeling of EZ belanghebbende is in de onderhavige enquêteprocedure. In de Scheipar-uitspraak van de Hoge Raad was de vraag aan de orde of een voormalig bestuurder van de vennootschap terecht door de OK was aangemerkt als belanghebbende in de zin van art. 282 lid 1 Rv in de eerste fase van de enquêteprocedure. De Hoge Raad overwoog over de toe te passen maatstaf:
“Bij de beoordeling van het onderdeel moet worden vooropgesteld dat in art. 282 lid 1 niet in het algemeen is aangegeven wie tot de belanghebbenden in de zin van deze bepaling zijn te rekenen, en dat dit uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen moet worden afgeleid (vgl. HR 25 oktober 1991, rek. nr. 7932, NJ 1992, 149). Bij de beantwoording van de vraag of iemand belanghebbende is, zal een rol spelen in hoeverre deze door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang [ook wel aangeduid als de ‘eerste kring’, A-G] of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen [ook wel aangeduid als de ‘tweede kring’, A-G].”
4.57
In het onderhavige geval kan in het midden blijven in hoeverre EZ tot de ‘eerste kring’ behoort of kan behoren, nu zij in ieder geval tot de ‘tweede kring’ van belanghebbenden behoort, ofwel: EZ is anderszins zo nauw betrokken bij het onderwerp dat in de enquêteprocedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om als belanghebbende in de procedure te verschijnen. Dat laat zich toelichten aan de hand van hetgeen EZ in haar verweerschrift heeft aangevoerd.
4.58
Volgens de klacht heeft EZ in dit verband volstaan met de stelling dat zij “mede vanwege het gegeven Bevel” als belanghebbende kan worden aangemerkt. De formulering (“mede”) doet al vermoeden dat EZ zich in het verweerschrift op dit punt niet uitsluitend op het bevel heeft gebaseerd. Dat blijkt inderdaad het geval. Zo heeft EZ in het verweerschrift verder gewezen op de gesprekken die de minister gedurende anderhalf jaar met Nexperia heeft gevoerd over een herziening van de governance, en aangevoerd dat Nexperia om onduidelijke redenen geen gevolg heeft gegeven aan concrete afspraken met de minister over een herziening van de governance. Dit onderwerp is door Nexperia ten grondslag gelegd aan haar enquêteverzoek als een gegronde reden om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia. De OK heeft het niet opvolgen van toezeggingen aan EZ om de governance van Nexperia te wijzigen, in het bijzonder ten aanzien van het instellen van een raad van commissarissen met belangrijke goedkeuringsrechten, in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19-3.21 aangemerkt als een van de redenen op grond waarvan zij voorshands van oordeel is dat gegronde redenen bestaan voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia.
4.59
Hieruit blijkt dat EZ anderszins (dus: niet als eerste kring-, wel als tweede kring-belanghebbende) zo nauw betrokken is (geweest) bij het onderwerp dat in deze enquêteprocedure wordt behandeld dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen. Dat niet valt in te zien dat EZ een eigen belang heeft bij deze procedure (de ‘eerste kring’), zoals de klacht aanvoert, kan dan ook niet tot cassatie leiden. Dat wordt niet anders als conform de Scheipar-uitspraak het doel van de enquêteprocedure mede wordt betrokken bij de vraag of EZ als belanghebbende kan worden aangemerkt. Tot de doeleinden van een enquête behoort onder meer de opening van zaken. Mede gelet op de feitelijke betrokkenheid van EZ bij de governance-afspraken met Nexperia (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 2.1, 2.7 e.v.) moet EZ worden geacht betekenisvol aan dit doel te kunnen bijdragen. In de bestreden beschikkingen is nog niet beslist over de vraag of een enquête moet worden bevolen (dat is in de eerstefasebeschikking gebeurd), maar in het kader van de vraag of onmiddellijke voorzieningen moeten worden getroffen kan de inbreng van EZ hierover eveneens relevant zijn, omdat in dat kader ex art. 2:349a lid 3 BW door de OK moet worden beoordeeld of er naar haar voorlopig oordeel gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of juiste gang van zaken bij Nexperia te twijfelen.
4.60
De klacht signaleert hier terecht dat de OK in de bestreden beschikkingen, waarin EZ in de kop consequent als belanghebbende is aangemerkt, niet kenbaar (expliciet) heeft getoetst aan de Scheipar-maatstaf. Daartoe bestond echter geen aanleiding. De klacht wijst ook niet op vindplaatsen in de gedingstukken bij de OK waaruit blijkt dat [bestuurder/CEO] het toelaten van EZ als belanghebbende heeft weersproken. De bestreden beschikkingen waarin EZ als belanghebbende is aangemerkt, laten zich aldus verstaan dat de OK - kennelijk - van oordeel is dat aan de Scheipar-maatstaf werd voldaan. De OK heeft met andere woorden al in de ex parte-beschikking, waarin EZ voor het eerst als belanghebbende is aangemerkt, getoetst of EZ aan de Scheipar-maatstaf voldoet. Het is, gelet ook op wat ik onder 4.56-4.59 hiervoor opmerkte, niet onjuist of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd dat de OK EZ als belanghebbende heeft aangemerkt. Op het moment dat Yuching de toelating van EZ als belanghebbende ter discussie is gaan stellen, heeft de OK haar oordeel dienaangaande trouwens ook (en toereikend) gemotiveerd. Hierop strandt het beroep van de klacht (PI 49) op ambtshalve beoordeling van de ontvankelijkheid van EZ als belanghebbende.
4.61
Het voorgaande wordt naar de aard niet anders door het in de klacht (PI 50) geponeerde uitgangspunt, zo al juist, dat EZ niet behoort tot de kring van partijen die krachtens wet of statuten bij de organisatie van Nexperia zijn betrokken (“vgl. art. 2:8 BW”) en door de OK als belanghebbenden worden aangemerkt. Daarbij zij bedacht dat de potentiële kring van belanghebbenden bij toepassing van de Scheipar-maatstaf niet beperkt is tot die van voornoemde partijen.
4.62
Hierop stuit de eerste klacht van het subonderdeel af. De toelating door de OK van EZ als belanghebbende tot de enquêteprocedure geeft geen blijk van miskenning van de Scheipar-maatstaf en is niet ontoereikend gemotiveerd.
4.63
De tweede klacht in het subonderdeel (PI 51) voert aan dat indien de OK op basis van het bevel, dat inhoudt dat daarmee een groot “openbaar belang” wordt gediend, heeft geoordeeld dat EZ kon opkomen voor een algemeen belang (zoals de Nederlandse en Europese economische veiligheid), dat oordeel berust op een onjuiste rechtsopvatting. Volgens de klacht miskent de OK in dat geval dat het openbaar ministerie de wettelijke taak heeft om het algemeen belang te vertegenwoordigen in een enquêteprocedure. De klacht wijst erop dat de taak om het algemeen belang binnen het rechtspersonenrecht te beschermen exclusief is toebedeeld aan het openbaar ministerie (art. 124 RO) en dat deze taak krachtens art. 2:345 lid 2, 2:349a en 2:355 lid 1 BW berust bij de advocaat-generaal bij het ressortsparket. Anderen dan de A-G bij het ressortsparket mogen volgens de klacht in enquêteprocedures niet optreden in het algemeen belang en EZ mocht dus op grond van een door haar behartigd algemeen belang niet als belanghebbende worden toegelaten tot de enquêteprocedure.
Behandeling
4.64
Ook in zoverre faalt het subonderdeel, gelet op het volgende.
4.65
Op grond van art. 124 RO is het openbaar ministerie belast met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en met andere bij de wet vastgestelde taken. Een van deze andere bij de wet vastgestelde taken is de civielrechtelijke bevoegdheid van het openbaar ministerie - de advocaat-generaal bij het ressortsparket (gerechtshof Amsterdam) - om een verzoek te doen tot het instellen van een enquête als bedoeld in art. 2:345 lid 1 BW om redenen van openbaar belang (art. 2:345 lid 2 BW). Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat deze wettelijke clausulering van de bevoegdheid van de A-G bij het ressortsparket (“om redenen van openbaar belang”) is toegevoegd om te benadrukken dat deze bevoegdheid niet is gegeven “om zuiver particuliere belangen te dienen”. Dit vormde een reactie op het rapport van de commissie-Verdam waarin een ruimere bevoegdheid voor de A-G bij het ressortsparket (toen nog geheten procureur-generaal bij het gerechtshof te Amsterdam) tot het doen van een enquêteverzoek werd voorgesteld, namelijk niet alleen “wanneer de openbare orde en het algemene belang een zodanig onderzoek eisen”, maar ook in gevallen waarin wordt opgetreden “op verzoek van personen, die niet zó nauw bij de gang van zaken in de onderneming zijn betrokken, dat hun een eigen bevoegdheid tot het uitlokken van een onderzoek kan worden toegekend”. Het gevolg van de wettelijke clausulering is dat een betrokkene die zelf op de voet van art. 2:346 en 2:347 BW geen toegang heeft tot het enquêterecht zich alleen dan (succesvol) tot de A-G bij het ressortsparket kan wenden als het openbaar belang in het geding is.
4.66
In het onderhavige geval is geen sprake van een enquête om redenen van openbaar belang. Het enquêteverzoek is niet ingediend door de A-G bij het ressortsparket (op de voet van art. 2:345 lid 2 BW), maar door Nexperia (de rechtspersoon als bedoeld in art. 2:344 BW in de zin van art. 2:346 lid 1, aanhef en onder d BW). Dit betekent voor de onderhavige procedure uiteraard niet dat het openbaar belang hier geen enkele rol kan spelen, en evenmin dat als het openbaar belang wel mede in het geding is het openbaar ministerie exclusief is aangewezen als de hoeder van dat openbaar belang. De bevoegdheid om een enquêteverzoek om redenen van openbaar belang in te dienen, berust exclusief bij de A-G bij het ressortsparket. Voor de vraag wie belanghebbende is, geldt als gezegd de Scheipar-maatstaf. Art. 124 RO en art. 2:345 lid 2 BW brengen geen beperking aan op de toepassing van deze maatstaf, in de zin, kort gezegd, dat slechts de A-G bij het ressortsparket hoeder van het algemeen belang in een enquêteprocedure kan zijn en andere onderdelen van de Staat of andere overheidsinstanties per definitie geen belanghebbende in de zin van de Scheipar-maatstaf kunnen zijn. Aan art. 2:349a en 2:355 BW komt in dit verband geen betekenis toe. Deze bepalingen bevatten ook geen bevoegdheden die slechts zouden toekomen aan de A-G bij het ressortsparket als bedoeld in art. 2:345 lid 2 BW.
4.67
Het enquêterecht bevat in art. 2:345 lid 2 en 2:346-347 BW een limitatief bedoelde opsomming van degenen die bevoegd zijn tot het indienen van een enquêteverzoek als bedoeld in art. 2:345 lid 1 BW. De vraag wie als belanghebbende in het enquêterecht kan worden aangemerkt, is echter niet zoals de kring van enquêtegerechtigden in art. 2:345 lid 2 en 2:346-347 BW bewust zo nauwkeurig mogelijk in de wet afgebakend, maar maatwerk via de open geformuleerde Scheipar-maatstaf, aan de hand van welke maatstaf de kring van belanghebbenden ruimer wordt getrokken dan de enquêtegerechtigden in art. 2:345 lid 2 en 2:346-347 BW. Dat de enquêtegerechtigden nauwkeurig in de wet zijn afgebakend en de belanghebbenden niet, laat zich mede verklaren doordat het indienen van een enquêteverzoek “een zeer bijzondere bevoegdheid [is], welke, indien verkeerd toegepast, voor de vennootschap uiterst nadelige gevolgen kan hebben”. Een belanghebbende die niet enquêtegerechtigd is, heeft in een reeds geëntameerde enquêteprocedure de bevoegdheid om zijn of haar standpunt kenbaar te maken tijdens de mondelinge behandeling waarvoor belanghebbenden eveneens moeten worden opgeroepen (art. 279 Rv) en bij verweerschrift (art. 282 lid 1 Rv), welk verweerschrift overigens wel op de voet van art. 282 lid 4 Rv een zelfstandig verzoek - ook wel tegenverzoek - kan bevatten, waaronder in beginsel ook een verzoek tot het treffen van een onmiddellijke voorziening als bedoeld in art. 2:349a BW valt. Een belanghebbende die zelf niet enquêtegerechtigd is, heeft deze procesrechtelijke bevoegdheden, die met waarborgen zijn omkleed, dus pas nadat (al dan niet om redenen van openbaar belang) bevoegd een enquêteverzoek is ingediend.
4.68
Ik geef een voorbeeld van het voorgaande uit de OK-rechtspraak. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (thans Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd) was een onderdeel van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en daarmee van de Staat. Deze overheidsinstantie had bij verweerschrift in een enquêteprocedure met betrekking tot een stichting die diensten verleende aan oudere doven verzocht om een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van de stichting en om het treffen van onmiddellijke voorzieningen. In eerstbedoeld verzoek werd zij door de OK niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij niet enquêtegerechtigd als bedoeld in art. 2:345 lid 2 en 2:346-347 BW was. Er was in deze zaak al een enquêteverzoek ingediend door een (wel) enquêtegerechtigde. Als dat niet het geval was geweest, had de toezichthouder zich nog slechts kunnen wenden tot de A-G bij het ressortsparket om op de voet van art. 2:345 lid 2 BW een enquête in het openbaar belang te bewerkstelligen. De toezichthouder werd door de OK op grond van de Scheipar-maatstaf wel als tweede kring-belanghebbende aangemerkt en kon dus worden ontvangen in het verzoek op de voet van art. 282 lid 4 Rv in verbinding met art. 2:349a BW tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen.
4.69
Het was in deze zaak dus, evenals in de onderhavige zaak, niet direct nodig dat de A-G bij het ressortsparket een enquêteverzoek indiende. Dit voorbeeld uit de OK-rechtspraak toont verder dat bij niet-financiële instellingen (zoals de desbetreffende stichting, maar ook Nexperia), waarvoor de wettelijke regeling van het enquêterecht geen specifieke bepalingen bevat zoals art. 2:348 BW (afschrift van het verzoekschrift tot het instellen van een onderzoek voor de toezichthouder) en art. 2:355 lid 4 BW (hoorrecht voor de toezichthouder in de tweede fase van de enquêteprocedure), niet specifiek in deze wettelijke bepalingen genoemde onderdelen van de overheid eveneens als belanghebbende kunnen worden aangemerkt als de desbetreffende overheidsinstantie voldoet aan de Scheipar-maatstaf, zoals in dit voorbeeld het geval was bij de toenmalige Inspectie voor de Gezondheidszorg en in de onderhavige zaak het geval is bij EZ. Het behoeft geen betoog dat een dergelijke overheidsinstantie in beginsel - dus ook als belanghebbende in het enquêterecht - handelt ter uitvoering van haar publieke taak, in de terminologie van art. 2:345 lid 2 BW: “om redenen van openbaar belang”. Dát is echter niet het criterium om te bepalen of de desbetreffende overheidsinstantie is aan te merken als een belanghebbende in een enquêteprocedure. Dat moet immers worden bepaald aan de hand van de Scheipar-maatstaf. Zie ook mijn bespreking van de eerste klacht in het subonderdeel, onder 4.55-4.62 hiervoor.
4.70
Ten slotte het beroep van de klacht op een OK-beschikking inzake Fortis. In deze enquêteprocedure is een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Fortis N.V. De Staat is in deze zaak juist toegelaten als belanghebbende in de eerste fase van de enquêteprocedure. In de beschikking waaruit de klacht citeert, gaat het echter om een ander - beperkter - belanghebbendebegrip, namelijk of de Staat als belanghebbende in de zin van art. 2:353 lid 2 BW de bijlagen bij het onderzoekverslag, waarvoor de OK bij beschikking van 10 juni 2010 had bepaald dat die niet voor een ieder ter inzage liggen maar slechts voor ‘belanghebbenden’, mag inzien. In de beschikking van 25 augustus 2010 oordeelde de OK dat de Staat (die aan de hand van de Scheipar-maatstaf was toegelaten als belanghebbende als bedoeld in art. 279 lid 1 en 282 lid 1 Rv) niet als belanghebbende in deze engere zin kan worden aangemerkt. De klacht beroept zich specifiek op de volgende overweging uit de beschikking van 25 augustus 2010:
“Ook indien, zoals de Staat stelt, hij zich “vanuit zijn verantwoordelijkheid voor het algemeen belang en het Nederlandse financiële systeem als geheel” geroepen voelde tot deze verwerving, is de Staat daarmee nog geen belanghebbende als bedoeld in het dictum van de beschikking van 16 juni 2010.”
Nog daargelaten dat deze overweging dus niet in de sleutel staat van het belanghebbendebegrip volgens de Scheipar-maatstaf, geldt volgens mij evenzeer voor laatstgenoemd belanghebbendebegrip (dus als bedoeld in art. 279 lid 1 en 282 lid 1 Rv) dat een dergelijk algemeen belang zonder meer niet voldoende zou zijn voor toelating als belanghebbende. Daarvoor moet immers worden voldaan aan de Scheipar-maatstaf. Kortom, ook het beroep op de OK-beschikking inzake Fortis kan [bestuurder/CEO] niet baten.
4.71
Hierop stuit de tweede klacht van het subonderdeel af. De toelating van EZ als belanghebbende tot de enquêteprocedure ‘bijt’ niet met de enquêterechtelijke bevoegdheden van de A-G bij het ressortsparket “in het openbaar belang”. De klacht faalt overigens al bij gebrek aan feitelijke grondslag voor zover die tot uitgangspunt neemt dat de OK op basis van het bevel, dat inhoudt dat daarmee een groot “openbaar belang” wordt gediend, heeft geoordeeld dat EZ als belanghebbende kon worden toegelaten tot de enquêteprocedure (zie onder 4.58-4.59 hiervoor).
4.72
Daarmee is subonderdeel 2.1 van tafel.
4.73
Subonderdeel 2.2
beroept zich op de zogenoemde doorkruisingsrechtspraak. De klacht houdt in dat de OK door EZ aan te merken als belanghebbende en betekenis toe te kennen aan hetgeen EZ als belanghebbende in de enquêteprocedure heeft gesteld, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting in het licht van deze rechtspraak (PI 52). Deze algemene rechtsklacht is uitgewerkt in twee subklachten (PI 53-62), die zich lenen voor gezamenlijke bespreking.
Behandeling
4.74
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.75
Het beroep op de zogenoemde doorkruisingsrechtspraak ligt op zichzelf in het logische verlengde van subonderdeel 2.1. Over de vraag wanneer sprake is van een onaanvaardbare doorkruising van een publiekrechtelijke regeling heeft A-G Snijders vrij recent het volgende opgemerkt:
“3.3 De overheid is rechtssubject in het privaatrecht en kan dus gebruikmaken van privaatrechtrechtelijke bevoegdheden. Dat geldt uiteraard ook als de overheid met die bevoegdheden publieke belangen wil dienen. De overheid handelt immers altijd ter uitoefening van haar publieke taak, ook in het privaatrecht. Het gebruik van privaatrechtelijke bevoegdheden voor de behartiging van publieke belangen is de overheid dan ook toegestaan.
Dat is anders als de wet het gebruik van die bevoegdheden uitsluit of dat gebruik een onaanvaardbare doorkruising vormt van het relevante publiekrecht. Onder het eerste geval - van een wettelijke uitsluiting - valt zowel een uitdrukkelijk wettelijk verbod, als een wettelijke regeling die een impliciet verbod bevat, welk verbod eventueel uit de regeling als geheel valt af te leiden, mede gelet op de aard of inhoud ervan.
3.4
Dat het gebruik van het privaatrecht ook is uitgesloten als dat gebruik een onaanvaardbare doorkruising vormt van het relevante publiekrecht, is voor het eerst uitgesproken in het (…) Windmill-arrest (…). Over het met dat arrest in het leven geroepen leerstuk van de onaanvaardbare doorkruising zijn inmiddels vele arresten gewezen. Die wijzen erop dat het bij dit leerstuk in feite gaat om een variant van een van de regels van samenloop, namelijk die van de exclusiviteit. Volgens de regels van samenloop is een regel of bevoegdheid onder meer exclusief van toepassing te achten als de toepasselijkheid van andere - in beginsel ook van toepassing zijnde - regels of bevoegdheden tot onaanvaardbare resultaten zou leiden. Die onaanvaardbaarheid zal allereerst moeten worden bepaald aan de hand van onder meer het doel, de strekking, de achtergrond en bijzondere waarborgen van de aan de orde zijnde regels of bevoegdheden: vraagt de desbetreffende regel of bevoegdheid in de betrokken gevallen om exclusiviteit of brengt deze in de betrokken gevallen exclusiviteit mee? Ook de criteria van het Windmill-arrest - die onmiskenbaar slechts gezichtspunten voor rechtsvinding zijn en geen rechtsregels, waarvoor ze soms wel worden aangezien - komen daarop neer, blijkens de rechtspraak. De beantwoording van genoemde vraag is - evenals de beantwoording van de vraag of sprake is van een wettelijk verbod op het gebruik van privaatrecht - uiteindelijk een kwestie van wetsuitleg. (…).”
4.76
Eerst iets over het relevante publiekrecht in de onderhavige zaak. Het bevel is gegeven op grond van de Wbg. De Wbg bevat bestuursrechtelijke (art. 8, last onder dwangsom) en strafrechtelijke (art. 9, strafbaarstelling) sanctioneringsmechanismen in verband met de naleving van het bevel. Zoals de naam van de wet al doet vermoeden, gaat het in de Wbg om het beschikbaar blijven van goederen. In de wetsgeschiedenis van de Wbg is met betrekking tot het nemen van maatregelen tegen overtreding van een bevel het volgende opgemerkt:
“Bij overtreding van een bevel, dat bij of krachtens artikel 2 is gegeven, zal de eerste zorg van de Regering zijn de goederen terug te brengen in de vereiste toestand. Vóórdat tot een strafrechtelijke opsporing wordt overgegaan of tegelijk daarmede, zal het goed met behulp van de overtreder in de vereiste hoedanigheid moeten worden teruggebracht.”
4.77
De tekst van de Wbg en de wetsgeschiedenis ervan gaan niet expliciet in op het gebruik van privaatrechtelijke bevoegdheden ten aanzien van een bevel. Uit de wetgeschiedenis maak ik op dat eerst en vooral moet worden voorkomen dat goederen waarop een bevel betrekking heeft, ‘verdwijnen’ (preventie), en dat voor zover dat toch is gebeurd die goederen moeten worden ‘teruggebracht’ (herstel). Indien het gebruik van privaatrechtelijke bevoegdheden kan bijdragen aan het beschikbaar blijven van de goederen (preventie) lijkt op basis van wetsuitleg dan ook niet snel sprake te zijn van onaanvaardbare doorkruising. In PI 57 wordt er terecht op gewezen dat bestuursrechtelijke maatregelen die gericht zijn op herstel slechts in beperkte mate preventief kunnen worden gebruikt. Zo volgt uit art. 5:7 Awb dat een herstelsanctie kan worden opgelegd “zodra het gevaar voor de overtreding klaarblijkelijk dreigt”. In PI 58 wordt er eveneens terecht op gewezen dat uit de stellingen van EZ blijkt dat een dergelijke situatie zich niet voordeed. Anders dan in PI 56 en 58 wordt opgemerkt, heeft EZ wel meer gesteld dan dat “niet zeker” is dat het bevel zal worden nageleefd. Zo heeft EZ in haar verweerschrift opgemerkt dat “[z]onder ingrijpen van uw Ondernemingskamer de ontstane machtsstrijd tussen de bestuurder/aandeelhouder en andere bestuurder (zie in het bijzonder bijlagen 062 en 063 bij het verzoekschrift) [zal] oplaaien en vermoedelijk [zal] leiden tot gevallen van niet-naleving van het Bevel (…)” [cursivering toegevoegd, A-G]. Er was dus in dit geval in het publiekrecht (bestuursrecht en strafrecht) geen mogelijkheid een preventieve maatregel op te leggen ter bevordering van de naleving het bevel. Het privaatrecht (enquêterecht) werd, anders gezegd, gebruikt ter aanvulling op een in het publiekrecht ontbrekende regeling, zodat een leemte aldus werd opgevuld. Of nog weer anders gezegd: met het publiekrechtrechtelijke instrumentarium (gericht op herstel) kon niet een vergelijkbaar resultaat worden bereikt als met het enquêterechtelijke instrumentarium (preventie). Van een (onaanvaardbare) doorkruising van het publiekrecht was aldus geen sprake.
4.78
Hier komt nog bij dat het subonderdeel ten onrechte (onder meer in PI 56 en 58) tot uitgangspunt neemt dat het optreden van EZ als belanghebbende in de enquêteprocedure enkel is gericht op het bevorderen van de naleving van het bevel. Onder 4.58-4.59 hiervoor kwam al aan de orde dat het optreden van EZ als belanghebbende mede is ingegeven door het bevel en dat EZ ook los van het bevel zo nauw is betrokken bij een van de onderwerpen die in de enquêteprocedure worden behandeld (de afspraken met EZ over herziening van de governance van Nexperia) dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen. Hierop stuit het beroep op de doorkruisingsrechtspraak ook reeds af.
4.79
Dan nog iets over het gebruik van privaatrechtelijke bevoegdheden door de overheid waarop de doorkruisingsrechtspraak ziet. In de Windmill-uitspraak heeft de Hoge Raad die bevoegdheden van de overheid omschreven als:
“in beginsel krachtens het privaatrecht toekomende bevoegdheden, zoals aan het eigendomsrecht ontleende bevoegdheden, de bevoegdheid overeenkomsten naar burgerlijk recht te sluiten of de bevoegdheid een vordering op grond van een jegens haar gepleegde onrechtmatige daad bij de burgerlijke rechter in te stellen.”
Het subonderdeel neemt tot uitgangspunt dat het optreden door EZ als belanghebbende en “het verzoek om toewijzing van verzochte voorlopige voorzieningen” (PI 53) ofwel “te verzoeken om toewijzing van de verzochte onmiddellijke voorzieningen” (PI 62) een dergelijke privaatrechtelijke bevoegdheid betreft. Hiermee wordt miskend dat EZ geen zelfstandig verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen (art. 282 lid 4 Rv in verbinding met art. 2:349a BW) heeft gedaan. Zij heeft aldus geen enquêterechtelijke (privaatrechtelijke) bevoegdheden gebruikt, maar slechts de procesrechtelijke bevoegdheden van een belanghebbende in een enquêteprocedure (zie ook PI 52). Hierop loopt het beroep op de doorkruisingsrechtspraak ook spaak.
4.80
Het subonderdeel strandt verder nog op de volgende klip. In PI 53 wordt tot uitgangspunt genomen dat de OK op basis van het verweer van [bestuurder/CEO] en Yuching althans ambtshalve had moeten onderzoeken en beoordelen of sprake was van een onaanvaardbare doorkruising van het publiekrechtelijke handhavingskader.
4.81
Op de desbetreffende passage uit de spreekaantekeningen van Yuching ben ik ingegaan in mijn conclusie van vandaag in de zaak 25/04297 (Yuching), zie onder 4.82-4.84 aldaar. In de desbetreffende randnummers van de spreekaantekeningen van [bestuurder/CEO] staat het volgende:
“26. Met andere woorden: het Ministerie, of enige andere derde, bepaalt dus niet de koers van de onderneming en is ook niet belast met het bestuur, maar dat is wel precies wat het Ministerie thans met het Bevel de facto doet. Zij bevriest in een keer, zonder grondslag, de volledige bedrijfsvoering en beperkt het bestuur op een zodanige wijze dat de onderneming in feite vleugellam is gemaakt. Dat is ongekend voor Nederland. Dit zou men enkel in dictatoriale regimes verwachten. Het druist in ieder geval in tegen de autonomie van ondernemingen en hun bestuur. Dit terwijl [bestuurder/CEO] heeft bewezen dat de strategie van Nexperia juist zeer goed is, reden waarom zij ook een belangrijke positie in de halfgeleidersbranche heeft vergaard.
(…)103. Uit alles blijkt dat de nieuwe regelgeving uit de VS de werkelijke aanleiding is voor de handelwijze van Nexperia en de Nederlandse Staat. Louter externe en geopolitieke factoren dus, die niet aan [bestuurder/CEO] zijn te weten. Ook het Bevel van de Minister EZ is daarop gebaseerd. Dit Bevel - en daarmee de Wet beschikbaar goederen (“Wbg”) - is er echter bij de haren bijgetrokken.
104. De Wbg is ooit na WO II ingevoerd zodat de Staat (Ministers) in buitengewone omstandigheden maatregelen (kunnen) treffen ingeval van (dreiging van) een oorlogstoestand of -gevaar. Tegenwoordig zijn de termen als ‘oorlog’ en ‘buitengewone omstandigheden’ uit de formulering van de Wbg gehaald, maar deze achtergrond geeft de uitzonderlijke aard van deze wet aan.
105. De huidige tekst spreekt [van] de noodzaak van een maatregel ter verzekering van het beschikbaar blijven van goederen ter voorbereiding op noodsituaties. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat sprake moet zijn van de “voorbereiding op crises”, waaronder “situaties van schaarste”. Daarbij is evenwel vereist dat het treffen van een maatregel noodzakelijk is ter voorbereiding op zo een crisis, waarbij ook de beginselen van proportionaliteit en geschiktheid relevant zijn. Het is dus in beginsel mogelijk dat de Minister een maatregel treft voordat het risico rondom beschikbaarheid zich voordoet, maar dan moet wel überhaupt sprake zijn van een voldoende concreet en actueel risico op onbeschikbaarheid. Dat is niet het geval.
106. De aanleiding voor het Bevel is ook helemaal niet gelegen in een vermeende schaarste in de halfgeleiders die Nexperia produceert. Dit Bevel is puur en alleen genomen door de Minister om [bestuurder/CEO] als bestuurder en (indirect) aandeelhouder uit zijn functie te ontheffen. Dat erkent de Minister overigens zelf ook. Ook het Verzoekschrift benadrukt herhaaldelijk dat het vervangen van de CEO het doel is (geweest). Van een concrete of actuele dreiging op schaarste, ter voorbereiding waarop het Bevel noodzakelijk zou zijn, is helemaal geen sprake.
107. Dat blijkt alleen al uit de timing van het Bevel. Het bevel is genomen op 30 september 2025. Precies op de dag dat de 50%-rule in werking trad. Klaarblijkelijk bestond er hiervoor ook geen aanleiding om dergelijke vergaande maatregelen te treffen. Er waren ook nog gesprekken gaande over governance herzieningen. Op de dag dat de 50%-rule in werking trad, is echter plotseling (en pas voor het eerst) sprake van een dreiging op een crisis vanwege schaarste aan halfgeleiders en wordt op diezelfde dag een verstrekkend overheidsbevel uitgevaardigd.
108. Bovendien zit de productie van de halfgeleiders al sinds (…) jaar en dag buiten Nederland en buiten Europa. Daarin is niets veranderd. Alleen de front-end diensten bevinden zich binnen Europa. Van een vermeende verplaatsing van productiecapaciteiten naar buiten de EU - zoals de Minister bloot stelt - kan dan ook geen sprake zijn. De Minister maakt dan ook oneigenlijk gebruik en zelfs misbruik van zijn bevoegdheid door het Bevel op te leggen voor een ander doel dan waarvoor het is toegestaan: namelijk het uitdrijven van de CEO.
109. Desondanks legt de Minister een vergaand en veelomvattend bevel op aan Nexperia. De Minister beveelt Nexperia om 31 vestigingen noch de productiemiddelen en activiteiten daar niet te verplaatsen. Het overgrote deel van deze 31 vestigingen bevindt zich bovendien buiten Nederland én buiten de EU, zoals in India of zelfs China. Ook mag Nexperia geen verandering aanbrengen in de IE-rechten en alle (on)roerende zaken. Dit alles voor de duur van een jaar.
110. De houdbaarheid van het Bevel zelf ligt niet voor in deze procedure. Maar het feit dat het Bevel er ligt, laat zien dat Nexperia geen belang heeft bij deze procedure bij de OK. Als het Nexperia en de Minister inderdaad te doen is om de beschikbaarheid van de halfgeleiders van Nexperia, is dat doel nu al bereikt. Er is daar bovenop geen reden meer om [bestuurder/CEO] óók nog als bestuurder van Nexperia te schorsen omdat wordt gevreesd dat anders niet aan het Bevel zou worden [vol]daan. Dat is nergens op gebaseerd en is dus uit de lucht ge[grep]en.
(…)
136. In het Verzoekschrift zoekt men tevens tevergeefs naar de klassieke bezwaren die in overige enquêteprocedures naar voren komen. Niet gesteld wordt bijvoorbeeld dat sprake zou zijn van conflicten tussen (de leden van) de organen van gerekwestreerden, of het niet in acht nemen van (…) de tussen hen geldende regels en zorgplichten. Voor zover de organen van Nexperia, in het bijzonder [bestuurder/CEO] als een van de bestuurders, al onjuiste beslissingen zouden hebben genomen, bestond omtrent die beslissingen indertijd geen onenigheid binnen of tussen (de leden van) de organen van gerekwestreerden.
137. In plaats van dit alles proberen Verzoeksters de Ondernemingskamer te verleiden om een nieuw pad in te slaan. Buiten de organisatie van de rechtspersoon opererende mogendheden, zoals de VS, spelen daarbij kennelijk een sleutelrol.
138. In het enquêterecht staat echter de ondernemer centraal, meer specifiek de Nederlandse ondernemer, die opereert binnen een Nederlandse context. Deze benadering is nog steeds actueel, bijvoorbeeld gezien het gebruik van de term “elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap” bij de vaststelling van eventueel wanbeleid. Het gaat in de enquêteprocedure niet om het aan de orde stellen van geopolitieke impact op de bedrijfsvoering. Het dient in een enquêteprocedure, als de onderhavige, enkel om de vraag of Nexperia, de rechtspersoon waartegen het enquêteverzoek is ingediend, haar verantwoordelijkheid neemt jegens kapitaalverschaffers en werknemers. Dit komt ook tot uitdrukking in de KPNQwest-II-beschikking waarin met zoveel woorden is geoordeeld dat (…) algemene belangen en belangen van derden geen toewijzing van een enquêteverzoek kunnen rechtvaardigen, dus ook geen belang van de Nederlandse Staat (of het Ministerie).
139. Algemene belangen en belangen van derden, zelfs die van Europa, spelen echter wel een centrale rol in het onderhavige Verzoek. Verzoeksters en ook het Ministerie willen in feite niets meer of minder dan een wit voetje halen bij de VS. Maar dat rechtvaardigt geen enquêteverzoek, noch de genomen onmiddellijke voorzieningen.
(…)
141. Uit het Verzoekschrift blijkt dat de Verzoekster de enquête inzetten als een soort van doublure van reeds getroffen maatregelen (zie het Bevel) en het Bti onderzoek. Daartoe bestaat geen aanleiding.”
4.82
Het lijkt mij al niet onbegrijpelijk dat de OK, de feitenrechter aan wie de uitleg van de gedingstukken is voorbehouden, hierin geen beroep op de doorkruisingsrechtspraak heeft gelezen. Een “soort van doublure van reeds getroffen maatregelen”, waaronder het bevel, is immers nog geen onaanvaardbare doorkruising van het relevante publiekrecht. Voor zover wel aanleiding bestond de rechtsgronden op dit punt ex art. 25 Rv aan te vullen, bieden deze stellingen bovendien geen enkel feitelijk aanknopingspunt voor toewijzing van het (alsdan) beroep op de doorkruisingsrechtspraak. Het subonderdeel neemt op zichzelf terecht tot uitgangspunt dat de OK ambtshalve de ontvankelijkheid van een belanghebbende moet beoordelen. Onder 4.60 hiervoor kwam aan de orde dat de OK al in de ex parte-beschikking heeft beoordeeld of EZ kan worden toegelaten als belanghebbende. Voor zover de OK bij die beoordeling ambtshalve de doorkruisingsrechtspraak had moeten betrekken (waarom sprake zou zijn van een kwestie van openbaar belang wordt overigens niet verder onderbouwd met vindplaatsen), stuit dat ook af op hetgeen ik opmerkte onder 4.75-4.78 hiervoor.
4.83
Dit een en ander betekent reeds dat subonderdeel 2.2 op verschillende gronden niet tot cassatie kan leiden. Het subonderdeel behoeft geen verdere bespreking.
4.84
Daarmee is gegeven dat onderdeel 2 faalt.
Onderdeel 3
(“Rechts- en motiveringsklachten over de (feitelijke) grondslagen van de getroffen voorzieningen”)
4.85
Onderdeel 3 bestrijdt de verschillende gronden waarop de OK in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.17-3.21 het voorlopige oordeel dat sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia heeft gebaseerd. Het onderdeel bevat twee subonderdelen (PI 63). Subonderdeel 3.1 (PI 64-74) bevat rechts- en motiveringsklachten over de wijze waarop de OK de rechtsregels over tegenstrijdig belang die zijn uiteengezet in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.17 toepast in rov. 3.18 van die beschikking. Subonderdeel 3.2 (PI 75-89) is met rechts- en motiveringsklachten gericht tegen de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19-3.20, waarin de OK naar voorlopig oordeel het niet opvolgen van toezeggingen aan de Staat om de governance van Nexperia te wijzigen als gegronde reden om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia heeft aangemerkt; en bevat motiveringsklachten gericht tegen de uitgewerkte beschikking, rov. 3.21, waarin de OK het voorlopige oordeel om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia heeft gegrond op overige omstandigheden.
4.86
Ik begin met enkele inleidende opmerkingen. Onder 4.87 hierna keer ik terug naar de klachten, te beginnen met subonderdeel 3.1.
4.86.1
Op grond van art. 2:349a lid 3, eerste zin BW wordt, in geval nog geen onderzoek is gelast, een onmiddellijke voorziening slechts getroffen indien er naar het voorlopig oordeel van de OK gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen. Het laatste gedeelte van dit vereiste, gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen, is ontleend aan het wettelijke criterium voor toewijzing van het enquêteverzoek (art. 2:350 lid 1 BW). Het oordeel in de zin van art. 2:350 lid 1 BW dat blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen, is een voorlopig oordeel. In art. 2:349a lid 3, eerste zin BW is dus sprake van een voorlopig oordeel over een voorlopig oordeel. De ratio hiervan is dat bij de beslissing over het treffen van onmiddellijke voorzieningen in geval nog geen onderzoek is gelast de toets van art. 2:350 lid 1 BW niet geheel wordt losgelaten. Een voorlopig oordeel over het criterium van art. 2:350 lid 1 BW (dat sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid of juiste gang van zaken) werd vóór de invoering van art. 2:349a lid 3 BW per 1 januari 2013 voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen voordat op het verzoek tot het instellen van het onderzoek was beslist, al vereist in de DSM-uitspraak van de Hoge Raad uit 2007. De codificatie van dit punt in art. 2:349a lid 3 BW betrof met andere woorden een “verduidelijking”.
4.86.2
In het kader van de invoering van art. 2:349a lid 3 BW is in de wetsgeschiedenis ook de vraag gesteld op basis waarvan de OK tot het desbetreffende voorlopige oordeel kan komen in het geval de OK het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen behandelt voordat het enquêteverzoek inhoudelijk wordt behandeld (en er in dat stadium dus nog niet wordt getoetst aan art. 2:350 lid 1 BW). Hierop is niet een glashelder antwoord gegeven. Uit de DSM-uitspraak blijkt dat deze voorlopige beoordeling “aan de hand van een beperkt partijdebat” plaatsvindt. Om meer licht op deze vraag te werpen, ga ik nader in op de beoordeling of sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid of juiste gang van zaken in de zin van art. 2:350 lid 1 BW. Nog altijd lezenswaardig is wat A-G Van Soest hierover ruim vijftig jaar geleden heeft geschreven, in zijn conclusie voor de HVA-uitspraak van de Hoge Raad:
“De wettelijke eis voor het bevelen van een enqu[ê]te is derhalve in twee opzichten lichter dan voor het treffen van voorzieningen [als bedoeld in thans art. 2:356 BW waarvoor op grond van art. 2:355 lid 1 BW is vereist dat uit het onderzoeksverslag is gebleken van wanbeleid, A-G]:
a. het verkeerde beleid behoeft niet gebleken te zijn; vereist is slechts gegronde twijfel daaromtrent;
b. het gaat om niet meer dan verkeerd beleid; voor het treffen van voorzieningen moet het beleid in zeer ernstige mate verkeerd zijn.
Ad a. Het is mogelijk de eis, dat ‘blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen’ zeer licht op te vatten (…) Het aldus nagenoeg weggeredeneerde vereiste kan in (…) [thans art. 2:350 lid 1 BW, A-G] niet bedoeld zijn, aangezien het enqu[ê]tes onder alle omstandigheden in alle vennootschappen mogelijk zou maken. Veeleer moet men aannemen, dat ‘gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen’ zijn: feiten die tezamen een behoorlijke kans inhouden, dat het beleid bij nader onderzoek onjuist blijkt.
Deze feiten moeten ‘blijken’ (verg. de MvT, blz. 13, linkerkolom, 4e al.: ‘de verzoekers behoeven niet te bewijzen dat het ondernemersbeleid faalt, doch dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan de juistheid van het beleid’), d.w.z. ‘de rechter (moeten) zodanige gronden voor zekerheid (verschaft worden), als hij behoeft, om de aan die feiten door het recht verbonden rechtsgevolgen toe te wijzen’ (Asser-Anema-Verdam, 5e druk, 1953, blz. 35 v.; Veegens-Wiersma, Het nieuwe bewijsrecht in burgerlijke zaken I, 1973, blz. 47). De rechter moet dus de overtuiging krijgen, dat er een behoorlijke kans bestaat, dat een enqu[ê]te een onjuist beleid uitwijst. De vraag, of hij in een concrete situatie deze overtuiging al dan niet gekregen heeft, is een feitelijke vraag waarop het antwoord zich bezwaarlijk leent voor toetsing in cassatie. (…).”
4.86.3
Het voorlopige oordeel als bedoeld in art. 2:349a lid 3, eerste zin BW is tegen deze achtergrond, en ook gelet op de plaats van deze bepaling in de wet, te beschouwen als een tussenstap in de eerste fase van de enquêteprocedure tussen de (subjectieve) bezwaren tegen het beleid of de gang van zaken als bedoeld in art. 2:349 lid 1 BW en de (objectieve) blijk van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid of een juiste gang van zaken als bedoeld in art. 2:350 lid 1 BW. Het voorlopige oordeel van art. 2:349a lid 3, eerste zin BW moet worden afgeleid uit de op dat moment beschikbare gegevens. Dat zijn ten tijde van de uitgewerkte beschikking met name het verzoekschrift van Nexperia (met producties), de verweerschriften van belanghebbenden onder wie Yuching (met producties) en de spreekaantekeningen en uitingen van de rechtspersoon en belanghebbenden op de mondelinge behandeling, onder wie ook [bestuurder/CEO] . Dit roept vervolgens de vraag op hoe de OK de voor dat voorlopige oordeel relevante feiten en omstandigheden uit die beschikbare gegevens moet afleiden, of specifieker: in hoeverre de OK daarbij gebonden is aan de wettelijke bewijsregels van art. 149 e.v. Rv (afdeling 9 Titel 2 Rv). In de literatuur wordt aangenomen dat de OK in de eerste fase van de enquêteprocedure, waaronder bij de behandeling van een verzoek om onmiddellijke voorzieningen te treffen, gelet op het spoedeisende karakter, niet hoeft in te gaan op een aanbod tot leveren van (tegen)bewijs, een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor of een inzageverzoek ex art. 194 e.v. Rv. Art. 284 lid 1 Rv, op grond waarvan afdeling 9 Titel 2 Rv van overeenkomstige toepassing is op verzoekschriftprocedures (zoals de enquêteprocedure) tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet, biedt hiervoor ruimte. Voor de tweede fase van de enquêteprocedure heeft de Hoge Raad al eens beslist dat de aard van de zaak meebrengt dat een uitzondering moet worden gemaakt op de hoofdregel van art. 284 lid 1 Rv.
4.86.4
Een verwante kwestie is in hoeverre de OK in het kader van de voorlopige beoordeling ex art. 2:349a lid 3 BW is gebonden aan de regels van stelplicht en bewijslast. Boonekamp schrijft met betrekking tot de kortgedingprocedure onder het opschrift “fundamenteel andere benadering dan via stelplicht en bewijslast” onder meer het volgende:
“De aard en de functie van het kort geding brengen met zich dat de beoordeling fundamenteel anders plaatsvindt dan via toepassing van de regels van stelplicht en bewijslast. Er zal steeds moeten worden beslist aan de hand van een beoordeling van hetgeen door beide partijen naar voren is gebracht en (summierlijk) met bewijsmateriaal is onderbouwd. In kort gedingen strekkende tot opheffing van een conservatoir beslag is dit herhaaldelijk met zoveel woorden door de Hoge Raad uitgesproken, maar het moet worden beschouwd als een algemene norm die voor elk kort geding geldt. (…) Bepalend in kort geding is steeds of feiten die relevant zijn voor de toewijsbaarheid van het gevorderde voldoende aannemelijk zijn geworden op grond van hetgeen beide partijen naar voren hebben gebracht en met bewijsmateriaal onderbouwd. De vraag onder welke omstandigheden sprake is van voldoende aannemelijkheid kan niet in algemene zin worden beantwoord. Dat hangt af van een waardering van de stellingen en verweren van de partijen en de overtuigingskracht van het reeds overgelegde bewijsmateriaal. De kortgedingrechter is vrij in de beoordeling hiervan. (…).”
4.86.5
Onder 4.18.7-4.18.8 hiervoor heb ik al gewezen op de verwantschap van het treffen van onmiddellijke voorzieningen met het treffen van voorlopige voorzieningen in kort geding. Deze parallel laat zich volgens mij ook doortrekken wat betreft de gebondenheid aan regels van stelplicht en bewijslast. Zeker voor de (dubbel) voorlopige beoordeling ex art. 2:349a lid 3, eerste zin BW betekent dit dat de feiten en omstandigheden waarop de OK het voorlopige oordeel stoelt dat sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid of juiste gang van zaken, niet overeenkomstig de voorschriften van afdeling 9 Titel 2 Rv hoeven te zijn komen vast te staan. Dat zou immers betekenen dat feiten die door verzoeker zijn gesteld en door verweerder of een belanghebbende voldoende zijn betwist, pas als vaststaand kunnen worden beschouwd als die door verzoeker zijn bewezen in de zin van afdeling 9 Titel 2 Rv. En voor een dergelijke bewijslevering leent de enquêteprocedure zich, mede gelet op het spoedeisende karakter (art. 2:349a lid 1 BW), niet. Of de twijfel aan een juist beleid of juiste gang van zaken gegrond is, zal (als het zover komt) het onderzoek (de enquête) moeten uitwijzen. Daarom geldt evenals in kort geding dat de feiten die relevant zijn voor het voorlopige oordeel dat sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid of juiste gang van zaken voldoende aannemelijk moeten zijn geworden op grond van hetgeen partijen én belanghebbenden naar voren hebben gebracht en met bewijsmateriaal hebben onderbouwd.
4.87
Tegen deze achtergrond bezien, bespreek ik nu de klachten van dit onderdeel.
4.88
Subonderdeel 3.1
is gericht tegen de uitgewerkte beschikking, rov. 3.18 (PI 64) en bevat vier klachten, vervat in drie sub(sub)onderdelen: 3.1.1 t/m 3.1.3. Ik loop deze hierna langs, uitgaande van die klachten.
Behandeling
4.89
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.90
Ten eerste (PI 65-67) richt het subonderdeel een rechtsklacht tegen rov. 3.18 (subonderdeel 3.1.1). De klacht houdt in dat de OK in rov. 3.18 de in rov. 3.17 beschreven rechtsregels met betrekking tot tegenstrijdig belang ten onrechte niet heeft toegepast. Volgens de klacht vergen deze regels een beoordeling van het gedrag van de geconflicteerde bestuurder ( [bestuurder/CEO] ) en ontbreekt die beoordeling, waardoor een essentiële schakel in de redenering van de OK ontbreekt. Ten aanzien van de wettelijke onthoudingsregel (art. 2:239 lid 6 BW) geldt dat uit rov. 3.18 niet blijkt of beraadslaging en besluitvorming heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van de zogenoemde Linders/Hofstee-regels geldt dat de OK niet heeft beoordeeld of [bestuurder/CEO] de verschillende belangen voldoende gescheiden heeft gehouden, of [bestuurder/CEO] ten aanzien daarvan voldoende openheid heeft betracht, en/of of de inschakeling van een deskundige in de gegeven omstandigheid was aangewezen.
4.90.1
Deze klacht is ongegrond.
4.90.2
Vooropgesteld: de klacht bestrijdt - terecht - niet het juridisch kader over tegenstrijdig belang in rov. 3.17.
4.90.3
De klacht neemt op zichzelf ook terecht tot uitgangspunt dat uit het voorlopige oordeel omtrent tegenstrijdig belang in rov. 3.18 niet blijkt dat de OK heeft geoordeeld dat [bestuurder/CEO] de wettelijke onthoudingsregel zou hebben geschonden. De OK heeft in rov. 3.18 echter wel geoordeeld dat “niet [is] gebleken dat bij het plaatsen van de orders de vereiste verhoogde zorgvuldigheid bij tegenstrijdig belang in acht is genomen om te waarborgen dat de transactie geschiedt onder redelijke en marktconforme voorwaarden en zakelijk verantwoord is”. Met andere woorden: de OK heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat [bestuurder/CEO] zich conform de Linders/Hofstee-regels heeft gedragen. Het ontbreken van een essentiële schakel in de redenering van de OK doet zich dus in werkelijkheid niet voor. De klacht faalt daarmee bij gebrek aan feitelijke grondslag.
4.91
Ten tweede (PI 68-72)
klaagt het subonderdeel dat indien de OK wel het juridische kader van rov. 3.17 heeft toegepast in rov. 3.18, het oordeel in rov. 3.18 ontoereikend gemotiveerd en onbegrijpelijk is (subonderdeel 3.1.2). Deze motiveringsklacht is uitgewerkt langs drie routes, die ik een voor een bespreek.
4.92
De eerste route (PI 69) is dat het oordeel van de OK in rov. 3.18 onvoldoende is gemotiveerd, omdat de OK niet kenbaar heeft beoordeeld hoe [bestuurder/CEO] heeft gehandeld in het kader van het aangenomen tegenstrijdig belang en hoe dit zich verhoudt tot de onthoudingsregel (art. 2:239 lid 6 BW) en/of de Linders/Hofstee-regels. De klacht verwijst naar de overweging van de OK in rov. 3.18 dat [bestuurder/CEO] erop zou hebben aangedrongen en zou hebben gewild dat bepaalde aantallen wafers besteld zouden worden en voert vervolgens aan dat de OK niet toelicht waaruit zou blijken hoe [bestuurder/CEO] op de bestellingen heeft aangedrongen en/of dat [bestuurder/CEO] deze zou hebben gewild. Hier lijkt zich volgens de klacht, onder verwijzing naar onderdeel 1, te wreken dat de OK-beschikkingen in allerijl zijn gegeven en niet zijn gebaseerd op een voldragen partijdebat.
4.93
Deze klacht strandt.
4.93.1
Onder 4.90.3 hiervoor merkte ik al op dat de OK in rov. 3.18 heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat [bestuurder/CEO] zich conform de Linders/Hofstee-regels heeft gedragen bij het plaatsen van de grote aantallen wafers. Dat [bestuurder/CEO] erop zou hebben aangedrongen en zou hebben gewild dat bepaalde (grote) aantallen wafers bij WSS besteld zouden worden, heeft de OK voldoende aannemelijk geacht op grond van het verzoekschrift van Nexperia (met producties). Dat de OK niet is gebleken dat bij het plaatsen van de orders de vereiste verhoogde zorgvuldigheid bij tegenstrijdig belang in acht is genomen om te waarborgen dat de transactie geschiedt onder redelijke en marktconforme voorwaarden en zakelijk verantwoord is, berust eveneens op de (onvoldoende weersproken) stellingen van Nexperia. Van een ontoereikend gemotiveerd of onbegrijpelijk oordeel is dan ook geen sprake. Overigens is de OK ook nadien, in de eerstefasebeschikking, niet gebleken dat de vereiste verhoogde zorgvuldigheid in verband met het tegenstrijdig belang van [bestuurder/CEO] in acht is genomen. De klacht voert op zichzelf terecht nog aan dat het bestreden oordeel niet is gebaseerd op een “voldragen partijdebat”. Dat is echter inherent aan dit stadium van de enquêteprocedure waarin de (dubbel) voorlopige beoordeling, zoals de Hoge Raad het in de DSM-uitspraak heeft uitgedrukt, plaatsvindt “aan de hand van een beperkt partijdebat” (zie onder 4.86.2 hiervoor). Voor zover de klacht in dit verband voortbouwt op onderdeel 1, dat dus faalt, deelt de klacht bovendien in dit lot. Op dit alles stuit de klacht af.
4.94
De tweede route (PI 70-71) is dat het oordeel in rov. 3.18 dat volgens medewerkers van Nexperia orders for scrap werden geplaatst, ontoereikend is gemotiveerd in het licht van volgens de klacht essentiële stellingen van “ [bestuurder/CEO] ”. Volgens het subonderdeel volgt uit dit verweer dat geen sprake was van onzakelijke transacties, maar van transacties die dienstig waren aan het langetermijnplan van Nexperia en niet op onzakelijke voorwaarden waren aangegaan, waarbij vrees voor verspilling onterecht was. Het oordeel van de OK is zonder nadere motivering onbegrijpelijk, omdat daaruit niet blijkt dat dit verweer van “Yuching/ [bestuurder/CEO] ” in de beoordeling is betrokken, laat staan dat daarop gemotiveerd is beslist, wat gelet op de ernstige beperkingen in de aan “Yuching” geboden wederhoor juist wel had gemoeten (“zie ook subonderdeel 1.3”).
4.95
Ook deze klacht strandt.
4.95.1
Vooropgesteld: voor zover de klacht voortbouwt op subonderdeel 1.3, dat dus faalt, deelt de klacht in dit lot. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.95.2
Het valt op dat de klacht een draai maakt van [bestuurder/CEO] , naar Yuching/ [bestuurder/CEO] , naar Yuching. De klacht verwijst evenwel niet naar concrete stellingen van Yuching bij de OK (laat staan met vindplaatsen in enig gedingstuk bij de OK), enkel naar concrete stellingen van [bestuurder/CEO] bij de OK (met vindplaatsen in een gedingstuk bij de OK). Ik richt mij daarom op laatstgenoemde stellingen.
4.95.3
Welnu: [bestuurder/CEO] heeft in diens spreekaantekeningen, nrs. 70-72, kort samengevat, slechts betoogd dat geen sprake was van te grote orders van Nexperia bij WSS. [bestuurder/CEO] heeft aldaar althans niet aangevoerd, laat staan onderbouwd, dat en op welke wijze hij de door de OK vereiste verhoogde zorgvuldigheid bij tegenstrijdig belang in acht heeft genomen (dat van tegenstrijdig belang bij [bestuurder/CEO] geen sprake was, valt in dit verweer niet te lezen). Dit verweer van [bestuurder/CEO] doet aldus niet af aan het oordeel van de OK dat ter zake sprake was van een tegenstrijdig belang bij [bestuurder/CEO] en dat niet gebleken is dat [bestuurder/CEO] bij het plaatsen van de orders de vereiste verhoogde zorgvuldigheid bij tegenstrijdig belang in acht heeft genomen.
4.95.4
Uit rov. 3.18 blijkt verder duidelijk waarom de OK (ook) wat betreft de omvang van de orders van Nexperia bij WSS het standpunt van Nexperia voldoende aannemelijk heeft geacht. Aan dit een en ander doet begrijpelijkerwijs niet af dat volgens [bestuurder/CEO] in diens spreekaantekeningen, onder verwijzing naar een Amerikaanse nieuwssite, er wereldwijd een sterk groeiende vraag naar chips was (nr. 70), hij daarop inspeelde door de productie te vergroten (nr. 71), en er aan de orders een valide langetermijnstrategie en -visie ten grondslag lag (nr. 72).
4.95.5
Naar hieruit volgt, heeft de OK in het bestreden oordeel dit verweer van [bestuurder/CEO] niet uit het oog verloren, maar met kracht van argumenten verworpen. Dat behoefde, gezien het voorgaande en gegeven de stand van het geding, geen nadere motivering door de OK.
4.95.6
Daarmee ontvalt reeds de bodem aan de klacht.
4.96
De derde route (PI 72) is eveneens gericht tegen het oordeel in rov. 3.18 dat volgens medewerkers van Nexperia orders for scrap werden geplaatst. De klacht houdt in dat dit oordeel onbegrijpelijk is in het licht van de desbetreffende stellingen van Nexperia. Volgens de klacht is dit terug te voeren op twee zinnen, in een anoniem bericht, van de strekking dat een deel van de wafers misschien niet gebruikt wordt als de vraag zodanig laag is dat de wafers in een periode van negen jaar niet gebruikt worden, en kunnen deze twee zinnen de conclusies die de OK aan de ‘interne berichten’ verbindt niet dragen.
4.97
Deze klacht strandt eveneens.
4.97.1
Nexperia heeft in haar verzoekschrift (nr. 94) gesteld dat “ook uit de onderstaande anonieme interne berichten tussen werknemers van Nexperia” [onderstreping toegevoegd, A-G] volgt dat Nexperia dergelijke orders niet nodig heeft en er in feite zelfs for scrap wordt geproduceerd. Niet relevant is in hoeverre uit de desbetreffende interne berichten kan worden afgeleid dat de orders in feite zelfs for scrap werden geproduceerd. Beslissend is immers het voorlopige oordeel dat Nexperia dergelijke grote orders niet nodig heeft, hetgeen niet alleen is gestoeld op de desbetreffende anonieme interne berichten, en dat de OK niet is gebleken dat bij het plaatsen van de orders de vereiste verhoogde zorgvuldigheid bij tegenstrijdig belang in acht is genomen om te waarborgen dat de transactie geschiedt onder redelijke en marktconforme voorwaarden en zakelijk verantwoord is (zie onder 4.90.3 hiervoor). Verder geldt dat de uitleg van de gedingstukken is voorbehouden aan de OK als feitenrechter, en dat het in het licht van het beperkte partijdebat in dit stadium van het geding niet onbegrijpelijk is dat de OK de desbetreffende stelling van Nexperia in nr. 94 van haar verzoekschrift voldoende aannemelijk heeft geacht.
4.98
Ten derde (PI 73)richt het subonderdeel vanuit twee invalshoeken een motiveringsklacht tegen de slotzin van rov. 3.18, waarin de OK heeft overwogen dat bij dit alles moet worden bedacht dat de (tussen WSS en Nexperia B.V. gesloten) FSA op aandringen van [bestuurder/CEO] met ingang van 1 januari 2025 is gewijzigd in de zin dat bij elke bestelling 70% van de koopprijs vooraf moet worden betaald (subonderdeel 3.1.3).
4.99
Ook deze klacht mist doel.
4.99.1
De eerste invalshoek komt erop neer dat “[t]egen de achtergrond van” de eerste twee klachten het bestreden oordeel evenmin kan bijdragen aan het oordeel dat sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia. Want gegeven [bestuurder/CEO] stelling dat de orders niet onzakelijk waren, valt niet in te zien dat de vooruitbetalingsverplichting als zodanig aan (wijziging van) de FSA een onzakelijk of anderszins met Nexperia’s vennootschappelijk belang strijdig karakter zou verlenen. De overwegingen van de OK geven er evenwel geen blijk van dat [bestuurder/CEO] verweer in de beoordeling is betrokken, laat staan dat daarop gemotiveerd is beslist.
4.99.2
Dit ziet eraan voorbij dat de OK die stelling (dit verweer) van [bestuurder/CEO] gemotiveerd heeft verworpen, zoals uiteengezet bij de bespreking van de eerste klacht, die dus faalt. Dat bezegelt in zoverre reeds het lot van de onderhavige klacht, die voortbouwt op de eerste twee klachten.
4.99.3
De tweede invalshoek komt erop neer dat “[d]it” (ik begrijp: de klacht vanuit die eerste invalshoek) te meer klemt, gelet op stellingen van [bestuurder/CEO] in diens spreekaantekeningen, nrs. 73-76. Daarmee zou, aldus de klacht, [bestuurder/CEO] gemotiveerd hebben betwist dat de 70%-vooruitbetaling onzakelijk was of anderszins niet in redelijkheid in het belang van Nexperia kon worden geacht. De overwegingen van de OK geven er evenwel geen blijk van dat dit verweer in de beoordeling is betrokken, laat staan dat daarop gemotiveerd is beslist.
4.99.4
Dit ziet vooreerst eraan voorbij dat de klacht vanuit die eerste invalshoek dus geen effect sorteert.
4.99.5
Dit ziet bovendien eraan voorbij dat de OK ter zake, kort samengevat, afdoende gemotiveerd is meegegaan in het standpunt van Nexperia zoals mede blijkend uit haar verzoekschrift, nr. 99:
“Na aandringen van [bestuurder/CEO] is op 1 januari 2025 de FSA gewijzigd op voorstel van WSS, door middels een addendum, de zogeheten prepayment agreement daarin te verwerken. Sindsdien bevat de FSA voorwaarden die materieel afwijken van de marktpraktijk. Dit geldt in het bijzonder voor de bepaling op grond waarvan Nexperia, kort gezegd, bij elke bestelling 70% van de koopprijs vooraf moet betalen aan WSS.” [volgt een citaat van art. 6 waarin de prepayment agreement is geregeld, A-G]
Ik licht toe.
4.99.6
[bestuurder/CEO] heeft in diens spreekaantekeningen, nrs. 73-74 art. 6 (“[d]e afgesproken 70% vooruitbetaling”) niet weersproken, maar een beroep gedaan op enkele andere bepalingen uit de per 1 januari 2025 gewijzigde FSA die in het belang van Nexperia zouden zijn. Dat is in diens spreekaantekeningen, nr. 73: art. 2, waarin volgens [bestuurder/CEO] is bepaald dat de gewijzigde FSA “conform de eisen van Nexperia, een looptijd [heeft] van slechts één jaar en Nexperia het contract op ieder moment tussentijds [kan] opzeggen”. En in diens spreekaantekeningen, nr. 74: art. 11, dat een met de afgesproken 70%-vooruitbetaling “corresponderende korting op de productprijzen [bevat]”, wat volgens [bestuurder/CEO] “dus een belangrijk voordeel voor Nexperia op[levert]”.
4.99.7
Deze veronderstelde voordelen van de gewijzigde FSA nemen niet weg, zoals de OK in rov. 3.18 heeft overwogen, en geenszins onbegrijpelijk:
- dat Nexperia voldoende heeft onderbouwd dat betwijfeld kan worden dat [bestuurder/CEO] bij het plaatsen van de orders van Nexperia bij WSS uitsluitend het belang van Nexperia voor ogen heeft gehad en niet met name ook dat van WSS;
- dat het daarbij niet gaat om geringe bedragen;
- dat bij dit alles zij bedacht dat de FSA op aandringen van [bestuurder/CEO] met ingang van 1 januari 2025 aldus is gewijzigd dat Nexperia bij elke bestelling 70% van de koopprijs vooraf moet betalen.
4.99.8
Naar hieruit volgt, heeft de OK (mede) in het bestreden oordeel dit als verweer aangevoerde beroep van [bestuurder/CEO] op die veronderstelde voordelen niet uit het oog verloren, maar - uiteraard bezien in samenhang met het voorafgaande in rov. 3.18 - met kracht van argumenten verworpen. Dat behoefde, gezien het voorgaande en gegeven de stand van het geding, geen nadere motivering door de OK.
4.99.9
Voor zover de klacht nog doelt op [bestuurder/CEO] spreekaantekeningen, nrs. 75-76, geldt dat deze randnummers geen betrekking hebben op de afgesproken 70%-vooruitbetaling, maar zien op een andere nadien voorgestelde wijziging van de FSA (een aanvullende deposit agreement met voorfinanciering van WSS door Nexperia voor USD 10 miljoen). Deze randnummers zien derhalve op een ander punt en doen dus hoe dan ook niet af aan de begrijpelijkheid van het bestreden oordeel.
4.99.10
Overigens blijkt uit de in [bestuurder/CEO] spreekaantekeningen, nr. 75 geciteerde opmerking van [betrokkene 5] , de COO, over die aanvullende deposit van USD 10 miljoen voor WSS ook dat die in de eerste plaats het belang van WSS diende (“to keep them ‘healthy’”, “to support them”). [betrokkene 5] spreekt daarin ook van “fair legal concerns”, maar hij was desondanks - “Considering the business aspect for NEX in the case WSS struggles the 10 mio $ are peanuts” - “totally fine to sign the agreement”. Die aanvullende deposit agreement is uiteindelijk echter niet tot stand gekomen.
4.100 Ten slotte (PI 74) bevat het subonderdeel een motiveringsklacht, indien en voor zover de OK in de uitgewerkte beschikking het aangaan van de FSA (op 4 april 2023) als zodanig (mede) heeft aangemerkt als grond om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia (eveneens subonderdeel 3.1.3).
4.101 Deze klacht is evenmin gegrond.
4.101.1 Zij neemt terecht tot uitgangspunt dat de OK in de uitgewerkte beschikking het aangaan van de FSA (op 4 april 2023) “kennelijk niet” als zodanig (mede) heeft aangemerkt als grond om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia. Kort en goed: dat de OK dit wel doet, lees ik nergens in de uitgewerkte beschikking, ook niet in rov. 3.18.
4.101.2 De klacht, die is voorgesteld indien en voor zover de OK dit wel doet in de uitgewerkte beschikking, strandt dus reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag. Zij behoeft geen verdere bespreking.
4.102 Aldus vindt subonderdeel 3.1 zijn Waterloo.
4.103 Subonderdeel 3.2 is gericht tegen de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19-3.20 waarin de OK kort gezegd het niet opvolgen van toezeggingen aan EZ om de governance van Nexperia te wijzigen (in het bijzonder ten aanzien van de invoering van een raad van commissarissen met belangrijke goedkeuringsrechten) naar haar voorlopig oordeel heeft aangemerkt als gegronde reden om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia. Het subonderdeel klaagt dat deze overwegingen onjuist zijn, omdat wordt miskend hoe het vennootschappelijk belang van Nexperia dient te worden vastgesteld en/of dat het Nederlandse vennootschapsrecht uitgaat van vrijheid van inrichting, althans onvoldoende (begrijpelijk) zijn gemotiveerd. Deze algemene rechts- en motiveringsklacht (PI 75) is uitgewerkt in drie sub(sub)onderdelen: 3.2.1 t/m 3.2.3. Het subonderdeel bevat ten slotte in sub(sub)onderdeel 3.2.4 een motiveringsklacht over overige door de OK bij het voorlopige oordeel betrokken omstandigheden in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.21.
Behandeling
4.104 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.105 Subonderdeel 3.2.1 (PI 76-78) bevat rechtsklachten over het vennootschappelijk belang van Nexperia, die neerkomen op het volgende.
4.105.1 De OK heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voor zover zij met haar bestreden oordelen niet het vennootschappelijk belang van Nexperia, maar het algemeen belang (van (behoud van) beschikbaarheid van chips en chipproductie in Nederland en de EU) centraal heeft gesteld in haar beoordeling, althans dat algemeen belang van (doorslaggevende) betekenis heeft geacht voor de bepaling van het vennootschappelijk belang van Nexperia (PI 76).
4.105.2 Voor zover de OK niet heeft miskend dat zij Nexperia’s vennootschappelijk belang tot uitgangspunt moest nemen, heeft zij een te beperkte opvatting van het vennootschappelijk belang gehuldigd omdat de bestuurders van een vennootschap bij de vervulling van hun taak een zorgvuldigheidsnorm tegenover stakeholders, onder wie aandeelhouders zoals hier Yuching, in acht dienen te nemen (PI 77).
4.105.3 Verder heeft de OK ten onrechte niet in haar beoordeling betrokken dat het vennootschappelijk belang van Nexperia ook wordt bepaald door belangen als de bestuurbaarheid van de [A] -groep als geheel en het (voor de [A] -groep) voorkomen van (potentiële) sancties van de CSRC (PI 78).
4.106 Deze klachten boeken geen succes.
4.106.1 Ik stel het volgende voorop. De regeling van het enquêterecht is gericht op het belang van de rechtspersoon (in dit geval dus van Nexperia). In het enquêterecht staat dit belang voorop. Daarnaast behoren bij de toepassing van die regeling ook de belangen van de verzoeker en van alle bij de rechtspersoon betrokkenen in aanmerking te worden genomen. Uitgangspunt bij die toepassing is dat het uiteindelijk vooral aankomt op de economische werkelijkheid. Wat het belang van de rechtspersoon inhoudt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Indien aan een rechtspersoon een onderneming is verbonden (zoals het geval is bij Nexperia), wordt het belang van de rechtspersoon in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming. De rechtspersoon heeft bovendien een zelfstandig belang erbij dat wettelijke en statutaire normen of normen die mede voortvloeien uit de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW, waaronder begrepen procedurele normen die noodzakelijk zijn voor een goede besluitvorming, op juiste wijze zijn of worden nageleefd. Bestuurders (en commissarissen) van een (N.V. of) B.V. richten zich bij hun taakvervulling naar het vennootschapsbelang. Bij die taakvervulling dienen zij (ook) zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken. Ik lees in het bestreden oordeel niet een andersluidende opvatting van de OK.
4.106.2 De klacht in PI 76 gaat uit van een onjuiste lezing van het bestreden oordeel. De uitgewerkte beschikking, rov. 3.19-3.20 bevatten immers geen enkele aanwijzing voor de lezing dat de OK aldaar niet het vennootschapsbelang van Nexperia (dus: het belang van Nexperia en de met haar verbonden onderneming), maar het algemeen belang centraal heeft gesteld of dat algemeen belang van (doorslaggevende) betekenis heeft geacht voor de bepaling van het vennootschapsbelang van Nexperia. In de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19-3.20 schrijft de OK bij herhaling “Nexperia en haar onderneming”, en in rov. 3.20 verder ook uitdrukkelijk “in het belang van Nexperia en haar onderneming” en “evident in het belang van Nexperia”. Dit strookt met wat ik schreef onder 4.106.1 hiervoor. Het door de klacht bedoelde algemeen belang komt in die overwegingen niet voor. De klacht ontbeert dus feitelijke grondslag in de uitgewerkte beschikking en loopt reeds daarop vast.
4.106.3 In PI 76 wordt op zichzelf terecht aangevoerd dat, wat betreft de inhoud van het vennootschapsbelang van Nexperia (als vennootschap waaraan een onderneming is verbonden), dit belang het bevorderen van het bestendige succes van de met Nexperia verbonden onderneming “is” (of beter gezegd: daardoor in de regel vooral wordt bepaald). Zie ook onder 4.106.1 hiervoor.
4.106.4 Maar daaraan ziet de OK niet voorbij in de bestreden oordelen. Uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19 blijkt onder meer dat Nexperia en haar onderneming in toenemende mate nadelige gevolgen ondervonden van de gepercipieerde invloed van haar Chinese aandeelhouder, dat Nexperia in verband daarmee contact heeft gezocht met EZ en heeft gevraagd om steun voor haar als Nederlandse onderneming, dat toezeggingen aan EZ zijn gedaan om de governance van Nexperia te wijzigen (waaronder in het bijzonder de invoering van een raad van commissarissen met belangrijke goedkeuringsrechten), en dat EZ en BZ Nexperia hebben geïnformeerd over de mogelijke invoering van de 50%-rule waarvan duidelijk was dat die een grote negatieve impact op Nexperia en haar onderneming zou kunnen hebben. In de uitgewerkte beschikking, rov. 3.20 heeft de OK tegen deze achtergrond onder meer geoordeeld dat (behoudens het terugtreden van de zuster van [bestuurder/CEO] als bestuurder) geen stappen zijn gezet om in het belang van Nexperia en haar onderneming tot aanpassing van de governance te komen. Het voorlopige oordeel van de OK dat sprake is van twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia omdat onvoldoende opvolging is gegeven aan de met EZ afgestemde governancewijzigingen, laat zich aldus in de sleutel van het vennootschapsbelang verstaan dat de OK het op basis van de haar op het moment van de uitgewerkte beschikking ter beschikking staande gegevens voldoende aannemelijk heeft geacht dat met het gebrek aan voortvarendheid van Nexperia op dit punt het bestendige succes van de met Nexperia verbonden onderneming niet werd bevorderd. Dat sterk feitelijke oordeel is niet onjuist (en behoefde in dit stadium van het geding ook geen nadere motivering). Op zichzelf is denkbaar dat aan het talmen met de governancewijzigingen wel een andere afweging van het bestuur van Nexperia in het vennootschapsbelang ten grondslag heeft gelegen, maar dat is vooralsnog niet gebleken.
4.106.5 Ik zie, anders dan de klacht in PI 77 wil, niet dat de OK aldus oordelend in de uitgewerkte beschikking, rov. (3.19 en) 3.20 een te beperkte opvatting van het vennootschapsbelang van Nexperia huldigt. In PI 77 wordt op zichzelf terecht aangevoerd:
a. dat een rechtspersoon bovendien een zelfstandig belang erbij heeft dat wettelijke en statutaire normen of normen die mede voortvloeien uit de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW, waaronder begrepen procedurele normen die noodzakelijk zijn voor een goede besluitvorming, op juiste wijze zijn of worden nageleefd;
b. dat bij de vervulling van hun taak bestuurders - mede op grond van het bepaalde in art. 2:8 BW - zorgvuldigheid dienen te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken, welke zorgvuldigheidsverplichting kan meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het vennootschapsbelang ervoor zorgen dat daardoor de belangen van al degenen die bij de vennootschap of haar onderneming zijn betrokken niet onnodig of onevenredig worden geschaad, of onder omstandigheden zelfs: niet (noemenswaardig) worden geschaad.
Zie ook onder 4.106.1 hiervoor.
4.106.6 Toch baat dit de klacht niet. Met hetgeen ik samenvat(te) onder 4.106.4 hiervoor bestrijkt de OK de in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19-3.20 voorliggende kwestie, waarbij het draait om de vraag hoe het voornoemde gebrek aan voortvarendheid van Nexperia zich verhield tot het vennootschapsbelang van Nexperia (het belang van Nexperia en de met haar verbonden onderneming), specifiek betrokken op de ‘in de regel vooral’-bepaling van dit vennootschapsbelang door het bevorderen van het bestendige succes van de met Nexperia verbonden onderneming. Er is geen rechtsregel die de OK belette zich zo te richten op het vennootschapsbelang zonder daarbij a en/of b te betrekken, daarbij niet ontkennend dat a en b ook deel uitmaken van het rechtspersonenrecht, wel onderkennend dat waar het aldus bepaalde vennootschapsbelang wordt bezien dit niet betekent dat ‘dus’ ook a en/of b in aanmerking moet(en) worden genomen. In dit verband verdient nog opmerking: dat a wel ziet op een bepaald zelfstandig belang van de rechtspersoon, maar niet hetzelfde is (“bovendien”, etc.) als het vennootschapsbelang (het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming) waarop de OK zich richt in het bestreden oordeel, dus specifiek betrokken op de ‘in de regel vooral’-bepaling van dit vennootschapsbelang door het bevorderen van het bestendig succes van de met de vennootschap verbonden onderneming. En verder dat b evenmin hetzelfde is als dit vennootschapsbelang, want ziet op iets anders: de onder b bedoelde zorgvuldigheidsverplichting van de bestuurders van de vennootschap met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken, dus andere belangen dan het vennootschapsbelang waarop de OK zich richt in het bestreden oordeel.
4.106.7 In lijn daarmee zie ik, anders dan de klacht in PI 78 wil, evenmin dat het vennootschapsbelang van Nexperia ook wordt bepaald door belangen als de bestuurbaarheid van de [A] -groep als geheel, waarvan Nexperia onderdeel vormt, en het (voor de [A] -groep) voorkomen van (potentiële) sancties van de CSRC. Het gaat hier in wezen om het belang van de [A] -groep, welk concernbelang uiteraard wel relevant is voor Nexperia, als onderdeel van de belangen van al degenen die bij Nexperia en haar onderneming zijn betrokken, maar niet een onderdeel is van het eigen vennootschapsbelang van Nexperia: het belang van Nexperia en de met haar verbonden onderneming. Anders gezegd: het gaat hier om verwante, maar te onderscheiden belangensferen. Hieraan ziet de OK niet voorbij in het bestreden oordeel. Ook hier geldt dus: de in de klacht bedoelde miskenning door de OK doet zich in werkelijkheid niet voor.
4.107 Daarmee ontvalt reeds de bodem aan subonderdeel 3.2.1. Het subonderdeel behoeft geen verdere bespreking.
4.108 Subonderdeel 3.2.2 vervolgt in PI 79-82 met een rechtsklacht over de vrijheid van inrichting. Volgens de klacht komt het oordeel van de OK er in essentie op neer dat Nexperia een (niet verplichte) raad van commissarissen met vergaande goedkeuringsbevoegdheden had moeten invoeren om het hoofd te bieden aan de negatieve gevolgen van de perceptie van de invloed van haar Chinese aandeelhouder en de dreigende handelsbeperkingen met de mogelijke invoering van de 50%-rule. De klacht is dat de OK daarmee ten onrechte in de beleidsvrijheid van het bestuur van Nexperia is getreden en dat zij ten onrechte de strategische beleidsbeslissingen van Nexperia “vol” - op de merites van de beslissingen - heeft getoetst (PI 81). Het voorgaande wordt niet anders door de toezegging van Nexperia de governance te wijzigen. De klacht wijst erop dat gesprekken met EZ vrijblijvend waren en op initiatief van Nexperia werden gevoerd en dat het Nexperia vrijstond ervoor te kiezen bepaalde governancewijzigingen niet (direct) door te voeren, ook als deze zouden zijn toegezegd, wat volgens de klacht niet geval is (“zie ook randnummer 83 hierna”). Volgens de klacht weegt de vrijheid van inrichting zwaar en kan die niet zomaar worden ingeperkt of gedicteerd door een toezegging van de vennootschap aan een derde, laat staan door een door EZ gewenste aanpassing in het licht van geopolitieke spanningen (PI 82).
4.109 De klacht kan niet tot cassatie leiden.
4.109.1 Zij neemt op zichzelf terecht tot uitgangspunt dat het Nexperia, gelet op haar vrijheid van inrichting, vrijstond ervoor te kiezen bepaalde met EZ afgestemde governancewijzigingen niet (direct) door te voeren, dat de OK in beginsel niet in de beleidsvrijheid van het bestuur mag treden, en dat de OK in beginsel strategische beleidsbeslissingen niet “vol” mag toetsen. In de eerstefasebeschikking, rov. 3.17 heeft de OK dit kernachtig als volgt verwoord:
“Bij de beoordeling stelt de Ondernemingskamer voorop dat Nexperia net als iedere vennootschap binnen de grenzen van de wet vrij is haar (vennootschappelijke) organisatie naar eigen inzicht in te richten (HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:652, Fugro). In de gesprekken met EZ ging het dan ook om een vrijwillig traject; Nexperia was niet verplicht haar governance aan te passen overeenkomstig de wensen van EZ. Dat betekent ook dat het enkele feit dat Nexperia is teruggekomen van eerdere toezeggingen aan EZ om haar governance anders in te richten, op zichzelf geen gegronde reden oplevert voor twijfel aan een juist beleid of een juiste gang van zaken. Verder stelt de Ondernemingskamer voorop dat de vrijheid van ondernemerschap mede inhoudt de vrijheid van het bestuur om de strategie van de vennootschap vast te stellen of te wijzigen. Bij de beoordeling van de door het bestuur bepaalde strategie stelt de Ondernemingskamer zich terughoudend op. Zij treedt in beginsel niet in de merites van die beslissing zolang daaraan een gedegen en collegiaal besluitvormingsproces ten grondslag ligt met een behoorlijke afweging van de voor- en nadelen en alle in aanmerking komende belangen en risico’s.”
4.109.2 Het bestreden oordeel geeft echter geen blijk van miskenning van deze uitgangspunten. De OK heeft in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19-3.20 immers niet geoordeeld dat Nexperia een (niet verplichte) raad van commissarissen had moeten invoeren, maar, kort en goed, dat de wijze waarop het traject met EZ is verlopen (“Tegen deze achtergrond roept het gebrek aan voortvarendheid waarmee Nexperia uitvoering heeft gegeven aan de met EZK afgestemde governance wijzigingen de nodige vragen op”) naar haar voorlopig oordeel een gegronde reden oplevert om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia. De klacht ontbeert dus feitelijke grondslag.
4.109.3 Ook indien de klacht wel op feitelijke grondslag zou berusten, en de OK aldus blijk zou hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, bestaat nog geen grond voor cassatie nu deze klacht is gericht tegen een tweede grond (kort gezegd: de governance) om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia en de eerste grond om daaraan te twijfelen (kort gezegd: het tegenstrijdig belang) dat voorlopige oordeel zelfstandig kan dragen.
4.109.4 Voor zover de klacht voortbouwt op de klacht in PI 83 (“zie ook randnummer 83 hierna”), die faalt, deelt de klacht in dit lot.
4.110 Daarmee valt het doek voor subonderdeel 3.2.2 en beland ik bij de bespreking van subonderdeel 3.2.3.
4.111 Subonderdeel 3.2.3 bevat motiveringsklachten gericht tegen de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19-3.20. PI 83 begint met een opsomming van vier omstandigheden die niet (kenbaar) in het bestreden oordeel zouden zijn meegewogen:
- Yuching en [bestuurder/CEO] hebben gesteld dat een groot deel van de in april 2024 besproken governancewijzigingen wel degelijk was geïmplementeerd (in het bijzonder het vernieuwde informatieveiligheidsbeleid en het bedrijfsgeheimen en- IP-veiligheidsbeleid) en aldus is wel degelijk meer gedaan dan enkel het terugreden van [bestuurder/CEO] zuster als bestuurder.
- Het enige waarover in september 2025 nog gesprekken liepen met EZ betrof de eventuele goedkeuringsrechten van de raad van commissarissen. De raad van commissarissen was nog niet ingevoerd, omdat de goedkeuringsbevoegdheden te verstrekkend en onvoldoende flexibel waren en Nexperia nog in afwachting was van reactie van de CSRC over of zij een dergelijke raad van commissarissen compliant zou vinden.
- Op 12 september 2025 heeft nog een bespreking plaatsgevonden tussen EZ en Nexperia, op welk moment bij EZ ten aanzien van het instellen van de raad van commissarissen nog geen haast of urgentie viel te ontdekken.
- In de zomermaanden van 2025 was nog onzeker of de 50%-rule gepubliceerd zou worden, hetgeen op 30 september 2025 is gebeurd, waarna op 1 oktober 2025 het enquêteverzoek is ingediend.
4.112 De klacht (PI 84) is dat het in het licht van deze stellingen onbegrijpelijk is dat de OK heeft geoordeeld dat Nexperia met een gebrek aan voortvarendheid uitvoering heeft gegeven aan de met EZ afgestemde governancewijzigingen en dat de OK niet heeft kunnen vaststellen dat behoudens het terugtreden van de zus van [bestuurder/CEO] als bestuurder enige maatregel is getroffen om de nadelige gevolgen van de gepercipieerde invloed van de Chinese aandeelhouder op Nexperia en haar onderneming tegen te gaan.
4.113 Het subonderdeel vervolgt met de klacht (PI 85) dat het bestreden oordeel verder onbegrijpelijk is, omdat juist geen sprake was van afgestemde governancewijzingen ten aanzien van het openstaande punt van de invoering van de raad van commissarissen met specifieke goedkeuringsrechten (“[z]ie nr. 83”) en niet valt in te zien hoe de implementatie van dergelijke governancewijzigingen de dreigende handelsbeperkingen met de mogelijke invoering van de 50%-rule had kunnen tegengaan.
4.114 De klacht in PI 84 stuit af op het volgende.
4.114.1 Niet onbegrijpelijk in het licht van de in PI 83 bedoelde stellingen is het voorlopige oordeel van de OK dat sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia in verband met een gebrek aan voortvarendheid bij Nexperia met betrekking tot de governancewijzigingen. Dat dat gebrek aan voortvarendheid voldoende aannemelijk is geworden, is door de OK in het bestreden oordeel toereikend gemotiveerd. Dit gebrek aan voortvarendheid vindt overigens ook bevestiging in de eerstefasebeschikking.
4.114.2 Evenmin onbegrijpelijk in het licht van de in PI 83 bedoelde stellingen is de slotzin van de uitgewerkte beschikking, rov. 3.20:
“niet [heeft] kunnen vaststellen dat behoudens het terugtreden van diens zuster als bestuurder zijdens [bestuurder/CEO] enige maatregel is getroffen om de nadelige gevolgen van de gepercipieerde invloed van de Chinese aandeelhouder op Nexperia en haar onderneming tegen te gaan.”
4.114.3 In het verweerschrift van Yuching, nr. 51 wordt een beroep gedaan op een e-mail van [verweerder 4] van 20 februari 2025, overgelegd als productie 20 bij het verzoekschrift van Nexperia, over “(i) een voorstel voor een RvC, (ii) een nieuw informatieveiligheidsbeleid, (iii) een nieuw bedrijfsgeheimenbeleid en (iv) een IP-veiligheidsbeleid.”
4.114.4 Deze e-mail was een reactie op de e-mail van 20 december 2024 van EZ aan onder anderen [verweerder 4] , ook deel uitmakend van genoemde productie 20, waaruit de OK heeft geciteerd in de uitgewerkte beschikking, rov. 2.16. In laatstgenoemde e-mail werden “unequivocal measures to be developed, adopted and implemented by Nexperia” vereist.
4.114.5 In deze e-mail van 20 december 2024 werd een onderscheid gemaakt tussen governancemaatregelen en beleidsmaatregelen: “Those measures relate to some aspects of its governance as well as its security and information policy including the protection of IP and sensitive data”. In de daaropvolgende e-mailcorrespondentie, ook onderdeel van genoemde productie 20, wordt dit onderscheid steeds opnieuw gemaakt.
4.114.6 In het licht van de gedingstukken bij de OK is dus duidelijk - het volgt ook uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19-3.20 in totaliteit bezien - dat de OK in de slotzin van de uitgewerkte beschikking, rov. 3.20 met maatregelen om de nadelige gevolgen van de gepercipieerde invloed van de Chinese aandeelhouder op Nexperia en haar onderneming tegen te gaan, doelde op de governancemaatregelen. Ofwel: de OK heeft niet kunnen vaststellen dat behoudens het terugtreden van de zuster van [bestuurder/CEO] enige governancemaatregel is getroffen.
4.114.7 Dit oordeel is niet onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
4.114.8 Immers, gezien het voorgaande is prima te volgen dat de OK de stellingen van Yuching en [bestuurder/CEO] waarop de klacht een beroep doet (dus inzake de implementatie van het vernieuwde informatieveiligheidsbeleid en het bedrijfsgeheimen- en IP-veiligheidsbeleid) plaatst in de sleutel van beleidsmaatregelen, niet van governancemaatregelen. Die stellingen, wat daarvan verder zij, betekenen derhalve niet dat ook naast het terugtreden van de zuster van [bestuurder/CEO] enige governancemaatregel is geïmplementeerd.
4.114.9 Hierop ketst de klacht af.
4.115 De klacht in PI 85 boekt evenmin succes. Wat het punt van het gebrek aan voortvarendheid met betrekking tot de invoering van een raad van commissarissen met specifieke goedkeuringsrechten betreft, geldt het volgende.
4.115.1 De klacht voert onder verwijzing naar stellingen van [bestuurder/CEO] en Yuching, weergegeven onder 4.108 hiervoor, op zichzelf terecht aan dat geen overeenstemming is bereikt over de specifieke goedkeuringsrechten (de zogenoemde reserved matters) van de in te stellen raad van commissarissen. Uit de door de OK vastgestelde feiten blijkt ook dat de OK heeft onderkend dat en waarom Nexperia moeite had met dit aspect van de invoering van een raad van commissarissen (zie onder 2.15 en 2.18 hiervoor). Aan de begrijpelijkheid van het oordeel van de OK over een gebrek aan voortvarendheid met betrekking tot de governancewijziging doet dat echter niet af. Dit voorlopige oordeel van de OK vindt inmiddels ook bevestiging in de eerstefasebeschikking. Bovendien ziet dit oordeel van de OK niet uitsluitend op de invoering van de raad van commissarissen, maar heeft de OK in bredere zin geoordeeld dat sprake was van een gebrek aan voortvarendheid met betrekking tot de governancewijzigingen.
4.116 In PI 85 wordt verder nog betoogd dat niet valt in te zien hoe de implementatie van dergelijke governancewijzigingen de dreigende handelsbeperkingen met de mogelijke invoering van de 50%-rule had kunnen tegengaan. Deze klacht berust op het uitgangspunt dat de 50%-rule niet ziet op zeggenschap of toezicht, maar uitsluitend op indirecte eigendom waardoor de toekomstige, nadelige gevolgen van de 50%-rule niet konden worden tegengegaan met wijzigingen in de governance.
4.116.1 Ook dit betoog biedt [bestuurder/CEO] geen soelaas. In de uitgewerkte beschikking, rov. 3.20 heeft de OK immers overwogen dat het ging om “maatregelen te treffen om de kans te minimaliseren dat Nexperia door de 50%-rule zou worden geraakt” en dat met deze maatregelen aan BZ en/of EZ “een argument kon worden verschaft jegens de autoriteiten in de Verenigde Staten om de 50%-rule niet ook op Nexperia van toepassing te verklaren”. [onderstreping toegevoegd, A-G] In het kader van de mogelijke effectiviteit van de maatregelen in verband met de 50%-rule is bovendien van belang dat de OK heeft onderkend dat de maatregelen niet beperkt waren tot de invoering van een raad van commissarissen met belangrijke goedkeuringsrechten, maar dat het in bredere zin ging om maatregelen die erop waren gericht, zoals de OK in rov. 3.20 heeft overwogen, “de nadelige gevolgen van de gepercipieerde invloed van de Chinese aandeelhouder op Nexperia en haar onderneming tegen te gaan”. Die maatregelen konden dus wel degelijk relevant zijn in verband met de invoering van de 50%-rule. Dit een en ander moet dus worden gelezen in het licht van hetgeen ik samenvatte onder 4.106.4 hiervoor.
4.117 Voor de overige stellingen in PI 83 geldt dat de OK kennelijk en niet onbegrijpelijk de standpunten van Nexperia en EZ ter zake voldoende aannemelijk heeft geacht. Met betrekking tot de stelling dat uit de gesprekken met EZ niet bleek dat sprake was van urgentie of haast bij de Staat ten aanzien van de noodzaak van een raad van commissarissen met bijzondere goedkeuringsrechten, wijs ik ter illustratie op de spreekaantekeningen van EZ, nrs. 5, 7:
“Het was ‘pappen en nathouden’ (…). (…) Tijdens het gesprek in september 2025 bleek wederom dat Nexperia geen enkele vooruitgang had geboekt en ook geen concrete toezeggingen kon doen, ondanks de urgentie van de dreigende Amerikaanse maatregelen. (…).”
4.118 Daarmee ontvalt de bodem aan subonderdeel 3.2.3.
4.119 Subonderdeel 3.2.4 richt zich met drie klachten tegen de uitgewerkte beschikking, rov. 3.21 (vanaf “Een paar dagen later”, etc.). Ik loop de klachten hierna langs.
4.120 In de eerste plaats klaagt het subonderdeel (PI 87) dat het in PI 86 weergegeven oordeel in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.21 over het ontslag van [verweerder 4] en twee sleutelfunctionarissen uit het EMT onvoldoende is gemotiveerd, omdat [bestuurder/CEO] als verweer tegen dit verwijt van Nexperia heeft gesteld dat het ontslag van de drie functionarissen was ingegeven door legitieme, zakelijke redenen: de tegenwerking van de managers bij het realiseren van de strategische doelstellingen van Nexperia. Een dergelijke keuze bevreemdt niet, in het licht van de plaatsing van [A] op de U.S. Entity List en de mogelijke toepassing van de 50%-rule, omdat het juist dan van belang is dat het hogere senior management op één lijn zit, wat niet het geval was (achteraf is gebleken dat deze managers klaarblijkelijk hebben samengewerkt met EZ om [bestuurder/CEO] en Yuching buitenspel te zetten). De OK heeft dit niet (kenbaar) in de beoordeling betrokken en daarop in ieder geval niet gemotiveerd gerespondeerd. Daarbij is onbegrijpelijk dat de OK [bestuurder/CEO] tegenwerpt dat geen ruggenspraak of overleg plaatsvond over het ontslag van de drie managers, terwijl over het bevel en de daarmee gecoördineerde indiening van het verzoekschrift evenmin overleg plaatsvond met Yuching en [bestuurder/CEO] (sterker nog: dat is bewust al die tijd verzwegen).
4.121 Deze klacht strandt.
4.121.1 De redenen voor het ontslag van de drie sleutelfunctionarissen in de Nederlandse organisatie van Nexperia ( [verweerder 4] , statutair bestuurder, en twee sleutelfunctionarissen uit het EMT: [betrokkene 4] en [betrokkene 5] ) kunnen niet afdoen aan de begrijpelijkheid van het bestreden oordeel. Daarbij wijst de OK immers in het bijzonder op de gebrekkigheid van de gevolgde procedure en op het (ook door [bestuurder/CEO] in gesprekken met EZ onderschreven) belang voor Nexperia van het waarborgen van het Nederlandse karakter van de onderneming van Nexperia, dit een en ander in verbinding met de nakende toepassing van de 50%-rule op Nexperia met de consequenties van dien. Voornoemde redenen, wat daarvan verder zij, laten die door de OK betrokken omstandigheden onverlet. Bij deze stand van zaken behoefde de OK niet nog weer nader te responderen op het desbetreffende verweer van [bestuurder/CEO] (dat de OK dit verweer van [bestuurder/CEO] is ontgaan, blijkt nergens uit).
4.121.2 Het beroep op het gebrek aan overleg over het bevel en de indiening van het verzoekschrift stuit reeds erop af dat het bestreden oordeel ziet op het aangezegde ontslag van die drie sleutelfunctionarissen in de Nederlandse organisatie van Nexperia, dat betrekking heeft op een eerder moment in de tijd dan het bevel en de indiening van het verzoekschrift. De ontslagaanzegging van [verweerder 4] dateert van 9 september 2025 (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 2.24), en die van [betrokkene 4] en [betrokkene 5] van 11 september 2025 (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 2.25), terwijl het bevel eerst bij besluit van 30 september 2025 is gegeven (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 2.27) en het verzoekschrift van Nexperia pas daarna is ingediend, op 1 oktober 2025 (zie onder 3.1 hiervoor).
4.121.3 Overigens volgt uit de aard van het bevel al dat daarover geen voorafgaand overleg plaatsvindt. Dat de indiening van het verzoekschrift tot het moment van indiening is verzwegen, mist bovendien feitelijke grondslag. Voor het indienen van het verzoekschrift is dus door [verweerder 4] , in tegenstelling tot de gang van zaken bij het ontslag van [verweerder 4] , wel de juiste procedurele weg bewandeld. Zelfs als dat niet het geval zou zijn, zou dat het voorlopige oordeel in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.21 ook nog niet onbegrijpelijk maken, nu de OK geen verband behoefde te leggen tussen deze twee verschillende onderwerpen.
4.122 In de tweede plaats klaagt het subonderdeel (PI 88) dat het in PI 86 weergegeven oordeel in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.21 dat de OR niet tijdig was geïnformeerd en in strijd met art. 30 WOR niet om advies was gevraagd, zonder nadere motivering onvoldoende is om te kunnen concluderen dat (naar voorlopig oordeel) sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia. Voorts/althans is deze omstandigheid onvoldoende voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen.
4.123 Ook deze klacht strandt.
4.123.1 Zij leest het bestreden oordeel (veel) te geïsoleerd. Het is niet relevant of de in de klacht centraal gestelde omstandigheid van voldoende gewicht is voor het voorlopige oordeel van de OK dat sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia (als vereist door art. 2:349a lid 3 BW voor het hier treffen van onmiddellijke voorzieningen), of voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen. De feiten en omstandigheden die de OK aan die oordelen ten grondslag heeft gelegd, moeten ten minste in onderling verband en samenhang bezien van voldoende gewicht zijn om die oordelen te kunnen dragen (zie mede onder 4.86.2 hiervoor).
4.123.2 Voornoemde omstandigheid is slechts een van de feiten en omstandigheden die de OK in totaliteit betrekt in de uitgewerkte beschikking, zie in het bijzonder rov. 3.16-3.22 (inzake die gegronde redenen) en rov. 3.23-3.26 (inzake die onmiddellijke voorzieningen, waarbij de OK blijkens rov. 3.23, eerste zin mede voortbouwt op rov. 3.16-3.22).
- Zo wijst de OK eerder in rov. 3.21 erop dat zonder zakelijke toelichting de betalingsbevoegdheden van de CFO en twee andere financiële sleutelfunctionarissen werden ingetrokken en in plaats daarvan een bankvolmacht werd verleend aan personen zonder financiële ervaring, welke handelwijze voor een onderneming van de orde van grootte van Nexperia grenst aan roekeloosheid.
- En zo kan rov. 3.21 niet los worden gezien van hetgeen daaraan voorafgaat in de uitgewerkte beschikking, in het bijzonder de kwestie van het niet opvolgen van toezeggingen aan de Staat om de governance van Nexperia te wijzigen (zie rov. 3.19-3.20).
- Daarvóór heeft de OK dan al gewezen op de kwestie van het tegenstrijdig belang van [bestuurder/CEO] (zie rov. 3.17-3.18).
- Daarbij komt dan dus nog het vervolg in rov. 3.21, vanaf “Een paar dagen later”, etc.
4.123.3 De klacht is terecht niet dat dit alles tezamen van onvoldoende gewicht is voor de door de OK getrokken conclusie dat (naar voorlopig oordeel) sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia, en voor de door de OK getroffen onmiddellijke voorzieningen. Voor zover de klacht nog wil betogen - zoiets staat er niet - dat de daarin centraal gestelde omstandigheid zelfs niet kan bijdragen aan die oordelen van de OK, omdat het “hier naar zijn aard [gaat] om een eenmalige gebeurtenis, die niet tot schade heeft geleid”, vindt dat geen steun in het recht. Het is evident dat een gebeurtenis niet een structureel karakter moet hebben en/of tot schade moet hebben geleid wil deze gebeurtenis een voor die oordelen relevante omstandigheid kunnen zijn.
4.124 In de derde plaats klaagt het subonderdeel (PI 89), voortbouwend op de vorige klacht, dat “dat” evenmin geldt voor het (niet in PI 86 weergegeven) oordeel in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.21 dat de betalingsbevoegdheden van de CFO en twee andere financiële sleutelfunctionarissen werden ingetrokken en een bankvolmacht werd verleend aan personen zonder financiële ervaring. Zelfs indien dit naar het oordeel van de OK zou grenzen aan roekeloosheid, betreft het een eenmalige handeling die als zodanig niet (zelfstandig, zonder meer) grond geeft te twijfelen aan een juist beleid of een juiste gang van zaken. Voorts/althans is deze omstandigheid onvoldoende voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen.
4.125 Deze klacht strandt eveneens.
4.125.1 Zij loopt vast in het voetspoor van de vorige klacht, waarop de klacht ook voortbouwt. Dit behoeft geen verdere toelichting. Wel wijs ik er nog op dat het hier volgens de OK gaat om meer dan een enkele handeling, welke handelwijze, die voor een onderneming van de orde van grootte van Nexperia grenst aan roekeloosheid, naar de aard (een serieus risico op) nadelige gevolgen voor Nexperia meebrengt.
4.126 Dit betekent dat subonderdeel 3.2.4 onderuit gaat.
4.127 Daarmee is gegeven dat onderdeel 3 faalt.
Onderdeel 4
(“Getroffen voorzieningen voldoen niet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit”)
4.128 Onderdeel 4 richt zich tegen het oordeel in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.23-3.24 dat onmiddellijke voorzieningen worden getroffen en dat deze voldoen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. De klacht (PI 90) is dat dit oordeel onjuist is, omdat het de juiste maatstaf miskend dan wel onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd in het licht van essentiële stellingen van [bestuurder/CEO] (en Yuching). Het onderdeel is uitgewerkt in drie subonderdelen.
4.129 Subonderdeel 4.1 (PI 91-96) bevat een rechtsklacht die niet is beperkt tot de onmiddellijke voorzieningen die [bestuurder/CEO] betreffen, maar geldt voor (het samenstel van) alle getroffen onmiddellijke voorzieningen (PI 91). De klacht (PI 93) is dat het bestreden oordeel (weergegeven in PI 91-92) blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en is uitgewerkt langs twee routes.
4.129.1 In de eerste plaats (PI 94) wordt aangevoerd dat de OK heeft miskend dat op grond van art. 2:349a lid 2 BW een noodzaak voor het treffen van onmiddellijke voorziening moet bestaan. De OK heeft in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.23 slechts geoordeeld dat de toestand van Nexperia “het nodig maakt” de desbetreffende onmiddellijke voorzieningen te treffen, wat volgens de klacht een wezenlijk ander criterium is.
4.129.2 In de tweede plaats (PI 95-96) wordt betoogd dat de OK, hoewel zij in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.24 lijkt te onderkennen dat onmiddellijke voorzieningen dienen te voldoen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit, niet heeft onderzocht of de voorzieningen niet verder ingrijpen dan noodzakelijk en of hetzelfde doel niet met minder ingrijpende voorzieningen kan worden bereikt. De OK herhaalt slechts de redenen die ten grondslag zijn gelegd aan de onmiddellijke voorzieningen zelf en tracht daarmee de zwaarte van de maatregelen te rechtvaardigen met de zwaarte van de voorlopig aangenomen gegronde redenen. Dat zegt volgens de klacht niets over proportionaliteit en subsidiariteit.
Behandeling
4.130 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.130.1 De eerste route berust enkel op een woordenspel. In de kop-staart-beschikking, rov. 3.3 heeft de OK overwogen dat zij van oordeel is “dat de toestand van Nexperia c.s. het noodzakelijk maakt de navolgende onmiddellijke voorzieningen te treffen”. [onderstreping toegevoegd, A-G] In de uitgewerkte beschikking, rov. 3.23 e.v., onder het opschrift “Onmiddellijke voorzieningen”, heeft de OK dit oordeel nader uitgewerkt. Die uitwerking begint in rov. 3.23, eerste zin met het bestreden oordeel dat “de toestand van Nexperia, zoals die blijkt uit het voorgaande het nodig maakt de navolgende onmiddellijke voorzieningen te treffen”. [onderstreping toegevoegd, A-G] Deze beide overwegingen kunnen redelijkerwijs niet anders worden verstaan dan als een parafrasering van het wettelijke criterium van art. 2:349a lid 2 BW dat “een onmiddellijke voorziening vereist is in verband met de toestand van de rechtspersoon”. [onderstreping toegevoegd, A-G] Daar komt nog bij dat “noodzakelijk” niet een (wezenlijk) andere taalkundige betekenis heeft dan “nodig” of “vereist”. Het voorgaande vindt bovendien nog een keer bevestiging in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.24, waarin de OK heeft overwogen dat de schorsing van [bestuurder/CEO] en het onder beheer plaatsen van alle aandelen van Yuching minus één “noodzakelijk, en proportioneel met het oog op het belang van de vennootschap, haar onderneming en de daarbij betrokkenen” is. [onderstreping toegevoegd, A-G] De OK heeft dus de juiste maatstaf toegepast. Hierop loopt de eerste route spaak.
4.130.2 Dan de tweede route. Die berust op een onjuiste lezing van de uitgewerkte beschikking, rov. 3.24 en faalt daarmee bij gebrek aan feitelijke grondslag. De OK heeft immers in die rov. 3.24 wel degelijk gemotiveerd waarom zij van oordeel is dat de getroffen onmiddellijke voorzieningen voldoen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. De OK heeft eerst overwogen dat op zitting uitvoerig met partijen is besproken of minder vergaande voorzieningen de voorkeur verdienen en oordeelt dan dat zij die vraag ontkennend beantwoordt. Vervolgens heeft de OK geoordeeld dat de getroffen voorzieningen, tegen de achtergrond van het aandeel van zowel [bestuurder/CEO] als bestuurder (“illustreert zijn handelwijze ten aanzien van”, etc.) als Yuching als aandeelhouder (“Het bezwaar (…) treft zowel [bestuurder/CEO] als bestuurder als Yuching als aandeelhouder”) in de door de OK in de daaraan voorafgaande overwegingen (rov. 3.16 e.v.) besproken gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia, noodzakelijk en proportioneel worden geacht. Dat is dus niet slechts een herhaling van de gegronde redenen of een rechtvaardiging van de zwaarte van de getroffen voorzieningen met de zwaarte van de gegronde redenen. Hierop loopt ook de tweede route vast.
4.131 Kortom, subonderdeel 4.1 mist doel.
4.132 Subonderdeel 4.2 klaagt dat voor zover het bestreden oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, het onbegrijpelijk is geformuleerd omdat de OK niet (kenbaar) heeft onderzocht of de te treffen voorzieningen voldoen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit (PI 97). Het subonderdeel doet daartoe een beroep op de spreekaantekeningen van [bestuurder/CEO] , nrs. 120, 126 (PI 98-99) en het verweerschrift van Yuching, nr. 226 (PI 100). Volgens de klacht (PI 101) heeft de OK niet onderzocht of de schorsing van [bestuurder/CEO] noodzakelijk was gelet op de toestand van Nexperia en of er minder vergaande voorzieningen getroffen konden worden. De OK (nog steeds volgens PI 101) heeft, ondanks de daartoe gedane suggesties van [bestuurder/CEO] en Yuching, niet kenbaar de door hen aangedragen minder vergaande alternatieven onderzocht en daarmee is het oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
Behandeling
4.133 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.133.1 Het subonderdeel ziet er vooreerst aan voorbij dat uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.24 wel degelijk uitdrukkelijk blijkt dat de OK de “proportionaliteit en subsidiariteit” van de onmiddellijke voorzieningen heeft beoordeeld. Om herhaling te voorkomen verwijs ik naar 4.130.2 hiervoor.
4.133.2 Deze feitelijke beoordeling, die zich in cassatie niet op juistheid laat toetsen, is ook voldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Het subonderdeel stelt te hoge eisen aan de motiveringsplicht van de OK in dit verband. Die motiveringsplicht gaat niet zover dat de OK voor ieder aangevoerde minder vergaande alternatieve onmiddellijke voorziening moet motiveren waarom daarmee niet kan worden volstaan gelet op hetgeen vereist is in verband met de toestand van de vennootschap en gelet op de belangen van de vennootschap en degenen die krachtens de wet en de statuten bij haar organisatie zijn betrokken. Uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.24 blijkt dat de OK de door [bestuurder/CEO] en Yuching aangedragen minder vergaande voorzieningen heeft onderzocht en van oordeel is dat die uit oogpunt van proportionaliteit en subsidiariteit niet de voorkeur verdienen. Daarmee is het bestreden oordeel toereikend gemotiveerd. Ik licht dat nog als volgt toe.
4.133.3 Aan de spreekaantekeningen van [bestuurder/CEO] , nr. 120 ontleent de klacht, kort gezegd, dat geen sprake is van (i) gebrekkige governance, (ii) verstoorde verhoudingen binnen het bestuur, en (iii) onbehoorlijk financieel beleid of ondernemingsbeleid van Nexperia. Dit betoog stuit af op het voorlopig oordeel van de OK dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia, zoals door de OK is gemotiveerd in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.16 e.v. Een van die gronden houdt immers verband met (herziening van) de governance van Nexperia (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19-3.20). Uit dat voorlopige oordeel blijkt bovendien dat sprake is van verstoorde verhoudingen binnen het bestuur van Nexperia. Het bestuur bestond immers uit twee bestuurders, [bestuurder/CEO] en [verweerder 4] (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 2.3), en [bestuurder/CEO] wilde [verweerder 4] als statutair bestuurder (en ook enkele EMT-functionarissen) ontslaan, omdat ze kort gezegd niet meer op dezelfde lijn zaten (zie onder meer de uitgewerkte beschikking, rov. 2.24 en 3.21). Verder blijkt uit dat voorlopige oordeel dat sprake was van onbehoorlijk financieel beleid of ondernemingsbeleid. Zo had [bestuurder/CEO] bij het aangaan van grote orders voor wafers bij WSS een tegenstrijdig belang en is niet gebleken dat de vereiste verhoogde zorgvuldigheid bij tegenstrijdig in acht werd genomen (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 3.18 en 3.24). En in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.21 merkt de OK de handelwijze van [bestuurder/CEO] met betrekking tot de betalingsbevoegdheden van Nexperia zelfs aan als grenzend aan roekeloosheid voor een onderneming van de orde van grootte van Nexperia. Dat duidt dus bepaald niet op een behoorlijk financieel beleid of ondernemingsbeleid. Onder 4.130.2 hiervoor merkte ik al op dat de OK het aandeel van [bestuurder/CEO] en Yuching in de gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia heeft betrokken in het oordeel over proportionaliteit en subsidiariteit in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.24. Hierop loopt het beroep op de spreekaantekeningen van [bestuurder/CEO] , nr. 120 (PI 98) spaak.
4.133.4 [bestuurder/CEO] ontleent aan zijn spreekaantekeningen, nr. 126 de stelling dat schorsing van [bestuurder/CEO] als bestuurder van Nexperia pas in beeld zou kunnen komen als de benoeming van een tijdelijke bestuurder met doorslaggevende stem waarbij de overige bestuurders in functie bleven niet effectief genoeg zou zijn. In dit verband verdient in de eerste plaats opmerking dat de OK een van de bestuurders ( [bestuurder/CEO] ) heeft geschorst (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 3.24) en de andere bestuurder ( [verweerder 4] ) in functie heeft gelaten (zie rov. 3.25 van die beschikking). Dit laatste wordt in cassatie niet bestreden. De OK heeft het aanblijven van [verweerder 4] gemotiveerd met de overweging dat het in het belang van Nexperia en (de continuïteit van) haar onderneming is dat hij (en het EMT) in staat worden gesteld de uitdagende omstandigheden het hoofd te bieden. Dit sluit aan bij de passage uit het proefschrift van Eikelboom waar in PI 99 naar wordt verwezen: [verweerder 4] (en het EMT) kunnen, in de woorden van Eikelboom, “de dagelijkse gang van zaken [blijven] runnen”. Uit die rov. 3.24 blijkt ook afdoende waarom de OK van oordeel was dat [bestuurder/CEO] niet (ook) als bestuurder kon aanblijven: “Wat [bestuurder/CEO] als bestuurder betreft, illustreert zijn handelwijze ten aanzien van onderwerpen waarbij hij een tegenstrijdig belang heeft, dat hij zich niet uitsluitend heeft laten leiden door het belang van Nexperia en haar onderneming, maar mogelijk zijn belangen in WSS de doorslag heeft doen geven ten koste van die van Nexperia”. Ik merkte onder 4.133.3 hiervoor ook al op dat uit het oordeel van de OK blijkt dat het tussen [bestuurder/CEO] en [verweerder 4] , die samen het bestuur van Nexperia vormden en waarvan het blijkens die rov. 3.25 in het belang van Nexperia werd geacht dat [verweerder 4] aanbleef, niet meer boterde. In de overweging in die rov. 3.24 dat op zitting uitvoerig met partijen is besproken of minder vergaande voorzieningen mogelijk waren, welke vraag door de OK ontkennend is beantwoord, ligt ook besloten dat de OK daarbij mede het oog had op de spreekaantekeningen van [bestuurder/CEO] , nr. 126. Die zijn immers, zoals ook blijkt uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025 (p. 6) en de uitgewerkte beschikking, rov. 1.5, voorgedragen. Het beroep op de spreekaantekeningen van [bestuurder/CEO] , nr. 126 (PI 99) slaagt daarmee evenmin.
4.133.5 Verder wordt nog een beroep gedaan op het verweerschrift van Yuching, nr. 226. Daaraan ontleent de klacht het betoog dat benoeming van “een onafhankelijke niet-uitvoerend bestuurder met beslissende stem en zelfstandige vertegenwoordigingsbevoegdheid” te vergaand is, omdat dit de facto een ‘enkelvoudig machtscentrum’ creëert dat noodzakelijk noch proportioneel is en dat Yuching uitdrukkelijk op een even effectieve, minder vergaande ingreep heeft gewezen: “een tijdelijk, onafhankelijk toezichthouder of board observer zonder beslissende stem of zelfstandige vertegenwoordigingsbevoegdheid, met een strikt afgebakende opdracht en looptijd, gericht op monitoring van compliance met het Bevel en op signalering van eventuele tegenstrijdige belangen”. Dit wordt een herhaling van zetten. Uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.24 blijkt afdoende dat de OK ook dit betoog van Yuching heeft beoordeeld en verworpen. Een dergelijke toezichthouder met beperkte bevoegdheden of board observer zou immers niet effectief kunnen optreden tegen de handelwijze van [bestuurder/CEO] ten aanzien van onderwerpen waarbij hij een tegenstrijdig belang heeft en zich niet uitsluitend heeft laten leiden door het belang van Nexperia en haar onderneming, en mogelijk zijn belangen in WSS de doorslag heeft doen geven ten koste van die van Nexperia. Dat de door de OK getroffen onmiddellijke voorzieningen de facto een enkelvoudig machtscentrum zouden creëren, valt ook niet in te zien. Eerder het tegendeel is het geval, namelijk dat de OK het enkelvoudige machtscentrum van [bestuurder/CEO] als bestuurder en indirect controlerend aandeelhouder van Nexperia heeft doorbroken met zijn schorsing en de benoeming van een OK-bestuurder en daarnaast de benoeming van een OK-beheerder van Yuchings aandelen minus één. Ook binnen het bestuur verdient het creëren van een enkelvoudig machtscentrum door de benoeming van een tijdelijke bestuurder met beslissende stem en zelfstandige vertegenwoordigingsbevoegdheid overigens relativering, nu als gezegd [verweerder 4] als bestuurder is aangebleven. Het beroep op het verweerschrift van Yuching, nr. 226 (PI 100) kan [bestuurder/CEO] hier dus ook niet baten.
4.133.6 Gelet op het voorgaande ontvalt de bodem aan de klacht in PI 101.
4.134 Kortom, ook subonderdeel 4.2 mist doel.
4.135 Subonderdeel 4.3 bevat twee sub(sub)onderdelen, die ik hierna langsloop.
4.136 Het subonderdeel klaagt in de eerste plaats (PI 102) dat indien naar het oordeel van de OK een minder ingrijpende maatregel niet effectief zou zijn, geldt dat de noodzaak van de zwaardere maatregel, en de met het oog op de gevolgen ervan gemaakte billijke afweging, voldoende uit de uitspraak moet blijken. Volgens het subonderdeel zijn de uitgewerkte beschikking, rov. 3.23-3.24 onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, omdat die in het geheel geen blijk geven van de vereiste belangenafweging. Volgens het subonderdeel valt uit de uitgewerkte beschikking evenmin af te leiden waarom de toestand van Nexperia een onverwijlde schorsing van [bestuurder/CEO] noodzakelijk maakte (PI 104).
Behandeling
4.137 In zoverre faalt het subonderdeel, gelet op het volgende.
4.137.1 Het subonderdeel ziet hier eraan voorbij dat de noodzaak van de getroffen onmiddellijke voorzieningen en de met het oog op de gevolgen ervan gemaakte billijke afweging, wel degelijk blijkt uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.23-3.24.
4.137.2 In dat oordeel staat namelijk meer dan het subonderdeel hier doet voorkomen:
“3.23 De Ondernemingskamer is van oordeel dat de toestand van Nexperia, zoals die blijkt uit het voorgaande het nodig maakt de navolgende onmiddellijke voorzieningen te treffen. Zij zal [bestuurder/CEO] schorsen als bestuurder van Nexperia en in zijn plaats G.R.C. Dierick tot niet-uitvoerende bestuurder van Nexperia benoemen. (…) De Ondernemingskamer ziet ook aanleiding om de aandelen in Nexperia Holding met uitzondering van één aandeel ten titel van beheer over te dragen aan mr. drs. A.R.J. Croiset van Uchelen. (…).
3.24
Op zitting is uitvoerig met partijen besproken of minder vergaande voorzieningen uit oogpunt van proportionaliteit en subsidiariteit de voorkeur verdienen. De Ondernemingskamer beantwoordt die vraag ontkennend. Wat [bestuurder/CEO] als bestuurder betreft, illustreert zijn handelwijze ten aanzien van onderwerpen waarbij hij een tegenstrijdig belang heeft, dat hij zich niet uitsluitend heeft laten leiden door het belang van Nexperia en haar onderneming, maar mogelijk zijn belangen in WSS de doorslag heeft doen geven ten koste van die van Nexperia. Het bezwaar dat geen uitvoering is gegeven aan eerdere toezeggingen betreffende de wijziging van de governance nadat [A] op de Entity List werd geplaatst en in het zicht van de 50%-rule treft zowel [bestuurder/CEO] als bestuurder als Yuching als aandeelhouder. Tegen deze achtergrond acht de Ondernemingskamer een schorsing van [bestuurder/CEO] en het onder beheer plaatsen van alle aandelen minus één aandeel noodzakelijk, en proportioneel met het oog op het belang van de vennootschap, haar onderneming en de daarbij betrokkenen.”
4.137.3 Met “de toestand van Nexperia, zoals die blijkt uit het voorgaande” in rov. 3.23 heeft de OK kennelijk en niet onbegrijpelijk het oog gehad op de acute noodsituatie als bedoeld in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.12-3.13, en op de uitgewerkte beschikking, rov. 3.16-3.22, waarin de OK niet alleen heeft geconstateerd dat toezeggingen aan de Staat om de governance van Nexperia te wijzigen niet werden opgevolgd, maar ook met betrekking tot Nexperia heeft gewezen - kort gezegd - op: de handelwijze van [bestuurder/CEO] aangaande orders waarbij hij een tegenstrijdig belang heeft; het geven van betalingsbevoegdheden aan personen zonder financiële ervaring; en het ontslag van drie sleutelfunctionarissen. Uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.24 blijkt vervolgens uitdrukkelijk dat de OK de “proportionaliteit en subsidiariteit” (zie ook: “noodzakelijk, en proportioneel”) van de onmiddellijke voorzieningen heeft beoordeeld. Onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting is de OK van oordeel dat minder vergaande voorzieningen in dit geval niet mogelijk zijn, in welk verband de OK ook uitdrukkelijk de belangen van [bestuurder/CEO] als bestuurder en van Yuching als aandeelhouder in de beoordeling heeft betrokken. Deze feitelijke beoordeling, die zich in cassatie niet op juistheid laat toetsen, is voldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Wat dit laatste betreft merk ik nog op dat de OK de schorsing van [bestuurder/CEO] als bestuurder en de aanstelling van een tijdelijke bestuurder in [bestuurder/CEO] plaats in samenhang heeft beoordeeld met de overdracht van Yuchings aandelen ten titel van beheer. Dat is ook alleszins begrijpelijk gelet op het feit dat [bestuurder/CEO] tevens indirect controlerend aandeelhouder was van Yuching, de enig aandeelhouder van Nexperia Holding. Het behoeft immers geen betoog dat de noodzakelijk geachte bevordering van sanering en herstel van gezonde verhoudingen binnen een vennootschap en haar onderneming niet uitsluitend via het bestuur kan worden bereikt, indien de geschorste bestuurder tevens (indirect) controlerend aandeelhouder van de vennootschap is.
4.137.4 Hierop stuit het subonderdeel al af wat betreft de klachten in PI 102-104. Kort en goed: de daarin bedoelde miskenning door althans onvoldoende (begrijpelijke) motivering van de OK doet zich in werkelijkheid niet voor
4.138 Het subonderdeel vervolgt in PI 105-106met een motiveringsklacht gericht tegen het oordeel in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.24 dat bij de keuze om [bestuurder/CEO] als bestuurder van Nexperia te schorsen meeweegt dat geen uitvoering is gegeven aan eerdere toezeggingen betreffende de wijziging van de governance nadat [A] op de U.S. Entity List werd geplaatst in het zicht van de 50%-rule, welk bezwaar zowel [bestuurder/CEO] als bestuurder als Yuching als aandeelhouder treft. De klacht is dat dit oordeel onbegrijpelijk is, omdat [bestuurder/CEO] de invoering van een raad van commissarissen met specifieke goedkeuringsrechten simpelweg niet kon doorvoeren. Dit is volgens het subonderdeel een bevoegdheid van de algemene vergadering (art. 2:231 lid 1 BW in verbinding met art. 2:250 lid 1 BW). Uit het bestreden oordeel volgt niet (begrijpelijk) waarom dit bezwaar ook [bestuurder/CEO] als bestuurder treft.
Behandeling
4.139 Ook in zoverre faalt het subonderdeel, gelet op het volgende.
4.139.1 Aan het bestreden oordeel gaat het oordeel vooraf dat wat betreft [bestuurder/CEO] als bestuurder met betrekking tot zijn handelwijze ten aanzien van onderwerpen waarbij hij een tegenstrijdig belang heeft, illustreert dat hij zich niet uitsluitend heeft laten leiden door het belang van Nexperia en haar onderneming, maar mogelijk zijn belangen in WSS de doorslag heeft doen geven ten koste van die van Nexperia. Dat oordeel ten aanzien van [bestuurder/CEO] als bestuurder kan de noodzaak en proportionaliteit van de ten laste van hem getroffen voorzieningen al dragen. Met het daaropvolgende bestreden oordeel over het governancebezwaar voegt de OK daaraan toe dat dat bezwaar zowel [bestuurder/CEO] als bestuurder als Yuching als aandeelhouder treft. Met het bestreden oordeel heeft de OK met andere woorden gemotiveerd waarom (niet alleen de schorsing van [bestuurder/CEO] als bestuurder, maar) ook de overdracht van Yuchings aandelen (minus één) ten titel van beheer noodzakelijk en proportioneel werd geacht.
4.139.2 Het is overigens in het licht van de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19-3.20 ook niet onbegrijpelijk dat de OK heeft geoordeeld dat het governancebezwaar (de tweede grond voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia) ook [bestuurder/CEO] als bestuurder treft. De OK heeft in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.20 immers overwogen dat “het voor [bestuurder/CEO] als bestuurder van Nexperia” duidelijk moet zijn geweest dat implementatie van de governancemaatregelen nodig was en dat “[d]esondanks geen stappen [zijn] gezet [lees: onder meer door [bestuurder/CEO] als bestuurder, A-G]” om in het belang van de vennootschap tot aanpassing van de governance te komen. De klacht neemt op zichzelf terecht tot uitgangspunt dat [bestuurder/CEO] als bestuurder geen raad van commissarissen kon instellen maar dat die bevoegdheid, via een statutenwijziging, bij de algemene vergadering ligt. Uit het “geen stappen” hebben gezet, volgt echter dat de OK niet het oog had op die uiteindelijke formele bevoegdheid tot statutenwijziging, maar op het daaraan voorafgaande implementatiestadium waarin [bestuurder/CEO] als bestuurder wel degelijk was betrokken, zoals ook strookt met de door de OK vastgestelde feiten (zie onder meer de uitgewerkte beschikking, rov. 2.13 en 2.14).
4.140 Kortom, subonderdeel 4.3 treft evenmin doel.
4.141 Daarmee is gegeven dat onderdeel 4 faalt.
Onderdeel 5
(“De door de Ondernemingskamer opgelegde geheimhoudingsplicht ex art. 28 Rv is rechtens onjuist of althans ontoereikend gemotiveerd”)
4.142 Onderdeel 5 is gericht tegen het in de ex parte-beschikking opgelegde en in de kop-staart-beschikking gehandhaafde verbod aan verzoeksters, verweersters, belanghebbenden en alle overige (rechts)personen die kennis hebben of op enig moment zullen krijgen van deze procedure om aan derden mededelingen te doen omtrent de procedure, om de redenen vermeld in de ex parte-beschikking, rov. 2.2 en zoals is herhaald in de opheffingsbeschikking II, rov. 2.1. Dit een en ander zou blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting althans ontoereikend zijn gemotiveerd (PI 107). Dit werkt het onderdeel uit langs drie routes.
Behandeling
4.143 Het onderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.144 Vanaf 4.145 hierna ga ik nader in op die drie routes. Ik begin met een opmaat over het belang van [bestuurder/CEO] bij de klachten in het onderdeel.
4.144.1 Op grond van art. 399 Rv, voor de verzoekschriftprocedure in samenhang met art. 426 lid 4 Rv, staat geen cassatieberoep open indien men zijn of haar bezwaren kan doen herstellen door dezelfde rechter bij wie de zaak heeft gediend. De (voor het eerst in dit middel tot uiting gebrachte) bezwaren van [bestuurder/CEO] tegen het desbetreffende verbod komen erop neer dat de OK het verbod in verschillende opzichten te ruim heeft geformuleerd. Art. 28 lid 2 Rv opent de mogelijkheid om op een later tijdstip - in de lopende procedure, maar ook nog, bij apart verzoekschrift, na afloop van die procedure - aan het gerecht dat het desbetreffende verbod heeft opgelegd te verzoeken om dit geheel of gedeeltelijk op te heffen. Van die mogelijkheid bij de OK heeft [bestuurder/CEO] geen gebruik gemaakt. Hij heeft zich aanvankelijk juist verweerd tegen het verzoek van EZ tot gedeeltelijke opheffing van het verbod, en zich vervolgens bij het verzoek van EZ het verbod geheel op te heffen gerefereerd aan het oordeel van de OK. De OK heeft die verzoeken van EZ in de opheffingsbeschikking I en de opheffingsbeschikking II toegewezen.
4.144.2 De opheffing van het verbod neemt niet weg dat het verbod vanaf het moment dat het is opgelegd (op 1 oktober 2025) heeft gegolden tot het moment dat het is opgeheven (gedeeltelijk op 8 oktober 2025 en geheel op 13 oktober 2025). In dat tijdsbestek was het op grond van het door de OK opgelegde verbod voor de door de OK genoemde partijen op de voet van het klachtdelict van art. 272 Sr strafbaar om mededelingen aan derden te doen omtrent de procedure. De beslissing op een verzoek om opheffing op de voet van art. 28 lid 2 Rv heeft geen terugwerkende kracht, maar werkt vanaf het moment dat door het desbetreffende gerecht op dat verzoek wordt beslist (zoals de gedeeltelijke opheffing per 8 oktober 2025 en de gehele opheffing per 13 oktober 2025). In het tijdsbestek tussen opleggen en eerst gedeeltelijk en dan geheel opheffen van het verbod, is het verbod (in zoverre) dus van kracht gebleven. Het slagen van een of meer klachten in het onderdeel zou het effect kunnen sorteren dat het verbod voor de periode tussen 1 oktober en 13 oktober 2025 wordt vernietigd.
4.144.3 Dit effect kan niet via een verzoek aan de OK op de voet van art. 28 lid 2 Rv worden bereikt, zodat art. 399 Rv in verbinding met art. 426 lid 4 Rv hier niet geldt. Met betrekking tot het oordeel over het opleggen van een verbod ex art. 28 Rv geldt ook geen rechtsmiddelenverbod (vergelijk met betrekking tot het opheffen van een verbod ex art. 28 Rv onder 4.4 hiervoor). Bovendien klaagt [bestuurder/CEO] dat de OK bij het opgelegde verbod in verschillende opzichten buiten de grenzen van art. 28 Rv is getreden. Dat [bestuurder/CEO] ter zitting bij de OK op 6 oktober 2025 geen verweer heeft gevoerd tegen de reikwijdte van het desbetreffende verbod maakt het voorgaande ook niet anders. Het verbod was immers al opgelegd in de ex parte-beschikking en op of voor 6 oktober 2025 was er ook nog geen nieuwsbericht van een entiteit van de [A] -groep gepubliceerd (zie ook de opheffingsbeschikking II, rov 1.3). Het bericht dat door [A] in China zou zijn gepubliceerd, dateert van 12 oktober 2025.
4.144.4 In zoverre heeft [bestuurder/CEO] m.i. dan ook belang bij de klachten in het onderdeel.
4.144.5 Daarmee kom ik toe aan de inhoudelijke bespreking van het onderdeel, te beginnen met de eerste van voornoemde drie routes.
4.146 Ten eerste klaagt het onderdeel (PI 108-111) dat de OK heeft miskend dat art. 28 Rv geen grond biedt om aan derden te verbieden mededelingen te doen “omtrent een procedure” in algemene (categorische) zin. De klacht verwijst naar wetsgeschiedenis en stelt dat in het licht daarvan het van een onjuiste rechtsopvatting getuigt dat de OK in algemene zin heeft verboden mededelingen te doen “omtrent deze procedure”. Het verbod ziet onder meer op het aanhangig zijn van de procedure, de inzet ervan en het feit dat een beschikking is gegeven en wat de inhoud daarvan is, en gaat aldus de grenzen van art. 28 Rv te buiten. Het verbod is zo ruim dat niet alleen de in art. 28 lid 1 Rv specifiek vermelde gegevens daaronder vallen, maar kennelijk alle informatie die aan de OK is voorgelegd, zonder specificering en beperking, en óók informatie die niet valt onder de specifiek in art. 28 lid 1 Rv vermelde categorieën. Ook dit gaat de grenzen van art. 28 Rv te buiten.
4.147 Ik zie deze klacht niet slagen.
4.147.1 Art. 28 lid 1 Rv bevat drie categorieën gevallen waarvoor geldt dat het partijen verboden is mededelingen te doen.
4.147.2 Art. 28 lid 1, aanhef en onder a Rv bevat een mededelingenverbod voor het verhandelde op een zitting met gesloten deuren. Deze eerste categorie is aan de orde in onze zaak. De OK heeft in de ex parte-beschikking, rov. 2.1-2.2 geoordeeld dat de zitting van 6 oktober 2025 op de voet van art. 27 lid 1, aanhef en onder b Rv (dat wil zeggen: in het belang van de veiligheid van de Staat) met gesloten deuren plaatsvindt, waarmee het verbod van art. 28 lid 1, aanhef en onder a Rv is geactiveerd. De vertrouwelijkheid op grond van art. 28 lid 1, aanhef en onder a Rv is, met andere woorden, het gevolg van de beslissing van de OK tot sluiting van de deuren op de voet van art. 27 lid 1, aanhef en onder b Rv.
4.147.3 De OK heeft het verbod ruimer getrokken door eveneens toepassing te geven aan art. 28 lid 1, aanhef en onder b Rv, de tweede categorie. Die bepaling biedt de grondslag voor de rechter om een geheimhoudingsplicht op te leggen voor andere, niet ter zitting behandelde, informatie. In de wetsgeschiedenis is hierover onder meer het volgende vermeld:
“De rechter kan ook een geheimhoudingsplicht opleggen voor andere, niet ter terechtzitting behandelde, informatie (eerste lid, onder b). Daaraan kan - op voormelde gronden - evenzeer behoefte bestaan, ook als geen sprake is van een niet of slechts gedeeltelijk openbare terechtzitting. Zo is denkbaar dat onder omstandigheden een geheimhoudingsplicht wordt gevraagd ten aanzien van gegevens die in een conclusie van antwoord zijn opgenomen, of gegevens die op een rechterlijk bevel ingevolge artikel 1.3.4 [art. 22 Rv, A-G] worden overgelegd. Ook kan gedacht worden aan vertrouwelijke gegevens die wel in de processtukken zijn vermeld, maar niet op een terechtzitting aan de orde zijn geweest. In dergelijke gevallen kan de partij die daarbij belang heeft aan de rechter verzoeken een geheimhoudingsplicht op te leggen.”
4.147.4 Art. 28 lid 1, aanhef en onder c Rv bevat sinds 1 januari 2025 een specifieke categorie van gevallen waarin vertrouwelijke gegevens zijn verstrekt op grond van bepalingen zoals art. 22 Rv of art. 195 Rv die ik hier verder kan laten rusten, omdat die derde categorie in onze zaak niet aan de orde is.
4.147.5 Het door de OK opgelegde verbod mededelingen te doen “omtrent deze procedure” betreft dus een combinatie van:
- het verhandelde ter zitting met gesloten deuren (art. 28 lid 1, aanhef en onder a Rv), en
- andere informatie die niet (of ten tijde van de ex parte-beschikking nog niet) ter zitting is behandeld (art. 28 lid 1, aanhef en onder b Rv).
4.147.6 Laatstbedoelde informatie betreft ten tijde van de ex parte-beschikking, los van de procedure als zodanig, mede het verzoekschrift met bijlagen van Nexperia van 1 oktober 2025 en de brief van EZ van dezelfde datum en vervolgens ook de voorafgaand aan de zitting van 6 oktober 2025 ingediende stukken met bijlagen: het verweerschrift van EZ van 5 oktober 2025 en het verweerschrift van Yuching van 6 oktober 2025. Dit blijkt als het dictum wordt gelezen in het licht van de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen. In de ex parte-beschikking, rov. 2.2 heeft de OK overwogen dat voor de redenen waarom het partijen en belanghebbenden wordt verboden aan derden mededelingen te doen omtrent de procedure wordt verwezen naar paragraaf 1 van het verzoekschrift van Nexperia van 1 oktober 2025 en naar p. 2 (onder “Vertrouwelijkheid”) van de brief van EZ van dezelfde datum.
4.147.7 Na de zitting met gesloten deuren van 6 oktober 2025 geldt ook het verbod van art. 28 lid 1, aanhef en onder a BW. In de wetsgeschiedenis staat hierover bijvoorbeeld:
“Als de rechter (…) van de in artikel 1.3.9 geboden mogelijkheid [bedoeld is de mogelijkheid van art. 27 lid 1 Rv, zoals een zitting met gesloten deuren, A-G] gebruik heeft gemaakt, dient de vertrouwelijkheid ook na afloop van de zitting te zijn gewaarborgd en behoort het verhandelde ter terechtzitting ook niet later door partijen zelf «aan de grote klok» te worden gehangen. Om dat te
bereiken, verbiedt het eerste lid, onder a, aan partijen om daarover aan derden mededelingen te doen.”
4.147.8 Na afloop van de zitting van 6 oktober 2025 geldt het verbod in de zin van art. 28 lid 1, aanhef en onder b Rv dus nog voor andere informatie die niet reeds wordt gedekt door het verbod van art. 28 lid 1, aanhef en onder a Rv met betrekking tot het verhandelde ter zitting met gesloten deuren. Een combinatie van een verbod als bedoeld in art. 28 lid 1, aanhef en onder a Rv en een verbod als bedoeld in art. 28 lid 1, aanhef en onder b Rv is in het systeem van art. 28 Rv niet uitgesloten. Een zitting met gesloten deuren waarvan de vertrouwelijkheid van het verhandelde op grond van art. 28 lid 1, aanhef en onder a Rv wordt gewaarborgd, zou immers weinig effectief zijn als partijen en belanghebbenden andere, niet ter zitting met gesloten deuren behandelde, vertrouwelijke informatie wel aan de grote klok zouden mogen hangen. Het aanvullende verbod van art. 28 lid 1, aanhef en onder b Rv dient nu juist om dat laatste te voorkomen.
4.147.9 Van belang is verder dat de OK aan (i) de behandeling met gesloten deuren op de voet van art. 27 lid 1, tweede zin en onder b Rv, met het daaraan gekoppelde mededelingenverbod van art. 28 lid 1, aanhef en onder a Rv, en (ii) het mededelingenverbod van art. 28 lid 1, aanhef en onder b Rv nog een derde trap heeft toegevoegd. In de ex parte-beschikking, rov. 2.6 heeft de OK overwogen (iii) dat zij “de zaak niet [zal] opnemen in openbare overzichten van aanhangige zaken en geen mededelingen aan derden over deze zaak [zal] doen”. Dit laatste berust niet op art. 28 lid 1 Rv, want betreft (de griffie van) de OK zelf.
4.147.10 Trap (iii) begrijp ik zo dat de OK daarmee tevens te kennen geeft dat zolang de bij trap (i) en (ii) bedoelde verboden gelden, een eventueel verzoek van een derde op de voet van art. 29 lid 2 Rv om verstrekking van een afschrift van een beschikking in de onderhavige procedure zal worden geweigerd door (de griffie van) de OK gegeven de hier spelende zwaarwegende belangen, in het bijzonder van Nexperia en haar onderneming. De wetsgeschiedenis van art. 29 Rv bevestigt dat ook bij in het openbaar uitgesproken beslissingen verstrekking van een afschrift aan derden kan worden geweigerd (niet slechts door anonimisering beperkt wordt) in verband met zwaarwegende belangen van anderen, waaronder die van partijen.
4.147.11 Het gecombineerde effect van deze drietrapsraket (dus (i) t/m (iii)) is een volledig vertrouwelijke behandeling van de onderhavige zaak. Dit strookt ook met de opheffingbeschikking II, rov. 2.1. Daaruit blijkt dat het opgelegde verbod om mededelingen te doen over deze procedure door de OK, in haar korte samenvatting:
“is opgelegd om de betrokken partijen de gelegenheid te bieden om zonder de externe druk die van eventuele publiciteit zou kunnen uitgaan in het belang van Nexperia en haar onderneming tot een werkbare oplossing van de ontstane situatie te komen.”
Zo’n volledig vertrouwelijke behandeling van de onderhavige zaak was ook - naar het niet onbegrijpelijke oordeel van de OK - de strekking van paragraaf 1 van het verzoekschrift van Nexperia van 1 oktober 2025, zoals gesteund door EZ blijkens p. 2 van de brief van dezelfde datum (onder “Vertrouwelijkheid”): dit een en ander ademt de noodzaak van een zo maximaal mogelijke vertrouwelijkheid ter zake. Zie onder 4.147.6 hiervoor.
4.147.12 Van deze drietrapsraket wordt in het onderdeel uitsluitend kenbaar geklaagd over het mededelingenverbod op de voet van art. 28 lid 1, aanhef en onder b Rv, dus trap (ii). Het mededelingenverbod op de voet van art. 28 lid 1, aanhef en onder a Rv bij trap (i) vloeit immers automatisch voort uit de beslissing tot het houden van een zitting met gesloten deuren, en tegen die beslissing op de voet van art. 27 lid 1, aanhef en onder b Rv (zie de ex parte-beschikking, rov. 2.2, eerste zin) is het onderdeel niet gekant. Ook de ex parte-beschikking, rov. 2.6, ofwel trap (iii), is in cassatie onbestreden.
4.147.13 Tegen deze achtergrond bezie ik nu de deelaspecten van de klacht nader.
4.147.14 De klacht beroept zich onder meer op de volgende passages uit de wetsgeschiedenis van art. 28 Rv:
“(…)
Aldus biedt het eerste lid [gedoeld wordt op wat thans is bepaald in art. 28 lid 1, aanhef en onder a en b Rv, A-G] niet alleen bescherming aan partijen, maar schept het ook een voorwaarde voor een meer onbevangen, en daardoor mogelijk vruchtbaarder, waarheidsvinding. (…)
Openbaarheid van de rechtspleging blijft zoals gezegd de hoofdregel. Er is geen reden een geheimhoudingsplicht te creëren voor alle gegevens die partijen in een procedure verkrijgen. Als gegevens ter openbare terechtzitting zijn behandeld of als zij blijken uit een in het openbaar uitgesproken beslissing, zijn zij reeds uit dien hoofde openbaar. Daarbij past geen geheimhoudingsplicht. Vertrouwelijkheid volgens het eerste lid is steeds het gevolg van een rechterlijke beslissing: sluiting van de deuren, beperking van de toegang tot een terechtzitting, dan wel een uitdrukkelijke vertrouwelijk-verklaring.
(…).”
4.147.15 Deze passages baten de klacht niet. Dat het bepaalde in art. 28 lid 1, aanhef en onder (a en) b Rv “ook een voorwaarde [schept] voor een meer onbevangen, en daardoor mogelijk vruchtbaarder, waarheidsvinding”, wil niet zeggen dat de OK ‘dus’ niet kon overgaan tot het mededelingenverbod op de voet van art. 28 lid 1, aanhef en onder b Rv ter bescherming van betrokken belangen zoals zij heeft gedaan bij trap (ii). Dit laatste volgt evenmin uit het vervolg, vanaf “Openbaarheid”, etc. Lezen we dat deel van het citaat als geheel, dan is de bedoeling ervan duidelijk: die openbaarheid van de rechtspleging is het uitgangspunt (“de hoofdregel”), zo’n geheimhoudingsplicht is dus geen automatisme. Ofwel: een beperking van die openbaarheid, het gelden van zo’n geheimhoudingsplicht, behelst een uitzondering en vergt daarom telkens een daartoe strekkende rechterlijke beslissing (“is steeds het gevolg van een rechterlijke beslissing”). Ook hieraan ziet de OK dus niet voorbij met het opgelegde mededelingenverbod op de voet van art. 28 lid 1, aanhef en onder b Rv bij trap (ii).
4.147.16 Daarop strandt eveneens de opmerking in de klacht dat art. 28 Rv volgens de wetgever een uitzondering is op het uitgangspunt van “openbaarheid van procedurele gegevens”. Daaraan ziet de OK dus niet voorbij met het opgelegde mededelingenverbod op de voet van art. 28 lid 1, aanhef en onder b Rv bij trap (ii). Het fundamentele beginsel van openbaarheid van rechtspraak draagt geen absoluut karakter, zo volgt ook al direct uit art. 28 lid 1 Rv. Illustratief is een Hoge Raad-uitspraak van 21 april 2023 waarin onder meer en kortweg de mogelijkheid wordt genoemd dat de rechter, om te voorkomen dat vertrouwelijke gegevens worden geopenbaard, op de voet van art. 28 lid 1, aanhef en onder b Rv kan verbieden dat partijen omtrent bepaalde gegevens uit de procedure mededelingen doen aan derden.
4.147.17 In het licht hiervan mist de klacht ook doel, voor zover daarin wordt geponeerd dat uit het citaat onder 4.147.14 hiervoor (specifiek de zin: “Er is geen reden een geheimhoudingsplicht te creëren voor alle gegevens die partijen in een procedure verkrijgen”) een kenbare begrenzing zou volgen van wat de rechter - zoals hier de OK - in een concreet geval vermag in het kader van art. 28 lid 1 Rv. Zo’n begrenzing valt daaruit niet op te maken.
4.147.18 Voor zover de klacht aanvoert dat gelet op de onder 4.147.17 hiervoor genoemde wetsgeschiedenis de rechter moet specificeren waarop voornoemde geheimhoudingsplicht ziet, en dit betekent dat een mededelingenverbod op de voet van art. 28 lid 1, aanhef en onder b Rv slechts kan zien op specifieke documenten of uitlatingen in een procedure, mist dit eveneens doel. Zo’n begrenzing van art. 28 lid 1 Rv valt niet te lezen in de desbetreffende passages. Overigens onderkent de klacht dat in de onderhavige zaak duidelijk is wat de OK heeft beoogd met het opgelegde verbod, zie onder 4.146 hiervoor.
4.147.19 Daarbij betrek ik ook het citaat onder 4.147.3 hiervoor, in welk licht de tekst van art. 28 lid 1, aanhef en onder b Rv valt te verstaan. Dit laat zien dat blijkens de wetsgeschiedenis de door de bepaling geboden mogelijkheid potentieel zeer ruim is:
“De rechter kan ook een geheimhoudingsplicht opleggen voor andere, niet ter terechtzitting behandelde, informatie (eerste lid, onder b). Daaraan kan - op voormelde gronden - evenzeer behoefte bestaan, ook als geen sprake is van een niet of slechts gedeeltelijk openbare terechtzitting.”
Wat daarop volgt in het citaat betreft illustraties van de toepassing van de bepaling. Kortom, er is gekozen voor een open formulering van wat de rechter op grond van de bepaling kan en mag in een concreet geval. Naar volgt uit al het voorgaande is de OK met toepassing daarvan in de onderhavige, uitzonderlijke zaak niet voorbij de spankracht van de bepaling gegaan.
4.147.20 Daarmee ontvalt reeds de bodem aan de klacht. Kort en goed: de daarin bedoelde miskenning door de OK van art. 28 Rv doet zich in werkelijkheid niet voor.
4.148 Ten tweede klaagt het onderdeel (PI 112-114) dat het oordeel van de OK van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, omdat de wens om publiciteit buiten de deur te houden, die blijkens de ex parte-beschikking, rov. 2.2 en de opheffingsbeschikking II, rov. 2.1 ten grondslag ligt aan het opgelegde verbod, geen toereikende omstandigheid kan zijn om het bestaan van de procedure als zodanig, de inzet ervan en de gegeven beslissingen en/of wat in dat kader aan de rechter bekend is gemaakt, geheim te verklaren, althans dat het oordeel ontoereikend is gemotiveerd. De OK had, in het bijzonder vanwege het door de wetgever nadrukkelijk vooropgestelde uitgangspunt van openbaarheid van rechtspraak, inzichtelijk moeten maken waarom een dermate verstrekkende geheimhoudingsplicht nodig was. De klacht wijst er nog op (i) dat “[d]aarbij is te bedenken” dat een beursvennootschap zoals [A] op grond van regelgeving onderhevig is aan meldingsplichten, en (ii) dat “[h]et voorgaande eens temeer [klemt]” omdat het opgelegde verbod verder gaat dan is verzocht door Nexperia en ondersteund door EZ.
4.149 Ik zie ook deze klacht niet slagen.
4.149.1 De rechtsklacht strandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag, nu zij veronderstelt dat de OK slechts “[d]e wens om publiciteit buiten de deur te houden” ten grondslag heeft gelegd aan het opgelegde verbod. Het gaat in werkelijkheid evenwel om meerdere redenen.
4.149.2 Dat blijkt al uit de ex parte-beschikking, rov. 2.2, waarin de OK voor deze redenen verwijst naar paragraaf 1 van het verzoekschrift van Nexperia van 1 oktober 2025 en p. 2 van de brief van EZ van dezelfde datum (onder “Vertrouwelijkheid”). De OK heeft aldaar overwogen dat het verbod voor partijen en belanghebbenden om aan derden mededelingen te doen omtrent deze procedure “om dezelfde redenen” wordt toegewezen als het verzoek om de zitting met gesloten deuren te houden. Dat is dus (i) het belang van de veiligheid van de Staat en (ii) het belang van Nexperia en haar onderneming. Ter illustratie van belang (ii) dient het volgende citaat uit het verzoekschrift van Nexperia, nr. 6:
“(…) Ingeval de onderhavige kwestie in het openbaar zou worden behandeld, dreigt Nexperia schade te lijden die enkel ongemak te boven gaat, omdat tot dan toe onbekende gegevens over haar en haar onderneming naar buiten zullen komen. (…) Als de inhoud van deze maatregel [het bevel, A-G] openbaar zou worden door openbare behandeling van deze zaak, zal het functioneren van Nexperia ernstig worden bemoeilijkt en haar bedrijfseconomische positie in gevaar komen. (…) De ontstane [geopolitieke, A-G] situatie brengt de continuïteit van Nexperia in gevaar. (…) Daar komt bij dat in deze procedure - en in dit verzoekschrift - commercieel- en concurrentiegevoelige informatie over Nexperia aan de orde komt. (…).”
4.149.3 In de opheffingsbeschikking II, rov. 2.1 vat de OK deze redenen aldus samen dat het verbod:
“is opgelegd om de betrokken partijen de gelegenheid te bieden om zonder externe druk die van eventuele publiciteit zou kunnen uitgaan in het belang van Nexperia en haar onderneming tot een werkbare oplossing van de ontstane situatie te komen.”
De OK plaatst het verbod hier dus uitdrukkelijk ook in de sleutel van (ii) het belang van Nexperia en haar onderneming, nog daargelaten dat dit slechts één van de redenen is die blijken uit de ex parte-beschikking, rov. 2.2.
4.149.4 Daarmee ontvalt ook al de bodem aan (i) en (ii) in de klacht, waarbij immers wordt voortgebouwd op voornoemde onjuiste veronderstelling. Bij (i) geldt nog dat de klacht niet uiteenzet om welke regelgeving dit dan meer precies zou gaan, laat staan dat daarop door [bestuurder/CEO] (bij wege van verweer) bij de OK een beroep is gedaan, zodat de klacht in zoverre hoe dan ook niet voldoet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv. Bij (ii) geldt nog dat dit hoe dan ook voorbijziet aan hetgeen ik uiteenzette onder 4.147.6 en 4.147.11 hiervoor.
4.149.5 Overigens acht ik die motivering van de OK toereikend. Daarbij zie ik geen grond voor het aannemen van een verzwaarde motiveringsplicht van de rechter in het geval hij een verplichting tot geheimhouding oplegt.
4.150 Ten derde klaagt het onderdeel (PI 115-117) dat de OK heeft miskend dat art. 28 Rv geen grondslag biedt voor een zo ruim mededelingenverbod als “alle overige (rechts)personen die kennis hebben of op enig moment zullen krijgen van deze procedure”. De klacht beroept zich wederom op het uitgangspunt van openbaarheid van rechtspraak en de uitzondering die art. 28 Rv hierop vormt, en voorts op de omstandigheid dat schenden van het verbod ex art. 28 Rv op basis van art. 272 Sr strafrechtelijk is gesanctioneerd. Voor zover het wel mogelijk is het verbod tot anderen dan partijen of belanghebbenden te richten, is het oordeel ontoereikend gemotiveerd in het licht van die omstandigheden en de omstandigheid dat niet is verzocht om een dergelijk verstrekkend verbod althans Nexperia en de Staat niet hebben toegelicht waarom zo’n verbod nodig zou zijn.
4.151 Ik zie deze klacht evenmin slagen.
4.151.1 Uit de wettekst van art. 28 lid 1 Rv volgt dat een verbod op grond van deze bepaling is gericht tot “partijen”. Uit de wetsgeschiedenis van de bepaling blijkt dat het partijbegrip ruim moet worden uitgelegd. Behalve eiser en gedaagde en eventuele derden-partijen in een dagvaardingsprocedure zijn daaronder ook verzoeker(s) en belanghebbende(n) in een verzoekschriftprocedure begrepen. In de literatuur wordt aangenomen dat het verbod zich ook kan uitstrekken tot eventuele derden die geen partij zijn, zoals deskundigen of getuigen. In lijn hiermee heeft de Hoge Raad al eens beslist dat art. 28 Rv ten aanzien van deskundigen van overeenkomstige toepassing is. Dit sluit aan bij de ratio van de bepaling, die beoogt te voorkomen dat partijen en eventuele derden mededeling doen van vertrouwelijke gegevens. Uit de wetsgeschiedenis blijkt verder dat de formulering van art. 28 Rv voor een deel is ontleend aan art. 2:353 lid 3 BW, de bepaling uit het enquêterecht op grond waarvan de OK kort gezegd aan anderen dan de rechtspersoon (dus ook een ruime formulering) kan verbieden mededelingen te doen uit het onderzoekverslag.
4.151.2 In verschillende rechtspraakcommentaren bij de bestreden OK-beschikkingen is opgemerkt dat de OK mogelijk te ver is gegaan door het mededelingenverbod mede te richten tot “alle overige (rechts)personen die kennis hebben of op enig moment zullen krijgen van deze procedure”. Ik zie dat anders. Deze passage moet volgens mij niet geïsoleerd worden gelezen in de betekenis van “iedereen”, maar worden verstaan in samenhang met de daaraan voorafgaande door de OK genoemde partijen en belanghebbenden tot wie het mededelingenverbod is gericht: verzoeksters en verweersters (Nexperia) en belanghebbenden (Yuching, [bestuurder/CEO] , [verweerder 4] , de OR en EZ). Hieruit blijkt dat Nexperia (Nexperia Holding en Nexperia B.V.) niet een opzichzelfstaande (enkelvoudige) rechtspersoon is. Zij heeft verschillende dochterondernemingen (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 2.2). De aandelen in Nexperia Holding worden indirect, via Yuching, gehouden door [A] , wier aandelen zijn genoteerd aan de Shanghai Stock Exchange onder toezicht van de CSRC (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 2.5), waarbij [bestuurder/CEO] geldt als (indirect) controlerende aandeelhouder van Yuching en [A] (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 2.1, 2.5). In de PI wordt ook onderkend dat Nexperia onderdeel is van de [A] -groep.
4.151.3 Met deze economische werkelijkheid, als onderdeel van de omstandigheden van het geval, heeft de OK kennelijk rekening gehouden bij de formulering van de reikwijdte van het mededelingenverbod in de ex parte-beschikking. Dat ligt ook voor de hand, nu het - ik wees daarop al - naar vaste rechtspraak uitgangspunt is bij de toepassing van het enquêterecht dat het uiteindelijk vooral aankomt op de economische werkelijkheid. Zie onder 4.18.8 en 4.106.1 hiervoor. De OK heeft, anders en kort gezegd, bij de formulering van de reikwijdte van het mededelingenverbod rekening willen houden met het feit dat sprake is van een organisatorisch verband van (rechts)personen in de [A] -groep, waartoe ook Nexperia behoort. Een mededelingenverbod waarbij niet met deze groepsrealiteit rekening gehouden zou worden (ofwel enkel gericht tot de opzichzelfstaande, enkelvoudige (rechts)personen die behoren tot de verzoeksters, verweersters en belanghebbenden), zou immers weinig effectief zijn nu andere (rechts)personen die onderdeel zijn van de [A] -groep dan niet onder de reikwijdte van het verbod zouden vallen.
4.151.4 De wettelijke grondslag voor een mededelingenverbod met een dergelijke ruime personele reikwijdte kan, voor een geval als het onderhavige, worden gevonden in art. 28 lid 1 Rv. Voor bepalingen in Boek 2 BW die de opzichzelfstaande (enkelvoudige) rechtspersoon tot uitgangspunt nemen, heeft de Hoge Raad een paar jaar geleden in een enquêterechtelijke zaak aanvaard dat bij de uitleg van dergelijke bepalingen en de toepassing daarvan in een concreet geval van belang kan zijn dat sprake is van een organisatorisch verband van rechtspersonen. In die zaak leidde het op deze wijze rekening houden met de economische werkelijkheid, als onderdeel van de omstandigheden van het geval, tot een ruime personele reikwijdte van art. 2:8 lid 1 BW in de zin dat tot degenen die krachtens de wet en de statuten bij de organisatie van de rechtspersoon zijn betrokken als bedoeld in die bepaling (bijvoorbeeld) ook een middellijk aandeelhouder van die rechtspersoon kan behoren. Ik zie niet in waarom deze redenering niet ook kan worden toegepast in een enquêterechtelijke zaak met betrekking tot een bepaling als art. 28 lid 1 Rv.
4.151.5 Voor een dergelijke ruime uitleg van “partijen” als bedoeld in art. 28 lid 1 Rv is te meer aanleiding gelet op hetgeen ik onder 4.151.1 hiervoor opmerkte over de ratio en ontstaansgeschiedenis van de bepaling, die ten dele is ontleend aan het enquêterecht. Voor de goede orde merk ik nog op dat de juridische techniek hier geen ‘overeenkomstige’ toepassing van art. 28 lid 1 Rv op overige (rechts)personen is: deze overige (rechts)personen (lees: in de [A] -groep) vallen hier, gezien de economische werkelijkheid van dit geval, onder het ruim uit te leggen partijbegrip van art. 28 lid 1 Rv. Zo bezien is het opgelegde mededelingenverbod ook niet ruimer dan verzocht, nu de OK aldus binnen de grenzen van art. 28 lid 1 Rv is gebleven. Het verbod is aldus ook niet tot anderen dan de in art. 28 lid 1 Rv genoemde “partijen” gericht. Tot onaanvaardbare uitkomsten, mede gelet op de strafrechtelijke sanctionering in art. 272 Sr, leidt een dergelijke ruime uitleg van het partijbegrip in art. 28 lid 1 Rv evenmin.
4.151.6 Gelet op het voorgaande valt, anders de klacht voorstaat, niet in te zien dat de OK wat betreft de personele reikwijdte van het opgelegde mededelingenverbod art. 28 Rv heeft miskend of haar oordeel dienaangaande onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd. Hierop stuit de klacht reeds af.
4.152 Daarmee is gegeven dat ook onderdeel 5 faalt.
Slotsom
4.153 Het cassatiemiddel van [bestuurder/CEO] is derhalve vergeefs voorgesteld.
5Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep, althans voor wat betreft de opheffingsbeschikking I en de opheffingsbeschikking II mede tot niet-ontvankelijkheid zoals uiteengezet onder 4.12 hiervoor.
Zie Hof Amsterdam (OK) 1 oktober 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2738.
Zie Hof Amsterdam (OK) 7 oktober 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2739.
Zie Hof Amsterdam (OK) 8 oktober 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2740.
Zie Hof Amsterdam (OK) 13 oktober 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2742.
Zie Hof Amsterdam (OK) 13 oktober 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2752.
Zie de vorige noot.
Toevoeging A-G: bedoeld is NXP Semiconductors N.V., dat weer is afgesplitst van Koninklijke Philips N.V. Zie ook het verzoekschrift van Nexperia, nr. 23 en het verweerschrift van Yuching, nr. 16.
Toevoeging A-G: aanvankelijk JAB Capital, uiteindelijk het hierna te noemen [A] (via Yuching). [bestuurder/CEO] houdt (indirect) ongeveer 15% van de aandelen in [A] en geldt als controlerend aandeelhouder. Zie ook het verzoekschrift van Nexperia, nr. 23 en het verweerschrift van Yuching, nr. 16.
Zie noot 1 hiervoor.
Zie noot 2 hiervoor.
Zie noot 3 hiervoor.
Zie noot 4 hiervoor.
Zie noot 5 hiervoor.
Hierna ook wel afgekort als: de PI. Verwijzingen naar de PI in de hoofdtekst van deze conclusie zijn, omwille van de leesbaarheid, iets compacter geformuleerd dan zulke verwijzingen in de noten van deze conclusie.
Zie art. 3.2.17.1 Procesreglement HR.
Zie Hof Amsterdam (OK) 11 februari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:318.
Zie Hof Amsterdam (OK) 17 februari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:508.
Zie de PI, nrs. 1-2.
Zie voor de gelijkenissen en verschillen met de zaak 25/04297 ook de transponeringtabel in het verweerschrift in cassatie van Nexperia, p. 92-98. Het grootste verschil is dat [bestuurder/CEO] geen beroep doet op art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM, wat met name doorwerkt in de onderdelen 1 en 4.
Zie de PI, nrs. 3-47.
Zie de PI, nrs. 48-62.
Zie de PI, nrs. 63-89.
Zie de PI, nrs. 90-106.
Zie de PI, nrs. 107-117.
Zie bijv. C.D.J. Bulten e.a., ‘Inleiding’, in: Handboek Enquêterecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 10. Zie over de twee fasen van de enquêteprocedure bijv. HR 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9440, NJ 2003/486, rov. 3.3.3 (“(…) de eerste fase van de enquêteprocedure waarin moet worden beoordeeld of er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid te twijfelen, en de tweede fase waarin moet worden beoordeeld of van wanbeleid sprake is geweest en welke gevolgen daaraan eventueel moeten worden verbonden”). Zie ook mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2025:436) voor HR 13 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:907, RvdW 2025/769, onder 3.15, met verwijzingen.
Zie bijv. Bulten e.a. 2022, p. 10.
Zie bijv. HR 27 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7245, NJ 2000/653, rov. 4.1.
Zie bijv. HR 10 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1233, NJ 1990/465, rov. 3.
In onze zaak heeft de OK onmiddellijke voorzieningen getroffen voordat (in de eerstefasebeschikking) een onderzoek werd gelast. Art. 2:349a lid 3 BW biedt daarvoor de grondslag indien er naar het voorlopig oordeel van de OK gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen (zie voor dat laatste de ex parte-beschikking, rov. 2.4; de kop-staart-beschikking, rov. 3.2; en de uitgewerkte beschikking, rov. 3.7, 3.16-3.22).
Zie bijv. F.E. Vermeulen & G.P. Oosterhoff, ‘Toetsing in cassatie’, in: Handboek Enquêterecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 1005 en P.M. Storm, Corporate Litigation bij de Ondernemingskamer, Den Haag: BJu 2018, p. 197, 346.
Van de eerstefasebeschikking en de beschikking van 17 februari 2026 heeft zowel [bestuurder/CEO] als Yuching inmiddels ook afzonderlijk cassatieberoep ingesteld. Zie onder 3.24 hiervoor.
Zie de opheffingsbeschikking I, rov. 1.3.
Zie de opheffingsbeschikking II, rov. 1.3.
Vgl. bijv. art. 31 lid 4 Rv (“Tegen de verbetering of weigering daarvan staat geen voorziening open”) en art. 32 lid 3 Rv (“Tegen de weigering van de aanvulling staat geen voorziening open”).
Zie bijv. F.J.P. Lock, T&C Rv, Deventer: Wolters Kluwer 2026 (bijgewerkt t/m 15 februari 2026), art. 28 Rv, aant. 4 onder b.
Zie bijv. A.I.M. van Mierlo, T&C Rv, Deventer: Wolters Kluwer 2025 (bijgewerkt t/m 25 november 2025), art. 261 Rv, aant. 5 onder c en E.L. Schaafsma-Beversluis, GS Burgerlijke Rechtsvordering, Deventer: Wolters Kluwer 2024 (bijgewerkt t/m 1 maart 2024), art. 261 Rv, aant. 2 onder c, beiden met als voorbeelden onder meer art. 31 en 32 Rv.
Zie Lock 2026, art. 28 Rv, aant. 4.
Dat is overigens in dit geval ook gebeurd. Zie de opheffingsbeschikking I, rov. 1.3 en de opheffingsbeschikking II, rov. 1.3.
Zie T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, Deventer: Wolters Kluwer 2025 (bijgewerkt t/m 14 juli 2025), art. 28 Rv, aant. 4, onder verwijzing naar HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2395, NJ 2019/37, rov. 3.5, 3.8.1-3.8.3.
Ik neem aan dat in de uitgewerkte beschikking de nadere uitwerking van de opheffingsbeschikking I ook op dit aspect betrekking heeft.
Zie bijv. F.J.P. Lock, T&C Rv, Deventer: Wolters Kluwer 2026 (bijgewerkt t/m 15 februari 2026), art. 19 Rv, aant. 1 onder a, met verwijzingen.
Zie de PI, nr. 3 (“(…) met de procesgang voorafgaand aan de Ex Parte Beschikking en daarna, uitmondend in de Verkorte [kop-staart, A-G] Beschikking en Uitgewerkte Beschikking, (…).” Zie nog wel subonderdeel 1.2 (“procesgang als geheel is oneerlijk”), maar in dat verband wordt ook weer uitsluitend verwezen naar beslissingen in de ex parte-beschikking en de uitgewerkte beschikking.
Zie de opheffingsbeschikking I, rov. 1.6-1.8.
Zie de opheffingsbeschikking II, rov. 1.5-1.6.
Zie de PI, nr. 52 (“De Ondernemingskamer heeft blijkens de Ex Parte Beschikking, de Verkorte Beschikking, de Opheffingsbeschikking 1 en de Uitgewerkte Beschikking EZ aangemerkt als belanghebbende, die als zodanig alle procedurele rechten van een belanghebbende kan uitoefenen, waaronder mede begrepen het indienen van een verweerschrift, het gehoord worden en het kunnen doen van een verzoek ex art. 28 lid 2 Rv. (…)”).
Zie bijv. Kamerstukken II 1999/00, 26855, 3, p. 18 en Lock 2026, art. 28 Rv, aant. 2 onder b.
Zie bijv. de PI, nr. 49.
Zie de PI, nrs. 107, 110, 112.
Met als opschrift: “Geen wettelijke grondslag voor Ex Parte Beschikking en de daarin getroffen en vervolgens door de Ondernemingskamer gehandhaafde onmiddellijke voorzieningen”.
Zie bijv. Kamerstukken II 1999/00, 26855, 3, p. 49-50, alsmede Lock 2026, art. 19 Rv, aant. 1 onder a en T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, Deventer: Wolters Kluwer 2026 (bijgewerkt t/m 16 februari 2026), art. 19 Rv, aant. 1.
Illustratief is HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2321, NJ 2019/88, rov. 4.4.3: “(…) [D]e rechter [mag] in verband met het bepaalde in art. 19 Rv of art. 6 EVRM in het algemeen niet op een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening (…) beslissen zonder de belanghebbenden in de gelegenheid te hebben gesteld zich over dat verzoek uit te laten (…).” Zie bijv. ook Tjong Tjin Tai 2026, art. 19 Rv, aant. 1.
Zie bijv. B. Winters, ‘De verzoekschriftprocedure’, in: Handboek Enquêterecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 87-88 en mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:925), onder 3.14, met verwijzingen, in de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is geweest onder zaaknummer 20/00337 (zie nader J.H.M. Willems in ARO 2021/122).
Zie bijv. Lock 2026, art. 19 Rv, aant. 3 onder a en Tjong Tjin Tai 2026, art. 19 Rv, aant. 3.
Zie bijv. EHRM 15 oktober 2009, ECLI:CE:ECHR:2009:1015JUD001705606, NJ 2010/180, rov. 86.
Zie bijv. A-G Timmerman in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2007:AZ9324) voor HR 20 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9324, NJ 2007/241, onder 2.12.
Zie voor een uitzondering waarin vooraf wordt gehoord, althans daartoe gelegenheid wordt gegeven: art. 720, laatste zin Rv.
Iets anders is dat de mogelijkheid van desgevorderde opheffing van het gelegde beslag in kort geding bestaat, zie art. 705 Rv.
Zie bijv. Tjong Tjin Tai 2026, art. 19 Rv, aant. 3.
Zie bijv. HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2321, NJ 2019/88, rov. 4.4.3, onder verwijzing naar HR 20 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9324, NJ 2007/241, waaruit ik hierna citeer.
Zie HR 20 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9324, NJ 2007/241, rov. 3.3.3.
Zie HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2321, NJ 2019/88, rov. 4.4.2-4.4.3. Het citaat betreft rov. 4.4.3.
Zie bijv. HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2321, NJ 2019/88, rov. 4.4.2-4.4.3; HR 31 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1414, NJ 2018/411, rov. 3.4.2; en HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533, NJ 2016/261, rov. 3.4-3.5.
Zie bijv. HR 20 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9324, NJ 2007/241, rov. 3.3.3.
A-G Timmerman noemt in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2007:AZ9324) voor HR 20 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9324, NJ 2007/241, onder 2.12 als mogelijke wettelijke basis een ruime toepassing van de uitzondering als bedoeld in art. 279 lid 1 Rv om een mondelinge behandeling achterwege te laten (“tenzij hij zich aanstonds onbevoegd verklaart of het verzoek toewijst”). Wat daarvan zij, die Hoge Raad-uitspraak biedt geen aanknopingspunt voor de lezing dat de Hoge Raad de toegelaten uitzondering op het beginsel van hoor/wederhoor heeft gestoeld op een ruime toepassing van de bevoegdheid ex art. 279 lid 1 Rv om een mondelinge behandeling achterwege te laten. Die uitspraak rept immers niet over art. 279 lid 1 Rv, maar noemt alleen art. 2:298 lid 2 BW.
Tussen voorlopige voorzieningen als bedoeld in art. 223 Rv en art. 2:298 BW en onmiddellijke voorzieningen als bedoeld in art. 2:349a BW bestaat een sterke gelijkenis. Zie over die gelijkenis bij art. 223 Rv en art. 2:349a BW bijv. mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:925), onder 3.12, met verwijzingen, in de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is geweest onder zaaknummer 20/00337. Zie over die gelijkenis bij art. 2:298 BW en art. 2:349a BW bijv. de conclusie van A-G Timmerman (ECLI:NL:HR:2010:BK5989) voor HR 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5989, NJ 2010/296, onder 3.4. In rov. 3.5.1 van laatstgenoemde uitspraak zoekt de Hoge Raad bij de uitleg van art. 2:298 BW aansluiting bij onder meer de regeling van een onmiddellijke voorziening als bedoeld in art. 2:349a BW. Zie bijv. ook E. Schmieman in JOR 2007/171, nr. 5.
Zie bijv. HR 31 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1414, NJ 2018/411, rov. 3.4.2-3.4.4 over de in art. 821-826 Rv vervatte bijzondere regeling voor de scheidingsprocedure, waarop art. 223 Rv niet van overeenkomstige toepassing is. Dit laatste geldt ook - een ander voorbeeld - voor de bijzondere regels vervat in art. 800 lid 3 Rv en art. 809 lid 3 Rv inzake beslissingen tot het treffen van voorlopige kinderbeschermingsmaatregelen, waarover bijv. HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2321, NJ 2019/88, rov. 4.4.2.
Zie bijv. O.J.W. Schotel in JPBr 2025/31, nrs. 5.4-6 en Asser Procesrecht/I. Giessen, Beginselen van burgerlijk procesrecht (1), Deventer: Wolters Kluwer 2024, nr. 330. Zie ook Lock 2026, art. 19 Rv, aant. 3 onder a, die kortweg noteert: “Soms kan ook de spoedeisendheid van een verzochte voorziening aanleiding geven om het horen van betrokkene(n) achterwege te laten (zie HR 20 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9324, NJ 2007/241).”
Zie bijv. EHRM 15 oktober 2009, ECLI:CE:ECHR:2009:1015JUD001705606, NJ 2010/180, rov. 86.
Zie over de verwantschap tussen het treffen van onmiddellijke voorzieningen op de voet van art. 2:349a BW en in de kortgedingprocedure op de voet van art. 254 Rv ook mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:925), onder 3.4, met verwijzingen, in de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is geweest onder zaaknummer 20/00337. Zie algemener over enquêterecht en kort geding bijv. A. Hammerstein, ‘Enquêterecht en kort geding’, in: Handboek Enquêterecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, hfst. 44.
Zie over deze term bijv. E. Gras, R.G. Hendrikse & A.W. Jongbloed, Compendium van het Burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 339-340 (nr. 12.7).
Zie bijv. Asser Procesrecht/R.J.B. Boonekamp, Het kort geding (6), Deventer: Wolters Kluwer 2024, nr. 83, die daar spreekt van een “‘voorlopige’ voorlopige voorziening” (het “treffen van een voorlopige maatregel in afwachting van de behandeling en beslissing” in kort geding).
Zie bijv. Asser Procesrecht/Boonekamp 2024, nr. 83.
Zie bijv. Asser Procesrecht/Boonekamp 2024, nrs. 82, 106, onder verwijzing naar T.A.W. Sterk, ‘Goede orde in het kort geding’, in: Onverwijlde spoed, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1987, p. 29, waar deze gedachte als volgt wordt verwoord: “[D]e provisionele voorziening in afwachting van het eindvonnis in kort geding is niet anders dan het mindere dat alvast op grond van een uiterst summier onderzoek kan worden toegewezen.”
Zie in dit verband voor kort geding bijv. ook Asser Procesrecht/Boonekamp 2024, nr. 82.
Naar vaste rechtspraak is uitgangspunt bij de toepassing van het enquêterecht, welke regeling is gericht op het belang van de rechtspersoon, dat het uiteindelijk vooral aankomt op de economische werkelijkheid. Zie bijv. HR 22 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1283, NJ 2024/22, rov. 3.4 onder verwijzing naar HR 4 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR8899, NJ 2005/127, rov. 3.3.4. Zie nader hierover bijv. B.F. Assink & L. Timmerman, ‘Is de economische werkelijkheid een uitgangspunt voor het gehele ondernemingsrecht?’, Ondernemingsrecht 2023/101 en B.F. Assink, ‘Iets over de economische werkelijkheid, binnen het enquêterecht en daarbuiten’, WPNR 2026, p. 105-108, met verwijzingen (in de aldaar in nr. 9 onder b aangestipte zaak heeft de Hoge Raad inmiddels uitspraak gedaan: HR 13 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:403, JOR 2026/67).
Zie dus bijv. HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2321, NJ 2019/88, rov. 4.4.2-4.4.3 en HR 20 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9324, NJ 2007/241, rov. 3.3.3.
Zie dus onder 4.18.7 hiervoor.
Zie dus onder 4.18.2 hiervoor.
Dat de voorzieningenrechter deze bevoegdheid heeft, vindt overigens bevestiging in de feitenrechtspraak waarnaar de PI, noot 13 verwijst. Vgl. over de (ir)relevantie van art. 223 Rv in dit verband 4.18.6 hiervoor.
De OK heeft, voor zover mij bekend, niet eerder in een enquêteprocedure ex parte onmiddellijke voorzieningen getroffen.
Zie de Wet van 8 november 1993 tot wijziging en aanvulling van de regeling van het recht van enquête, Stb. 1993, 597. Zie hierover ook mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:925), onder 3.4, met verwijzingen, in de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is geweest onder zaaknummer 20/00337.
Een voorbeeld daarvan, dat ook wordt genoemd in de PI, nr. 11, is de Signa Sports United-zaak. Het verzoekschrift in die zaak werd ingediend op vrijdag 20 oktober 2023, waarna de OK (het bestuur van) de vennootschap tot uiterlijk maandag 23 oktober 2023 12:00 uur in de gelegenheid had gesteld op het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen te reageren. In het weekend heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden en ondanks het uitblijven van een reactie van (het bestuur van) de vennootschap heeft de OK een onmiddellijke voorziening getroffen. Dat de onmiddellijke voorziening op die dag werd getroffen, hield kennelijk ermee verband dat dat de laatste dag was waarop een verzoek tot herziening van het besluit tot delisting van de aandelen in de vennootschap aan de NYSE bij de Committee of the Board of Directors of the Exchange en beëindiging van de beursnotering van de vennootschap zonder een dergelijk herzieningsverzoek definitief zou zijn. Zie Hof Amsterdam (OK) 23 oktober 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2477, rov. 1.4, 3.1-3.2 en 4. Zie hierover ook C.D.J. Bulten, ‘Inkleuring van een caleidoscopisch beeld’, in: Grensoverschrijdend ondernemingsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2025, p. 1-2. De spoedeisendheid in deze zaak was dus iets minder groot dan in de onderhavige zaak, waardoor in die zaak nog gelegenheid tot verweer tot 23 oktober 2023, 12:00 uur kon worden geboden.
Een ander voorbeeld daarvan is de Impromex Technics Holding-zaak. Daarin dateert het verzoekschrift van 18 maart 2020 en heeft de OK partijen diezelfde dag bericht dat zij door de maatregelen rondom het COVID-19-virus niet in de gelegenheid is het verzoek op korte termijn ter zitting te behandelen, dat de mondelinge behandeling is bepaald op 28 mei 2020 en dat partijen in de gelegenheid worden gesteld zich schriftelijk uit te laten over (uitsluitend) de noodzaak om voordien onmiddellijke voorzieningen te treffen, waarbij de OK termijnen heeft gesteld voor het indienen van een verweerschrift en voor het indienen van re- en dupliek. Na deze schriftelijke ronde heeft de OK voorafgaand aan de mondelinge behandeling onmiddellijke voorzieningen getroffen. Zie Hof Amsterdam (OK) 16 april 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1088, rov. 1.2-1.5, 3.8 en 4. Zie hierover ook A.J. van Wees, ‘Mondelinge behandeling’, in: Handboek Enquêterecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 538-539. De in die zaak gehanteerde uitzondering hield dus geen verband met de spoedeisendheid van de zaak.
Een voorbeeld daarvan is de ABN Amro-zaak. Daarin werd op 27 april 2007 het verzoekschrift ingediend, werden op 27 en 28 april 2007 verweerschriften ingediend en werd nog diezelfde dag - zaterdag (!) 28 april 2007 - het verzoek voor zover het strekte tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen behandeld ter zitting, waarna de OK op 3 mei 2007 haar beschikking gaf. Zie Hof Amsterdam (OK) 3 mei 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BA4395, rov. 1.1-1.4. Zie hierover ook toenmalig OK-voorzitter J.H.M. Willems, ‘Van beleggingsbescherming en zeggenschapsverwerving’, in: 100 jaar VEB, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 270.
Zie de brief van Nexperia van 1 oktober 2025, p. 1 (“Zoals nader toegelicht op pagina 4 e.v. van deze brief, wordt de Ondernemingskamer verzocht op zo kort mogelijke termijn (binnen enkele dagen) een mondelinge behandeling te bepalen waarin (ten minste) het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen kan worden behandeld”), p. 4 (“Nexperia verzoekt de Ondernemingskamer deze zaak met bijzondere spoed te behandelen en op de kortst mogelijke termijn, oftewel binnen enkele dagen, een zitting te plannen”), en p. 5 (“Nexperia verzoekt u dan ook om een mondelinge behandeling van het verzoek op zo kort mogelijke termijn en om zo mogelijk op de zitting uitspraak te doen”).
Zie de brief van EZ van 1 oktober 2025, p. 1-2 (onder “Spoedeisendheid”), waar onder meer staat: “(…) Kortom, iedere dag dat deze situatie voortduurt, vormt een bedreiging voor de continuïteit van de onderneming en daarmee voor de economische veiligheid van Nederland en Europa. Een spoedig optreden van de Ondernemingskamer kan dat voorkomen. De Minister steunt de verzoeken van Nexperia c.s. dan ook en verzoekt de Ondernemingskamer met klem deze zo spoedig mogelijk te behandelen en op de kortst mogelijke termijn op de verzoeken te beslissen.”
Zie HR 20 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7322, NJ 2011/212.
Zie HR 30 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8210, NJ 2007/293.
Zie HR 20 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7322, NJ 2011/212, rov. 3.7.
Zie HR 30 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8210, NJ 2007/293, rov. 4.4.
Zie de noten 85-86 hiervoor.
Zie bijv. ook Asser Procesrecht/Boonekamp 2024, nr. 83: “De eiser kan hetzij in de conceptdagvaarding, hetzij nader per brief aan de voorzieningenrechter een voorlopig ge- of verbod vragen.”
Zie hierover ook mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:925), onder 3.4, met verwijzingen, in de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is geweest onder zaaknummer 20/00337.
Zie over dit laatste bijv. ook HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:199, NJ 2023/166, rov. 3.4.2.
Zie bijv. Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, p. 20: “Onmiddellijke voorzieningen zijn naar hun aard ordemaatregelen, die worden ingegeven door de toestand van de rechtspersoon of het belang van het onderzoek. De situatie waarin de rechtspersoon of het onderzoek verkeert, moet een onmiddellijk ingrijpen door de rechter rechtvaardigen.”
Zie reeds HR 10 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1234, NJ 1990/466, rov. 4.1. Zie bijv. ook HR 14 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3523, NJ 2008/105, rov. 3.6, waarover nader onder 4.19.13 hierna. Ik kan de discussie over de zgn. connexiteitseis hier verder laten rusten. Zie nader mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:925), onder 3.12, met verwijzingen, in de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is geweest onder zaaknummer 20/00337.
Zie bijv. de conclusie van A-G Timmerman (ECLI:NL:PHR:2010:BL6182) voor HR 16 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6182, RvdW 2010/540, onder 3.25, die daarbij ook uiteenzet dat “met de meeste spoed” al voorkwam in de wettelijke regeling van het enquêterecht bij invoering ervan in 1928. Zie ook art. 53 lid 4, eerste zin WvK (oud) betreffende het oorspronkelijke enquêterecht van 1928: “De rechtbank behandelt het verzoek met den meesten spoed in raadkamer en beslist na verhoor of behoorlijke oproeping van de naamlooze vennootschap; (...).” Zie nadien bijv. Kamerstukken II 2011/12, 32887, 6, p. 24.
Dus: “In afwijking van artikel 282 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan iedere belanghebbende een verweerschrift indienen tot een door de ondernemingskamer bepaald tijdstip voorafgaand aan de aanvang van de behandeling. De verzoekers en de rechtspersoon verschijnen hetzij bij advocaat, hetzij bijgestaan door hun advocaten. Alvorens te beslissen kan de ondernemingskamer ook ambtshalve getuigen en deskundigen horen.”
In de wetsgeschiedenis zijn hieraan niet veel woorden gewijd. Zie bijv. Kamerstukken II 1991/92, 22400, 3, p. 15: “Het behoeft weinig betoog, dat de bevoegdheid tot het treffen van voorlopige voorzieningen, met name het verbod tot het uitvoeren van bepaalde besluiten die als wanbeheer kunnen worden beschouwd of die het ingestelde onderzoek kunnen doorkruisen, in elk stadium van het geding moeten kunnen worden getroffen.”
Zie hierover bijv. ook P.G.F.A. Geerts, GS Rechtspersonen, Deventer: Wolters Kluwer 2022 (bijgewerkt t/m 18 oktober 2022), art. 2:349a BW, aant. 3.3.1.
Zie bijv. Kamerstukken II 1991/92, 22400, 3, p. 16: “Het spreekt vanzelf dat de president in kort geding een terughoudend standpunt moet innemen indien van hem een voorziening wordt gevraagd vóór het enquêteverzoek is ingediend en dat hij, indien een dergelijk verzoek wordt gedaan met het oog op een in te dienen enquêteverzoek, in beginsel de duur van de door hem te treffen voorziening beperkt [tot het] tijdstip dat de Ondernemingskamer op een verzoek om voorlopige voorzieningen zal hebben beslist. Aldus kunnen tegenstrijdige of slecht met elkaar in overeenstemming te brengen beslissingen worden voorkomen.”
Uit de in de PI, noot 19 aangehaalde bronnen blijkt ook niet iets anders. Zie Lock 2026, art. 19 Rv, aant. 3 onder a en P. Smits, Artikel 6 EVRM en de civiele procedure, Deventer: Kluwer 2008, par. 3.3.5. Dat Smits hier niet verwijst naar voornoemde Hoge Raad-uitspraak van 20 april 2007 heeft waarschijnlijk ermee te maken dat zijn boek een bewerking is van zijn proefschrift met dezelfde titel uit 1996. Terzijde: in zoverre is het onderhavige geval bij de OK wel vergelijkbaar met art. 700 Rv in verbinding met art. 705 Rv, nu Yuching en [bestuurder/CEO] ook achteraf, bij verweerschrift en op de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025, zijn gehoord. Vgl. hierover ook al A-G Timmerman in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2007:AZ9324) voor die Hoge Raad-uitspraak van 20 april 2007, onder 2.12: “Anders dan het subonderdeel veronderstelt, brengt het feit dat het tijdstip waarop [verzoeker] zich heeft kunnen uitlaten gelegen is ná de toewijzing van het verzoek, op zichzelf genomen nog niet mee dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden. Zo is met het oog op art. 6 EVRM overwogen dat voor de vraag of het daarin gewaarborgde beginsel van hoor en wederhoor is geschonden, de procedure in haar geheel moet worden bezien”, etc.
Zie HR 14 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3523, NJ 2008/105.
Zie HR 14 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4887, NJ 2007/612.
Zie HR 19 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5138, NJ 2002/92.
Zie HR 14 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3523, NJ 2008/105, rov. 3.6.
Zie hierover nader mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:925), onder 3.4, met verwijzingen, in de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is geweest onder zaaknummer 20/00337.
Zie HR 19 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5138, NJ 2002/92, rov. 3.6: “(…) Daarbij dient in aanmerking genomen te worden dat de Ondernemingskamer de vrijheid heeft zodanige voorlopige voorzieningen te treffen als zij in verband met de toestand van de rechtspersoon noodzakelijk acht, ook indien daarbij tijdelijk inbreuk wordt gemaakt op de geldende rechtsverhoudingen binnen de vennootschap, en dat aan het treffen van voorlopige voorzieningen niet zonder meer in de weg behoeft te staan dat deze kunnen leiden tot onomkeerbare gevolgen, mits de voorziening naar haar aard een voorlopige is en bij het treffen van een zodanige voorziening voldoende rekening is gehouden met, en een billijke afweging heeft plaatsgevonden van, de belangen van de betrokken partijen. (…).”
Zie HR 14 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4887, NJ 2007/612, rov. 4.5 (“(vgl. HR 19 oktober 2001, nr. OK 85, NJ 2002, 92)”).
Zie hierover ook plv. P-G Mok in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2001:AD5138) voor HR 19 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5138, NJ 2002/92, onder 3.2.4.4, met verwijzingen. Evenzo J.M.M. Maeijer in zijn annotatie onder SkyGate in NJ 2002/92: “Het is dan niet verwonderlijk dat de HR in [de derde zin van rov. 3.6 (“Daarbij dient in aanmerking” etc.), in noot 108 hiervoor geciteerd, A-G] aansluit bij hetgeen hij leert ten aanzien van de bevoegdheid van de rechter in kort geding. De laatstgenoemde is immers bevoegd voorzieningen te treffen waarvan de gevolgen in feite niet meer herstelbaar zijn, indien het spoedeisende karakter aanwezig is en de gevraagde voorziening wordt gerechtvaardigd door een billijke afweging van de belangen van partijen.”
Dus: “De ondernemingskamer beslist daarna binnen een redelijke termijn op het verzoek als bedoeld in artikel 345.”
Zie Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, p. 34.
Zie Hof Amsterdam (OK) 11 februari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:318, rov. 1.3, 1.7.
Zie bijv. Rb. Amsterdam 28 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2315, rov. 4.4.3: “Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt de ernst van de aan de verzoeken ten grondslag gelegde feiten en de spoedeisendheid dat zij bij wijze van ordemaatregel de verzoeken tot schorsing van [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] voorlopig toewijst zonder hen vooraf te horen.” Dit betrof een geval in navolging van voornoemde Hoge Raad-uitspraak van 20 april 2007 (in het kader van art. 2:298 BW). Zie in het kader van Boek 1 BW bijv. W.S. Maas-van Weert, ‘De spoedwijzigingsbeslissing van art. 1:265g lid 1 BW’, REP 2024/345, waar op p. 49 wordt betoogd, mede onder verwijzing naar voornoemde Hoge Raad-uitspraken van 14 december 2018 en 20 april 2007 (in de in het citaat niet-overgenomen noot): “Het spoedwijzigingsverzoek op grond van art. 1:265g lid 1 BW waarbij wordt verzocht om een beslissing te nemen zonder toepassing van hoor en wederhoor zal dus (uitsluitend) moeten worden aangemerkt als een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van art. 223 Rv, ongeacht de vraag of dit verzoek ook als zodanig wordt bestempeld. Onder verwijzing naar de jurisprudentie van de Hoge Raad, art. 8 EVRM en het belang van het kind zou het hoorrecht tijdelijk kunnen worden opgeschort indien uit de feiten en omstandigheden blijkt dat de behandeling ter zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige. Een periode van maximaal twee weken zou moeten worden uitgetrokken voor het verhoor van de belanghebbenden en de minderjarige, (…).” De termijn van twee weken is ontleend aan art. 800 lid 3 Rv en art. 809 lid 3 Rv, waarover ook onder 4.18.6 hiervoor. Ik merk op dat de OK in de onderhavige zaak met het houden van een mondelinge behandeling op 6 oktober 2025 ook binnen een termijn van twee weken is gebleven.
Zie hierover bijv. mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:925), onder 3.3-3.4, met verwijzingen, in de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is geweest onder zaaknummer 20/00337. Zie ook R.G.J. de Haan, ‘Onmiddellijke voorzieningen’, in: Handboek Enquêterecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 768.
Zie HR 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5989, NJ 2010/296, rov. 3.6.1.
Zo bijv. ook T. Salemink & M.P. Nieuwe Weme, ‘De OK-bestuurder en de OK-commissaris’, in: Handboek Enquêterecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 811, met verwijzingen.
Onder verwijzing naar de volgende passage uit de brief van Nexperia van 1 oktober 2025, p. 1: “op zo kort mogelijke termijn (binnen enkele dagen) een mondelinge behandeling te bepalen waarin (ten minste) het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen kan worden behandeld.”
Zie de noten 85-86 hiervoor.
Onder verwijzing naar het verzoekschrift van Nexperia, nr. 194. Het betreft kennelijk de passage onder (iii): “De Ondernemingskamer wordt verzocht (…) om voor de duur van het geding de door Yuching Holding gehouden aandelen in Nexperia Holding ten titel van beheer over te dragen aan een onafhankelijke derde, zodat wordt voorkomen dat [bestuurder/CEO] langs deze weg alsnog invloed kan uitoefenen en [bestuurder/CEO] ook de benodigde herziening van de governance niet langer kan frustreren.”
Zie voor het kort geding bijv. Asser Procesrecht/Boonekamp 2024, nr. 138. Een algemeen, openbaar of maatschappelijk belang zoals de economische veiligheid van Nederland en Europa kan overigens ook over de band van het belang van de rechtspersoon en de met hem verbonden onderneming in de afweging worden betrokken. Zie daarover verder bijv. K. Spruitenburg, ‘De enquêtebevoegdheid van de advocaat-generaal’, in: Handboek Enquêterecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 297 en J.W. van der Staay & A. Doorman, ‘Overname- en zeggenschapsgeschillen bij beursvennootschappen’, in hetzelfde handboek, p. 1123, telkens met verwijzingen.
Zie voor het kort geding bijv. Asser Procesrecht/Boonekamp 2024, nr. 83: “Buiten het kader van een aanhangig kort geding is de voorzieningenrechter niet bevoegd, al dan niet ex parte, een voorlopige voorziening te geven, behoudens voor zover een bijzondere wettelijke bepaling hem daartoe bevoegd maakt. (…) Anders dan het Duitse recht kent het Nederlandse recht niet een algemene regeling op grond waarvan in bepaalde gevallen zonder mondelinge behandeling en soms zelfs zonder de wederpartij te horen een voorlopige voorziening kan worden gegeven.”
Met als opschrift: “ [bestuurder/CEO] is onvoldoende gelegenheid geboden om zijn verweer tegen het Verzoekschrift en de Ex Parte Beschikking voor te bereiden: procesgang als geheel is oneerlijk”.
Onder verwijzing naar de spreekaantekeningen van [bestuurder/CEO] , nrs. 20-24, het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025, p. 6 en de uitgewerkte beschikking, rov. 3.11.
Met als opschrift: “Ten onrechte heeft de Ondernemingskamer het beginsel van hoor en wederhoor tegen [bestuurder/CEO] gekeerd en niet getoetst of [bestuurder/CEO] de redelijke mogelijkheid had om zich te kunnen verweren”.
Zie hierover bijv. Winters 2022, p. 103, waaruit blijkt dat dit ook in het enquêterecht geldt.
Zie bijv. A.I.M. van Mierlo, T&C Rv, Deventer: Wolters Kluwer 2026 (bijgewerkt t/m 9 maart 2026), art. 279 Rv, aant. 1 onder d.
Zie noot 97 hiervoor.
Zie bijv. Geerts 2022, art. 2:349a BW, aant. 2. In noot 84 hiervoor gaf ik hiervan een voorbeeld. Zie voor meer voorbeelden bijv. F. Veenstra, Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (diss. Groningen), Deventer: Kluwer 2010, p. 137.
Zie de oproepingsbrief van de OK van 1 oktober 2025.
Zie bijv. ook Veenstra 2010, p. 134.
Zie bijv. Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, p. 33: “Met deze bestaande voorschriften [art. 279 Rv en art. 2:349a BW, A-G] is niet zekergesteld dat de betrokkenen in de procedure voldoende tijd hebben om zich tegen een enquêteverzoek te verweren.”
In het bijzonder: “Iedere belanghebbende kan tot de aanvang van de behandeling of, indien de rechter dit toestaat, in de loop van de behandeling een verweerschrift indienen. (…).”
Zie bijv. Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, p. 33: “Een tijdstip dat tenminste een week voor de dag van de behandeling ligt, is normaliter gepast. In spoedeisende gevallen kan een kortere termijn verdedigbaar zijn.” En nog duidelijker Kamerstukken II 2011/12, 32887, 6, p. 21: “De regeling is flexibel voor wat betreft de duur van de termijn; de Ondernemingskamer bepaalt op welke termijn voor de behandeling verweerschriften moeten zijn ontvangen. Ik meen dat een termijn van een week normaliter voldoende voorbereidingstijd voor de betrokkenen oplevert. Ook de Commissie vennootschapsrecht ging uit van een week, maar gaf aan dat de Ondernemingskamer in spoedgevallen zou moeten kunnen kiezen voor een kortere termijn. Ik kan mij dat voorstellen (…). In dat geval moet de Ondernemingskamer afwegen of aanpassing van de termijn tot twee dagen voor de behandeling voldoende rekening houdt met de belangen van de overige betrokkenen.”
Zie de kop-staart-beschikking, rov. 1.4.
Zie bijv. ook Kamerstukken II 2011/12, 32887, 6, p. 2: “Dat betekent dat verweerschriften kunnen worden ingediend tot de aanvang van de (mondelinge) behandeling of in de loop van de behandeling indien de rechter dat toelaat. In de praktijk heeft dat laatste geleid tot de klacht dat betrokkenen in enquêteprocedures in de situatie kunnen komen dat zij onvoldoende tijd hebben om zich te verweren. Dat risico doet zich voor wanneer men pas vlak voor of tijdens de behandeling van het verzoek kan worden geconfronteerd met een verweerschrift of een zelfstandig verzoek van een belanghebbende om bijvoorbeeld een onmiddellijke voorziening.”
Zie bijv. de conclusie van A-G Wesseling-van Gent (ECLI:NL:PHR:2004:AO2327) voor HR 23 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO2327, NJ 2004/350, onder 2.18, met verwijzingen. Zie verder bijv. E.L. Schaafsma-Beversluis, GS Burgerlijke Rechtsvordering, Deventer: Wolters Kluwer 2024 (bijgewerkt t/m 1 maart 2024), art. 279 Rv, aant. 14.
Zie voor het eerst HR 23 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO2327, NJ 2004/350, rov. 3.11, nadien ook toegepast in HR 14 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR3646, NJ 2005/251, rov. 3.4.2. Zie hierover bijv. L.M. Coenraad, ‘Kroniek Algemene beginselen’, TCR 2005-4, p. 118-119. Zie bijv. ook HR 16 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1490, NJ 2007/637, rov. 3.9.2. H.J. Snijders merkt in nr. 3 van zijn NJ-annotatie onder laatstgenoemde uitspraak op: “Ook al zou de limitatieve opsomming van gronden voor een uitstel door de Hoge Raad - vgl. het woordje ‘slechts’ - in de toekomst misschien iets te rigide kunnen zijn en beperkte bijstelling vragen, de strengheid van de Hoge Raad valt in haar algemeenheid te billijken. De vereiste voortgang van zaken is gebaat bij niet al te soepele beoordeling van verzoeken tot uitstel.”
Aldus bijv. Veenstra 2010, p. 139.
Zie bijv. Hof Amsterdam (OK) 19 december 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:5338, in de ADO Den Haag-zaak. Het verzoekschrift van ADO was in die zaak ingekomen op 2 december 2016 (rov. 1.2). De OK heeft partijen opgeroepen voor een mondelinge behandeling op 15 december 2016 over uitsluitend het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen, waarbij aanvankelijk een mogelijkheid is geboden een verweerschrift in te dienen tot uiterlijk 12 december 2016 om 13:00 uur (rov. 1.3). Namens de in China gevestigde aandeelhouder van ADO (UVS) is verzocht de mondelinge behandeling uit stellen, althans uitstel van de termijn voor indiening van het verweerschrift te verlenen. ADO heeft bezwaar gemaakt tegen uitstel van de mondelinge behandeling (rov. 1.9). De OK heeft het verzoek tot uitstel van de mondelinge behandeling afgewezen, maar wel de termijn voor indiening van een verweerschrift door UVS verlengd tot 14 december 2016 om 12:00 uur (rov. 1.9). In de beschikking heeft de OK hierover overwogen (rov. 3.4): “In aanmerking genomen (a) dat het verzoek betrekking heeft op de gang van zaken binnen ADO en in het bijzonder de rol van UVS en Wang daarin, waarmee UVS geacht moet worden bekend te zijn, (b) dat de zaak, zoals hieronder nog aan de orde zal komen, spoedeisend is, (c) dat aan UVS uitstel is verleend voor het indienen van haar verweerschrift en (d) dat bij gelegenheid van de uitvoerige mondelinge behandeling niet gebleken is dat UVS door de beperkte tijd tussen de oproep en de mondelinge behandeling in serieuze mate is gehinderd in de mogelijkheid verweer te voeren (…), acht de Ondernemingskamer de termijn tussen de oproeping en de mondelinge behandeling niet zo kort dat UVS in enig recht tekort is gedaan. (…).”
Zie noot 114 hiervoor.
Zie de brief van Yuching van 3 oktober 2025, p. 2 (“Yuching benadrukt volledigheidshalve dat de gepretendeerde belangen van Verzoekers bij toewijzing van dit verzoek [om de mondelinge behandeling te laten plaatsvinden op een latere datum, bijvoorbeeld op 14 oktober 2025, A-G] niet in het gedrang komen, nu de Ondernemingskamer reeds ingrijpende voorlopige voorzieningen heeft getroffen. Yuching zal de onmiddellijk getroffen voorlopige voorzieningen vanzelfsprekend respecteren, in afwachting van de nadere beslissing van de Ondernemingskamer, nadat de - uitgestelde - mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden”).
Zie de brief van Nexperia van 3 oktober 2025, p. 1-2 (“Waar is geconcludeerd dat (verdergaande) ingrepen in de Nexperia-organisatie en de relatie met WSS nodig zijn, wordt dit thans geïnventariseerd en voorbereid, maar zijn de statutair bestuurder, CFO en COO - vooralsnog - voornemens tot implementatie daarvan over te gaan na de bestendiging c.q. aanvulling van de onmiddellijke voorzieningen op een inter partes basis. Daarbij is voorts, zoals eveneens in het verzoekschrift beschreven, noodzakelijk dat zo snel mogelijk voldoende duidelijk is dat Nexperia niet langer onder controle staat van [A] , zodat Nexperia bij de Amerikaanse overheid kan aanvoeren dat de 50%-regel niet (langer) van toepassing zou moeten zijn. Hiervoor is afstemming vereist met de Amerikaanse overheid. Ook daartoe dient er op korte termijn zo veel mogelijk duidelijkheid te bestaan over (de status van) de onmiddellijke voorzieningen en de governance van Nexperia voor de nabije toekomst”).
Ik citeer: “De Ondernemingskamer heeft kennisgenomen van het namens Yuching Holding Ltd gedane verzoek tot uitstel van de mondelinge behandeling in bovengenoemde zaak, alsmede de reactie van Nexperia Holding B.V. c.s. en de Staat der Nederlanden. De Ondernemingskamer bewilligt niet in het verzoek van Yuching Holding Ltd. De mondelinge behandeling zal plaatsvinden op maandag 6 oktober om 13.00 uur en ook voor het overige blijft hetgeen in de oproepingsbrief staat vermeld van kracht.”
Onder verwijzing naar de PI, nr. 23. Zie ook rov. 3.11 uitgewerkte beschikking: “Aan Yuching en [bestuurder/CEO] kan worden toegegeven dat de gang van zaken zeer ongebruikelijk is, omdat (i) de Ondernemingskamer enkele uren na ontvangst van het verzoek ex parte enige ingrijpende onmiddellijke voorzieningen heeft getroffen, (ii) de Ondernemingskamer binnen drie werkdagen (vijf dagen) een zitting heeft georganiseerd, terwijl (iii) het gaat om een complexe zaak en (iv) Yuching en [bestuurder/CEO] in deze periode ook nog op zoek moesten naar een advocaat, (v) op een moment waarop in China belangrijke feestdagen worden gevierd.”
Met als opschrift: “De dreiging van de 50% Regel en het belang van Nexperia (en de Staat) dat de eenzijdigheid van de bevriezing zo snel mogelijk eindigt, is niet rechtens relevant”.
Zie het citaat uit de brief van Nexperia van 3 oktober 2025 in noot 143 hiervoor.
Met als opschrift: “Ten onrechte overweegt de Ondernemingskamer dat in de gegeven omstandigheden zo veel mogelijk recht is gedaan aan het beginsel van hoor en wederhoor”.
Dat zijn de volgende: “Belanghebbenden is tot 9.00 uur op 6 oktober 2025 (maandagochtend), vier uur voor de mondelinge behandeling, gelegenheid gegeven een verweerschrift in te dienen. Yuching heeft een volwaardig verweerschrift ingediend en haar verweer op zitting nader aangevuld. [bestuurder/CEO] - die niet in de gelegenheid is geweest tijdig een verweerschrift in te dienen - heeft op zitting extra tijd gekregen haar positie toe te lichten. De behandeling op zitting is vervolgens meermalen geschorst, opdat de advocaten van [bestuurder/CEO] en Yuching in de gelegenheid werden gesteld telefonisch overleg te plegen met hun cliënten. Aldus is tegen de ongebruikelijke achtergrond van deze zaak en de hoge spoedeisendheid (…).”
Zie voor het eerste onderwerp de spreekaantekeningen van [bestuurder/CEO] , nrs. 119-120 onder (i) en voor het tweede onderwerp, idem, onder (iii). Ik citeer nr. 120 onder (i): “van ongeoorloofde belangenverstrengeling is geen sprake. Alle bewuste contracten zijn at arm’s length tot stand gekomen, en voor zover aan de orde, bijvoorbeeld ten aanzien van WSS heeft [bestuurder/CEO] zich onthouden zijn stemrecht uit te oefenen; (…).” En 120 onder (iii): “Hiervoor kwam al aan de orde dat de governance niet gebrekkig is. De organen van de onderneming functioneren gewoon, en partijen zijn, of waren tot verkort nog, in gesprek met het Ministerie om herziening van de governance te bespreken. In zoverre is het Verzoek dus ongegrond, of minst genomen prematuur; (…).” Op deze beide onderwerpen wordt nader ingegaan in hoofdstuk 6 (met het opschrift “Aanpassingen bedrijfsvoering - in het belang van Nexperia”) en hoofdstuk 5 (met het opschrift “Governance herzieningen en het bevel”) van de spreekaantekeningen van [bestuurder/CEO] .
Zie ook de oproepingsbrief van de OK van 1 oktober 2025: “Bij de mondelinge behandeling geldt een maximale spreektijd van 20 minuten per (cluster van) procespartij(en).” En de e-mail van de OK van 5 oktober 2025, waarin de OK in vergelijking met Yuching en [bestuurder/CEO] een kortere spreektijd van in totaal 45 minuten heeft toegekend aan het ‘cluster’ Nexperia, EZ en de OR tezamen.
Kennelijk hield dat verband met Chinese feestdagen. Vgl. de spreekaantekeningen van Yuching, nr. 1 (“Vandaag staan wij voor u op Zhongqiu Jie (wat betekent ‘vrolijk Midherfstfestival’), een feestdag in verband met hereniging van Chinese families. De afsluiting van de Gouden Week. Cliënte is er daarom vandaag niet om zich te verweren tegen de wensen van Verzoeksters”). Zie ook het verweerschrift van Yuching, nr. 9. Voor de goede orde: hierop wordt in cassatie dus geen beroep gedaan. In de spreekaantekeningen van [bestuurder/CEO] wordt als ik het goed zie geen beroep gedaan op deze omstandigheid.
Vgl. voor een geval van een door de OK niet deugdelijk opgeroepen belanghebbende die ook niet was verschenen HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1279, NJ 2019/335, rov. 5.1.3, 5.2.2 (schending van de eisen van hoor/wederhoor).
Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025, p. 4: “Ter terechtzitting zijn aanwezig: (…) - Mrs. Polkerman en De Ruijter voormeld namens Yuching Holding Limited (hierna: Yuching). - Mrs. Vader en Meijer van Gelderen voormeld namens [bestuurder/CEO] (hierna: [bestuurder/CEO] ). (…).” Verder verdient nog opmerking dat een verklaring van [bestuurder/CEO] zelf van 4 pagina’s aan zijn spreekaantekeningen is gehecht (“Subject: A Statement concerning Trust, Betrayal, and a Plea for Justice”).
Zie bijv. de noten 54 en 140 hiervoor.
Met als opschrift: “Het voorgaande klemt te meer/althans, omdat Nexperia haar enquêteverzoek klaarblijkelijk ruim van tevoren heeft voorbereid en op enig moment heeft afgestemd met EZ. Hiermee is tevens sprake van schending van het beginsel van equality of arms”.
Zie het verzoekschrift van Nexperia, nr. 202 (“[D]doordat het voornemen daartoe [indiening van het verzoekschrift ex art. 2:345 lid 1 BW, A-G] pas in een laat stadium is geconcretiseerd”). Dit strookt ook met de door de OK vastgestelde feiten, waaruit blijkt dat de situatie bij Nexperia in de loop van september 2025 is geëscaleerd.
Ik citeer: “(…) In dat geval [een verzoek ex art. 2:345 lid 1 BW gedaan door de rechtspersoon, zoals hier aan de orde, A-G] worden de raad van commissarissen [niet aanwezig bij Nexperia, A-G] onderscheidenlijk het bestuur en de ondernemingsraad zo spoedig mogelijk op de hoogte gesteld van het voornemen om het verzoek in te dienen onderscheidenlijk het indienen van het verzoek. (…).” Zie ook het verzoekschrift van Nexperia, nr. 202: “Zoals vereist op grond van art. 2:349 lid 1 BW, heeft [verweerder 4] de andere bestuurder van Nexperia Holding en Nexperia B.V. ( [bestuurder/CEO] ) op de hoogte gesteld van het voornemen om dit enquêteverzoek in te dienen. (…).” Overigens is niet gesteld of gebleken dat Yuching (via haar bestuurder en indirect controlerende aandeelhouder [bestuurder/CEO] ) niet op de hoogte is geraakt van het voornemen van [verweerder 4] (Nexperia) om het enquêteverzoek in te dienen.
Zie EHRM 27 oktober 1993, ECLI:CE:ECHR:1993:1027JUD001444888, NJ 1994/534, rov. 33.
De cursivering voegde ik toe.
Zie voor latere EHRM-rechtspraak van deze strekking bijv. de PI, noot 31 en mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2024:104) voor HR 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:628, NJ 2024/156, noot 122 aldaar.
Met als opschrift: “Gebrek aan hoor en wederhoor; aan [bestuurder/CEO] valt in elk geval niet tegen te werpen dat hij stellingen onvoldoende gemotiveerd heeft betwist”.
Met als opschrift: “EZ is ten onrechte aangemerkt als belanghebbende”.
Onder verwijzing naar HR 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9440, NJ 2003/486, rov. 3.3.2-3.3.3.
Onder verwijzing naar (“Vgl.”) HR 25 oktober 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC03S7, NJ 1992/149.
Zie HR 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9440, NJ 2003/486, rov. 3.3.2.
Toevoeging A-G: dit laatste ziet op HR 25 oktober 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0387, NJ 1992/149, rov. 4.2, waaronder: “Uit art. 429n lid 2 Rv [thans art. 358 lid 2 Rv, A-G] volgt dat het recht van hoger beroep van voor hoger beroep vatbare beschikkingen behalve aan de verzoeker ook toekomt aan ‘belanghebbenden’. Wie tot de belanghebbenden in de zin van deze bepaling zijn te rekenen, is in de wet niet in het algemeen aangegeven, maar moet voor ieder type verzoekschriftprocedure uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen worden afgeleid.”
Toevoeging A-G: zie voor een voorbeeld van toepassing van de Scheipar-maatstaf in het enquêterecht HR 6 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1586, NJ 2014/167, rov. 4.8.4, waarin het ging om een ‘tweede kring’-belanghebbende die anderszins nauw is betrokken bij het onderwerp van de enquêteprocedure. Deze (twee)kringenleer is vaste rechtspraak, ook buiten het enquêterecht. Zie nader bijv. mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2025:1287) voor HR 27 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:516, NJ 2026/137, onder 3.19, met verwijzingen alsmede rov. 3.3 van die Hoge Raad-uitspraak, ook met verwijzingen.
Een vindplaats in het verweerschrift van EZ wordt in de PI, nr. 50 overigens niet vermeld bij dat citaat. Kennelijk (zie ook het citaat in het verweerschrift in cassatie van EZ, nr. 3.9) gaat het om de volgende passage in nr. 5.2.1 van dat verweerschrift: “De Minister mengt zich in beginsel niet in vennootschappelijke verhoudingen en stelt zich ten aanzien van geschillen hierover terughoudend op. Mede vanwege het gegeven Bevel heeft de Minister een belang om in deze procedure te verschijnen. De Minister komt daarom als belanghebbende in onderhavige procedure op en ziet in de huidige situatie aanleiding de verzoeken van Nexperia c.s. (zoals uiteengezet in hoofdstuk 5.1 hiervóór) tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen en het gelasten van een onderzoek naar haar beleid en gang van zaken te steunen.” [cursivering toegevoegd, A-G]
Zie ook het verweerschrift in cassatie van EZ, nr. 2.20.
Zie het verweerschrift van EZ, nr. 1.4 (ook opgenomen in het verweerschrift in cassatie van EZ, nr. 3.9): “Ingrijpen door uw Ondernemingskamer is voorts in het belang van Nexperia c.s. - en daarmee in het belang van de Nederlandse economische veiligheid - omdat dit de onderneming in staat zal stellen om zonder belangenconflicten haar strategie verder te ontwikkelen en de huidige geopolitieke uitdagingen het hoofd te bieden. De Minister heeft in de gesprekken die hij gedurende de afgelopen 1,5 jaar met Nexperia c.s. heeft gevoerd inmiddels ervaren dat zonder uw ingrijpen twijfelachtig is of de onderneming daartoe in staat is c.q. wordt gesteld. Zo heeft Nexperia c.s. om onduidelijke redenen geen gevolg gegeven aan concrete afspraken met de Minister over een herziening van de governance die (ook) door haarzelf van strategisch belang werd geacht, met als (voorspelbaar) gevolg dat Nexperia c.s. inmiddels is getroffen door Amerikaanse zware exportcontroleregels en daardoor hard zal worden geraakt.”
Zie bijv. de uitgewerkte beschikking, rov. 2.1: “De klachten hebben onder meer betrekking op de implementatie van de afspraken met EZ tegen de achtergrond van de groeiende risico’s dat Nexperia zou worden onderworpen aan de 50%-rule.”
Zie in deze zin inmiddels eveneens de eerstefasebeschikking, rov. 3.4, waaruit kort gezegd blijkt dat de OK ook van oordeel is dat EZ gelet op het onderwerp van de gesprekken van Nexperia met EZ vanaf eind 2023 over herziening van de governance van Nexperia in ieder geval als ‘tweede kring’-belanghebbende is aan te merken.
Zie HR 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9440, NJ 2003/486, rov. 3.3.3 (“Gelet op de zo-even vermelde maatstaf [rov. 3.3.2, hiervoor geciteerd, A-G] en op het doel van een enquêteprocedure, moet worden aangenomen dat de voormalige bestuurder van de rechtspersoon (…) als belanghebbende kan worden aangemerkt. (…)” [cursivering toegevoegd, A-G]). In de PI, noot 48 wordt niet alleen verwezen naar rov. 3.3.2, maar ook naar rov. 3.3.3.
Zie bijv. HR 10 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1234, NJ 1990/466, rov. 4.1.
Zie ook het verweerschrift in cassatie van EZ, nrs. 2.30-2.31.
Zie bijv. ook B.J. Blok & G.C. Makkink, ‘Belanghebbendenbegrip’, in: Handboek Enquêterecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 387-388: “Buiten die kring [de ‘eerste kring’, A-G] biedt het Scheipar-criterium ruimte voor maatwerk. In gevallen waarin een verzoek van een betrokkene om als belanghebbende te worden aangemerkt door geen van partijen wordt weersproken en de Ondernemingskamer - kennelijk - vindt dat aan het Scheipar-criterium is voldaan, wordt de betrokkene veelal zonder nadere motivering toegelaten. Waar de status van betrokkenen als belanghebbende wel in het geding is, toetst de Ondernemingskamer expliciet aan het Scheipar-criterium.”
Zie de eerstefasebeschikking, rov. 3.1: “In beschikking 1 [de ex parte-beschikking, A-G] heeft de Ondernemingskamer de Staat aangemerkt als belanghebbende. Yuching stelt die hoedanigheid ter discussie. (…).”
Zie voor die motivering met name de eerstefasebeschikking, rov. 3.4.
Daarbij wordt - in de PI, noot 49 - via “Vgl.” verwezen naar HR 25 oktober 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0387, NJ 1992/149, zonder nadere aanduiding van een ter zake relevante rechtsoverweging in die Hoge Raad-uitspraak. Het is mij niet duidelijk waar het subonderdeel naartoe wil met die verwijzing.
Onder verwijzing naar bijlage 1 bij het verzoekschrift van Nexperia. Ik merk op dat niet wordt aangegeven waar dit citaat in het (23 pagina’s tellende) bevel is opgenomen. Kennelijk heeft de klacht het oog op de volgende passage op p. 20 van het bevel: “Ten eerste stel ik [de minister, A-G] vast dat het openbaar belang dat gediend wordt met dit bevel groot is. (…) Ik verwijs kortheidshalve naar hetgeen ik hierboven uiteengezet heb over de dreiging voor de economische veiligheid.”
Onder verwijzing naar (“Vgl.) Hof Amsterdam (OK) 25 augustus 2010 (in de PI, noot 51 en op rechtspraak.nl volgens mij abusievelijk gedateerd op 25 augustus 2013), ECLI:NL:GHAMS:2013:4742, rov. 2.4.
Zie hierover in algemene zin bijv. M.E. de Meijer, Het openbaar ministerie in civiele zaken (diss. Rotterdam), Deventer: Kluwer 2003. Boek 2 BW bevat meer van dergelijke civielrechtelijke bevoegdheden voor het openbaar ministerie. Zie hierover bijv. mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:593) voor HR 13 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1789, RvdW 2020/1205, onder 2.16 en noot 88 aldaar.
Zie Kamerstukken II 1967/68, 9596, 3, p. 7: “Teneinde de bijzondere positie van de procureur-generaal in deze privaatrechtelijke materie te doen uitkomen, leek het wenselijk om, evenals in artikel 1 Faillissementswet geschiedt, uitdrukkelijk te bepalen dat hij optreedt wanneer het openbaar belang dit vereist, en dus niet om zuiver particuliere belangen te dienen.”
Zie P.J. Verdam e.a., Herziening van het ondernemingsrecht. Rapport van de Commissie ingesteld bij beschikking van de Minister van Justitie van 8 april 1960, ’s-Gravenhage: Staatsuitgeverij 1965, p. 65. Dit citaat uit het rapport van de commissie-Verdam is ook opgenomen in Kamerstukken II 1967/68, 9596, 3, p. 5, waarbij in noot 1 aldaar wordt opgemerkt dat in vergelijking met het voorstel van de commissie-Verdam “[h]et wetontwerp (…) te dezen een meer beperkte formulering heeft.” Zie (met betrekking tot dezelfde clausulering in de jaarrekeningprocedure) in deze zin ook HR 5 september 1990, ECLI:NL:HR:1990:AB9154, NJ 1991/62, rov. 4.2 (onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis aangehaald in de conclusie van A-G Verburg voor deze Hoge Raad-uitspraak, zie onder 11-15 aldaar). Zie over de totstandkoming van de enquêtebevoegdheid van de A-G bij het ressortsparket verder bijv. Spruitenburg 2022, p. 289-290.
Zie bijv. Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, p. 8: “Ik meen dat het goed is de bestaande regeling te handhaven, omdat de mogelijkheid om op te treden om redenen van openbaar belang een belangrijke aanvulling is, bijvoorbeeld in het geval een bepaalde partij zelf geen toegang heeft tot de enquêteprocedure en voorts het openbaar belang in het geding is.”
Zie voor 2:349a BW ook onder 4.67-4.68 hierna. Art. 2:355 BW betreft de bevoegdheid van de oorspronkelijke verzoekers en andere enquêtegerechtigden (onder wie, maar niet beperkt tot, de A-G bij het ressortsparket) om in de tweede fase van de enquêteprocedure eindvoorzieningen (als bedoeld in art. 2:356 BW) te verzoeken indien uit het onderzoekverslag is gebleken van wanbeleid. Zie over art. 2:349a en 2:355 BW in dit verband ook de eerstefasebeschikking, rov. 3.2.
Zie over dat laatste bijv. ook de conclusie van A-G Timmerman (ECLI:NL:PHR:2019:1058) voor HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:479, RvdW 2020/499, onder 3.13.
Zie Kamerstukken II 1967/68, 9596, 3, p. 4.
Zie bijv. ook de conclusie van A-G Timmerman (ECLI:NL:PHR:2019:1058) voor HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:479, RvdW 2020/499, onder 3.19.
Zie bijv. HR 23 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1056, NJ 2012/393, rov. 4.1.3.
Zie bijv. de conclusie van A-G Timmerman (ECLI:NL:PHR:2019:1058) voor HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:479, RvdW 2020/499, onder 3.19.
Zie Hof Amsterdam (OK) 4 juli 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2716, rov. 1.5.
Zie Hof Amsterdam (OK) 4 juli 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2716, rov. 3.5.
Op de voet van art. 2:346 lid 1, aanhef en onder d BW in verbinding met art. 2:346 lid 2 BW door de raad van toezicht van de stichting. Zie Hof Amsterdam (OK) 4 juli 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2716, rov. 1.2.
Overigens zijn in de literatuur wel voorstellen gedaan om de kring van enquêtegerechtigden uit te breiden tot organisaties die opkomen voor bepaalde collectieve of maatschappelijke belangen. Zie bijv. in deze richting met een concreet voorstel voor een nieuw art. 2:347a BW K.A.M. van Vught, ‘De maatschappelijke enquête herrezen. Over een enquêtebevoegdheid voor maatschappelijke organisaties’, Ondernemingsrecht 2021/91. De achtergrond hiervan is onder meer dat de A-G bij het ressortsparket zelden gebruik maakt van zijn enquêtebevoegdheid ex art. 2:345 lid 2 BW. Zie (meest) recent Hof Amsterdam (OK) 3 november 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:3139. Daarvóór was het meer dan twintig jaar geleden dat de A-G bij het ressortsparket van de bevoegdheid ex art. 2:345 lid 2 BW gebruik had gemaakt. Zie Hof Amsterdam (OK) 26 oktober 2000, JOR 2000/240 (geen ECLI beschikbaar). Ik kan dit voorstel tot uitbreiding van de kring van enquêtegerechtigden hier verder laten rusten.
Zie Hof Amsterdam (OK) 4 juli 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2716, rov. 3.2.
Zie Hof Amsterdam (OK) 4 juli 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2716, rov. 3.3.-3.4.
Zie Hof Amsterdam (OK) 4 juli 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2716, rov. 3.5, onder verwijzing naar HR 23 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1056, NJ 2012/393.
Zie bijv. ook Kamerstukken II 2011/12, 32887, 6, p. 5: “Indien reeds door een andere partij om een enquête is verzocht, kan ik mij voorstellen dat de advocaat-generaal minder aanleiding ziet om ook zelf een verzoek in te dienen.” Voor de goede orde merk ik op dat de A-G bij het ressortsparket wel nog steeds bevoegd zou zijn om zich om redenen van openbaar belang in een reeds aanhangige enquêteprocedure te mengen. Zie bijv. HR 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8832, NJ 2002/226, rov. 3.2. Daaruit wordt wel afgeleid dat de enquêtebevoegdheid van die A-G geen subsidiair karakter heeft, in de zin dat die A-G alleen van zijn bevoegdheid gebruik zou kunnen maken indien enquêtegerechtigden als bedoeld in art. 2:346-347 BW blijven stilzitten. Zie hierover bijv. Spruitenburg 2022, p. 299-300. Tot een frequenter gebruik van de bevoegdheid ex art. 2:345 lid 2 BW heeft dit overigens niet geleid (zie ook noot 196 hiervoor).
Ik citeer: “Indien de rechtspersoon wegens het bedrijf dat hij uitoefent, is onderworpen aan het toezicht van De Nederlandsche Bank N.V., de Stichting Autoriteit Financiële Markten of de Europese Centrale Bank, doet de griffier een afschrift van het verzoekschrift ook aan de toezichthoudende instelling toekomen.” Overigens beroept de klacht zich niet op deze bepaling.
Ik citeer: “In het geval, bedoeld in artikel 348, neemt de ondernemingskamer geen beslissing, alvorens de in dat artikel genoemde, op de rechtspersoon toezichthoudende instelling in de gelegenheid te hebben gesteld over het verzoek te worden gehoord.” Overigens beroept de klacht zich evenmin op deze bepaling.
Zie bijv. ook Blok & Makkink 2022, p. 385-386: “Ook buiten de reikwijdte van deze bepalingen [art. 2:348 en 2:355 BW, A-G] kan een toezichthoudende instantie een belanghebbende zijn.”
Zie bijv. ook HR 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:20212:BU5613, NJ 2012/61, rov. 3.3.3: “(…) De overheid handelt steeds ter uitvoering van haar publieke taak, ook indien zij rechtshandelingen naar burgerlijk recht verricht. (…).”
Zie noot 182 hiervoor.
Zie al Hof Amsterdam (OK) 24 november 2008, ECLI:NL:GHAMS:2008:BG5150, kop en rov. 1.4.
Zie Hof Amsterdam (OK) 10 juni 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BM8183, rov. 3.
Zie over dit onderscheid tussen ‘inzagebelanghebbenden’ en ‘282 Rv belanghebbenden’ bijv. ook F.G.K. Overkleeft, ‘Inzage, geheimhouding en gebruik van het onderzoeksverslag’, in: Handboek Enquêterecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 661-664. Overigens signaleert Overkleeft aldaar dat de OK in latere beschikkingen een betere maatstaf voor inzagebelanghebbenden heeft geformuleerd (onder verwijzing naar Hof Amsterdam (OK) 9 december 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:5514, rov. 2.8), en merkt hij op dat de OK de algemene maatstaf in de Fortis-beschikking van 25 augustus 2010 “wat al te rigide toepaste”.
Zie Hof Amsterdam (OK) 25 augustus 2010 (op rechtspraak.nl volgens mij abusievelijk gedateerd op 25 augustus 2013), ECLI:NL:GHAMS:2013:4742, rov. 2.4.
Zie noot 181 hiervoor.
Met als opschrift: “Optreden van de Staat als belanghebbende onderhevig aan “doorkruisingsleer”; onaanvaardbare doorkruising van het bestuursrechtelijk kader”.
Onder verwijzing naar de Windmill-uitspraak, ofwel HR 26 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC0965, NJ 1991/393.
De PI, nrs. 53 en 54-62 hebben als opschrift: “Doorkruisingsrechtspraak geldt ook voor optreden door Staat als belanghebbende in een enquêteprocedure”, respectievelijk: “Van onaanvaardbare doorkruising van het bestuursrechtelijk kader van de Wbg en titel 5.1 t/m 5.3 Awb is sprake”.
Zo bijv. ook Geerts 2022, art. 2:349a BW, aant. 3.4.1.9 op, naar aanleiding van het onder 4.68 hiervoor besproken voorbeeld uit de OK-rechtspraak.
In zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2024:266) voor HR 24 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:742, NJ 2024/183. Ik neem de noten uit het origineel niet over.
Zie Stb. 1952, 407. Het bevel, dat als gezegd is overgelegd als productie 1 bij het verzoekschrift van Nexperia, is gegrond op art. 2 Wbg. Zie hierover bijv. ook P.R. van den Berghe, ‘Nood breekt wet. Inzichten in en over overheidsingrijpen bij oorlog’, in: Onderneming en oorlogsdreiging, Zutphen: Uitgeverij Paris 2024, p. 211: “Op grond van deze wet [art. 2 lid 1 Wbg, A-G] is iedere minister, indien dit naar zijn oordeel noodzakelijk is ter verzekering van het beschikbaar blijven van goederen ter voorbereiding op noodsituaties, bevoegd aan de rechthebbende bij algemeen of bijzonder bevel te gelasten dat bepaalde goederen ongewijzigd moeten blijven of juist gewijzigd moeten worden of een goed niet mag worden gebruikt of verwerkt zonder vergunning. (…) Opmerkelijk is overigens dat de Wet beschikbaarheid goederen al inzetbaar is ter voorbereiding op noodsituaties [art. 2, lid 1, aanhef, Wbg].” Voor de goede orde merk ik op dat in de onderhavige zaak uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025 kenbaar is dat Van den Berghe namens EZ ter zitting bij de OK is verschenen en het woord heeft gevoerd.
Oorspronkelijk luidde art. 8 lid 1 Wbg: “Onze Minister, die een bevel heeft gegeven of doen geven, kan op kosten van de overtreder doen wegnemen, beletten, verrichten of in de vorige toestand doen herstellen, zonodig met gebruikmaking van alle de overtreder ten dienste staande goederen, productiemiddelen, bedrijfsinstallaties en -benodigdheden en vervoermiddelen, hetgeen in strijd met een bevel is of wordt verricht of nagelaten. (…).” In het kader van de invoering van de Awb is dat een last onder bestuursdwang als bedoeld in art. 5:21 Awb geworden. Art. 8 lid 1 Wbg luidt thans: “Onze Minister, die een bevel heeft gegeven of doen geven, is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen.” Deze wijziging van art. 8 Wbg is kort als volgt toegelicht in de memorie van toelichting bij de Aanpassingswet derde tranche Awb I: “157, model 38. Onder de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang is begrepen de bestaande mogelijkheid dat bestuursdwang kan worden uitgevoerd met gebruikmaking van alle goederen, productiemiddelen, bedrijfsinstallaties, bedrijfsbenodigdheden en vervoermiddelen van degene tot wie het bevel gericht is.” Zie Kamerstukken II 1996/97, 25280, 3, p. 92. “157, model 38” houdt het volgende in blijkens Kamerstukken II 1996/97, 25280, 3, p. 47: “157. Model 38: toekenning bestuursdwangbevoegdheid ... (aanduiding bestuursorgaan) is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van ...(aanduiding desbetreffende verplichtingen). Dit model stelt buiten twijfel dat de bepalingen van afdeling 5.3 van toepassing zijn.”
Zie ook het bevel, p. 6-7: “Niet-nakoming van het bevel krachtens artikel 2 Wbg (…) is strafbaar (artikel 9 eerste tot en met derde lid, Wbg). Ter handhaving van de bij het bevel gestelde verplichtingen ben ik eveneens bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang (artikel 8, eerste lid, Wbg).”
Zie art. 2 lid 1, aanhef Wbg: “ter verzekering van het beschikbaar blijven van goederen ter voorbereiding op noodsituaties.” Zie ook het bevel, p. 7: “Ik wil met dit bevel voorkomen dat de cruciale bedrijfs- en productiegoederen en vermogensrechten zullen worden verplaatst naar een of meer derde landen buiten de Europese Unie. Hiermee zou een tekort aan chips (moedwillig) kunnen ontstaan en daarmee ook een onaanvaardbare strategische afhankelijkheid van één of meer buitenlandse mogendheden.”
Zie Kamerstukken II 1951/52, 2419, 9, p. 30.
Toevoeging A-G: zie ook de toelichting op art. 7 Wbg op dezelfde pagina (zie de vorige noot) over controle op de naleving van een bevel op grond van art. 2 Wbg: “[V]oor het met de wet beoogde doel [zal een geregelde controle op de naleving van een bevel, A-G] meer effect opleveren dan de opsporing van overtredingen, wanneer de voorwerpen reeds verdwenen kunnen zijn. Uit dien hoofde dient bij de contrôle de nadruk te worden gelegd op de preventie.”
Eerder in het verweerschrift van EZ, in nr. 3.6, is dit vermoeden onder meer als volgt toegelicht: “De machtsstrijd binnen de onderneming is namelijk direct nadat het Bevel werd gegeven verder tot uiting gekomen. Zo werden door een statutair-bestuurder instructies rondom de naleving van het Bevel gegeven die namens de andere statutair-bestuurder (dus niet door hemzelf) werden tegengesproken c.q. ingetrokken (zie bijlagen 062 en 063 bij het verzoekschrift). De onduidelijkheid rondom de zeggenschap binnen de onderneming versterkte de - bij de Minister reeds bestaande - zorg dat de strafbaarstelling van niet-naleving van het Bevel onvoldoende zal zijn om te garanderen dat het Bevel wordt nageleefd, met hoogstwaarschijnlijk onomkeerbare gevolgen voor de economische veiligheid van Nederland en Europa.”
Zie bijv. de annotatie van H.Ph.J.A.M. Hennekens onder de Windmill-uitspraak (zie noot 212 hiervoor) in AB Klassiek 2009/15.
Dit is een relevant gezichtspunt volgens HR 26 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC0965, NJ 1991/393, rov. 3.2.
Zie in deze zin ook de eerstefasebeschikking, rov. 3.4.
Zie HR 26 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC0965, NJ 1991/393, rov. 3.2.
Zie ook de brief van EZ van 1 oktober 2025, p. 2 (“De Minister steunt de verzoeken van Nexperia c.s. dan ook (…)” en het verweerschrift van EZ, nr. 6.1 (“De Minister concludeert tot toewijzing van de verzoeken van Nexperia c.s.”).
Zie ook Geerts 2022, art. 2:349a BW, aant. 3.4.1.9. Overigens geldt het omgekeerde volgens mij niet zonder meer. Indien niet Nexperia, maar (alleen) EZ als belanghebbende bij wijze van zelfstandig verzoek op de voet van art. 282 lid 4 Rv had verzocht om onmiddellijke voorzieningen op de voet van art. 2:349a BW, zou ik dat ook niet zonder meer als een onaanvaardbare doorkruising van het bestuursrechtelijke kader willen aanmerken (zie ook onder 4.75-4.78 hiervoor). Bovendien zou EZ in dat geval door zich te wenden tot de A-G bij het ressortsparket hetzelfde resultaat hebben kunnen bereiken, nu het openbaar belang evident in het geding was.
Onder verwijzing naar de spreekaantekeningen van Yuching, nrs. 8-11, 18 en (“vgl.”) de spreekaantekeningen van [bestuurder/CEO] , nr. 141 in samenhang met nrs. 26, 103-110, 136-139.
Zie de PI, noot 53. Ik neem de noten uit het origineel niet over.
Zie bijv. ook HR 7 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1473, NJ 1995/719, rov. 4.4.
Zie bijv. N. du Bois & R.M. Hermans, ‘Gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid of juiste gang van zaken’, in: Handboek Enquêterecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 440-441.
Zo ook bijv. J.M. de Jongh, ‘Een geschiedenis van het enquêterecht’, in: Handboek Enquêterecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 22 (“een dubbel voorlopig oordeel dus”). Voor de goede orde merk ik op dat De Jongh als raadsheer deel uitmaakt van de combinatie die de vijf bestreden OK-beschikkingen in de onderhavige zaak heeft gegeven.
Zie bijv. Kamerstukken II 2011/12, 32887, 6, p. 24.
Zie hierover nader bijv. mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:925), onder 3.4, met verwijzingen, in de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is geweest onder zaaknummer 20/00337.
Zie HR 14 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3523, NJ 2008/105, rov. 3.6. Zie voordien bijv. P.G.F.A. Geerts, ‘Kroniek enquêterecht 2005’, in: Geschriften vanwege de Verenging Corporate Litigation 2005-2006, Deventer: Kluwer 2006, p. 53-54.
Zie Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, p. 33. De DSM-uitspraak wordt aldaar aangehaald op p. 32.
Zie Kamerstukken II 2011/12, 32887, 6, p. 23.
Zie Kamerstukken II 2011/12, 32887, 6, p. 24. Met de bij nota van wijziging aangepaste formulering van art. 2:349a lid 3 BW wordt terugverwezen naar Kamerstukken II 2011/12, 32887, 6, p. 23. Zie voor deze nota van wijziging Kamerstukken II 2011/12, 32887, 7.
Zie noot 106 hiervoor.
Zie zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:1975:AB5277) voor HR 19 maart 1975, ECLI:NL:HR:1975:AB5277, NJ 1976/267.
Toevoeging A-G: in het voorgaande citeert A-G Van Soest onder meer uit het SER-advies inzake het enquêterecht, 19 mei 1967, uitgaven van de SER, 1967, no. 5, p. 7 (“Het systeem brengt met zich mede dat de feitelijke grondslag van de procedure van den beginne af aan dezelfde is: hij is reeds in de bezwaren die de verzoekers schriftelijk aan directie en commissarissen kenbaar maken, te vinden. De waardering van die feiten verandert in de loop der procedure. De bezwaren van (….) [thans art. 2:349 lid 1 BW, A-G], zijn een eenzijdige waardering van de feiten door de betrokken partij. De uitspraak van de Ondernemingskamer ex (…) [thans art. 2:350 lid 1 BW, A-G]), dat er gegronde redenen bestaan om aan een juist beleid en een goede gang van zaken te twijfelen, is een voorlopige waardering van de Ondernemingskamer over dezelfde feiten, echter slechts gebaseerd op summiere gegevens. Komt het zover dat er voorzieningen getroffen moeten worden op grond van (…) [thans art. 2:355-356 BW, A-G] dan is de Ondernemingskamer aan de hand van het ingestelde onderzoek in staat te verklaren dat de feiten die eerst tot subjectieve bezwaren, later tot objectieve twijfel aan een juist beleid of een goede gang van zaken aanleiding gaven, al dan niet door wanbeleid veroorzaakt zijn”). Verder wijst A-G Van Soest erop dat de minister deze opvatting van de SER, waaruit een voortschrijdend proces blijkt dat ook tot uitdrukking is gebracht in de wettelijke terminologie, heeft onderschreven in Kamerstukken II 1967/68, 9596, 3, p. 6-7.
Toevoeging A-G: zie hierover recent ook HR 13 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:403, JOR 2026/67, rov. 3.2.
Toevoeging A-G: dit citaat is niet afkomstig uit de memorie van toelichting (Kamerstukken II 1967/68, 9596, 3), maar uit de memorie van antwoord, zie Kamerstukken II 1968/69, 9596, 6, p. 13.
Toevoeging A-G: zie nadien bijv. ook HR 11 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:AC1918, NJ 1992/459, rov. 3.
Zie bijv. ook (in het kader van art. 2:350 lid 1 BW) Asser/J.M.M. Maeijer/G. van Solinge & M.P. Nieuwe Weme, De naamloze en besloten vennootschap (2-II*), Deventer: Kluwer 2009, nr. 753.
Zie bijv. Winters 2022, p. 111-112, onder verwijzing (in noot 91 aldaar) naar een uitspraak in kort geding: HR 15 maart 1968, ECLI:NL:HR:1968:AB4858, NJ 1968/228, waarin de Hoge Raad overwoog “dat bij de berechting van zaken in kort geding het in de artikelen 103 en 199 Rv. gegeven imperatieve voorschrift tot het bevelen van een getuigenverhoor bij het vervuld zijn van de in die artikelen omschreven voorwaarden, in verband met het spoedeisend karakter van het kort geding toepassing mist; dat zulks medebrengt, dat het in zodanige zaken aan het beleid van de rechter die over de feiten oordeelt is overgelaten, of hij op een aanbod om zekere feiten door middel van getuigen te bewijzen zal ingaan, en dat hij, indien hij daarvoor geen termen aanwezig acht, een zodanig gedaan bewijsaanbod zonder uitdrukkelijke en met redenen omklede beslissing kan passeren; dat in deze zaken de rechter op dezelfde wijze mag handelen, wanneer het gaat om een bewijsaanbod zonder vermelding van de te bezigen bewijsmiddelen; (…).” Zie hierover nader bijv. Asser Procesrecht/Boonekamp 2024, nr. 115. Zie verder ook Van Wees 2022, p. 519: “In de eerste fase, het verzoek om een onderzoek [en ook het verzoek om onmiddellijke voorzieningen te treffen, A-G], is sprake van een voorlopige feitenvaststelling en ook de aard van de procedure - de spoedeisendheid - brengt eveneens het uitsluiten van art. 284 Rv met zich mee.”
Zie HR 8 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5010, NJ 2006/443, rov. 3.9 (geen recht voor commissarissen om tegenbewijs te leveren tegen voor hen nadelige onderzoeksbevindingen).
Zie Asser Procesrecht/Boonekamp 2024, nr. 113. Ik neem de noten uit het origineel niet over.
Zo lees ik bijv. ook (in het kader van art. 2:350 lid 1 BW) Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2009, nr. 753, onder verwijzing naar HR 11 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:AC1918, NJ 1992/459.
Met als opschrift: “Zorgvuldigheidstoets bij mogelijk tegenstrijdig belang”.
Met als opschrift: “De Ondernemingskamer past de rechtsregels in r.o. 3.17 niet toe in r.o. 3.18”.
Onder verwijzing naar de annotatie van A.F.J.A. Leijten in JOR 2025/259 (nr. 12).
Zie Hof Amsterdam (OK) 26 mei 1983, ECLI:NL:GHAMS:1983:AC8007, NJ 1984/481. In rov. 4 van die beschikking heeft de OK overwogen: “(…) Bij haar overwegingen, waarbij wel met het aspect [van een tegenstrijdig belang, A-G] wordt rekening gehouden, stelt de Ondernemingskamer voorop dat in Nederland aan de materie van het tegenstrijdig belang weinig aandacht is besteed. Dit heeft tot gevolg gehad dat aan betrokkenen een gedragslijn waarnaar zij zich konden richten heeft ontbroken. Bij een tegenstrijdig belang is het van grote betekenis dat de te onderscheiden belangen op zorgvuldige wijze gescheiden worden gehouden. Het betrachten van een zo groot mogelijke openheid is daarvoor een waarborg. Inschakeling van deskundige derden kan gewenst en onder omstandigheden geboden zijn. (…).”
In de woorden van annotator A.F.J.A. Leijten in JOR 2025/259 (nr. 12), waarop de klacht zich beroept (zie noot 253 hiervoor): “(…) De OK stelt niet vast dat [bestuurder/CEO] de onthoudingsregel heeft geschonden. Het is de OK wel gebleken dat [bestuurder/CEO] erop heeft aangedrongen dat Nexperia 215.000 wafers bij WSS zou bestellen, dat hij ‘wilde’ dat maandelijks 5.000 wafers werden besteld, terwijl Nexperia er maar 400 nodig had en dat ‘op aandringen’ van [bestuurder/CEO] Nexperia bij elke bestelling 70% van de koopprijs vooraf moet betalen (r.o. 3.18). Ik vermoed dat dit aandringen niet in formele bestuursvergaderingen heeft plaatsgevonden. Naar mijn mening is het aan te bevelen dat ook bij informele besluitvorming uit documentatie blijkt dat de onthoudingsregel materieel is nageleefd. Dat is blijkens het aandringen door [bestuurder/CEO] niet het geval geweest. Deze omissie kan leiden tot interne aansprakelijkheid van [bestuurder/CEO] voor de schade als gevolg van de onnodige orders. (…).”
Zo ook het vervolg van de annotatie van A.F.J.A. Leijten in JOR 2025/259 (nr. 12) (zie noot 253 hiervoor): “De OK had een schending van de wettelijke onthoudingsregel overigens niet nodig om conform de Linders/Hofstee-regels vast te stellen dat haar niet was gebleken dat bij het plaatsen van de orders de vereiste zorgvuldigheid bij tegenstrijdig belang in acht is genomen om te waarborgen dat de transactie geschiedt onder redelijke en marktconforme voorwaarden en zakelijk verantwoord is.” Zie bijv. ook J.B. Wezeman, ‘Geconflicteerde bestuurders in het enquêterecht’, O&F 2026, afl. 1, p. 26: “De OK heeft de afgelopen decennia met name voor bestuurders een aantal gedragsregels geformuleerd (de (…) ‘Linders/Hofstee-regels’) waaraan deze zich binnen de organisatie van de vennootschap in tegenstrijdigbelangsituaties dienen te houden. Deze regels leiden in de kern tot een op het bestuur rustende bijzondere verplichting ervoor te zorgen dat ook in een soms niet te voorkomen tegenstrijdigbelangsituatie het behartigen van het vennootschappelijk belang bij bestuurshandelingen vooropstaat. In ieder geval moet ‘ontoelaatbare verstrengeling van belangen’ worden voorkomen, zoals de Hoge Raad het heeft uitgedrukt in de bekende Zwagerman-beschikking. [met in een noot verwijzing naar HR 1 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9857, NJ 2002/296, rov. 3.4, A-G] De OK kan mogelijke schendingen van die gedragsregels in de eerstefasebeschikking in een enquêteprocedure aanmerken als gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid of juiste gang van zaken zoals bedoeld in art. 2:350 Burgerlijk Wetboek (BW). Is ‘aan gerede twijfel onderhevig’ of de Linders/Hofstee-regels zijn nageleefd, dan kan een enquêteverzoek worden toegewezen.” Hieraan valt toe te voegen dat mogelijke schendingen van de Linders/Hofstee-regels ook grond kunnen vormen voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen als bedoeld in art. 2:349a lid 3 BW (op basis van het (dubbel) voorlopig oordeel van de OK dat daarmee sprake is van gegronde reden om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen).
Met als opschrift: “Drie motiveringsklachten over r.o. 3.18”.
Zie noot 254 hiervoor.
Zie het verzoekschrift van Nexperia, nrs. 92-97 (onder het opschrift “Artificieel hoge orders”).
Zie de vorige noot (bijv. nr. 97: “(…) Tijdens deze bijeenkomst is aan [bestuurder/CEO] voorgehouden dat hij geconflicteerd is. [bestuurder/CEO] heeft deze bezwaren echter naast zich neergelegd”) en verder bijv. de spreekaantekeningen van Nexperia, nr. 26: “Een van de belangrijke issues in deze zaak is nu juist dat er zich een patroon voordoet waarbij met WSS niet at arm’s length wordt gehandeld. Er is sprake van een patroon van belangenverstrengeling en handelingen in strijd met het vennootschapsbelang. Dát is, zoals ook toegelicht in het verzoekschrift, de uiteindelijke oorzaak van de huidige situatie en daarmee ook van het enquêteverzoek. In het verweerschrift [van Yuching, A-G] wordt hier nauwelijks op ingegaan. (…).”
Zie de eerstefasebeschikking, rov. 3.15.
Onder verwijzing naar de spreekaantekeningen van [bestuurder/CEO] , nrs. 70-72.
Zie hierover de uitgewerkte beschikking, rov. 3.17, in cassatie onbestreden: “Het voorlopig oordeel heeft in de eerste plaats betrekking op tegenstrijdig belang. In dit verband memoreert de Ondernemingskamer dat een tegenstrijdig belang als bedoeld in artikel 2:239 lid 6 BW zich voordoet indien een bestuurder te maken heeft met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen uitsluitend laat leiden door het belang van de vennootschap en haar onderneming (vgl. HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0033, Bruil). De vraag of een tegenstrijdig belang bestaat moet worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Bij aanwezigheid van een tegenstrijdig belang is een hogere mate van zorgvuldigheid vereist in de voorbereiding, besluitvorming en uitvoering van de transactie. Daarbij moeten de te onderscheiden belangen op zorgvuldige wijze gescheiden worden gehouden en dient een zo groot mogelijke openheid te worden betracht. De verhoogde zorgvuldigheid dient in beginsel erop te zijn gericht dat de transactie geschiedt onder redelijke en marktconforme voorwaarden zodat deze zakelijk verantwoord is. Daartoe kan inschakeling van deskundige derden gewenst en onder omstandigheden geboden zijn. Indien in het bestuur beraadslaging en/of besluitvorming plaatsvindt waarbij een bestuurder een tegenstrijdig belang heeft, dient deze zich op de voet van artikel 2:239 lid 6 BW van deelname te onthouden.” Zie overigens recent ook HR 10 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:592, RvdW 2026/514, rov. 3.2.1-3.2.3.
Ik citeer de vooropstelling van de OK aldaar: “ [bestuurder/CEO] heeft een indirect belang in Nexperia van ongeveer 15%. Tegelijk heeft hij een controlerend belang in WSS. Dat betekent dat [bestuurder/CEO] ten aanzien van transacties tussen Nexperia en WSS te maken heeft met onverenigbare belangen waarbij, zeker nu de financiële positie van WSS slecht is, in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen als bestuurder van Nexperia uitsluitend laat leiden door het belang van Nexperia en haar onderneming.”
En het vervolg: “Tussen Nexperia en WSS zijn in de FSA afspraken gemaakt over wafers die door WSS zouden worden geproduceerd en aan Nexperia zouden worden geleverd. Nexperia heeft uitvoerig onderbouwd dat in 2025 zeer grote orders bij WSS werden geplaatst, in een omvang die Nexperia niet nodig heeft en die zelfs - volgens medewerkers van Nexperia - werden geplaatst for scrap (voor vernietiging). Volgens een interne inschatting van 8 mei 2025 zou het bedrijfsonderdeel Metal-Oxide-Semiconductor in 25Q2, 25Q3 en 25Q4 in totaal 98.400 wafers nodig hebben. [bestuurder/CEO] drong er evenwel op aan dat Nexperia voor dit bedrijfsonderdeel 215.000 wafers bij WSS zou bestellen. Terwijl bedrijfsonderdeel Logic verwachtte maandelijks 400 wafers nodig te hebben, wilde [bestuurder/CEO] dat maandelijks 5.000 wafers bij WSS zouden worden besteld. De door [bestuurder/CEO] gewenste orders bij WSS voor 2025 kwamen daarmee uit op US$ 200 miljoen, terwijl de behoefte van de business zou leiden tot orders ter grootte van US$ 70-80 miljoen. Volgens interne berichten zou dit betekenen dat de door WSS te leveren wafers niet verwerkt zullen worden, maar zolang op voorraad zullen worden gehouden dat ze verouderd zijn voordat ze gebruikt kunnen worden, zodat Nexperia de orders feitelijk for scrap zou plaatsen. De Ondernemingskamer is niet gebleken dat bij het plaatsen van de orders de vereiste verhoogde zorgvuldigheid bij tegenstrijdig belang in acht is genomen om te waarborgen dat de transactie geschiedt onder redelijke en marktconforme voorwaarden en zakelijk verantwoord is. Integendeel, Nexperia heeft voldoende onderbouwd dat betwijfeld kan worden dat [bestuurder/CEO] bij het plaatsen van deze orders uitsluitend het belang van Nexperia voor ogen heeft gehad en niet met name ook dat van WSS. Het gaat daarbij niet om geringe bedragen: volgens Nexperia had zij in 2025 behoefte aan wafers voor een totaalbedrag van US$ 70-80 miljoen, terwijl voor US$ 200 miljoen aan orders is geplaatst. Bij dit alles moet worden bedacht dat de FSA op aandringen van [bestuurder/CEO] met ingang van 1 januari 2025 aldus is gewijzigd, dat zij bij elke bestelling 70% van de koopprijs vooraf moet betalen.”
Onder verwijzing naar het verzoekschrift van Nexperia, nr. 94.
Overgelegd als productie 29 bij het verzoekschrift van Nexperia en geciteerd in nr. 94 van het verzoekschrift van Nexperia (zie voor het desbetreffende citaat ook de PI, nr. 72).
Zie bijv. ook het citaat uit een interne e-mail (niet-anoniem en onder vermelding van een datum), overgelegd als productie 30 bij het verzoekschrift van Nexperia, waaruit wordt geciteerd in het verzoekschrift van Nexperia, nr. 95 en waaruit volgens Nexperia blijkt dat “de door [bestuurder/CEO] voorgestane maandelijkse order binnen één jaar zou kunnen voorzien in de demand voor drie jaren”. En verder de weergave van een bespreking van een EMT-vergadering in het verzoekschrift van Nexperia, nr. 97, bij welke gelegenheid “verschillende leden van het EMT [hebben] aangegeven dat zij geen goede reden zagen om de wafer fab van WSS op deze wijze van opdrachten te voorzien. Als voor de hand liggende argumenten werd aangegeven dat er voor de Nexperia Group een veroudersingsrisico is ten aanzien van de geproduceerde voorraad, dat zij een financieel risico zou lopen, dat vooraf moeilijk te bepalen is welke producten in welke mate zouden worden geproduceerd en dat de aanpak tegen elke industry standard indruist.”
Met het opschrift, gelijk de PI, nr. 74: “Voortbouwklacht over relevantie van wijziging FSA”.
Zie nader noot 264 hiervoor.
Daarop sluit het bestreden oordeel ook kenbaar aan (“Bij dit alles moet worden bedacht”, etc.).
Zie productie 36 bij het verzoekschrift van Nexperia.
Zie het verzoekschrift van Nexperia, nr. 101: “Hun verzet [bedoeld zal zijn: van de CFO en de CLO, [betrokkene 4] en [verweerder 4] , A-G] is de reden dat de deposit agreement tot op heden niet is gesloten.”
Met als opschrift: “Governance”.
Met als opschrift: “Rechtsklacht: maatstaf voor vaststellen vennootschappelijk belang Nexperia”.
Zie bijv. mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2024:385) voor HR 7 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:817, RvdW 2024/597 en HR 7 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:820, RvdW 2024/598, onder 3.7.11.1, met verwijzingen.
Iets anders is dat onder omstandigheden het vennootschapsbelang bij bevordering van het bestendige succes van de met de vennootschap verbonden onderneming kan worden ‘gekleurd’ door, kort gezegd, een publiek belang dat in het spel is. Zie nader bijv. mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2024:385) voor HR 7 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:817, RvdW 2024/597 en HR 7 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:820, RvdW 2024/598, onder 3.7.11.4, met verwijzingen. Zie bijv. ook Asser/M.P. Nieuwe Weme & T. Salemink, NV en BV - Corporate governance (2-llb), Deventer: Wolters Kluwer 2025, nr. 132 onder b, over “OK 17 mei 2023 (r.o. 3.13.3), RO 2023/45; JOR 2023/207 (Estro), waar het vennootschappelijk belang van een publiek gefinancierd kinderopvangbedrijf mede wordt gekleurd door het publieke belang bij de continuïteit van de kinderopvang.”
Zie in het bijzonder HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:797, NJ 2014/286, rov. 4.2.1: “Bij de vervulling van hun taak dienen de bestuurders zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming te richten (vgl. thans art. 2:239 lid 5 BW). Wat dat belang inhoudt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Indien aan de vennootschap een onderneming is verbonden, wordt het vennootschapsbelang in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming.” Zie verder bijv. HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:199, NJ 2023/166, rov. 3.4.2.
Zie inmiddels ook de eerstefasebeschikking, rov. 3.16-3.25 en in het bijzonder rov. 3.24: “De Ondernemingskamer treedt niet in een inhoudelijke beoordeling van de strategische keuze om zich voortaan te richten op het veiligstellen van haar productiecapaciteit in China. Vanuit het perspectief van Yuching en [A] kan het een verdedigbare inschatting zijn geweest dat de inspanningen van EZ er uiteindelijk niet toe zouden leiden dat Nexperia gevrijwaard zou kunnen blijven van de nadelige gevolgen die de toepassing van de 50%-rule voor haar onderneming zou hebben. Vanuit het perspectief van [bestuurder/CEO] kan daarbij ook een rol gespeeld hebben dat inmiddels zijn vertrek als CEO van Nexperia als voorwaarde werd gesteld om in aanmerking te komen voor een ontheffing van de 50%-rule. Voor Nexperia en de door haar wereldwijd gedreven onderneming had die strategische keuze evenwel zeer verstrekkende gevolgen en daaraan waren voor haar ook zeer aanzienlijke risico’s verbonden. Nexperia vroeg EZ om steun maar zette tegelijk de relatie met EZ op een kritiek moment op het spel doordat (i) haar feitelijke handelwijze niet strookte met het verhaal dat zij aan EZ vertelde en (ii) Nexperia talmde met de implementatie van de wijziging van de governance. Daarmee nam Nexperia het risico dat zij het vertrouwen van EZ zou verspelen juist op een moment waarop die steun - gelet op de geopolitieke onzekerheid waarin zij verkeerde - hard nodig zou kunnen hebben. Dat deze risicovolle strategische keuze door [bestuurder/CEO] met zijn medebestuurder en binnen het EMT is besproken en dat daar een gedegen besluitvormingsproces aan ten grondslag heeft gelegen met een behoorlijke afweging van de voor- en nadelen en alle in aanmerking komende belangen en risico’s, is de Ondernemingskamer echter niet gebleken.”
Zo begrijp ik de PI, nr. 77 althans, gelet ook op de verwijzing in de PI, noten 75, 77 naar HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:199, NJ 2023/166, rov. 3.4.2, 3.4.4 en in noot 78 aldaar (“Vgl.”) naar art. 2:8 BW en HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:797, NJ 2014/286, rov. 4.2.2. Ik lees (ook) hier het middel welwillend.
Zie bijv. HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:199, NJ 2023/166, rov. 3.4.2, 3.4.4.
Zie bijv. HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:797, NJ 2014/286, rov. 4.2.2 en HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:199, NJ 2023/166, rov. 3.4.4. Het gaat bij die belangen van al degenen die bij de vennootschap of haar onderneming zijn betrokken dus om andere belangen dan het belang van die vennootschap en haar onderneming. Zie bijv. ook HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7972, NJ 2007/434, rov. 4.5 (“Ook hier geldt dat het bestuur bij de vervulling van zijn bij wet of statuten opgedragen taken het belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming behoort voorop te stellen en de belangen van alle betrokkenen, waaronder die van de aandeelhouders, bij zijn besluitvorming in aanmerking behoort te nemen”) en HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0976, NJ 2010/544, rov. 4.4.1, tweede alinea (in vergelijkbare zin).
Zie bijv. mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2024:385) voor HR 7 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:817, RvdW 2024/597 en HR 7 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:820, RvdW 2024/598, onder 3.23.3, mede in het licht van HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:797, NJ 2014/286, rov. 4.2.2.
Kort gezegd: is twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia gelegen in het niet opvolgen van toezeggingen aan de Staat om de governance van Nexperia te wijzigen, in het bijzonder ten aanzien van de invoering van een raad van commissarissen met belangrijke goedkeuringsrechten?
Zie bijv. ook de verwijzingen in de PI, noot 79 naar o.a. HR 26 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4804, NJ 2002/94, Hof Amsterdam (OK) 13 maart 2003, ECLI:NL:GHAMS:2003:AF5761, NJ 2003/248 en literatuur “over de vraag hoeveel ruimte er overblijft voor het vennootschappelijk belang in concernverhoudingen.”
Illustratief is HR 26 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4804, NJ 2002/94, rov. 4.6, laatste alinea, waar de Hoge Raad “het belang van het concern” - ook wel genoemd “het concernbelang” - relateert aan, maar onderscheidt van, “de andere bij de onderscheiden vennootschappen [“de tot het concern behorende vennootschappen”, A-G] betrokken belangen.” Dat concernbelang gaat dus niet op in het eigen vennootschapsbelang van zo’n tot het concern behorende vennootschap, dat concernbelang is iets anders: een van de bij zo’n vennootschap betrokken belangen. Het gaat hier derhalve om verwante, maar te onderscheiden belangensferen. Asser/Nieuwe Weme & Salemink 2025, nr. 131 onder c zeggen het zo: “Het bestuur van de dochtervennootschap dient zich primair te richten naar het belang van de dochtervennootschap. Volgens HR 26 oktober 2001 (r.o. 4.6), NJ 2002/94; JOR 2002/2 (Juno) moet het concernbelang daarbij worden meegewogen, maar is het niet doorslaggevend in die zin dat het prevaleert boven het belang van de dochtervennootschap. Evenzo OK 10 februari 2022 (r.o. 4.31); RO 2022/21; JOR 2022/147 (Funda). Wij lezen de overweging van de HR niet aldus dat het belang van de dochtervennootschap altijd doorslaggevend is. Onder omstandigheden is het onzes inziens denkbaar dat het belang van de dochtervennootschap moet worden achtergesteld bij het concernbelang.” Zie verder bijv. Hof Amsterdam (OK) 13 maart 2003, ECLI:NL:GHAMS:2003:AF5761, NJ 2003/248, waaronder rov. 3.4-3.6 over “het belang van de vennootschap” en “het belang van het concern”.
Met als opschrift: “Rechtsklacht - vrijheid van inrichting”.
Onder verwijzing naar het verweerschrift van Yuching, nr. 73.
Onder verwijzing naar het verweerschrift van Yuching, nrs. 53-56 en 75 onder (i).
Zie inmiddels ook de eerstefasebeschikking, rov. 3.24 (geciteerd in noot 278 hiervoor).
Met als opschrift: “Motiveringsklachten over r.o. 3.19-3.20”.
Met vindplaatsen in de PI, noten 87-91.
Zie met name de eerstefasebeschikking, rov. 3.22: “In de zomer van 2025 stond Nexperia doorlopend in contact met EZ (en BZ) (…). Het uitblijven van concrete implementatiemaatregelen door Nexperia weerhield [bestuurder/CEO] niet ervan in een ontmoeting met de Minister op 7 juli 2025 te bevestigen dat Nexperia zich in het licht van de toenemende Amerikaanse druk en dreigende toepassing van de 50%-rule nog steeds als Nederlandse (Europese) onderneming wilde positioneren en in dat kader bereid was om vergaande aanpassingen aan haar governance te doen (2.49). Ook binnen het EMT was dat nog steeds de lijn, en in dat kader heeft het hoofd CEO Office op 22 juli 2025 na overleg met [bestuurder/CEO] aan de CLO en CCA de wensen van Nexperia voor het overleg met EZ doorgegeven (2.50). Tegelijkertijd blijkt niet dat [bestuurder/CEO] nog vertrouwen had in het overleg met EZ. De notulen van de bespreking met EZ op 12 september 2025 zijn in dit verband sprekend (2.63). Ruim een jaar nadat Nexperia had toegezegd dat zij een raad van commissarissen zou installeren, en de beoogde commissarissen al aan EZ waren gepresenteerd, werd ermee geschermd dat de vereiste toestemming van CSRC voor de implementatie een belemmering zouden vormen. Welke inspanningen Nexperia of [A] zich heeft getroost om die toestemming te krijgen is niet duidelijk geworden. Desgevraagd kon ter zitting niet worden bevestigd dat daartoe op enig moment daadwerkelijk stappen zijn gezet, terwijl ook niet duidelijk is geworden welke initiatieven [A] in China heeft ondernomen om het instellen van een raad van commissarissen te bespoedigen. Ondanks dat eerder aan EZ was verklaard dat [bestuurder/CEO] zijn positie als CHRO eenvoudig zou kunnen opgeven, volstond Nexperia nu met de mededeling niet geneigd te zijn toe te geven aan de wensen van de Verenigde Staten.”
Zie de PI, noot 87.
Voor het overige zijn de stellingen van Yuching en [bestuurder/CEO] dienaangaande niet onderbouwd. Zie bijv. het verweerschrift van Yuching, nr. 14 (“In het vervolg van dit processtuk zal Yuching aantonen (…) dat de door EZK gewenste maatregelen grotendeels zijn geïmplementeerd (…)”) en de verklaring van mr. Polkerman (advocaat van Yuching bij de OK), kenbaar uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025, p. 7-8 (“(…) acties zijn deels uitgevoerd (tot tevredenheid van de Minister) (…)”).
Zie de e-mail van EZ van 12 maart 2025: “We acknowledge the great effort that has been put into the Information Security Framework. (…) Similarly the Trade Secrets Policy and the Nexperia IP Security Policy Summary show a well developed security approach (…). However we have still some concerns because neither the Supervisory Board as to be implemented in your proposal nor any other legal framework ensures that the Dutch and European identity of the Company is guaranteed. (…).” Zie voorts de e-mail van [verweerder 4] van 28 maart 2025, waarover ook de uitgewerkte beschikking, rov. 2.17: “You have seen we have - and will further develop - a robust Information Security Framework. (…) In relation to the outstanding topics on rights and obligations of the Supervisory Board, especially the Dutch/European identity topic (…) we respond as follows. (…).” Zie ten slotte de e-mail van EZ van 28 april 2025, bedoeld in de uitgewerkte beschikking, rov. 2.18: “First of all we agree that your robust Information Security Framework helps to justify our continued support for Nexperia. And we really appreciate the result[.] But as you are fully aware that framework is part of a broader set of measures (i.e. an effective supervisory board with clearly defined and limited powers regarding security and European identity of the company + a process for shareholder diversification whereby a substantial minority is sold either through an IPO or a trade sale to a trustworthy shareholder) we have discussed. (…) For further assistance and help from our side there must be more sufficient assurance by the company and its CEO. This needs to be clarified as well as a clear engagement to implement the broader measures as discussed. (…).”
Zie onder meer de eerstefasebeschikking, rov. 3.19 (“In de zomer van 2024 is [bestuurder/CEO] op zijn schreden teruggekeerd; hij was niet langer bereid bovenwettelijke bevoegdheden aan de raad van commissarissen toe te kennen, en de invulling van de functie van CSO werd beperkt (2.15, 2.17, 2.18). EZ werd hierover niet meteen geïnformeerd. (…)”), rov. 3.20 (“(...) In de gesprekken met EZ had Nexperia al in april 2024 toegezegd dat zij een raad van commissarissen zou installeren met de bevoegdheid over bepaalde reserved matters (2.11 en 2.12). Van die laatste toezegging was Nexperia inmiddels teruggekomen, maar de toezegging een raad van commissarissen in te voeren had zij nooit ingetrokken. Zelfs de personele invulling van de raad van commissarissen was al lange tijd gereed en met EZ afgestemd. Toch had Nexperia sinds de zomer van 2024 geen concrete stappen gezet om deze in te voeren. (…)”), rov. 3.21 (“(…) Concrete stappen om tot implementatie van de door EZ verlangde governance wijzigingen te komen bleven echter nog steeds. (…)”), en rov. 3.22 (geciteerd in noot 292 hiervoor).
Met als opschrift: “Motiveringsklacht over r.o. 3.21”.
Onder verwijzing naar de spreekaantekeningen van [bestuurder/CEO] , nrs. 34-36 en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025, p. 8 (verklaring van mr. Vader, advocaat van [bestuurder/CEO] bij de OK).
Kort en goed: zonder overleg of ruggenspraak, en zonder dat de OR was geïnformeerd, laat staan dat de OK op de voet van art. 30 WOR tijdig om advies was gevraagd over een voorgenomen ontslag van [verweerder 4] als statutair bestuurder, dit terwijl de bij de ontslagaanzegging gebruikte woorden (“We therefore aim to terminate your employment agreement and statutory positions”) ondubbelzinnig duidelijk maken dat het ontslagbesluit al vast stond.
Zie ook de eerste zin van de uitgewerkte beschikking, rov. 3.21, waarin de OK overweegt: “Vanaf september 2025 wees het optreden van [bestuurder/CEO] zelfs eerder in de tegengestelde richting.” Dit slaat terug op rov. 3.20, in het bijzonder waar de OK erop wijst: dat zeker vanaf het moment dat [A] op de U.S. Entity List is geplaatst, het voor [bestuurder/CEO] als bestuurder van Nexperia duidelijk moet zijn geweest dat implementatie van de in overleg met EZ afgestemde maatregelen nodig was om te voorkomen dat Nexperia en haar onderneming in toenemende mate de nadelige gevolgen zouden ondervinden van de gepercipieerde invloed van haar Chinese aandeelhouder; dat desondanks geen stappen zijn gezet om in het belang van Nexperia en haar onderneming tot aanpassing van de governance te komen; en dat toen in juni 2025 duidelijk werd dat er een aanzienlijke kans was dat de 50%-rule zou worden ingevoerd, waardoor Nexperia ook direct door handelsbeperkingen uit de Verenigde Staten zou worden geraakt, het op de weg van [bestuurder/CEO] lag om maatregelen te treffen om de kans te minimaliseren dat Nexperia door de 50%-rule zou worden geraakt: “Nakoming van de eerdere toezeggingen tot wijziging van de governance werd zeker vanaf dat moment evident in het belang van Nexperia, omdat BZ en/of EZK daarmee een argument kon worden verschaft jegens de autoriteiten in de Verenigde Staten om de 50%-rule niet ook op Nexperia van toepassing te verklaren. De Ondernemingskamer heeft niet kunnen vaststellen dat behoudens het terugtreden van diens zuster als bestuurder zijdens [bestuurder/CEO] enige maatregel is getroffen om de nadelige gevolgen van de gepercipieerde invloed van de Chinese aandeelhouder op Nexperia en haar onderneming tegen te gaan.”
Dit is dus mede te bezien in het licht van de uitgewerkte beschikking, rov. 3.20, waarin de OK al onder meer erop wijst dat het in het belang van Nexperia en haar onderneming was om BZ en/of EZ argumenten te verschaffen jegens de autoriteiten in de Verenigde Staten om de 50%-rule niet ook op Nexperia van toepassing te verklaren. Zie ook de vorige noot.
Ik merk nog op dat de OK in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.21 specifiek wijst op de gedragslijn van [bestuurder/CEO] .
Zie bijv. het verzoekschrift van Nexperia, nr. 202 (“Zoals vereist op grond van art. 2:349 lid 1 BW, heeft [verweerder 4] de andere bestuurder van Nexperia Holding en Nexperia B.V. ( [bestuurder/CEO] ) op de hoogte gesteld van het voornemen om dit enquêteverzoek in te dienen. Gelet op de omstandigheden en doordat het voornemen daartoe pas in een lat stadium is geconcretiseerd, heeft [verweerder 4] dit kort voor indiening van het verzoekschrift gedaan. Daarnaast is de ondernemingsraad op de hoogte gesteld van het indienen van het verzoek”).
Zie ook noot 300 hiervoor.
Want om het intrekken van betalingsbevoegdheden (bankvolmachten) van drie sleutelfunctionarissen én het verlenen van een bankvolmacht aan drie andere personen zonder financiële ervaring.
Zie bijv. de uitgewerkte beschikking, rov. 2.22-3.23. Daaruit blijkt onder meer dat [betrokkene 4] , de CFO, in reactie op deze handelwijze ervoor heeft gewaarschuwd dat dit zou leiden tot “significant operational impact” en heeft gewezen op de fiscale gevolgen, de gevolgen voor het cash management, hedging risico’s en het risico op fouten en vertragingen indien het financiële beheer in handen zou komen van personen zonder financiële ervaring.
Met als opschrift: “Rechtsklacht”.
Onder verwijzing naar A. van Wees in haar annotatie in COBE 2025 / N-015. De klacht is kennelijk ontleend aan de volgende passage in haar annotatie: “In de [uitgewerkte, A-G] beschikking (…) gaat de Ondernemingskamer expliciet in op proportionaliteit en subsidiariteit. Zij merkt daarbij op dat dit onderwerp uitvoerig met partijen is besproken, maar blijft in de uitwerking van haar beslissing summier. De motivering bestaat in wezen uit een herhaling van de redenen die ook ten grondslag zijn gelegd aan de onmiddellijke voorzieningen zelf. Daarmee lijkt de Ondernemingskamer de zwaarte van de maatregelen te rechtvaardigen met de zwaarte van de voorlopig aangenomen gegronde redenen. Dat zegt echter niets over de proportionaliteit en subsidiariteit. Onbesproken blijft of de maatregelen daadwerkelijk niet verder ingrijpen dan noodzakelijk is en of hetzelfde doel niet met minder ingrijpende voorzieningen had kunnen worden bereikt. (…).”
Zie bijv. de Dikke van Dale (online geraadpleegd) bij het lemma “noodzakelijk”, wat onder meer betekent: “vereist voor het in stand houden van een toestand of het bereiken van doel” ofwel “nodig”.
Daarin lees ik opnieuw een parafrasering van art. 2:349a lid 2 BW. Ik citeer: “Indien gelet op de belangen van de rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken een onmiddellijke voorziening vereist is in verband met de toestand van de rechtspersoon (…).”
Met als opschrift: “Motiveringsklacht: proportionaliteit en subsidiariteit”.
Het betreft kennelijk de volgende passage: “(…) (iii) Hiervoor kwam al aan de orde dat de governance niet gebrekkig is. De organen van de onderneming functioneren gewoon, en partijen zijn, of waren tot verkort nog, in gesprek met het Ministerie om herziening van de governance te bespreken. In zoverre is het Verzoek dus ongegrond of minst genomen prematuur; (iv) De verhoudingen zijn evenmin niet, althans niet dusdanig, verstoord dat ingrijpen nodig is, zeker niet op de manier zoals die nu voorligt. Van een impasse in één van de organen is namelijk geen sprake, niet op bestuurs- en ook niet op aandeelhoudersniveau. De onderneming functioneert gewoon, heel goed zelfs. Dat een enkeling (al dan niet anoniem) zich niet kan vinden in de managementstijl van [bestuurder/CEO] maakt dat niet anders. Dat zijn geen kwesties, die een gegronde reden(…) opleveren om aan een juist beleid te twijfelen; en (v) Dat sprake (…) zou zijn van onbehoorlijk financieel of ondernemingsbeleid is tot slot ook niet aan de orde. Immers, de doelstellingen voor 2025 waren misschien ambitieus, maar de resultaten laten zien dat die niet onrealistisch waren.”
Ik citeer: “Ten tweede, wat betreft de ingreep in het bestuur is het uitgangspunt dat tijdelijk een bestuurder met een doorslaggevende stem wordt aangesteld en dat de overige bestuurders in functie worden gelaten. Als dat niet effectief genoeg is, wordt veelal gegrepen naar het schorsten van beide bestuurders en het tijdelijk aanstellen van een OK-bestuurder. Als slechts een van de bestuurders wordt geschorst, is het gebruikelijk dat daarnaast een OK-bestuurder wordt benoemd. Dat is ook logisch, omdat de vennootschap anders geheel wordt overgeleverd aan een van de kampen. Dat een van deze kampen de controle krijgt, is ongebruikelijk en onwenselijk. Waarom dat in deze nodig zou zijn, blijkt geheel niet uit de beschikking van 1 oktober 2025.”
Zie F. Eikelboom, De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (diss. Groningen), Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 551.
Dit randnummer luidt: “De benoeming van een “onafhankelijke niet-uitvoerend bestuurder met beslissende stem en zelfstandige vertegenwoordigingsbevoegdheid” is in dezelfde lijn te vergaand. Een dergelijke functie creëert de facto een enkelvoudig machtscentrum dat noch noodzakelijk is, noch past bij de proportionele waarborging van belangen van vennootschap en stakeholders. Indien de Ondernemingskamer al een aanvullende waarborg wenselijk acht, ligt een aanzienlijk lichtere variant voor de hand: een tijdelijk, onafhankelijk toezichthouder of board observer zonder beslissende stem of zelfstandige vertegenwoordigingsbevoegdheid, met een strikt afgebakende opdracht en looptijd, gericht op monitoring van compliance met het Bevel en op signalering van eventuele tegenstrijdige belangen. Meer is niet nodig om de door Verzoeksters geschetste, overigens niet-onderbouwde zorgen te adresseren.”
Met als opschrift: “Motiveringsklacht: belangenafweging”.
Zie bijv. ook het verweerschrift in cassatie van Nexperia, nr. 197.
Met als opschrift: “Motiveringsklacht: [bestuurder/CEO] kon geen RvC instellen”.
Zie ook het verweerschrift in cassatie van EZ, nrs. 4.3-4.7.
Zie bijv. Kamerstukken II 1999/00, 26855, 3, p. 61.
Zie bijv. Kamerstukken II 1999/00, 26855, 3, p. 61.
Ik maak dit op uit de term “opheffen” in art. 28 lid 2 Rv en uit Kamerstukken II 1999/00, 26855, 3, p. 61, waaronder: “Het tweede lid opent de mogelijkheid dat de rechter de geheimhoudingsplicht - op een later tijdstip - geheel of gedeeltelijk opheft. Aan opheffing van het verbod kan behoefte bestaan als een partij de onderwerpelijke gegevens in een andere procedure wil gebruiken. Het belang van de waarheidsvinding kan dan meebrengen dat de bescherming van vertrouwelijke gegevens moet wijken. De rechter zal daarbij de betrokken belangen opnieuw moeten afwegen.”
Kenbaar uit de brief van EZ van 13 oktober 2025: “Zoals de Ondernemingskamer ambtshalve zal hebben geconstateerd, is bovengenoemde kwestie sinds 12 oktober 2025 uitgebreid beschreven in de nationale en internationale media. Naar het zich laat aanzien is dat een gevolg van een melding van [A] (…), de indirect 100%-aandeelhouder van de onderneming, bij de Shanghai Stock Exchange en een bericht van [A] op haar officiële WeChat blog (zie ook bijlage).”
Zie Kamerstukken II 1999/00, 26855, 3, p. 60-61.
Zie bijv. ook Kamerstukken II 1999/00, 26855, 3, p. 60-61.
Zie Kamerstukken II 1999/00, 26855, 3, p. 60.
Zie de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht, Stb. 2024/62 (inwerkingtreding 1 januari 2025, Stb. 2024/72). Zie hierover bijv. ook Kamerstukken II 2019/20, 35498, 3, p. 36-37 en Tjong Tjin Tai 2025, art. 28 Rv, aant. 3.
In de desbetreffende paragraaf van het verzoekschrift van Nexperia staat onder meer: “7. Nexperia verzoekt de Ondernemingskamer tevens, in geval zij bepaalt dat behandeling van deze zaak met gesloten deuren zal plaatsvinden, te bepalen dat deze zaak niet op openbare overzichten van aanhangige zaken wordt gepubliceerd, en dat de griffie desgevraagd geen mededelingen over deze zaak zal doen aan derden (…). In dat kader verzoekt Nexperia de Ondernemingskamer voorts toepassing te geven aan art. 28 lid 1, aanhef en onder b, Rv, met betrekking tot dit verzoekschrift, de bijlagen bij dit verzoekschrift, en eventuele verweerschriften en bijlagen daarbij.” [onderstreping toegevoegd, A-G]
Daar staat onder meer: “De Minister steunt deze verzoeken. De uiterst sensitieve geopolitieke aspecten van deze zaak en de mogelijkheid invloed daarvan op de economische veiligheid van Nederland en Europa staan aan een openbare behandeling en iedere vorm van openbaarmaking van het enquêteverzoek in de weg.”
Zie Kamerstukken II 1999/00, 26855, 3, p. 60.
Als gevolg van de beslissing van de OK tot een zitting met gesloten deuren op de voet van art. 27 lid 1, aanhef en onder b Rv.
Als gevolg van een uitdrukkelijke rechterlijke beslissing naar aanleiding van het verzoekschrift van Nexperia van 1 oktober 2025 en de brief van EZ van dezelfde datum.
Naar luid van de ex parte-beschikking is ook deze beslissing door de OK in het openbaar uitgesproken, net als de daarop volgende beslissingen van de OK in de onderhavige procedure, waaronder de kop-staart-beschikking.
Zie bijv. Kamerstukken II 1999/00, 26855, 3, p. 59, 60 (“De nieuwe bepalingen gaan (…) niet uit van een recht op inzage van rechterlijke uitspraken, omdat dit voor de griffies een te grote belemmering van de werkzaamheden oplevert. Wel bestaat in beginsel een recht op afschrift, dat echter met het oog op zwaarwegende belangen van partijen (privacy, bedrijfsgeheimen) kan worden beperkt. In de regel zullen slechts geanonimiseerde afschriften worden verstrekt, al zal anonimisering bijvoorbeeld niet zinvol [zijn] als een concrete uitspraak tussen bekende partijen wordt opgevraagd. (…) Voorts kan ook bij in het openbaar uitgesproken beslissingen verstrekking [van] een afschrift aan derden worden geweigerd in verband met zwaarwegende belangen van anderen, waaronder die van partijen (…). Ook langs die weg wordt schade als gevolg van openbaarmaking van vertrouwelijke gegevens zoveel mogelijk beperkt”) en Kamerstukken II 2000/01, 26855, 16, p. 32-33 (waaronder: “Uitgangspunt van de nieuwe regeling is dat eenieder in beginsel afschriften kan verkrijgen van rechterlijke beslissingen. Dit uitgangspunt houdt verband met het beginsel van openbaarheid van de rechtspraak. Een onbeperkt en ongeclausuleerd recht op afschrift zou echter te ver gaan. Procespartijen en andere rechtstreeks betrokkenen kunnen er belang bij hebben dat bepaalde gegevens niet door middel van afschriften op straat komen te liggen. Hun recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer kan dan meebrengen dat het afschrift van een rechterlijke beslissing geweigerd kan worden dan wel door anonimisering beperkt wordt”). Zie verder bijv. F.J.P. Lock, T&C Rv, Deventer: Wolters Kluwer 2026 (actueel t/m 15 februari 2026), art. 29 Rv, aant. 3 onder b en L.A. Bosch, T&C Rv, Deventer: Wolters Kluwer 2024 (actueel t/m 1 oktober 2024), art. 838 Rv, aant. 7 onder b, mede onder verwijzing naar Rb. Den Haag (vzr.) 20 mei 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BM5127.
Zie Kamerstukken II 1999/00, 26855, 3, p. 60, 61.
Zie bijv. ook Lock 2026, art. 28 Rv, aant. 1 onder a: “Openbaarheid van rechtspraak blijft ook hier hoofdregel. Een uitzondering daarop - derhalve: vertrouwelijkheid - is steeds het gevolg van een rechterlijke beslissing: sluiting van de deuren, beperking van de toegang tot de zitting dan wel een uitdrukkelijke vertrouwensverklaring (MvT, Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 172).”
De klacht noemt als bron daarbij Kamerstukken II 1999/00, 26855, 3, p. 60-61. De geciteerde woorden zien kennelijk op deze zin op p. 60 aldaar: “Openbaarheid van procedurele gegevens blijft het uitgangspunt.”
Zie hierover bijv. ook de conclusie van A-G Valk (ECLI:NL:PHR:2025:514) voor HR 5 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1237, JOR 2025/261, onder 4.17.
Zie HR 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:658, JBPr 2023/41, rov. 3.3.2. Zie hierover ook de in de vorige noot aangehaalde conclusie van A-G Valk, onder 4.17.
Zie ook de in noot 338 hiervoor genoemde conclusie van A-G Valk, onder 4.18 (over “de open formulering van wat de rechter kan en mag volgens (…) art. 28 lid 1 onder b Rv (oud en nieuw) (…)”).
Onder verwijzing naar het verzoekschrift van Nexperia van 1 oktober 2025, nr. 7 en de brief van EZ van dezelfde datum, p. 2.
Evenzo de in noot 338 hiervoor genoemde conclusie van A-G Valk, onder 4.18.
Onder verwijzing naar Kamerstukken II 1999/00, 26855, 3, p. 60-61; Lock 2026, art. 28 Rv, aant. 2; en Asser Procesrecht/Giesen 2024, nr. 362.
Zie bijv. Kamerstukken II 1999/00, 26855, 3, p. 18: “Waar dit begrip in de eerste titel wordt gebruikt, moet het ruim worden uitgelegd. Behalve eiser en gedaagde - en eventuele derden-partijen - in de dagvaardingsprocedure, zijn daaronder eveneens begrepen verzoeker en belanghebbenden in de verzoekschriftprocedure.”
Zie bijv. Lock 2026, art. 28 Rv, aant. 2 onder c.
Zie HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:273, NJ 2024/119, rov. 3.7.5.
Zie bijv. Lock 2026, art. 28 Rv, aant. 1 onder a en de conclusie van A-G Wesseling-van Gent (ECLI:NL:PHR:2018:187) voor HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1775, NJ 2019/70, onder 3.11, waarin wordt opgemerkt dat art. 27-29 Rv zien op waarborgen dat derden geen beschikking krijgen over vertrouwelijke gegevens.
Zie bijv. Kamerstukken II 1999/00, 26855, 3, p. 60. Aldaar wordt overigens abusievelijk verwezen naar art. 3:353 lid 3 BW. Dat art. 2:353 lid 3 BW is bedoeld, blijkt ook uit Kamerstukken II 1999/00, 26855, 3, p. 58. Zie bijv. ook Lock 2026, art. 28 Rv, aant. 1 onder a en Tjong Tjin Tai 2025, art. 28 Rv, aant. 2.
Zie aldus A.F.J.A. Leijten in nr. 7 van zijn annotatie in JOR 2025/259; A. van Wees onder het opschrift “Verbod mededelingen te doen” van haar annotatie in COBE 2025 / N-015; en R.A.M.D. Smit & B.N. Goedhart op p. 83 van hun annotatie in JIN 2026/8.
Zie de PI, nr. 78.
Zie HR 22 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1283, NJ 2024/22, rov. 3.7, 3.9. Zie bijv. ook H.J. de Kluiver in nr. 6 van zijn annotatie onder deze Hoge Raad-uitspraak in NJ 2024/22, volgens wie “de Hoge Raad bedoelt dat alle bepalingen die in Boek 2 BW op de enkelvoudige vennootschap zien ook steeds mogen, en wellicht zelfs moeten, worden uitgelegd met inachtneming van een eventueel aanwezig ‘organisatorisch verband’ met andere rechtspersonen. Dat is een belangrijke en principiële overweging.”
Zoals de overeenkomstige toepassing van art. 28 Rv op deskundigen in HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:273, NJ 2024/119, rov. 3.7.5.
Zie bijv. ook mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2023:360) voor HR 22 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1283, NJ 2024/22, onder 3.12.5 en noot 80 aldaar, en onder 3.15.1 en noot 87 aldaar, met verwijzingen.
Een mededeling aan derden omtrent de procedure (zoals in de publicatie van 12 oktober 2025 van [A] , kenbaar uit de brief van EZ van 13 oktober 2025) betekent immers niet zonder meer dat [A] (laat staan [bestuurder/CEO] en/of Yuching) daarmee aan de delictsomschrijving van art. 272 lid 1 Sr heeft voldaan. Ik citeer: “Hij die enig geheim waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift dan wel van vroeger ambt of beroep verplicht is het te bewaren, opzettelijk schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie.” Het gaat in deze bepaling dus om opzettelijke schending van een geheim. Zie over de betekenis van ‘schenden’ in art. 272 Sr bijv. HR 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:523, RvdW 2020/529, rov. 2.3-2.5. De PI, nr. 113, slot (“Daarbij is te bedenken”, etc.) lijkt bovendien een beroep op een strafuitsluitingsgrond te suggereren (vgl. art. 42 lid 1 Sr: “Niet strafbaar is hij die een feit begaat ter uitvoering van een wettelijk voorschrift”). Verder moet worden bedacht dat uit art. 272 lid 2 Sr volgt dat sprake is van een klachtdelict. Zie hierover bijv. ook A. van Wees onder het opschrift “Verbod mededelingen te doen” van haar annotatie in COBE 2025 / N-015.