Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6575

2026-06-17 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/447079 / FA RK 26-1883
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-06-17
Publicatiedatum
2026-07-18
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/447079 / FA RK 26-1883
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vrouw en kind nu te kwetsbaar; Raad gaat onderzoek doen

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.985 tekens)
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Team Familie- en Jeugdrecht



Middelburg



Zaaknummer: C/02/447079 / FA RK 26-1883



Datum uitspraak: 17 juni 2026




Beschikking betreffende een provisionele voorziening




in de zaak van





[de man] ,

hierna te noemen: de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.L.J. de Vos te Goes,



tegen





[de vrouw] ,

hierna te noemen: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C.F.A. Cadot te Roosendaal.



over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021, hierna te noemen: [minderjarige] .



Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.





1Het procesverloop

1.1.
Dit blijkt uit de volgende stukken:


het op 26 maart 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;


het F9-formulier van mr. De Vos van 24 april 2026;


het op 2 juni 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen.





1.2.
Op 26 maart 2026 is (ook) de hoofdzaak aanhangig gemaakt, welke procedure bij de rechtbank geregistreerd staat onder kenmerk C/02/447071 FA RK 26-1877. In de hoofdzaak ligt primair een verzoek tot gezamenlijk gezag en tot het vaststellen van een omgangs- c.q. zorgregeling. Subsidiair tot het vaststellen van een informatieregeling.



1.3.

Het verzoek is mondeling behandeld op 8 juni 2026. Bij die behandeling zijn gekomen partijen met hun advocaten. Ook was er een vertegenwoordiger van de Raad.

2. De feiten





2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad welke eind 2022 definitief is beëindigd. Tijdens de affectieve relatie is [minderjarige] geboren.



2.2.
De man heeft [minderjarige] erkend. De vrouw is eenhoofdig belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .



2.3.
Het hoofdverblijf van [minderjarige] is bij de vrouw.





3Het verzoek


3.1.

De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, als provisionele voorziening:
I. Partijen te verwijzen naar het Uniform Hulp Aanbod.
II. Een voorlopige omgangregeling vast te stellen, inhoudende dat [minderjarige] bij vader is op zaterdagochtend van 10:00 uur tot 12:00 uur, waarbij de opbouw plaatsvindt onder regie van de betrokken hulpverlening en ertoe zal leiden dat de regeling wordt uitgebreid tot de reguliere regeling van één weekend in de veertien dagen.
III. Een voorlopige informatieregeling vast te stellen, inhoudende de vrouw de verplichting heeft om eenmaal per twee weken aan de man een foto van [minderjarige] te verstrekken alsook informatie over de ontwikkeling van [minderjarige] te verschaffen.




3.2.
De vrouw verzoekt de verzoeken van de man af te wijzen. Als zelfstandig verzoek verzoekt de vrouw om de man het recht op omgang te ontzeggen voor de duur van één jaar.



3.3
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om het verzoek te beoordelen, hierna ingegaan.





4De beoordeling



Ontvankelijkheid



4.1.
De rechtbank overweegt dat de huidige procedure slechts ziet op het treffen van een provisionele voorziening. Ingevolge artikel 223 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter voorlopige voorzieningen zal treffen voor de duur van het geding. Ingevolge het tweede lid moet deze vordering samenhangen met de hoofdvordering. In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv worden verzocht (Hoge Raad d.d. 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).



4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank hangen de onderhavige verzoeken samen met het verzoek in de hoofdzaak, zodat de man kan worden ontvangen in zijn verzoek.



Inhoudelijke beoordeling




4.3.
Door en namens de man is naar voren gebracht dat hij niets liever wil dan weer contact met [minderjarige] en een vaderrol in zijn leven innemen. Sinds september 2023 heeft de man geen contact meer met [minderjarige] en evenmin informatie over hem ontvangen. Dit nadat de vrouw met [minderjarige] naar een voor de man onbekende verblijfplaats is gegaan. De inspanningen van de man hebben tot op heden niet tot contactherstel geleid. Partijen hebben na het beëindigen van de relatie wel een hulpverleningstraject gevolgd, maar dit traject is voortijdig beëindigd zonder dat er afspraken over [minderjarige] waren gemaakt. De man erkent dat er in het verleden sprake is geweest van verslavingsproblematiek en dat hij verkeerde keuzes heeft gemaakt, maar hij heeft hulp gehad bij [zorginstelling] en het gaat nu goed met hem. De man wil middels hulpverlening binnen het Uniform Hulp Aanbod (hierna: UHA) met de vrouw werken aan de oudercommunicatie en het vertrouwen met als doel om tot werkbare afspraken in het belang van [minderjarige] komen. In afwachting van het traject verzoekt de man als voorlopige regeling dat [minderjarige] elke zaterdagochtend van 10:00 tot 12:00 uur bij de man is, waarbij verdere opbouw onder begeleiding en conform het advies van hulpverlening zal gaan. De man hoopt toe te werken naar een weekendregeling. Voor de man is het op dit moment met name belangrijk dat hij iets van perspectief heeft. Hij zou het fijn vinden als er een Raadsonderzoek komt en hij (via derden) informatie over [minderjarige] zou ontvangen.



4.4.
Door en namens de vrouw is verzocht om de verzoeken van de man af te wijzen en bij wijze van zelfstandig verzoekt de vrouw primair om de man het recht op omgang voor één jaar te ontzeggen. Subsidiair verzoekt zij om een Raadsonderzoek te gelasten in welk kader onderzocht kan worden of er perspectief op omgang tussen [minderjarige] en de man is, in hoeverre de man geen drugs meer gebruikt en of er realistische mogelijkheden voor partijen zijn als het gaat om het volgen van hulpverlening. De vrouw heeft toegelicht dat de relatie van partijen werd gekenmerkt door huiselijk geweld van de man jegens de vrouw en de verslavingsproblematiek van de man, waarvan ook [minderjarige] getuige is geweest. Als gevolg hiervan heeft de vrouw in september 2023 op advies van de politie en in het kader van veiligheidsoverwegingen haar woning moeten verlaten. De spanningen, onrust en het geweld tijdens en na de relatie heeft ernstige impact op zowel de vrouw als [minderjarige] (gehad). De vrouw ervaart hierdoor chronische stressklachten en [minderjarige] heeft een forse achterstand in zijn spraakontwikkeling, waarbij de Viersprong het vermoeden heeft dat dit voorkomt uit vroegkinderlijk trauma. Ook zoekt [minderjarige] meer veiligheid dan leeftijdsgenoten en kan hij, zowel thuis als op school, in paniek raken als hij zijn veilige persoon uit het zicht verliest. Vanwege de jonge leeftijd van [minderjarige] en de forse achterstand in zijn spraakontwikkeling kan [minderjarige] nog geen traumabehandeling volgen. De vrouw stelt dat zij en [minderjarige] rust en veiligheid nodig hebben en dat het niet in het belang van [minderjarige] is dat er contactherstel met de man plaatsvindt, ook niet in de vorm van een opbouwregeling. Gezien het belaste verleden en haar eigen draagkracht acht de vrouw zich op dit moment ook niet in staat om een UHA-traject met de man aan te gaan gericht op de oudercommunicatie en het contactherstel. Ook een voorlopige informatieregeling is voor nu te belastend voor haar.



4.5.
De Raad benoemt dat er op dit moment weinig mogelijkheden lijken te zijn om een voorlopige regeling tussen [minderjarige] en de man vast te stellen. Partijen hebben verschillende verhalen en er is weinig zicht op de situatie van de man, anders dan dat hij zelf aangeeft dat het beter met hem gaat. Duidelijk is wel dat [minderjarige] een kwetsbare jongen is en dat de draagkracht van de vrouw beperkt is. De Raad vindt het een goed idee als er een Raadsonderzoek komt, zodat er zicht op de situatie van de ouders komt, er kan worden gekeken of en hoe het contact(herstel) tussen [minderjarige] en de man eruit kan komen te zien, wat een passende informatieregeling kan zijn en waaraan partijen kunnen werken.



4.6.
De rechtbank stelt vast dat beide ouders verschillende verhalen over de gebeurtenissen in het verleden hebben, zich over en weer zorgen maken en tegengestelde visies hebben over de mogelijkheden met betrekking tot contactherstel en omgang tussen [minderjarige] en de man. Ook stelt de rechtbank vast dat [minderjarige] veel heeft meegemaakt, dat hij kwetsbaar is en dat er nog veel onduidelijkheid heerst. De rechtbank acht zich op dit moment dan ook onvoldoende geïnformeerd om in het belang van [minderjarige] een beslissing te kunnen geven op de verzoeken van partijen. Gelet op de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de rechtbank, zoals aangekondigd tijdens de zitting en waarmee partijen ook hebben ingestemd, van oordeel dat een onderzoek door de Raad ten behoeve van de bodemprocedure naar het gezag, omgangs- c.q. zorgregeling en informatieregeling is geïndiceerd. Dit leidt ertoe dat de rechtbank de Raad zal verzoeken om ten behoeve van de bodemprocedure (C/02/447071 FA RK 26-1877) een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de navolgende vragen:
- Bestaat er, als de ouders samen het gezag krijgen een onacceptabel risico dat [minderjarige] erg klem komt te zitten tussen de ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd voldoende zal verbeteren of is het om een andere reden in het belang van [minderjarige] om af te wijken van het uitgangspunt in de wet dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen?


Welke omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige] ?


Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?


Zijn er contra-indicaties voor omgang en zo ja, welke?


In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?


In hoeverre is er een informatieregeling passend en zo ja, welke?


Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld, maar zijn wel van belang om te vermelden?





4.7.
De Raad wordt verzocht het rapport en zijn advies in te brengen in de voornoemde bodemprocedure. Tijdens de zitting heeft de Raad aangegeven dat het de verwachting is dat de Raad over zes maanden met het onderzoek kan starten. Zoals met (de advocaten van) partijen tijdens de zitting is afgesproken, zal de rechtbank de beslissing op de provisionele verzoeken in afwachting van het Raadsonderzoek voor de duur van negen maanden aanhouden waarna deze zaak gelijktijdig met de bodemzaak op zitting kan worden gepland.



4.8.
Verder is tijdens de zitting met partijen gesproken over de mogelijkheid dat de man via derden informatie over [minderjarige] ontvangt. De vrouw heeft aangegeven dat zij het te belastend vindt om zelf informatie over [minderjarige] met de man te delen, maar de vrouw heeft wel bereidheid getoond als het gaat om het delen van informatie over [minderjarige] aan de man door derden, zoals de Viersprong. Voordat dit kan plaatsvinden, is het voor de vrouw belangrijk dat het eerst beter gaat met [minderjarige] en dat het [minderjarige] niet schaadt.





5De beslissing


De rechtbank:



5.1.
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Middelburg, om ten behoeve van en vooruitlopend op de bodemprocedure met zaak-/rekestnummer C/02/447071 FA RK 26-1877 een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hierboven in rechtsoverweging 4.6 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport uiterlijk 9 maart 2027 PRO FORMA dient te worden ingebracht in bovengenoemde bodemprocedure;



5.2.

houdt iedere verdere beslissing op de verzoeken in afwachting van het Raadsonderzoek aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026 in aanwezigheid van mr. Vork, griffier.



Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:



door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,


door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.



Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.