Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6633

2026-06-19 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/447633 / FA RK 26-2198
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-06-19
Publicatiedatum
2026-07-20
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/447633 / FA RK 26-2198
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Afwijzing provisionele voorziening om huidige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken om te draaien. Raadsonderzoek zal vanuit de bestaande situatie plaatsvinden en niet vanuit de verzochte (gewenste) situatie.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (19.626 tekens)
beschikking




RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT




Team Familie- en Jeugdrecht



Zittingsplaats: Breda



Zaaknummer: C/02/447633 / FA RK 26-2198



Datum uitspraak: 19 juni 2026




Beschikking over provisionele voorziening tot wijziging zorg- en contactregeling


in de zaak van





[de man]
,
hierna te noemen: de man,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. G.H.M. van Laarhoven uit Tilburg,



tegen





[de vrouw]
,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof uit Gilze,



over de minderjarige


[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .



Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.





1Het procesverloop


1.1.
In het procesdossier zitten de volgende stukken:


het op 23 april 2026 ontvangen verzoekschrift tot het treffen van een provisionele voorziening, met producties;


het op 1 juni 2026 ontvangen verweerschrift, met daarin een zelfstandig verzoek tot het treffen van een provisionele voorziening.





1.2.
Op 3 juni 2026 heeft de rechtbank het verzoek, met gesloten deuren, mondeling ter zitting behandeld. Bij die zitting zijn verschenen en gehoord:


de man, bijgestaan door mr. Van Laarhoven;


de vrouw, bijgestaan door mr. Van Kerkhof (via een tweezijdige beeld- en geluidsverbinding via MS Teams);


een vertegenwoordigster namens de Raad.







2De feiten


2.1.
Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van [datum] 2021 is in het huwelijk van partijen de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is tijdig ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.



2.2.

[minderjarige] is tijdens het huwelijk van partijen geboren.



2.3.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .



2.4.
Bij beschikking van deze rechtbank van [datum] 2021 is het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw bepaald en is een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen over [minderjarige] bepaald.



2.5.
Bij beschikking in hoger beroep van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 14 april 2022 is een gewijzigde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen over [minderjarige] bepaald.



2.6.
Bij beschikking van deze rechtbank van 5 januari 2023 is in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen bepaald, samengevat en voor zover hier nu van belang, dat [minderjarige] volgens een tweewekelijks schema bij de man dan wel bij de vrouw verblijft. Daarnaast is een verdeling van de vakanties, de feestdagen en andere bijzondere dagen bepaald. De rechtbank heeft de beslissing voor het overige aangehouden.



2.7.
Bij nadere beschikking van deze rechtbank van 5 maart 2025 is een gewijzigde verdeling van de vakanties, de feestdagen en andere bijzondere dagen bepaald.



2.8.
Tussen partijen is een bodemprocedure aanhangig bij deze rechtbank onder het zaaknummer C/02/447634 / FA RK 26-2199. In deze procedure zijn onder meer aan de orde de verzoeken van de man tot wijziging hoofdverblijf, tot wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en tot verkrijging van vervangende toestemming voor aanmelding bij de BSO.





3De verzoeken


3.1.
De man verzoekt bij wijze van voorlopige voorziening (naar de rechtbank begrijpt: op grond van artikel 223 Rv) voor de duur van de bodemprocedure en geldend tot drie maanden na de datum van de beslissing in de bodemprocedure:


de beschikking van deze rechtbank van 5 januari 2023 en de daarin bepaalde reguliere verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige] te wijzigen voor wat betreft de reguliere verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (de weekregeling);


te bepalen dat de vrouw gerechtigd is tot het hebben van contact met [minderjarige] eenmaal per twee weken in de oneven weken van vrijdagmiddag na schooltijd tot maandagochtend voor schooltijd, waarbij de vrouw [minderjarige] haalt en brengt van en naar school, en dat [minderjarige] de rest van de tijd bij de man verblijft;


de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.





3.2.
De vrouw voert verweer tegen voormelde verzoeken van de man en verzoekt om deze verzoeken af te wijzen.



3.3.
De vrouw verzoekt daarnaast, bij wijze van zelfstandig provisioneel verzoek, uitvoerbaar bij voorraad, om de Raad te verzoeken om een onderzoek te verrichten naar de onderwerpen in voormelde, tussen partijen aanhangige bodemprocedure.





4De standpunten



Het standpunt van de man




4.1.
Namens en door de man is ter onderbouwing van zijn verzoeken, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. De man stelt dat er sprake is van een relevante wijziging van feiten en omstandigheden sinds voormelde beschikking van 5 januari 2023, waarbij de huidige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen over [minderjarige] is bepaald, omdat het steeds minder goed gaat met [minderjarige] . Dat er grote zorgen over [minderjarige] zijn, blijkt onder meer uit dat hij is besproken in het Multi Expert Team (MET) en, naar aanleiding daarvan, dat de Raad een beschermingsonderzoek zal gaan verrichten. De huidige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken is, naar de mening van de man, erg onduidelijk en op basis van die verdeling vinden er (te) veel wisselingen plaats. De situatie tussen partijen is nog steeds erg conflictueus en gespannen, waardoor [minderjarige] ernstig wordt belast. De vrouw is echter niet bereid om de hulpverlening die noodzakelijk wordt geacht om voormelde zorgen weg te nemen, te accepteren. Daarnaast zijn er zorgen over de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de vrouw. Deze zorgen zien onder meer op de opvoedvaardigheden en de emotionele beschikbaarheid van de vrouw.



4.2.

De man stelt, gezien het voorgaande, dat [minderjarige] behoefte heeft aan duidelijkheid, regelmaat en structuur met betrekking tot de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.
De man verzoekt daarom te bepalen dat [minderjarige] eenmaal per twee weken in het weekend bij de vrouw verblijft en voor het overige bij de man, waarbij de wisselmomenten op school plaatsvinden. Van belang is dat de situatie op korte termijn tot rust komt. De man verzoekt daarnaast om de Raad te verzoeken om een onderzoek te verrichten naar de onderwerpen in de bodemprocedure. In die procedure zal dan moeten worden bezien welke verdeling het meest tegemoetkomt aan de belangen van [minderjarige] . De man kan niet instemmen met het voorstel van de Raad om, indien beide ouders daarmee instemmen, vooroplopend op de uitkomsten van het beschermingsonderzoek [minderjarige] onder toezicht te stellen. Als er een ondertoezichtstelling wordt uitgesproken, dan vindt de man het namelijk van belang dat er concrete doelen worden geformuleerd en dat het voor beide ouders duidelijk is wat er van hen wordt verwacht.




Het standpunt van de vrouw





4.3.

Namens en door de vrouw is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd.
De vrouw stelt dat de man nog steeds niet kan verkroppen dat zij de relatie met hem heeft verbroken. De man blijft de onderlinge strijd voortzetten en hij blijft proberen om de vrouw te controleren en te corrigeren. De verwijten van de man hebben volgens de vrouw dan ook niets met [minderjarige] te maken. Partijen hebben een forse hulpverleningsgeschiedenis, ook binnen het gedwongen kader. Nagenoeg alle trajecten die gericht zijn geweest op het verbeteren van de onderlinge communicatie en samenwerking tussen partijen, zijn echter mislukt. Wat de vrouw betreft is hierin dan ook het hoogst haalbare bereikt. De vrouw is getraumatiseerd en wil niet langer meewerken aan dergelijke trajecten. De vrouw kan ook niet ontkennen dat een en ander een zware wissel trekt op haar emotionele beschikbaarheid en belastbaarheid.




4.4.
De vrouw ziet in het voorgaande echter geen redenen om de huidige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken nu bij wijze van provisionele voorziening te veranderen. De huidige verdeling is op basis van een langdurig hulpverleningstraject, dus op een zorgvuldige wijze, tot stand gekomen. De vrouw betwist dat [minderjarige] hierover onduidelijkheid ervaart. Met [minderjarige] gaat het goed op school en bij de hulpverlening. Ook heeft hij tot op heden graag contact met zijn beide ouders. De vrouw vindt dat een verdeling waarbij [minderjarige] eenmaal per twee weken in het weekend bij de man verblijft en hij voor het overige bij de vrouw verblijft, dus een gespiegelde verdeling zoals thans door de man is verzocht, mogelijk het meest tegemoetkomen aan de belangen van [minderjarige] . De vrouw zal daarom een daartoe strekkend verzoek indienen in de tussen partijen aanhangige bodemprocedure. De vrouw kan, gezien het voorgaande, instemmen met een onderzoek door de Raad naar welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken het meest tegemoetkomt aan zijn belangen, mits dit onderzoek vanuit de bestaande situatie zal worden verricht. De vrouw stelt zich tot slot op het standpunt, net als de man, dat een ondertoezichtstelling waarschijnlijk noodzakelijk is, maar dat zij niet kan instemmen met het uitspreken daarvan zonder de uitkomsten van het raadsonderzoek af te wachten, omdat het van belang is dat er concrete doelen worden geformuleerd waaraan in het kader van die maatregel dient te worden gewerkt. De vrouw verkiest zorgvuldigheid boven snelheid.



Het advies van de Raad





4.5.
De Raad heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De Raad ziet dat partijen al langdurig met elkaar in conflict zijn, met als gevolg dat [minderjarige] klem zit tussen zijn ouders. De Raad heeft daarnaast zorgen over de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de vrouw met betrekking tot de voorspelbaarheid, emotionele beschikbaarheid en pedagogische vaardigheden van de vrouw. [hulpverlening] is reeds betrokken bij partijen en ervaart een moeilijke samenwerking met de vrouw, waardoor de hulpverlening onvoldoende van de grond komt. Gezien de zorgen die er zijn, adviseert de Raad om de huidige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aan te passen in die zin dat [minderjarige] meer tijd bij de man zal verblijven. De Raad adviseert daarom om de door de man verzochte voorlopige voorziening toe te wijzen.



4.6.
De Raad ziet daarnaast dat een ondertoezichtstelling wellicht nodig is. Als beide partijen daarmee instemmen, dan overweegt de Raad om een verzoek in te dienen om [minderjarige] per direct onder toezicht te stellen. De gecertificeerde instelling die deze maatregel zal uitvoeren, dient dan in de komende periode een onderzoek te verrichten naar welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken het meest tegemoetkomt aan de belangen van [minderjarige] . Als partijen daar niet mee instemmen, dan stelt de Raad voor om het beschermingsonderzoek uit te breiden in die zin dat er ook onderzoek wordt verricht naar de onderwerpen in de tussen partijen aanhangige bodemprocedure. Ook in dat geval adviseert de Raad om de verzochte voorlopige voorziening toe te wijzen, zodat de Raad het onderzoek kan verrichten vanuit de situatie dat [minderjarige] meer tijd bij de man doorbrengt.





5De beoordeling


5.1.
Op grond van artikel 223 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering.



5.2.
In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv worden verzocht (HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).



5.3.
De rechtbank overweegt dat er tussen partijen een bodemprocedure aanhangig is over onder andere de wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen over [minderjarige] .



5.4.
De rechtbank overweegt vervolgens dat voor toewijzing van een verzoek in het kader van artikel 223 Rv slechts plaats is, indien er naar het oordeel van de rechtbank voldoende (spoedeisend) belang bestaat, in die zin dat van partijen niet gevergd kan worden dat zij de afloop van de hoofdzaak afwachten. Daarnaast dient de rechtbank de belangen van partijen af te wegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin.



5.5.
De rechtbank overweegt, gezien de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, dat er al langere tijd zorgen zijn over [minderjarige] . Hoewel daardoor betwijfeld kan worden of de man een voldoende spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, zal de rechtbank het spoedeisende belang van de man bij voormeld verzoek als onweersproken aannemen. De rechtbank zal de verzoeken daarom hierna inhoudelijk beoordelen en vervolgens daarop beslissen.



5.6.
Het is de rechtbank gebleken dat er sprake is van een complexe situatie. Er zijn al langere tijd zorgen over onder meer de strijd die partijen tegen elkaar voeren, over de gebrekkige onderlinge communicatie en samenwerking tussen partijen en, daarmee samenhangend, over de impact daarvan op [minderjarige] . Daarnaast zijn er zorgen geuit over de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de vrouw. Met het oog daarop is de Raad inmiddels gestart met een beschermingsonderzoek. Dat er zorgen zijn over [minderjarige] wordt door alle partijen onderkend. Bovendien hebben partijen een lange hulpverleningsgeschiedenis (ook in het gedwongen kader). Gelet daarop zal de rechtbank aan de Raad verzoeken, vooruitlopend op de beoordeling en de beslissing in de tussen partijen aanhangige bodemprocedure, om een onderzoek te verrichten naar de in de bodemprocedure voorliggende onderwerpen en ter beantwoording van de volgende vragen:


Past een wijziging van de hoofdverblijfplaats bij de belangen van [minderjarige] ?


Past een verandering van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders bij de belangen van [minderjarige] ?




Aan de Raad wordt verzocht om het raadsrapport en -advies in te brengen in de tussen partijen aanhangige bodemprocedure (in de zaak met het zaaknummer C/02/447634 / FA RK 26-2199).




5.7.
Nu het de rechtbank niet is gebleken dat de zorgen over [minderjarige] dusdanig ernstig zijn waardoor een acuut ingrijpen nu noodzakelijk is, is de rechtbank van oordeel, overeenkomstig het standpunt van de vrouw, dat zorgvuldigheid belangrijker is dan snelheid. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om, vooruitlopend op het rapport en advies van de Raad, de huidige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen over [minderjarige] te wijzigen in die zin dat [minderjarige] voorlopig meer tijd bij de man zal doorbrengen. De rechtbank betrekt hierbij dat de huidige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken op een zorgvuldige manier is bepaald naar aanleiding van een langdurig hulpverleningstraject. Deze beslissing is nadien bekrachtigd door het Gerechtshof in hoger beroep. Voorkomen moet worden dat er nu overhaast een verandering wordt aangebracht in de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken die op een later moment in de bodemprocedure eventueel weer moet worden veranderd. Als de rechtbank de door de man verzochte provisionele voorziening zou toewijzen, dan zou bovendien feitelijk de situatie ontstaan waarin [minderjarige] het merendeel van de tijd bij de man zou verblijven terwijl het hoofdverblijf van [minderjarige] formeel nog steeds bij de vrouw is gelegen. Daarmee zou feitelijk dus een voorschot worden genomen op de beslissing over het hoofdverblijf in de bodemprocedure, terwijl dit bij wijze van een provisionele voorziening niet mogelijk is. De huidige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dient daarom, naar het oordeel van de rechtbank, het uitgangspunt te vormen van waaruit de Raad zijn onderzoek zal verrichten. Dit betekent dat de rechtbank de verzoeken van de man tot het treffen van een provisionele voorziening zal afwijzen.



5.8.
Gelet op het familierechtelijke karakter van deze procedure zal de rechtbank de kosten van partijen in deze procedure tussen hen verdelen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.



5.9.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.





6De beslissing


De rechtbank:



6.1.
wijst de verzoeken van de man tot het treffen van een provisionele voorziening af;



6.2.
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda om ten behoeve van en vooruitlopend op de tussen partijen aanhangige bodemprocedure met het zaaknummer C/02/447634 / FA RK 26-2199 een onderzoek te verrichten, te rapporteren en te adviseren ter beantwoording van de onder rechtsoverweging 5.6 vermelde vragen, welk rapport in beginsel binnen vier maanden dient te worden ingebracht in voormelde bodemprocedure;



6.3.
verdeelt de kosten van partijen in deze procedure tussen hen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.


Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026 door mr. Sumner, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. Wallerbos als griffier.



Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:



door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.


Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.