Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:4486

2026-04-22 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/445352 / FA RK 26-975
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-04-22
Publicatiedatum
2026-05-23
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/445352 / FA RK 26-975
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Afwijzing provisionele voorziening

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.973 tekens)
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Team Familie- en Jeugdrecht



Middelburg



Zaaknummer: C/02/445352 / FA RK 26-975



Datum uitspraak: 22 april 2026




Beschikking betreffende een provisionele voorziening




in de zaak van





[de vrouw] ,

hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. R. Wouters te Middelburg,



tegen





[de man] ,

hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. M. Kalle te Middelburg.



Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.





1Het procesverloop

1.1.
Dit blijkt uit de volgende stukken:


het op 17 februari 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;


de op 9 april 2026 ontvangen aanvullende stukken van mr. Wouters;


het op 10 april 2026 ontvangen verweerschrift met bijlagen.





1.2.
Bij voormeld verzoekschrift is (ook) de hoofdzaak aanhangig gemaakt, welke procedure bij de rechtbank geregistreerd staat onder kenmerk C/02/445346 / FA RK 26-973. In de hoofdzaak ligt een verzoek tot wijziging zorgregeling ten aanzien van beide kinderen en verzoek tot wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige 1] .



1.3.
Het verzoek is mondeling behandeld op 15 april 2026. Bij die behandeling zijn gekomen partijen met hun advocaten. Ook was er een vertegenwoordigster namens de Raad aanwezig.



1.4

Voorafgaand aan voornoemde mondelinge behandeling is [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. [minderjarige 1] heeft hiervan gebruik gemaakt en heeft een kindgesprek met de rechter gehad.

2. De feiten





2.1.
Partijen zijn gehuwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg van 12 april 2023 is in het huwelijk van partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 21 april maart 2023 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.



2.2.
Uit het huwelijk zijn de navolgende nog minderjarige kinderen geboren:
- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2016, hierna te noemen: [minderjarige 1] ;
- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2020, hierna te noemen: [minderjarige 2] .



2.3.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .



2.4.
Het hoofdverblijf van [minderjarige 2] is bij de vrouw en die van [minderjarige 1] is bij de man.



2.5.
In het ouderschapsplan d.d. 6 februari 2023, welke onderdeel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking van 12 april 2023, zijn partijen een ruime zorgregeling overeengekomen waarbij – voor zover in dit kader van belang – [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de ene week van woensdagavond tot zondagavond bij de man verblijven en de andere week van woensdagavond tot vrijdagavond.





3Het verzoek


3.1.
De vrouw verzoekt, bij beschikking en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, als provisionele voorziening:


I. Het ouderschapsplan, zoals tussen partijen overeengekomen op 6 februari 2023, alsmede de beschikking tussen partijen d.d. 12 april 2023 onder kenmerk C/02/406317 / FA RK
23-676, te wijzigen c.q. op te schorten en een (voorlopige) zorgregeling te bepalen inhoudende dat de man de zorg over de kinderen van partijen heeft gedurende een weekend per veertien dagen van vrijdag 12.00 uur tot zondagavond 19.00 uur;
II. Dan wel een beslissing te geven op bovenstaande verzoek op zodanige wijze als de rechtbank in goede justitie juist acht.




3.2.
De man voert verweer tegen de provisionele verzoeken van de vrouw en verzoekt de verzoeken af te wijzen en geen wijziging aan te brengen als provisionele voorziening.



3.3.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van het verzoek, hierna ingegaan.





4De beoordeling



Ontvankelijkheid



4.1.
De rechtbank overweegt dat de huidige procedure slechts ziet op het treffen van een provisionele voorziening. Ingevolge artikel 223 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter voorlopige voorzieningen zal treffen voor de duur van het geding. Ingevolge het tweede lid moet deze vordering samenhangen met de hoofdvordering. In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv worden verzocht (Hoge Raad d.d. 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).


4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank hangt het onderhavige verzoek samen met het verzoek in de hoofdzaak, zodat de vrouw kan worden ontvangen in haar verzoek.



Inhoudelijke beoordeling




4.3.
De rechtbank stelt voorop dat voor toewijzing van een verzoek in het kader van artikel 223 Rv een zodanig dringend belang is vereist dat van de verzoekende partij niet kan worden gevergd dat hij of zij de afloop van de bodemprocedure afwacht. Daarnaast dient de rechtbank de belangen van partijen af te wegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin.



4.4.

De rechtbank is van oordeel dat de gevraagde voorziening niet dusdanig dringend is dat de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Daarbij overweegt de rechtbank als volgt. Partijen hebben in februari 2023 een ouderschapsplan opgesteld, waarin zij onder meer een ruime zorgregeling overeen zijn gekomen waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de ene week van woensdagavond tot zondagavond en de andere week van woensdagavond tot vrijdagavond bij de man zijn. De vrouw verzoekt de zorgregeling voorlopig te wijzigen c.q. op te schorten, nu het al langere tijd niet goed met kinderen gaat en zij onder de huidige regeling lijden. Daartoe heeft de vrouw naar voren gebracht dat de tics van [minderjarige 2] zijn verergerd en dat [minderjarige 1] huilbuien heeft. Ook komt het regelmatig voor dat met name [minderjarige 1] niet naar de man wil en mist [minderjarige 1] de vrouw als zij bij de man is. Naast de overdrachtsmomenten die spanningsvol voor de kinderen zijn, gebeuren er bij de man dingen die niet goed voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn. De vrouw wil dat de kinderen minder naar de man gaan en/of dat er minder overdrachtsmomenten zijn.
De man herkent het door de vrouw geschetste beeld niet en stelt dat de kinderen bij de man de ruimte krijgen om zich te uiten en het fijn bij de man hebben. Zo kan [minderjarige 1] bij de man aangegeven dat zij haar moeder mist, maar andersom ervaart zij deze ruimte bij de vrouw niet. Tijdens het kindgesprek heeft [minderjarige 1] dit bevestigd en aan de rechter verteld dat zij het bij beide ouders fijn heeft en dat dat ook voor [minderjarige 2] geldt, hoewel zij de haar moeder mist als zij lang bij de man is. De man herkent dat de overdrachtsmomenten voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] lastig zijn en dat zij even de tijd nodig hebben om bij de andere ouder te wennen. Als er uiteindelijk minder overdrachtsmomenten zouden komen, vindt de man dat de aaneengesloten tijd dat de kinderen bij een ouder zijn, langer moet zijn.




4.5.
De rechtbank stelt vast dat partijen de situatie anders ervaren en uiteenlopende opvattingen hebben over de wijze waarop het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] het beste wordt gediend. Beide partijen hebben wel aangegeven dat de oudercommunicatie moeizaam verloopt en dat de kinderen daar last van hebben. De rechtbank stelt vast dat er geen acute zorgen over de kinderen zijn die maken dat de bodemprocedure niet kan worden afgewacht en dat de zorgregeling nu moet worden gewijzigd c.q. opgeschort. Gebleken is wel dat er in toenemende mate bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] sprake zijn van signalen die duiden op loyaliteitsproblemen. De Raad heeft tijdens de zitting aan de ouders uitgelegd dat kinderen die klem tussen hun ouders zitten wisselende uitspraken kunnen doen en tegen een ouder kunnen zeggen wat zij denken dat die ouder wil horen om aan zijn of haar verwachtingen te voldoen. Dit lijkt bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] het geval te zijn.



4.6.
Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat partijen daarvoor met elkaar een hulpverleningstraject moeten aangaan. De vrouw heeft tijdens de zitting toegezegd om een gesprek bij Kind in Scheiding Zeeland aan te gaan en – als het voor de vrouw goed voelt – het traject samen met de man bij die organisatie een kans te geven. Gezien de expertise en professionaliteit is een traject bij Kind in Scheiding Zeeland naar het oordeel van de rechtbank bij uitstek bedoeld en passend voor het oplossen van de situatie die er tussen partijen en voor de kinderen is ontstaan. Anders dan het UHA-traject kan het traject bij Kind in Scheiding Zeeland ook op korte termijn starten en dat vindt de rechtbank in het belang van de kinderen. De rechter geeft aan beide ouders mee dat daarin voorlopig de sleutel ligt om een betere situatie voor de kinderen te bewerkstelligen, zodanig dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zich bij beide ouders vrij gaan voelen en gaan ervaren dat zij van beide ouders mogen houden en bij beide ouders mogen zijn. Partijen dienen het hulpverleningstraject een kans te geven en de werking daarvan nu eerst af te wachten, waarna in de bodemprocedure kan worden gekeken hoe het hulpverleningstraject is verlopen en of, en zo ja, hoe een wijziging van de zorgregeling in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nodig is. De rechter is tot slot van oordeel dat een beslissing van de rechtbank op het voorliggende verzoek de werking van het hulpverleningstraject enkel zal doorkruisen en derhalve niet in het belang van de kinderen is.



4.7.
Op grond van al het voorgaande zal de rechtbank de door de vrouw gevraagde provisionele voorziening afwijzen.





5De beslissing


De rechtbank:



5.1.
wijst het verzoek van de vrouw tot het treffen van een provisionele voorziening af.



Deze beschikking is gegeven door mr. Verschoor-Bergsma, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026 in aanwezigheid van mr. Vork, griffier.



Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:



door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,


door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.



Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.