Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7455
2026-07-10
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/446914 / FA RK 26-1800
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Provo - nihilstelling Kal tot anders in de bodem wordt beslist. M heeft met stukken onderbouwd gemotiveerd gesteld dat hij geen draagkracht meer heeft om de bijdrage te voldoen. Verweer ter zitting waarin dit 'kaal' wordt betwist is onvoldoende.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2014:3533 Hoge Raad 05-12-2014
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.363 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/446914 / FA RK 26-1800
datum uitspraak: 10 juli 2026
beschikking betreffende provisionele voorziening ex artikel 223 Rv
in de zaak van
[de man]
,
wonende te [woonplaats 1],
hierna te noemen de man,
advocaat mr. M.E. Kok te Goes,
en
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats 2],
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. L.E. van Hevele te Oostburg.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 2 april 2026 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen;
- de brief van mr. Kok van 25 juni 2026, met nadere producties;
- het F-formulier van mr. Kok van 29 juni 2026, met nadere productie.
1.2 Bij voormeld verzoekschrift is als zelfstandig verzoek (ook) de hoofdzaak aanhangig gemaakt, welke procedure bij de rechtbank geregistreerd staat onder kenmerk C/02/414471 / FA RK 23-4610. In de hoofdzaak liggen verzoeken ten aanzien van het hoofdverblijf, de zorgregeling en de (nihilstelling van de) kinderbijdrage ter beoordeling voor.
1.3 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 2 juli 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.
2De feiten
2.1.
Partijen hebben van 2004 tot en met augustus 2022 een affectieve relatie met elkaar
gehad en met elkaar samengewoond.
2.2.
Partijen hebben de navolgende thans nog minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2012;
- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2016;
- [minderjarige 3], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2018.
2.3.
Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit.
2.4.
Bij vonnis in kort geding van deze rechtbank van 13 september 2023 is - voor zover van belang - bepaald dat de man met ingang van 1 september 2023 € 50,-- per maand per kind dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, totdat door de bodemrechter hierover is beslist, en beveelt partijen om de overige onderlinge afspraken zoals opgenomen in rechtsoverweging 4.7 van dit vonnis na te komen. In rechtsoverweging 4.7 staat ten aanzien van de kinderbijdrage de navolgende afspraak:
“- de man zal met ingang van 1 september 2023 met € 50,-- per maand per kind bijdragen in
de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Verder betaalt de man nog de helft
van de in Portugal gemaakte surfkosten ad € 500,--, dus een bedrag van € 250.--. Daarnaast
betalen partijen vanaf 1 september 2023 ieder de helft van de schoolkosten van de kinderen,
de sportkosten van de kinderen en de niet vergoede medische kosten van de kinderen;”
3Het verzoek
3.1
De man verzoekt bij wege van provisionele voorziening: de door de man op grond van de beschikking d.d. 13 september 2023 verschuldigde voorlopige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te wijzigen met ingang van 6 juni 2024 dan wel in ieder geval met ingang van 1 mei 2025 dan wel in ieder geval met ingang van de indieningsdatum van dit verzoek en deze bijdrage op nihil vast te stellen.
3.2
Door en namens de vrouw is ter zitting verweer gevoerd.
3.3
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van het verzoek, hierna ingegaan.
4De beoordeling
Ontvankelijkheid
4.1.
In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv worden verzocht (HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank hangt het onderhavige verzoek van de man tot nihilstelling van de kinderbijdrage samen met het (zelfstandig) verzoek in de hoofdzaak, zodat de man kan worden ontvangen in zijn verzoek.
4.3.
De rechtbank stelt voorop dat voor toewijzing van een verzoek in het kader van artikel 223 Rv slechts plaats is, indien er naar het oordeel van de rechtbank voldoende spoedeisend belang bestaat. Van een voldoende belang bij toewijzing van een dergelijk verzoek is sprake indien van de verzoekende partij niet gevergd kan worden dat zij de afloop van de bodemprocedure afwacht. De rechtbank moet daarbij de belangen van alle betrokkenen afwegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin.
Inhoudelijke beoordeling
4.4.
De man stelt dat hij al geruime tijd over onvoldoende draagkracht beschikt om nog enige bijdrage aan de vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te voldoen. Hij stelt dat de vrouw hiervan ook op de hoogte is, maar tot op heden weigert haar medewerking te verlenen aan wijziging van de kinderalimentatie. Tijdens het door partijen gevolgde hulpverleningstraject is ook steeds gesproken over de kosten van de kinderen. Partijen hebben in dat kader de voorlopige afspraak gemaakt dat ieder vanaf 4 juni 2024 de kosten van de kinderen zelf zou gaan dragen en dat als gevolg hiervan de door de man
verschuldigde kinderalimentatie zou komen te vervallen. De man verwijst hierbij naar het
gespreksverslag van [jeugdzorg] van 4 juni 2024. In de veronderstelling dat partijen dit ook zo daadwerkelijk met elkaar hadden afgesproken, heeft de man vervolgens alle verblijfskosten en verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen voldaan als zij bij hem waren. Tot spijt van de man geeft de vrouw vervolgens aan dat er helemaal geen nieuwe afspraken zijn gemaakt, somt zij de huidige achterstand in betaling op en vordert zij alsnog nakoming van de eerder overeengekomen kinderalimentatie via het LBIO. Daarnaast is de financiële situatie van de man substantieel gewijzigd ten opzichte van de situatie ten tijde van het kort geding. De financiële situatie is sinds het kort geding enorm scheef gegroeid, mede omdat partijen
nog steeds via vastgoed en gezamenlijke BV's met elkaar verbonden waren c.q. zijn,
ondanks de scheiding. De vrouw is bijvoorbeeld werkzaam gebleven binnen de onderneming die partijen in 2023 hebben verkocht ([bedrijf 1]/[bedrijf 2]). Partijen hadden daarnaast nog gezamenlijk de vennootschap onder firma, [bedrijf 3] B.V. Partijen hadden in eerste instantie afgesproken dat de vrouw als vennoot zou uittreden en de man de onderneming zou voortzetten. Dit is vervolgens onmogelijk gemaakt, doordat de vrouw steeds bedragen uit de onderneming heeft opgenomen. Afgesproken was dat de man zich een arbeidsvergoeding van € 2.500,- per maand zou mogen toekennen. De man heeft gelet op de onttrekkingen in die periode (van in totaal 12 maanden in 2024) zichzelf slechts drie maanden een arbeidsvergoeding kunnen toekennen omdat er onvoldoende financiële reserves waren. [bedrijf 3] is vervolgens niet langer meer levensvatbaar gebleken en de man heeft deze onderneming dan ook noodgedwongen in maart 2025 moeten ontbinden. Daarnaast heeft de vrouw meerdere malen bedragen onttrokken van gezamenlijke rekeningen. Hierdoor zijn partijen herhaaldelijk in de financiële problemen gekomen, of hadden zij daarin kunnen raken, indien de man niet telkens extra stortingen zou hebben gedaan. De vrouw heeft uit [bedrijf 3] (de gezamenlijk onderneming) verschillende bedragen opgenomen. Uit de totaalmutaties over de periode 2022 tot en met 2025 blijkt dat de vrouw een bedrag van € 13.512,- heeft ontvangen en haar holding Enoa een bedrag van € 27.241,- ontving. Het totaal door de vrouw opgenomen bedrag komt daarmee uit op € 40.753,- zonder als tegenprestatie hier arbeid voor te verrichten. Ter onderbouwing wordt hiervoor verder in het stuk verwezen naar de rapportage van de accountant van partijen. Daarbij weigert de vrouw om met de man de lasten van hun gezamenlijke woning in Portugal mee te betalen.
4.5.
Door en namens de vrouw is ter zitting verweer gevoerd. De vrouw stelt primair dat de man geen belang heeft bij zijn verzoek omdat hij al geruime niet betaalt en het LBIO de vordering heeft opgeschort in afwachting van het verloop in de bodemzaak. De vrouw betwist dat uit het gespreksverslag van [jeugdzorg] van 4 juni 2024 volgt dat de door de man
verschuldigde kinderalimentatie zou zijn komen te vervallen. Verder betwist de vrouw dat de man niet meer in staat zou zijn om de kinderbijdrage te blijven voldoen. De vrouw stelt dat de man eigenlijk geen nieuwe onderneming is gestart, maar dat hij de eerdere onderneming van partijen in een nieuwe onderneming heeft ondergebracht, om er voor te zorgen dat de vrouw er geen toegang meer toe had. Door de man worden allerlei lasten opgevoerd. Er dient ook naar de inkomstenkant worden gekeken. Er was voorheen sprake van een winst van € 60.000,= per jaar. De vrouw betwist de door de man overgelegde stukken.
De rechtbank overweegt als volgt.
4.6.
De rechtbank gaat - gelet op de gemotiveerde betwisting hiervan door de man - voorbij aan de stelling van de vrouw ter zitting dat de man geen belang heeft bij zijn verzoek omdat het LBIO de incasso heeft opgeschort. Wel is uit de mondelinge behandeling af te leiden dat de vrouw veronderstelt dat het LBIO de incasso heeft opgeschort en er dus vanuit gaat dat de man vooralsnog geen kinderbijdrage zal betalen.
4.7.
De rechtbank is van oordeel dat de man met hetgeen door hem gemotiveerd is gesteld en onderbouwd met stukken, waaronder het als productie 9 bij het verzoekschrift overgelegde rapport van bevindingen van de accountant waaruit onder meer de opnames van de vrouw en de door de man betaalde lasten volgen, genoegzaam heeft aangetoond dat hij geen draagkracht (meer) heeft om de bij het vonnis van 13 september 2023 bepaalde kinderbijdrage aan de vrouw te blijven voldoen. Dit betekent dat er sprake is van een zodanig dringend belang dat niet van de man kan worden gevergd dat hij de uitkomst van de bodemprocedure afwacht. De enkele stelling van de vrouw ter zitting dat de man wel draagkracht heeft om de kinderbijdrage te blijven betalen en dat de door de man overgelegde bewijsstukken worden betwist, wordt als onvoldoende gemotiveerde betwisting van het standpunt van de man gepasseerd.
Ingangsdatum;
4.8.
De man heeft primair verzocht om de bijdrage te wijzigen met ingang van juni 2024. De rechter kan een bijdrage wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit flinke gevolgen voor partijen kan hebben.
4.9.
De man stelt dat partijen de voorlopige afspraak hebben gemaakt dat ieder vanaf 4 juni 2024 de kosten van de kinderen zelf zou gaan dragen en dat als gevolg hiervan de door de man verschuldigde kinderalimentatie zou komen te vervallen. De man verwijst daarbij naar het als productie 2 bij het verzoekschrift overgelegde gespreksverslag van [jeugdzorg] van 4 juni 2024.
4.10.
De rechtbank is met de vrouw van oordeel dat uit voornoemd gespreksverslag niet kan worden opgemaakt dat partijen zijn overeengekomen dat de in het vonnis van 13 september 2023 bepaalde door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen is komen te vervallen.
4.11.
De man heeft subsidiair verzocht de door hem te betalen kinderbijdrage op nihil te stellen met ingang van 1 mei 2025, zijnde de datum waarop de vrouw is opgehouden met het meebetalen van de lasten aan de woning in Portugal. De stelling van de man dat de vrouw op dat moment is opgehouden met het meebetalen aan deze lasten is door haar niet weersproken. De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding om aan te sluiten bij de subsidiair verzochte ingangsdatum van 1 mei 2025. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de man onweersproken heeft gesteld dat het LBIO de alimentatie tot 1 juni 2025 bij hem heeft geïncasseerd. Om die reden zal nihilstelling van de kinderalimentatie met ingang van 1 mei 2025 niet tot gevolg hebben dat de vrouw te veel kinderalimentatie heeft ontvangen en moet terugbetalen. De rechtbank zal bepalen dat de door de man te betalen bijdrage (met ingang van 1 mei 2025 voorlopig wordt opgeschort, totdat anders wordt beslist in de bodemprocedure.
5De beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat – totdat anders wordt beslist in de bodemprocedure – de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen voorlopig wordt opgeschort met ingang van 1 mei 2025;
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026, in tegenwoordigheid van De Pooter, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/446914 / FA RK 26-1800
datum uitspraak: 10 juli 2026
beschikking betreffende provisionele voorziening ex artikel 223 Rv
in de zaak van
[de man]
,
wonende te [woonplaats 1],
hierna te noemen de man,
advocaat mr. M.E. Kok te Goes,
en
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats 2],
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. L.E. van Hevele te Oostburg.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 2 april 2026 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen;
- de brief van mr. Kok van 25 juni 2026, met nadere producties;
- het F-formulier van mr. Kok van 29 juni 2026, met nadere productie.
1.2 Bij voormeld verzoekschrift is als zelfstandig verzoek (ook) de hoofdzaak aanhangig gemaakt, welke procedure bij de rechtbank geregistreerd staat onder kenmerk C/02/414471 / FA RK 23-4610. In de hoofdzaak liggen verzoeken ten aanzien van het hoofdverblijf, de zorgregeling en de (nihilstelling van de) kinderbijdrage ter beoordeling voor.
1.3 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 2 juli 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.
2De feiten
2.1.
Partijen hebben van 2004 tot en met augustus 2022 een affectieve relatie met elkaar
gehad en met elkaar samengewoond.
2.2.
Partijen hebben de navolgende thans nog minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2012;
- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2016;
- [minderjarige 3], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2018.
2.3.
Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit.
2.4.
Bij vonnis in kort geding van deze rechtbank van 13 september 2023 is - voor zover van belang - bepaald dat de man met ingang van 1 september 2023 € 50,-- per maand per kind dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, totdat door de bodemrechter hierover is beslist, en beveelt partijen om de overige onderlinge afspraken zoals opgenomen in rechtsoverweging 4.7 van dit vonnis na te komen. In rechtsoverweging 4.7 staat ten aanzien van de kinderbijdrage de navolgende afspraak:
“- de man zal met ingang van 1 september 2023 met € 50,-- per maand per kind bijdragen in
de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Verder betaalt de man nog de helft
van de in Portugal gemaakte surfkosten ad € 500,--, dus een bedrag van € 250.--. Daarnaast
betalen partijen vanaf 1 september 2023 ieder de helft van de schoolkosten van de kinderen,
de sportkosten van de kinderen en de niet vergoede medische kosten van de kinderen;”
3Het verzoek
3.1
De man verzoekt bij wege van provisionele voorziening: de door de man op grond van de beschikking d.d. 13 september 2023 verschuldigde voorlopige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te wijzigen met ingang van 6 juni 2024 dan wel in ieder geval met ingang van 1 mei 2025 dan wel in ieder geval met ingang van de indieningsdatum van dit verzoek en deze bijdrage op nihil vast te stellen.
3.2
Door en namens de vrouw is ter zitting verweer gevoerd.
3.3
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van het verzoek, hierna ingegaan.
4De beoordeling
Ontvankelijkheid
4.1.
In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv worden verzocht (HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank hangt het onderhavige verzoek van de man tot nihilstelling van de kinderbijdrage samen met het (zelfstandig) verzoek in de hoofdzaak, zodat de man kan worden ontvangen in zijn verzoek.
4.3.
De rechtbank stelt voorop dat voor toewijzing van een verzoek in het kader van artikel 223 Rv slechts plaats is, indien er naar het oordeel van de rechtbank voldoende spoedeisend belang bestaat. Van een voldoende belang bij toewijzing van een dergelijk verzoek is sprake indien van de verzoekende partij niet gevergd kan worden dat zij de afloop van de bodemprocedure afwacht. De rechtbank moet daarbij de belangen van alle betrokkenen afwegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin.
Inhoudelijke beoordeling
4.4.
De man stelt dat hij al geruime tijd over onvoldoende draagkracht beschikt om nog enige bijdrage aan de vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te voldoen. Hij stelt dat de vrouw hiervan ook op de hoogte is, maar tot op heden weigert haar medewerking te verlenen aan wijziging van de kinderalimentatie. Tijdens het door partijen gevolgde hulpverleningstraject is ook steeds gesproken over de kosten van de kinderen. Partijen hebben in dat kader de voorlopige afspraak gemaakt dat ieder vanaf 4 juni 2024 de kosten van de kinderen zelf zou gaan dragen en dat als gevolg hiervan de door de man
verschuldigde kinderalimentatie zou komen te vervallen. De man verwijst hierbij naar het
gespreksverslag van [jeugdzorg] van 4 juni 2024. In de veronderstelling dat partijen dit ook zo daadwerkelijk met elkaar hadden afgesproken, heeft de man vervolgens alle verblijfskosten en verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen voldaan als zij bij hem waren. Tot spijt van de man geeft de vrouw vervolgens aan dat er helemaal geen nieuwe afspraken zijn gemaakt, somt zij de huidige achterstand in betaling op en vordert zij alsnog nakoming van de eerder overeengekomen kinderalimentatie via het LBIO. Daarnaast is de financiële situatie van de man substantieel gewijzigd ten opzichte van de situatie ten tijde van het kort geding. De financiële situatie is sinds het kort geding enorm scheef gegroeid, mede omdat partijen
nog steeds via vastgoed en gezamenlijke BV's met elkaar verbonden waren c.q. zijn,
ondanks de scheiding. De vrouw is bijvoorbeeld werkzaam gebleven binnen de onderneming die partijen in 2023 hebben verkocht ([bedrijf 1]/[bedrijf 2]). Partijen hadden daarnaast nog gezamenlijk de vennootschap onder firma, [bedrijf 3] B.V. Partijen hadden in eerste instantie afgesproken dat de vrouw als vennoot zou uittreden en de man de onderneming zou voortzetten. Dit is vervolgens onmogelijk gemaakt, doordat de vrouw steeds bedragen uit de onderneming heeft opgenomen. Afgesproken was dat de man zich een arbeidsvergoeding van € 2.500,- per maand zou mogen toekennen. De man heeft gelet op de onttrekkingen in die periode (van in totaal 12 maanden in 2024) zichzelf slechts drie maanden een arbeidsvergoeding kunnen toekennen omdat er onvoldoende financiële reserves waren. [bedrijf 3] is vervolgens niet langer meer levensvatbaar gebleken en de man heeft deze onderneming dan ook noodgedwongen in maart 2025 moeten ontbinden. Daarnaast heeft de vrouw meerdere malen bedragen onttrokken van gezamenlijke rekeningen. Hierdoor zijn partijen herhaaldelijk in de financiële problemen gekomen, of hadden zij daarin kunnen raken, indien de man niet telkens extra stortingen zou hebben gedaan. De vrouw heeft uit [bedrijf 3] (de gezamenlijk onderneming) verschillende bedragen opgenomen. Uit de totaalmutaties over de periode 2022 tot en met 2025 blijkt dat de vrouw een bedrag van € 13.512,- heeft ontvangen en haar holding Enoa een bedrag van € 27.241,- ontving. Het totaal door de vrouw opgenomen bedrag komt daarmee uit op € 40.753,- zonder als tegenprestatie hier arbeid voor te verrichten. Ter onderbouwing wordt hiervoor verder in het stuk verwezen naar de rapportage van de accountant van partijen. Daarbij weigert de vrouw om met de man de lasten van hun gezamenlijke woning in Portugal mee te betalen.
4.5.
Door en namens de vrouw is ter zitting verweer gevoerd. De vrouw stelt primair dat de man geen belang heeft bij zijn verzoek omdat hij al geruime niet betaalt en het LBIO de vordering heeft opgeschort in afwachting van het verloop in de bodemzaak. De vrouw betwist dat uit het gespreksverslag van [jeugdzorg] van 4 juni 2024 volgt dat de door de man
verschuldigde kinderalimentatie zou zijn komen te vervallen. Verder betwist de vrouw dat de man niet meer in staat zou zijn om de kinderbijdrage te blijven voldoen. De vrouw stelt dat de man eigenlijk geen nieuwe onderneming is gestart, maar dat hij de eerdere onderneming van partijen in een nieuwe onderneming heeft ondergebracht, om er voor te zorgen dat de vrouw er geen toegang meer toe had. Door de man worden allerlei lasten opgevoerd. Er dient ook naar de inkomstenkant worden gekeken. Er was voorheen sprake van een winst van € 60.000,= per jaar. De vrouw betwist de door de man overgelegde stukken.
De rechtbank overweegt als volgt.
4.6.
De rechtbank gaat - gelet op de gemotiveerde betwisting hiervan door de man - voorbij aan de stelling van de vrouw ter zitting dat de man geen belang heeft bij zijn verzoek omdat het LBIO de incasso heeft opgeschort. Wel is uit de mondelinge behandeling af te leiden dat de vrouw veronderstelt dat het LBIO de incasso heeft opgeschort en er dus vanuit gaat dat de man vooralsnog geen kinderbijdrage zal betalen.
4.7.
De rechtbank is van oordeel dat de man met hetgeen door hem gemotiveerd is gesteld en onderbouwd met stukken, waaronder het als productie 9 bij het verzoekschrift overgelegde rapport van bevindingen van de accountant waaruit onder meer de opnames van de vrouw en de door de man betaalde lasten volgen, genoegzaam heeft aangetoond dat hij geen draagkracht (meer) heeft om de bij het vonnis van 13 september 2023 bepaalde kinderbijdrage aan de vrouw te blijven voldoen. Dit betekent dat er sprake is van een zodanig dringend belang dat niet van de man kan worden gevergd dat hij de uitkomst van de bodemprocedure afwacht. De enkele stelling van de vrouw ter zitting dat de man wel draagkracht heeft om de kinderbijdrage te blijven betalen en dat de door de man overgelegde bewijsstukken worden betwist, wordt als onvoldoende gemotiveerde betwisting van het standpunt van de man gepasseerd.
Ingangsdatum;
4.8.
De man heeft primair verzocht om de bijdrage te wijzigen met ingang van juni 2024. De rechter kan een bijdrage wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit flinke gevolgen voor partijen kan hebben.
4.9.
De man stelt dat partijen de voorlopige afspraak hebben gemaakt dat ieder vanaf 4 juni 2024 de kosten van de kinderen zelf zou gaan dragen en dat als gevolg hiervan de door de man verschuldigde kinderalimentatie zou komen te vervallen. De man verwijst daarbij naar het als productie 2 bij het verzoekschrift overgelegde gespreksverslag van [jeugdzorg] van 4 juni 2024.
4.10.
De rechtbank is met de vrouw van oordeel dat uit voornoemd gespreksverslag niet kan worden opgemaakt dat partijen zijn overeengekomen dat de in het vonnis van 13 september 2023 bepaalde door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen is komen te vervallen.
4.11.
De man heeft subsidiair verzocht de door hem te betalen kinderbijdrage op nihil te stellen met ingang van 1 mei 2025, zijnde de datum waarop de vrouw is opgehouden met het meebetalen van de lasten aan de woning in Portugal. De stelling van de man dat de vrouw op dat moment is opgehouden met het meebetalen aan deze lasten is door haar niet weersproken. De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding om aan te sluiten bij de subsidiair verzochte ingangsdatum van 1 mei 2025. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de man onweersproken heeft gesteld dat het LBIO de alimentatie tot 1 juni 2025 bij hem heeft geïncasseerd. Om die reden zal nihilstelling van de kinderalimentatie met ingang van 1 mei 2025 niet tot gevolg hebben dat de vrouw te veel kinderalimentatie heeft ontvangen en moet terugbetalen. De rechtbank zal bepalen dat de door de man te betalen bijdrage (met ingang van 1 mei 2025 voorlopig wordt opgeschort, totdat anders wordt beslist in de bodemprocedure.
5De beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat – totdat anders wordt beslist in de bodemprocedure – de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen voorlopig wordt opgeschort met ingang van 1 mei 2025;
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026, in tegenwoordigheid van De Pooter, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.