Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:4389

2026-04-20 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/444671 / FA RK 26-585
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-04-20
Publicatiedatum
2026-05-21
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/444671 / FA RK 26-585
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Provo - zorgrgeling + kal + ambtshalve beschermingsonderzoek Raad

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (22.464 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT



Team Familie- en Jeugdrecht


Middelburg


Zaaknummer: C/02/444671 / FA RK 26-585


datum uitspraak: 20 april 2026



beschikking betreffende provisionele voorziening ex artikel 223 Rv



in de zaak van




[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat: mr. F.C.M. Maat-Oldenhof te ’s-Heer Arendskerke,


tegen




[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat: mr. H. Mink te Oost-Souburg.


Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechter over de verzoeken te adviseren.

1 Het procesverloop


1.1. De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:

- het op 2 februari 2026 ingekomen verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling en een bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van minderjarige kinderen, tevens houdende verzoek tot het treffen van een voorlopige maatregel, met bijlagen;
- het F-formulier d.d. 17 februari 2026 van mr. Mink;
- het F-formulier d.d. 25 maart 2026 van mr. Maat-Oldenhof, met bijlage;
- het op 2 april 2026 ingekomen verweerschrift, tevens houdende zelfstandige verzoeken, met bijlagen;
- het F-formulier d.d. 8 april 2026 van mr. Maat-Oldenhof, met nadere producties;
- de tijdens de mondelinge behandeling van 9 april 2026 door mr. Maat-Oldenhof overgelegde pleitaantekeningen;
- de tijdens de mondelinge behandeling van 9 april 2026 door mr. Mink overgelegde aanvraag WW-uitkering van de man d.d. 31 maart 2026.

1.2. Bij voormeld verzoekschrift is (ook) de hoofdzaak aanhangig gemaakt, welke procedure bij de rechtbank geregistreerd staat onder kenmerk C/02/444678 / FA RK 26-590. In de hoofdzaak wordt door beide partijen eveneens verzocht om een zorgregeling te bepalen, alsmede een door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage. De vrouw verzoekt in de hoofdzaak verder om het hoofdverblijf van de hierna te noemen minderjarige bij haar te bepalen.


1.3. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 9 april 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad.



2De feiten


2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad uit welke relatie het navolgende thans nog minderjarige kind is geboren:
- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2024.




2.2.
De man heeft de minderjarige erkend.



2.3.
Partijen hebben gezamenlijk gezag over de minderjarige.



2.4.
De minderjarige verblijft bij de vrouw.






3De verzoeken


3.1.
De vrouw verzoekt – na wijziging van haar verzoek - thans bij wijze van voorlopige maatregel bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de zorgregeling voor de duur van de procedure zodanig te wijzigen (de rechtbank begrijpt naar aanleiding van de gegeven toelichting ter zitting: vast te stellen) dat [minderjarige] iedere tweede week van de donderdag 9.30 tot de zondag 18.30 bij zijn vader verblijft, althans een zorgregeling zoals de rechtbank in goede justitie meent in het belang van [minderjarige] te zijn, alsmede de door de man aan de vrouw te betalen voorlopige bijdrage in de kosten van de opvoeding en verzorging van [minderjarige] vast te stellen op € 464,00 per maand, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, zulks met ingang van 1 februari 2026;



3.2.
De man voert verweer tegen de verzoeken van de vrouw en verzoekt bij wijze van zelfstandig verzoek, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen:
- dat er omgang tussen de man en [minderjarige] zal zijn gedurende een weekend per twee weken in welke regeling hij [minderjarige] op vrijdag van de opvang haalt tot zondag 18:30 uur en daarnaast, na wijziging van het verzoek ter zitting, in de week waarin [minderjarige] niet in het weekend bij de man verblijft op woensdag de hele dag;
en
- een bijdrage in de kosten van [minderjarige] vast te stellen van € 150,00 per maand m.i.v. de datum van het wijzen van de beschikking.



3.3.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover voor de beoordeling van de verzoeken van belang, hierna ingegaan.







4De beoordeling



Ontvankelijkheid




4.1.
In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv worden verzocht (HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).



4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank hangen de verzoeken van partijen ten aanzien van de zorgregeling en de kinderbijdrage, samen met de verzoeken in de hoofdzaak, zodat partijen kunnen worden ontvangen in hun verzoeken.



4.3.
De rechtbank stelt voorop dat voor toewijzing van een verzoek in het kader van artikel 223 Rv slechts plaats is, indien er naar het oordeel van de rechtbank voldoende belang bestaat in die zin dat van partijen niet gevergd kan worden dat zij de afloop van de hoofdzaak afwachten. Daarnaast dient de rechtbank de belangen van partijen af te wegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin.



4.4.
Van een voldoende belang bij toewijzing van een dergelijk verzoek is sprake indien van de verzoekende partij niet kan worden gevergd dat zij de afloop van de bodemprocedure afwacht. De rechter dient daarbij de belangen van alle betrokkenen af te wegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van voldoende belang bij het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van de zorgregeling en de kinderbijdrage en dat niet van partijen kan worden gevergd dat zij de afloop van de bodemprocedure afwachten.



Zorgregeling;





4.5.
Uit het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling volgt dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de (door de vrouw verzochte) zorgregeling inhoudende dat de minderjarige iedere tweede week van de donderdag 9.30 uur tot de zondag 18.30 uur bij de man verblijft. Nu partijen het over die regeling eens zijn en de Raad zich daar ook in kan vinden, zal de rechtbank deze regeling dienovereenkomstig vaststellen.



4.6.
Partijen zijn verdeeld gebleven over het verzoek van de man om daarnaast een omgangsmoment tussen hem en [minderjarige] vast te stellen op de woensdag in de andere week. De rechtbank heeft tijdens de zitting met partijen onderzocht of zij ook over de woensdag een afspraak konden maken. Dat is niet gelukt. Daarom zal de rechtbank hierover een beslissing nemen. De rechtbank merkt daarbij op dat zij in het kader van deze procedure slechts een voorlopige regeling vast stelt, geen diepgravend onderzoek kan doen en zich moet baseren op de feiten en omstandigheden zoals die nu bekend zijn en door partijen naar voren zijn gebracht en het advies van de Raad. De man voert ter onderbouwing van het door hem verzochte contactmoment op woensdag, kort samengevat, aan dat het mede gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] in zijn belang is om ook in de week waarin hij in het weekend niet bij de man verblijft een dag bij de man te verblijven en zo frequent contact met de man te onderhouden. De vrouw verweert zich hiertegen en voert ter onderbouwing van haar verweer, kort samengevat, aan dat de overdrachtsmomenten en het contact met de man door de grote spanningen en vele confrontaties tijdens overdrachtsmomenten, waarbij door de man wordt geschreeuwd en ook meermaals de politie betrokken is geweest, veel spanningen opleveren voor partijen en voor [minderjarige] . De vrouw heeft juist om een regeling verzocht waarbij [minderjarige] vier dagen achtereen bij de man verblijft, om de overdrachtsmomenten te beperken. Daarnaast stelt de vrouw dat zij, mede gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] , zorgen heeft over zijn veiligheid als hij bij de man verblijft in verband met het alcoholprobleem en gedrag van de man. De vrouw vindt het van belang dat er contact is tussen [minderjarige] en de man, maar zij ziet dat [minderjarige] echt moet bijkomen en herstellen na het weekend bij de man en vreest dat een extra wissel- en contactmoment in de andere week veel te veel spanning en stress oplevert voor [minderjarige] en ook voor haarzelf.



4.7.
De Raad heeft ter zitting geadviseerd om het verzoek van de man om naast de weekendregeling in de andere week ook een contactmoment op woensdag te bepalen voor nu af te wijzen. In algemeenheid wordt er weliswaar van uitgegaan van frequent contact met beide ouders bij een jong kind, maar in dit geval wordt het contact tussen de vader en [minderjarige] geborgd met een weekendregeling van vier dagen per twee weken waar de ouders het over eens zijn en wordt een extra contactmoment op de woensdag niet in het belang van [minderjarige] geacht. Dit mede vanwege de zorgen over de spanningen en confrontaties tussen deze partijen waarmee de overdrachtmomenten gepaard gaan. De Raad merkt daarbij nog op dat de spanning tussen partijen is zelfs voelbaar is op zitting en ook voor [minderjarige] tijdens die momenten voelbaar zal zijn. Ook heeft de Raad zorgen over (de wisselende verklaringen van de man over) het alcoholgebruik van de man.


4.8.
Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat er grote spanningen tussen partijen zijn die de afgelopen periode regelmatig voor confrontaties hebben gezorgd, ook in aanwezigheid van [minderjarige] , waarbij volgens partijen regelmatig wordt geschreeuwd en ook de politie betrokken is geweest. Daarnaast zijn er zorgen over het middelengebruik door de man. De man heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij juist zorgen heeft over de situatie bij de vrouw en hij heeft de door de vrouw geuite zorgen over zijn alcoholgebruik ter zitting betwist. De man heeft daartoe enerzijds naar voren gebracht dat hij sinds kort Antabuse gebruikt en daardoor niet meer afhankelijk is van alcohol, maar anderzijds heeft de man ter zitting erkend dat in een weekend vlak voor de zitting zijn rijbewijs nog is ingevorderd omdat hij is aangehouden toen hij met teveel alcohol op auto reed. De rechtbank is met de Raad van oordeel dat in voornoemde omstandigheden een extra contactmoment op de woensdag in dit geval niet in het belang van [minderjarige] wordt geacht, althans dat het extra contact niet opweegt tegen de spanningen en stress waarmee dat kennelijk op dit moment (nog) gepaard gaat. Gelet op het vorenstaande wijst de rechtbank het verzoek van de man om naast de weekendregeling ook een contactmoment op de woensdag in de andere week te bepalen af.



4.9.
De rechtbank hecht er aan hier nog te overwegen dat, zoals ook ter zitting is gezegd, de veiligheid en het belang van [minderjarige] voor partijen voorop moet staan. Dit betekent dat de rechtbank in ieder geval van de man en de vrouw verwacht dat zij hun best doen om de overdrachtsmomenten zo goed en rustig mogelijk te laten verlopen en van de man ook uitdrukkelijk verwacht dat hij ook in de weekenden waarin [minderjarige] bij hem verblijft geen alcohol gebruikt en geen auto rijdt als hij daartoe niet bevoegd of anderszins niet veilig in staat is.



Hulpverlening;





4.10.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is gezegd zijn zorgen naar voren gekomen over de spanningen en vele confrontaties tussen partijen, over het middelengebruik van de man en over de veiligheid van [minderjarige] . De vrouw en de man hebben ter zitting aangegeven dat zij op dit moment worden begeleid door een casusregisseur van de gemeente Vlissingen die hen helpt met het maken van concrete afspraken en het regelen van praktische zaken. Ter zitting hebben de vrouw en de man toegezegd dat zij via deze casusregisseur zo snel mogelijk ouderschapsbemiddeling zullen aanvragen. De rechtbank moedigt partijen aan deze stap te zetten en acht het in het belang van [minderjarige] dat er zo snel mogelijk een ouderschapsbemiddelingstraject tussen partijen zal worden opgestart.



Raadsonderzoek;




4.11.
De Raad heeft ter zitting aangekondigd op basis van de zorgen die naar voren zijn gekomen ambtshalve een beschermingsonderzoek te starten. Dit neemt niet weg dat het ouderschapsbemiddelingstraject dat partijen via de casusregisseur zullen aanvragen ook naar het oordeel van de Raad zo spoedig mogelijk moet worden opgestart. De Raad heeft nog toegelicht dat er vorig jaar ook een beschermingsonderzoek heeft plaatsgevonden. Toen heeft de Raad een aantal voorwaarden gesteld en partijen naar hulpverlening in het vrijwillig kader verwezen, maar op basis van hetgeen nu uit de stukken en ter zitting naar voren komt, maakt de Raad zich nu toch zorgen of dit (nog) toereikend is. De Raad ondersteunt het voornemen van ouders om ouderschapsbemiddeling aan te vragen via de casusregisseur en wil de casusregisseur niet in de weg zitten. De Raad kan het verloop van de op te starten ouderschapsbemiddeling monitoren en meenemen in het beschermingsonderzoek. Op dit moment lijkt een verwijzing naar het Uniform Hulpaanbod dan niet aangewezen, gelet op de casusregie die al betrokken is en het traject dat de ouders gaan aanvragen.



Kinderalimentatie;





4.12.
De rechtbank neemt de als productie 7 bij F-formulier van 8 april 2026 door mr. Maat-Oldenhof overgelegde draagkrachtberekening als uitgangspunt, nu deze berekening door de man niet dan wel onvoldoende gemotiveerd is betwist. Ook hier geldt immers dat de rechtbank in het kader van deze procedure slechts een voorlopige regeling vast stelt, geen diepgravend onderzoek kan doen en zich moet baseren op de feiten en omstandigheden zoals die nu bekend zijn en door partijen gemotiveerd naar voren zijn gebracht.



Behoefte minderjarige;





4.13.
Bij het bepalen van de behoefte aan een kinderbijdrage hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen.



4.14.
Op basis van voornoemde draagkrachtberekening volgt op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) een behoefte van [minderjarige] van € 631,= te vermeerderen met de – niet betwiste – oppaskosten van € 276,= komt neer op een totale behoefte van € 907,=.



Draagkracht onderhoudsplichtigen;





4.15
Beoordeeld dient te worden in welke verhouding de behoefte van de minderjarige tussen de onderhoudsplichtigen zal worden verdeeld. De rechtbank volgt ook in dit opzicht de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, inhoudende dat de behoefte van kinderen tussen de onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht. Daartoe dient eerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de onderhoudsplichtigen te worden bepaald. Het bedrag aan draagkracht wordt in 2026 bij inkomens vanaf € 2.200,= per maand vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,=)]. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 2.200,= per maand) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.



Draagkracht vrouw;





4.16.

Uit de aan de draagkrachtberekening ten grondslag liggende inkomensgegevens van de vrouw volgt een inkomen van € 1.842,= bruto per maand, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag. De vrouw komt daarnaast in aanmerking voor een 13e maand. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, en inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting.
Daarnaast komt de vrouw met dit inkomen in aanmerking voor een kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop van € 5.996,= per jaar. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige netto besteedbaar inkomen van de vrouw op een bedrag van € 2.479,= per maand.




Draagkracht man;





4.17.
Uit de door man in het geding gebrachte inkomensgegevens volgt een bruto arbeidsinkomen van € 778,= per week, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting. Aan de hand van voormelde uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de man op een bedrag ter hoogte van € 2.898,= per maand, hetgeen ook volgt uit voornoemde draagkrachtberekening.



4.18.
De man heeft gesteld dat hij op dit moment geen inkomen heeft omdat hij recent ontslagen is. De reden van dit ontslag is volgens de man dat hij niet naar zijn werk kon reizen omdat zijn auto kapot was. De rechtbank gaat, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, voorbij aan deze stelling van de man die ook op geen enkele wijze met stukken is onderbouwd. Dat de man zoals ter zitting is gebleken een WW-uitkering heeft aangevraagd doet daar niet aan af. De rechtbank gaat er van uit dat de man in staat moet worden geacht om via het uitzendbureau of op andere wijze in ieder geval hetzelfde inkomen te genereren.



4.19.
De draagkracht van de vrouw is volgens de formule € 259,= per maand, te verminderen met de kosten van totaal € 46,= voor de kinderen [kind 1] en [kind 2] uit een eerdere relatie. De beschikbare draagkracht van de vrouw voor de minderjarige [minderjarige] bedraagt aldus € 213,=. De draagkracht van de man bedraagt, volgens de formule € 464,= per maand.



4.20.
Een draagkrachtvergelijking blijft achterwege nu de totale draagkracht van partijen (€ 677,=) lager is dan de hiervoor becijferde behoefte van de minderjarige van € 907,=.



Zorgkorting;





4.21.
Op grond van de hiervoor bepaalde voorlopige zorgregeling acht de rechtbank een zorgkorting van 25% passend. Nu de behoefte van de minderjarige exclusief oppaskosten € 631,= per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van - afgerond - € 158,= per maand.


4.22.
Nu de draagkracht van de onderhoudsplichtigen onvoldoende is om volledig in de behoefte van de minderjarige te voorzien, wordt, na toepassing van de zorgkorting, het tekort aan beide onderhoudsplichtigen voor de helft toegerekend. Voor de man betekent dit dat de helft van het tekort in mindering komt op zijn zorgkorting, zodat de door hem te betalen bijdrage als volgt wordt berekend: € 464,= [bedrag volledige draagkracht man] – (€ 158,= [bedrag zorgkorting] - € 115,= [bedrag van de helft van het tekort]) = € 421,=. Die bijdrage acht de rechtbank overigens in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. De rechtbank zal het - aangepaste - verzoek van de vrouw dan ook deels toewijzen.



Ingangsdatum;





4.23.
De rechtbank zal de verplichting tot betaling van voornoemde bijdrage laten ingaan op datum indiening van het verzoekschrift, zijnde 2 februari 2026, nu de man vanaf dat moment rekening kon houden met vaststelling van een bijdrage.






4De beslissing


De rechtbank:



bepaalt dat de man en de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2024, voorlopig gerechtigd zijn tot contact met elkaar gedurende ieder tweede weekend van donderdag 9.30 uur tot zondag 18.30 uur.



stelt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarige voorlopig vast op € 421,= per maand , met ingang van 2 februari 2026;



verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



wijst het meer of anders verzochte af.



Deze beschikking is gegeven door mr. Hendriks, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2026, in tegenwoordigheid van De Pooter, griffier.
























































Mededeling van de griffier:



Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:



door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,


door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.



Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.