Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6570
2026-06-17
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/447358 / FA RK 26-2053
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vrouw is ineens vertrokken; OTS is eerder uitgesproken; voorlopige afspraak tussen partijen over omgang/zorgregeling en kali gemaakt
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2014:3533 Hoge Raad 05-12-2014
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.980 tekens)
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/447358 / FA RK 26-2053
Datum uitspraak: 17 juni 2026
Beschikking betreffende een provisionele voorziening
in de zaak van
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. F.M. Bult te Schinnen,
tegen
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S.X. Scholten te Vlissingen.
over de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2016, hierna te noemen: [minderjarige 1] ;
- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2017, hierna te noemen: [minderjarige 2] .
Als belanghebbende in deze zaak wordt gezien:
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd in Middelburg.
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1Het procesverloop
1.1.
Dit blijkt uit de volgende stukken:
het op 20 april 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
het op 1 juni 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen;
het F9-formulier van mr. Scholten van 2 juni 2026 met bijlagen;
het F9-formulier van mr. Bult van 2 juni 2026 met bijlage;
het F9-formulier van mr. Bult van 2 juni 2026 met bijlage.
1.2.
Bij voormeld verzoekschrift is (ook) de hoofdzaak aanhangig gemaakt, welke procedure bij de rechtbank geregistreerd staat onder kenmerk C/02/447353 / FA RK 26-2051. In de hoofdzaak ligt een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tussen [minderjarige 1] en de man en een zorgregeling tussen [minderjarige 2] en de man en dat de vakanties en feestdagen voor [minderjarige 2] in onderling overleg bij helfte tussen partijen worden verdeeld.
1.3.
Het verzoek is mondeling behandeld op 8 juni 2026. Bij die behandeling zijn gekomen de man met zijn advocaat en de advocaat van de vrouw. De vrouw was via een Teams-verbinding aanwezig. Verder was een vertegenwoordiger aanwezig van de Raad en een vertegenwoordigster van de GI.
1.4
Voorafgaand aan voornoemde mondelinge behandeling zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hiervan gebruik gemaakt en hebben via Teams-verbinding een kindgesprek met de rechter gehad.
2De feiten
2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Toen partijen bij elkaar kwamen, was de vrouw in verwachting van [minderjarige 2] . Uit een eerdere relatie heeft de vrouw [minderjarige 1] .
2.2.
De man heeft [minderjarige 2] erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] .
2.3.
[minderjarige 1] is door zijn biologische vader erkend. De vrouw en de biologische vader van [minderjarige 1] zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .
2.4.
Het hoofdverblijf van de kinderen is bij de vrouw.
3Het verzoek
3.1.
De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, als provisionele voorziening:
Als voorlopige zorgregeling tussen de man en de minderjarige [minderjarige 2] de opbouwregeling zoals genoemd onder randnummer 24 t/m 26 van onderhavig verzoekschrift vast te stellen;
Als voorlopige omgangsregeling tussen de man en de minderjarige [minderjarige 1] de opbouwregeling zoals genoemd onder randnummer 30 t/m 32 van onderhavig verzoekschrift vast te stellen;
Althans een zodanige voorlopige omgangsregeling/zorgregeling vast te stellen als de rechtbank in goede justitie juist acht.
3.2.
De vrouw verzoekt de provisionele verzoeken van de man af te wijzen en de omgang te ontzeggen. Als zelfstandig verzoek verzoekt de vrouw bij wege van voorlopige voorziening een maandelijkse bijdrage van de man aan de vrouw te bepalen van € 25,- per maand als bijdrage in de kosten van de minderjarige [minderjarige 2] met ingang van 1 mei 2026.
3.3
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om het verzoek te beoordelen, hierna ingegaan.
4De beoordeling
Ontvankelijkheid
4.1.
De rechtbank overweegt dat de huidige procedure slechts ziet op het treffen van een provisionele voorziening. Ingevolge artikel 223 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter voorlopige voorzieningen zal treffen voor de duur van het geding. Ingevolge het tweede lid moet deze vordering samenhangen met de hoofdvordering. In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv worden verzocht (Hoge Raad d.d. 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank hangen de onderhavige verzoeken samen met het verzoek in de hoofdzaak, zodat de man kan worden ontvangen in zijn verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
4.3.
Door en namens de man is naar voren gebracht dat de man niets liever wil dan weer contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Partijen hebben jarenlang een hecht (samengesteld) gezin gevormd en sinds januari 2026 heeft de man geen contact meer met de kinderen, nadat de vrouw plotseling met de kinderen is weggegaan naar een voor de man onbekende verblijfplaats. De man vreest ervoor dat de kloof groter wordt als het contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uitblijft. In het kader van deze procedure verzoekt de man een voorlopige regeling waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] eenmaal in de veertien dagen van vrijdag na school tot maandag voor school bij de man zijn.
4.4.
Door en namens de vrouw is verzocht de verzoeken van de man af te wijzen. De vrouw is met de kinderen weggaan, omdat zij vreesde voor haar leven. Voor de vrouw is het moeilijk om over het verleden en haar vlucht te praten, maar zij geeft wel aan dat de man verward gedrag vertoont en dat er tijdens de relatie van partijen huiselijk geweld was vanuit de man jegens de vrouw, waarvan ook de kinderen getuige zijn geweest. De vrouw vindt het belangrijk dat er gedurende de ondertoezichtstelling meer zicht komt op wat er zich heeft afgesteld tijdens de relatie, de gevolgen daarvan, de huidige gevaren en de psychische toestand van de man. Ten aanzien van [minderjarige 1] betwist de vrouw dat sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking met de man. Voor [minderjarige 2] moet er worden gekeken of de man in staat is om contact met [minderjarige 2] te hebben en vervolgens of dit op een veilige manier kan. [minderjarige 2] heeft immers veel meegemaakt. Voor nu stelt de vrouw dat het te vroeg voor de kinderen is om contact met de man te hebben. Er moet eerst een periode van rust komen.
4.5.
De Raad maakt zich zorgen over de kinderen en wat er in hun (oude) opvoedsituatie is gebeurd. Tijdens het onderzoek in het kader van de kinderbeschermingsmaatregelen heeft de Raad onvoldoende kunnen achterhalen wat er speelt, waarom de vrouw is vertrokken en hoe het met de man gaat. Dit mede doordat de man geen toestemming had verleend. De man heeft nu wel toestemming gegeven om onder meer met zijn huisarts te spreken. De GI is sinds kort betrokken en de Raad vindt het belangrijk dat de GI zicht op de situatie gaat krijgen. Er speelt veel rondom [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de kinderen hebben zorgelijke uitspraken gedaan. De Raad adviseert om de regie over het contact tussen de kinderen en de man en de opbouw daarvan bij de GI te leggen, waarbij als een eerste stap kan worden gedacht aan een belmoment onder begeleiding van de GI.
4.6.
De GI geeft aan dat zij sinds 28 mei 2026 zijn betrokken, nadat [minderjarige 2] onder toezicht van de GI is gesteld. Het is voor nu te vroeg om een voorlopige (opbouw)regeling voor het contact tussen de kinderen en de man vast te stellen. Wel hebben beide kinderen bij de GI aangegeven dat zij contact met de man willen. Daarom lijkt het de GI een goed idee om een belmoment tussen de kinderen en de man onder begeleiding van de GI af te spreken.
4.7.
De rechtbank stelt vast dat partijen de relatie en situatie anders (hebben) ervaren en uiteenlopende opvattingen hebben over de wijze waarop het belang van de kinderen het beste wordt gediend. Ook stelt de rechtbank vast dat er nog veel onduidelijkheid heerst. De vrouw vindt het moeilijk om te praten over het verleden en de reden waarom zij met de kinderen bij de man is weggegaan en op (de situatie van) de man is nog onvoldoende zicht gekomen doordat hij tot voor kort hiervoor geen toestemming gaf. Daarnaast is gebleken dat [minderjarige 2] met ingang van 28 mei 2026 onder toezicht van de GI is gesteld.
Tijdens de zitting zijn partijen overeengekomen dat het gezien de situatie het meest passend is als de regie over het contact tussen de kinderen en de man en de opbouw daarvan – dus de duur, frequentie en begeleiding – bij de GI wordt gelegd, waarbij de GI (ook) telkens kijkt naar het tempo en de belastbaarheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De GI heeft tijdens de zitting aangegeven dat zij dit voor zowel [minderjarige 2] als [minderjarige 1] willen doen, ondanks dat [minderjarige 1] niet onder toezicht van de GI staat. Partijen hebben hiermee ingestemd. Verder zijn partijen, na een korte schorsing van de zitting, in dit kader overeengekomen dat er als eerste stap een belmoment tussen de kinderen en de man zal plaatsvinden, onder begeleiding van de GI. Hierbij is door en namens de vrouw benadrukt dat het belangrijk is dat de man tijdens dit belmoment niet spreekt over de afkomst van [minderjarige 2] . Verder is met (de advocaten van) partijen afgesproken dat de zaak voor de duur van drie maanden zal worden aangehouden en gelijktijdig met de bodemzaak in september 2026 op zitting zal worden gepland om te kijken hoe het contact tussen de kinderen en de man is verlopen en wat het gewenste verdere procesverloop van partijen is.
4.8.
De rechtbank zal, zoals aangekondigd, beslissen conform hetgeen partijen tijdens de zitting overeen zijn gekomen en waarmee ook de GI heeft ingestemd, te weten dat de man gerechtigd is tot contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende één belmoment onder begeleiding van de GI, waarna het verdere contact en de opbouw daarvan voorlopig in de handen van de GI wordt gelegd. De rechtbank zal de voorlopige contactregeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van de kinderen noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
Kinderalimentatie
4.9.
De vrouw heeft in het kader van de voorlopige voorziening, bij wijze van zelfstandig verzoek en conform het rapport alimentatienormen 2026, verzocht om vast te stellen dat de man voor een bijdrage van € 25,- per maand moet voorzien in de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] . Door en namens de man is gesteld dat de man momenteel geen draagkrachtruimte heeft om een onderhoudsbijdrage te doen.
4.10.
De rechtbank stelt vast dat de precieze financiële gegevens van partijen nog niet bekend zijn. In overeenstemming met partijen zal de rechtbank dit verzoek aanhouden, zodat partijen de precieze financiële gegevens duidelijk kunnen krijgen en zij over en weer weten wat de cijfers zijn. In het geval (de advocaten van) partijen er onderling niet uitkomen, zal de rechtbank bij de vervolgzitting hierover een beslissing (kunnen) nemen.
Vervolgzitting
4.11.
De verzoeken zullen voor het overige worden aangehouden tot de zitting van
[datum] 2026 om [uur] met het verzoek aan de GI om uiterlijk één week voor deze zittingsdatum een briefrapportage aan de rechtbank toe te sturen over het verloop van de contacten tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de man, onder gelijktijdige verstrekking aan (de advocaten van) partijen. Na de zitting is deze nieuwe zittingsdatum met (de advocaten van) partijen afgestemd. Tijdens de zitting van [datum] 2026 om [uur] zal gelijktijdig ook de bodemzaak met kenmerk C/02/447353 / FA RK 26-2051 worden behandeld. In het geval (de advocaten van) partijen een zitting niet meer nodig achten of wensen, verwacht de rechtbank dat zij dit twee weken voor de zitting aan de rechtbank laten weten.
5De beslissing
De rechtbank:
5.1.
bepaalt dat de man gerechtigd is tot contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende één belmoment onder begeleiding van de GI, waarna het verdere contact en de opbouw daarvan voorlopig in de handen van de GI wordt gelegd;
5.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
houdt de verdere beslissingen aan tot de zitting van [datum] 2026 om [uur] van mr. De Beer (voor de duur van 60 minuten) in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, aan Kousteensedijk 2 (4331 JE) in Middelburg, in afwachting van de briefrapportage van de GI, welke de GI uiterlijk één week voor de zitting aan de rechtbank dient toe te sturen, onder gelijktijdige verstrekking aan (de advocaten van) partijen;
5.4.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als een oproep voor (de advocaat van) de vrouw, (de advocaat van) de man, de GI en de Raad voor de zitting van [datum] 2026 om [uur];
5.5.
bepaalt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] per aparte brief worden opgeroepen voor een gesprek met de rechter.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026 in aanwezigheid van mr. Vork, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/447358 / FA RK 26-2053
Datum uitspraak: 17 juni 2026
Beschikking betreffende een provisionele voorziening
in de zaak van
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. F.M. Bult te Schinnen,
tegen
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S.X. Scholten te Vlissingen.
over de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2016, hierna te noemen: [minderjarige 1] ;
- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2017, hierna te noemen: [minderjarige 2] .
Als belanghebbende in deze zaak wordt gezien:
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd in Middelburg.
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1Het procesverloop
1.1.
Dit blijkt uit de volgende stukken:
het op 20 april 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
het op 1 juni 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen;
het F9-formulier van mr. Scholten van 2 juni 2026 met bijlagen;
het F9-formulier van mr. Bult van 2 juni 2026 met bijlage;
het F9-formulier van mr. Bult van 2 juni 2026 met bijlage.
1.2.
Bij voormeld verzoekschrift is (ook) de hoofdzaak aanhangig gemaakt, welke procedure bij de rechtbank geregistreerd staat onder kenmerk C/02/447353 / FA RK 26-2051. In de hoofdzaak ligt een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tussen [minderjarige 1] en de man en een zorgregeling tussen [minderjarige 2] en de man en dat de vakanties en feestdagen voor [minderjarige 2] in onderling overleg bij helfte tussen partijen worden verdeeld.
1.3.
Het verzoek is mondeling behandeld op 8 juni 2026. Bij die behandeling zijn gekomen de man met zijn advocaat en de advocaat van de vrouw. De vrouw was via een Teams-verbinding aanwezig. Verder was een vertegenwoordiger aanwezig van de Raad en een vertegenwoordigster van de GI.
1.4
Voorafgaand aan voornoemde mondelinge behandeling zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hiervan gebruik gemaakt en hebben via Teams-verbinding een kindgesprek met de rechter gehad.
2De feiten
2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Toen partijen bij elkaar kwamen, was de vrouw in verwachting van [minderjarige 2] . Uit een eerdere relatie heeft de vrouw [minderjarige 1] .
2.2.
De man heeft [minderjarige 2] erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] .
2.3.
[minderjarige 1] is door zijn biologische vader erkend. De vrouw en de biologische vader van [minderjarige 1] zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .
2.4.
Het hoofdverblijf van de kinderen is bij de vrouw.
3Het verzoek
3.1.
De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, als provisionele voorziening:
Als voorlopige zorgregeling tussen de man en de minderjarige [minderjarige 2] de opbouwregeling zoals genoemd onder randnummer 24 t/m 26 van onderhavig verzoekschrift vast te stellen;
Als voorlopige omgangsregeling tussen de man en de minderjarige [minderjarige 1] de opbouwregeling zoals genoemd onder randnummer 30 t/m 32 van onderhavig verzoekschrift vast te stellen;
Althans een zodanige voorlopige omgangsregeling/zorgregeling vast te stellen als de rechtbank in goede justitie juist acht.
3.2.
De vrouw verzoekt de provisionele verzoeken van de man af te wijzen en de omgang te ontzeggen. Als zelfstandig verzoek verzoekt de vrouw bij wege van voorlopige voorziening een maandelijkse bijdrage van de man aan de vrouw te bepalen van € 25,- per maand als bijdrage in de kosten van de minderjarige [minderjarige 2] met ingang van 1 mei 2026.
3.3
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om het verzoek te beoordelen, hierna ingegaan.
4De beoordeling
Ontvankelijkheid
4.1.
De rechtbank overweegt dat de huidige procedure slechts ziet op het treffen van een provisionele voorziening. Ingevolge artikel 223 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter voorlopige voorzieningen zal treffen voor de duur van het geding. Ingevolge het tweede lid moet deze vordering samenhangen met de hoofdvordering. In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv worden verzocht (Hoge Raad d.d. 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank hangen de onderhavige verzoeken samen met het verzoek in de hoofdzaak, zodat de man kan worden ontvangen in zijn verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
4.3.
Door en namens de man is naar voren gebracht dat de man niets liever wil dan weer contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Partijen hebben jarenlang een hecht (samengesteld) gezin gevormd en sinds januari 2026 heeft de man geen contact meer met de kinderen, nadat de vrouw plotseling met de kinderen is weggegaan naar een voor de man onbekende verblijfplaats. De man vreest ervoor dat de kloof groter wordt als het contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uitblijft. In het kader van deze procedure verzoekt de man een voorlopige regeling waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] eenmaal in de veertien dagen van vrijdag na school tot maandag voor school bij de man zijn.
4.4.
Door en namens de vrouw is verzocht de verzoeken van de man af te wijzen. De vrouw is met de kinderen weggaan, omdat zij vreesde voor haar leven. Voor de vrouw is het moeilijk om over het verleden en haar vlucht te praten, maar zij geeft wel aan dat de man verward gedrag vertoont en dat er tijdens de relatie van partijen huiselijk geweld was vanuit de man jegens de vrouw, waarvan ook de kinderen getuige zijn geweest. De vrouw vindt het belangrijk dat er gedurende de ondertoezichtstelling meer zicht komt op wat er zich heeft afgesteld tijdens de relatie, de gevolgen daarvan, de huidige gevaren en de psychische toestand van de man. Ten aanzien van [minderjarige 1] betwist de vrouw dat sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking met de man. Voor [minderjarige 2] moet er worden gekeken of de man in staat is om contact met [minderjarige 2] te hebben en vervolgens of dit op een veilige manier kan. [minderjarige 2] heeft immers veel meegemaakt. Voor nu stelt de vrouw dat het te vroeg voor de kinderen is om contact met de man te hebben. Er moet eerst een periode van rust komen.
4.5.
De Raad maakt zich zorgen over de kinderen en wat er in hun (oude) opvoedsituatie is gebeurd. Tijdens het onderzoek in het kader van de kinderbeschermingsmaatregelen heeft de Raad onvoldoende kunnen achterhalen wat er speelt, waarom de vrouw is vertrokken en hoe het met de man gaat. Dit mede doordat de man geen toestemming had verleend. De man heeft nu wel toestemming gegeven om onder meer met zijn huisarts te spreken. De GI is sinds kort betrokken en de Raad vindt het belangrijk dat de GI zicht op de situatie gaat krijgen. Er speelt veel rondom [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de kinderen hebben zorgelijke uitspraken gedaan. De Raad adviseert om de regie over het contact tussen de kinderen en de man en de opbouw daarvan bij de GI te leggen, waarbij als een eerste stap kan worden gedacht aan een belmoment onder begeleiding van de GI.
4.6.
De GI geeft aan dat zij sinds 28 mei 2026 zijn betrokken, nadat [minderjarige 2] onder toezicht van de GI is gesteld. Het is voor nu te vroeg om een voorlopige (opbouw)regeling voor het contact tussen de kinderen en de man vast te stellen. Wel hebben beide kinderen bij de GI aangegeven dat zij contact met de man willen. Daarom lijkt het de GI een goed idee om een belmoment tussen de kinderen en de man onder begeleiding van de GI af te spreken.
4.7.
De rechtbank stelt vast dat partijen de relatie en situatie anders (hebben) ervaren en uiteenlopende opvattingen hebben over de wijze waarop het belang van de kinderen het beste wordt gediend. Ook stelt de rechtbank vast dat er nog veel onduidelijkheid heerst. De vrouw vindt het moeilijk om te praten over het verleden en de reden waarom zij met de kinderen bij de man is weggegaan en op (de situatie van) de man is nog onvoldoende zicht gekomen doordat hij tot voor kort hiervoor geen toestemming gaf. Daarnaast is gebleken dat [minderjarige 2] met ingang van 28 mei 2026 onder toezicht van de GI is gesteld.
Tijdens de zitting zijn partijen overeengekomen dat het gezien de situatie het meest passend is als de regie over het contact tussen de kinderen en de man en de opbouw daarvan – dus de duur, frequentie en begeleiding – bij de GI wordt gelegd, waarbij de GI (ook) telkens kijkt naar het tempo en de belastbaarheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De GI heeft tijdens de zitting aangegeven dat zij dit voor zowel [minderjarige 2] als [minderjarige 1] willen doen, ondanks dat [minderjarige 1] niet onder toezicht van de GI staat. Partijen hebben hiermee ingestemd. Verder zijn partijen, na een korte schorsing van de zitting, in dit kader overeengekomen dat er als eerste stap een belmoment tussen de kinderen en de man zal plaatsvinden, onder begeleiding van de GI. Hierbij is door en namens de vrouw benadrukt dat het belangrijk is dat de man tijdens dit belmoment niet spreekt over de afkomst van [minderjarige 2] . Verder is met (de advocaten van) partijen afgesproken dat de zaak voor de duur van drie maanden zal worden aangehouden en gelijktijdig met de bodemzaak in september 2026 op zitting zal worden gepland om te kijken hoe het contact tussen de kinderen en de man is verlopen en wat het gewenste verdere procesverloop van partijen is.
4.8.
De rechtbank zal, zoals aangekondigd, beslissen conform hetgeen partijen tijdens de zitting overeen zijn gekomen en waarmee ook de GI heeft ingestemd, te weten dat de man gerechtigd is tot contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende één belmoment onder begeleiding van de GI, waarna het verdere contact en de opbouw daarvan voorlopig in de handen van de GI wordt gelegd. De rechtbank zal de voorlopige contactregeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van de kinderen noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
Kinderalimentatie
4.9.
De vrouw heeft in het kader van de voorlopige voorziening, bij wijze van zelfstandig verzoek en conform het rapport alimentatienormen 2026, verzocht om vast te stellen dat de man voor een bijdrage van € 25,- per maand moet voorzien in de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] . Door en namens de man is gesteld dat de man momenteel geen draagkrachtruimte heeft om een onderhoudsbijdrage te doen.
4.10.
De rechtbank stelt vast dat de precieze financiële gegevens van partijen nog niet bekend zijn. In overeenstemming met partijen zal de rechtbank dit verzoek aanhouden, zodat partijen de precieze financiële gegevens duidelijk kunnen krijgen en zij over en weer weten wat de cijfers zijn. In het geval (de advocaten van) partijen er onderling niet uitkomen, zal de rechtbank bij de vervolgzitting hierover een beslissing (kunnen) nemen.
Vervolgzitting
4.11.
De verzoeken zullen voor het overige worden aangehouden tot de zitting van
[datum] 2026 om [uur] met het verzoek aan de GI om uiterlijk één week voor deze zittingsdatum een briefrapportage aan de rechtbank toe te sturen over het verloop van de contacten tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de man, onder gelijktijdige verstrekking aan (de advocaten van) partijen. Na de zitting is deze nieuwe zittingsdatum met (de advocaten van) partijen afgestemd. Tijdens de zitting van [datum] 2026 om [uur] zal gelijktijdig ook de bodemzaak met kenmerk C/02/447353 / FA RK 26-2051 worden behandeld. In het geval (de advocaten van) partijen een zitting niet meer nodig achten of wensen, verwacht de rechtbank dat zij dit twee weken voor de zitting aan de rechtbank laten weten.
5De beslissing
De rechtbank:
5.1.
bepaalt dat de man gerechtigd is tot contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende één belmoment onder begeleiding van de GI, waarna het verdere contact en de opbouw daarvan voorlopig in de handen van de GI wordt gelegd;
5.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
houdt de verdere beslissingen aan tot de zitting van [datum] 2026 om [uur] van mr. De Beer (voor de duur van 60 minuten) in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, aan Kousteensedijk 2 (4331 JE) in Middelburg, in afwachting van de briefrapportage van de GI, welke de GI uiterlijk één week voor de zitting aan de rechtbank dient toe te sturen, onder gelijktijdige verstrekking aan (de advocaten van) partijen;
5.4.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als een oproep voor (de advocaat van) de vrouw, (de advocaat van) de man, de GI en de Raad voor de zitting van [datum] 2026 om [uur];
5.5.
bepaalt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] per aparte brief worden opgeroepen voor een gesprek met de rechter.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026 in aanwezigheid van mr. Vork, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.