Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7145
2026-07-03
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/447384 / FA RK 26-2068 en C/02/449731 / FA RK 26-3304
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wijziging verdeling zorg- en opvoedingstaken van co-ouderschap naar een tweewekelijkse weekendregeling. Afwijzing vervangende toestemming voor vakantie. Afwijziging verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2014:3533 Hoge Raad 05-12-2014
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (41.471 tekens)
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummers : C/02/447384 / FA RK 26-2068 (bodemzaak)
: C/02/449731 / FA RK 26-3304 (provisionele verzoeken)
Datum uitspraak: 3 juli 2026
Beschikking over geschillenbeslechting in het kader van gezamenlijke gezagsuitoefening en provisionele voorziening
in de zaak van
[de man]
,
hierna te noemen: de man,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. W.N. Sardjoe uit Den Haag,
tegen
[de vrouw]
,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. R. Joosen uit Oosterhout,
over de minderjarige
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.
1Het procesverloop
1.1.
In het procesdossier zitten de volgende stukken:
het op 15 april 2026 ontvangen verzoekschrift, met daarin verzoeken tot het treffen van een provisionele voorziening, met bijlagen;
het op 4 juni 2026 ontvangen verweerschrift, met bijlagen;
de brief van 10 juni 2026 van mr. Sardjoe, met bijlagen.
1.2.
Op 16 juni 2026 heeft de rechtbank de verzoeken, met gesloten deuren, mondeling ter zitting behandeld. Bij die zitting zijn partijen verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast was er een vertegenwoordigster namens de Raad aanwezig.
1.3.
[minderjarige] heeft, gezien haar leeftijd, het recht om haar mening in deze zaak te geven. Op 15 juni 2026 heeft zij haar mening gegeven tijdens een gesprek met de kinderrechter dat via een tweezijdige beeld- en geluidsverbinding (via MS Teams) heeft plaatsgevonden. Bij aanvang van de zitting heeft de kinderrechter een samenvatting hiervan gedeeld met partijen en hen in de gelegenheid gesteld om in de loop van de zitting daarop te reageren.
2De feiten
2.1.
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. [minderjarige] is tijdens deze relatie geboren.
2.2.
De man heeft [minderjarige] erkend.
2.3.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.4.
Partijen hebben afspraken gemaakt over [minderjarige] , welke zij hebben neergelegd in een door hen beiden op 3 januari 2019 ondertekend ouderschapsplan. Op 24 november 2019 hebben partijen aanvullende afspraken gemaakt.
2.5.
De rechtbank heeft bij beschikking van 8 maart 2023 bepaald, voor zover hier nu van belang, onder wijziging van het tussen partijen overeengekomen (aanvullend) ouderschapsplan, dat de man en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in de even weken het recht hebben op het hebben van contact met elkaar, waarbij het wisselmoment op maandagochtend (schooltijd) plaatsvindt. Deze beschikking is door het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch bij beschikking in hoger beroep van 22 februari 2024 bekrachtigd.
2.6.
Partijen hebben in oktober 2024 tijdens de zitting in kort geding, kort samengevat, afgesproken dat de zorg- en contactregeling tussen de man en [minderjarige] zal worden hersteld op geleide van de betrokken hulpverlening.
3De verzoeken
3.1.
De man verzoekt zowel in de bodemprocedure als bij wijze van provisionele voorziening op grond van artikel 223 Rv, uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:
primair te bepalen dat de vrouw de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige] , zoals bepaald bij beschikking van deze rechtbank van 8 maart 2023, dient na te komen dan wel (subsidiair) te bepalen dat de vrouw een door de rechtbank te bepalen zorg- en contactregeling dient na te komen, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat de vrouw in gebreke blijft om aan deze beschikking te voldoen, dan wel een door de rechtbank te bepalen bedrag, zonder maximumbedrag;
aan de man toestemming te verlenen, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de vrouw, om [minderjarige] in te schrijven op de [middelbare school] ( [middelbare school] ).
3.2.
De vrouw concludeert tot afwijzing van de verzoeken van de man en verzoekt bij wijze van zelfstandige verzoeken, uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:
de Raad te gelasten om een onderzoek te verrichten naar de verdere invulling van de contacten tussen de man en [minderjarige] ;
de zorg- en contactregeling tussen de man en [minderjarige] , zoals bepaald in de beschikking van 8 maart 2023 van deze rechtbank, te schorsen in afwachting van de uitkomst van het raadsonderzoek;
de zorg- en contactregeling tussen de man en [minderjarige] , zoals bepaald in de beschikking van 8 maart 2023 van deze rechtbank, te wijzigen en een door de rechtbank te bepalen zorg- en contactregeling vast te stellen;
aan de vrouw toestemming te verlenen, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man, voor de vakantie(reis) van [minderjarige] naar Spanje in de periode van 16 juli 2026 tot en met 28 juli 2026;
aan de vrouw toestemming te verlenen, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man, voor de vakantie(reis) van de vrouw samen met [minderjarige] naar Frankrijk in de periode van 10 augustus 2026 tot en met 17 augustus 2026;
te bepalen dat de man gehouden is om een bedrag van € 552,25 bij te dragen in de kosten van de orthodontist ten behoeve van [minderjarige] .
3.3.
Op de standpunten van partijen, de mening van [minderjarige] en het advies van de Raad zal hierna, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, worden ingegaan.
4De standpunten
Het standpunt van de man
4.1.
Namens en door de man is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. De verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen over [minderjarige] op basis van co-ouderschap, zoals bepaald door de rechtbank en bekrachtigd door het gerechtshof, wordt sinds augustus 2024 niet meer nagekomen. Zoals partijen in oktober 2024 tijdens de zitting in kort geding hebben afgesproken, is [gezinstherapeut] gestart met het herstellen en het gefaseerd uitbreiden van de contacten tussen de man en [minderjarige] . De man en [minderjarige] hebben gedurende hele dagen en tijdens de weekenden contact met elkaar gehad. Deze contacten zijn volgens de man positief verlopen. Naar aanleiding van een verschil van inzicht over het verdere verloop van de zorg- en contactregeling na de Kerstvakantie, heeft de vrouw deze regeling in januari 2026 eenzijdig opgeschort. [gezinstherapeut] wilde met [minderjarige] in gesprek, maar de man vond dat zij daardoor te veel zou worden belast. Overigens heeft hij op een later moment wel zijn toestemming daarvoor gegeven. [gezinstherapeut] heeft de begeleiding vervolgens beëindigd, omdat wat hen betreft het plafond van het vrijwillig kader inmiddels was bereikt. Vanaf dat moment hebben de man en [minderjarige] geen contact meer met elkaar gehad. De man benadrukt dat er geen contra-indicaties zijn voor contact(herstel) tussen hem en [minderjarige] . Hij wijst erop dat in het verleden door verschillende partijen (zoals de bijzondere curator, de rechtbank en het gerechtshof) is geconcludeerd dat de zorgen die de vrouw heeft over het contact tussen de man en [minderjarige] , niet worden gedeeld. De man vindt daarom dat het contact tussen hem en [minderjarige] zo snel als mogelijk moet worden hersteld. De man zou de meerwaarde kunnen inzien van een ondertoezichtstelling van [minderjarige] en hij zou ermee kunnen instemmen om het traject bij [gezinstherapeut] opnieuw op te starten, mits de verdere invulling van het contactherstel daarvan wordt losgekoppeld. De man verzoekt aan de rechtbank om nu duidelijke kaders te creëren rondom het contact(herstel) en daaraan een dwangsom te koppelen om ervoor te zorgen dat de vrouw zal (blijven) meewerken. De man stelt voor om te starten met een dag in de week gevolgd door een uitbreiding in het weekend. Na de zomervakantie kan, naar de mening van de man, de verdeling op basis van co-ouderschap worden hersteld. Een schorsing van de zorg- en contactregeling, zoals de vrouw heeft verzocht, is wat de man betreft dan ook niet aan de orde.
4.2.
De man stelt dat hij aanvankelijk heeft ingestemd met het voorstel van de vrouw om [minderjarige] aan te melden bij middelbare scholen in [plaats 2] , maar [minderjarige] is uitgeloot voor twee scholen in [plaats 2] . Gezien de woonplaats van zowel de man als de vrouw, vindt de man een school in [plaats 1] nu het meest passend voor [minderjarige] . Volgens de man heeft [minderjarige] in het verleden steeds gezegd dat zij graag naar het [middelbare school] in [plaats 1] wil gaan. Dat [minderjarige] nu aangeeft dat zij graag in [plaats 2] naar school wil gaan, kan de man dan ook niet goed plaatsen. De man heeft het gevoel dat dit niet haar eigen keuze is. Wanneer de man en [minderjarige] weer contact met elkaar hebben en de man zou merken dat dit is wat [minderjarige] zélf graag wil, dan zou de man haar keuze respecteren. Voor nu handhaaft de man zijn verzoek tot vervangende toestemming om [minderjarige] aan te melden bij het [middelbare school] in [plaats 1] .
4.3.
De man stemt in met de voorgenomen vakantie van de vrouw samen met [minderjarige] naar Frankrijk. Het is daarom niet nodig om hiervoor vervangende toestemming aan de vrouw te verlenen. De man kan echter niet instemmen met de voorgenomen vakantie van [minderjarige] samen met een aantal tantes (onder wie de zus van de vader) naar Spanje, omdat deze vakantie is gepland in een week die op basis van de afspraken in het ouderschapsplan aan de vader toekomt en omdat zijn zus momenteel geen contact heeft met de vader en de rest van zijn familie.
4.4.
De man stelt zich tot slot op het standpunt dat het zelfstandige verzoek van de vrouw om te bepalen dat de man gehouden is om een deel van de kosten van de orthodontist van [minderjarige] te betalen niet toewijsbaar is op grond de geschillenregeling bij gezamenlijk gezag (artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek). Anders vindt de man dat de bestaande regeling over kinderalimentatie volledig opnieuw moet worden herzien, nu er aan beide zijden verschillende wijzigingen van omstandigheden zijn.
Het standpunt van de vrouw
4.5.
Namens en door de vrouw is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. De vrouw stelt dat het aan de man te wijten is dat het traject bij [gezinstherapeut] vroegtijdig en zonder positief resultaat is beëindigd. Volgens de vrouw heeft de man pas bij het evaluatiegesprek bij het CJG zijn toestemming gegeven aan [gezinstherapeut] om met [minderjarige] in gesprek te gaan. [minderjarige] heeft bepaalde vragen over (de beëindiging van) het traject bij [gezinstherapeut] en over (verbreken van) het contact met haar vader. Inmiddels - een half jaar later - heeft zij geen behoefte meer aan een uitleg hierover. Omdat er sinds januari 2026 geen sprake is geweest van contact tussen de man en [minderjarige] , en [minderjarige] aangeeft dat zij op dit moment geen contact wil hebben met de man, stelt de vrouw zich op het standpunt dat de zorg- en contactregeling tussen hen niet zonder meer kan worden hersteld. Daarnaast heeft [gezinstherapeut] reeds geconcludeerd dat een verdeling op basis van co-ouderschap niet in het belang van [minderjarige] wordt geacht. De vrouw vindt daarom, overeenkomstig het advies van [gezinstherapeut] dat eerst de Raad een onderzoek dient te verrichten naar de manier waarop het contact het beste kan worden hersteld. De vrouw concludeert daarom tot afwijzing van het verzoek van de man tot nakoming/vaststelling van de zorg- en contactregeling tussen hem en [minderjarige] . De vrouw verzoekt daarnaast om de bestaande zorg- en contactregeling te schorsen in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek van de Raad en te bepalen dat de regie over het herstel van het contact en over de verdere opbouw van de zorg- en contactregeling bij [gezinstherapeut] wordt belegd. De vrouw vindt het belangrijk dat de mening van [minderjarige] hierbij het uitgangspunt zal zijn. Het opleggen van een dwangsom vindt de vrouw niet in het belang van [minderjarige] .
4.6.
[minderjarige] is inmiddels ingeschreven bij het [middelbare school] in [plaats 1] . De man heeft dan ook geen belang meer bij zijn verzoek tot vervangende toestemming. De vrouw vindt wel dat de mogelijkheid moet blijven openstaan voor [minderjarige] dat als er een plek vrijkomt, om alsnog de overstap te maken naar een door haar gekozen school in [plaats 2] .
4.7.
De vrouw stelt dat zij voornemens was om dit jaar samen met [minderjarige] naar de Verenigde Staten te gaan, maar dat zij haar plannen heeft gewijzigd vanwege het ontbreken van de toestemming van de man. De vrouw wil tijdens de aankomende zomervakantie graag samen met [minderjarige] naar Frankrijk. Daarnaast is aan [minderjarige] de mogelijkheid geboden om samen met haar tantes (vaderszijde) op vakantie te gaan naar Spanje. Een van deze tantes is de zus van de man. [minderjarige] heeft goed contact met hen en de vrouw vindt het leuk voor haar dat haar deze vakantiemogelijkheid wordt geboden. Omdat de man tot aan de zitting zijn toestemming daarvoor niet heeft gegeven, verzoekt de vrouw om haar voor beide vakanties vervangende toestemming te verlenen.
4.8.
De vrouw stelt tot slot dat [minderjarige] onder behandeling is (geweest) bij de orthodontist en dat zij in verband daarmee noodzakelijke kosten heeft gemaakt. De man heeft ingestemd met deze behandeling, maar hij weigert om bij te dragen in de gemaakte kosten. De vrouw wijst erop dat partijen in het ouderschapsplan zijn overeengekomen dat zij dergelijke kosten evenredig verdelen. De vrouw verzoekt daarom, met een beroep op de van toepassing zijnde bepaling in het door partijen overeengekomen ouderschapsplan (zoals neergelegd in bijlage 2 bij het ouderschapsplan), te bepalen dat de man gehouden is om de helft van de kosten voor zijn rekening te nemen, te weten € 552,25.
De mening van [minderjarige]
4.9.
[minderjarige] heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. [minderjarige] weet eigenlijk niet waarom zij geen contact meer heeft met haar vader. Het contact is uit het niets verbroken. Op dit moment wil [minderjarige] haar vader liever niet zien. Zij vindt het goed zoals het nu is. Bovendien zou zij het spannend en heel eng vinden om weer contact met haar vader te hebben.
Het advies van de Raad
4.10.
De Raad vindt de strijd die de ouders tegen elkaar voeren, die al zeer lang duurt, erg zorgelijk voor de verdere ontwikkeling van [minderjarige] . Allerlei negatieve patronen en trauma’s worden boven het hoofd van [minderjarige] uitgevochten. De Raad vindt het daarnaast opvallend dat partijen naar elkaar blijven wijzen. [minderjarige] zal hier waarschijnlijk haar hele leven last van houden. De Raad zal binnenkort starten met een beschermingsonderzoek, maar het is al wel duidelijk dat een ondertoezichtstelling niets zal veranderen zo lang het partijen niet zal lukken om over hun eigen schaduw heen te stappen en het belang van [minderjarige] voorop te (blijven) stellen. De oplossing ligt volgens de Raad dan ook niet alleen bij (het inzetten van hulpverlening voor) [minderjarige] , maar vooral bij partijen zelf. Het is aan partijen om het tij te keren. De Raad zou het beschermingsonderzoek kunnen uitbreiden in die zin dat hij ook een onderzoek zal verrichten naar de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Echter, de uitkomst daarvan zal waarschijnlijk zijn dat – in het geval de Raad een verzoek tot ondertoezichtstelling zal indienen – hij zal adviseren om de definitieve beslissing over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aan te houden in afwachting van het verloop en het resultaat van die maatregel. Deze beslissing zal de positie van de GI erg ingewikkeld maken. De Raad adviseert daarom nu om een beslissing te nemen en duidelijke kaders te scheppen. De Raad ziet geen aanleiding om de zorg- en contactregeling te schorsen. Dit zou het signaal afgeven aan [minderjarige] dat het hebben van contact met haar vader niet goed is. Daar tegenover staat dat het niet in het belang van [minderjarige] is om het contact(herstel) te forceren. [minderjarige] heeft namelijk uit eigenbelang een keuze gemaakt tussen haar ouders. Het forceren van contact(herstel) zal in dit geval naar verwachting alleen maar averechts uitpakken. De Raad ziet op dit moment als meest laagdrempelige optie om te komen tot contact(herstel) dat het traject bij [gezinstherapeut] opnieuw zal worden opgestart.
5De beoordeling door de rechtbank
In de zaak C/02/449731 / FA RK 26-3304 (provisionele verzoeken)
5.1.
Op grond van artikel 223 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering.
5.2.
In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van
artikel 223 Rv worden verzocht (HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).
5.3.
De rechtbank overweegt vervolgens dat voor toewijzing van een verzoek in het kader van artikel 223 Rv slechts plaats is, indien er naar het oordeel van de rechtbank voldoende (spoedeisend) belang bestaat, in die zin dat van partijen niet gevergd kan worden dat zij de afloop van de hoofdzaak afwachten. Daarnaast dient de rechtbank de belangen van partijen af te wegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin.
5.4.
De rechtbank overweegt dat de man in de bodemzaak en bij wijze van voorlopige voorziening (provisioneel verzoek) precies dezelfde, gelijkluidende verzoeken heeft geformuleerd. Daarmee hebben de provisionele verzoeken, naar het oordeel van de rechtbank, naar hun aard en vooral met het oog op de wijze waarop deze zijn geformuleerd, een definitief karakter. Zo wordt in het petitum van het verzoekschrift niet verzocht om een voorlopige regeling te bepalen. Daarnaast is per afzonderlijk verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet gesteld dat de man een voldoende (spoedeisend) belang bij zijn verzoeken heeft. De rechtbank zal de verzoeken van de man tot het treffen van een voorlopige voorziening daarom afwijzen.
In de zaak C/02/447384 / FA RK 26-2068 (bodemzaak):
5.5.
Op grond van artikel 1:253a, lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen die te maken hebben met de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van (een van) de ouders aan de rechtbank worden voorgelegd.
5.6.
Uit lid 2 van voornoemd artikel volgt dat de rechtbank op verzoek van (een van) de ouders een regeling kan vaststellen over de uitoefening van het gezag. Dit kan op grond van sub a een regeling zijn over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders over hun kind.
5.7.
Uit lid 4 van voornoemd artikel is artikel 1:377e BW van overeenkomstige toepassing. In dat artikel staat dat een omgangsregeling die door de rechtbank is bepaald of door de ouders is afgesproken, kan worden veranderd. Dat kan als de omstandigheden zijn veranderd na de beslissing van de rechtbank of na de afspraken van de ouders. Dit kan ook als bij de beslissing van de rechtbank van verkeerde of onvolledige gegevens is uitgegaan.
5.8.
Op grond van artikel 1:253a, lid 1 BW kan de rechtbank ook vervangende toestemming verlenen aan een ouder voor het nemen van gezagsbeslissingen over hun kind die, in geval van gezamenlijk gezag, door de beide gezagdragende ouders gezamenlijk genomen moeten worden, zoals voor de schoolkeuze of voor een buitenlandse vakantie(reis).
5.9.
De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
5.10.
De rechtbank overweegt dat zij bij beschikking van 8 maart 2023 de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen over [minderjarige] heeft verdeeld op basis van co-ouderschap. Deze verdeling is bekrachtigd door het gerechtshof in hoger beroep. Gebleken is dat partijen sinds augustus 2024 geen uitvoering meer geven aan deze verdeling op basis van co-ouderschap en dat de man en [minderjarige] sinds januari van dit jaar geen contact meer met elkaar hebben gehad. In die zin is er, naar het oordeel van de rechtbank, nu sprake van een relevante wijziging van omstandigheden vergeleken met de situatie ten tijde van voormelde beschikkingen van de rechtbank (en het gerechtshof) die een wijziging van de verdeling op basis van co-ouderschap kan rechtvaardigen. Dit betekent dat beide partijen kunnen worden ontvangen in hun verzoeken tot nakoming, wijziging dan wel schorsing van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. De rechtbank zal deze verzoeken daarom hierna inhoudelijk beoordelen en vervolgens daarop beslissen.
5.11.
Er is al gedurende een half jaar geen sprake geweest van contact tussen de man en [minderjarige] . De rechtbank acht het daarom in het belang van [minderjarige] noodzakelijk, voordat er sprake kan zijn van contact(herstel) tussen [minderjarige] en de man, dat [minderjarige] op een goede manier daarop zal worden voorbereid door professionele begeleiding. Aangezien [gezinstherapeut] tot het begin van dit jaar betrokken is geweest bij partijen en [minderjarige] en om te voorkomen dat [minderjarige] voortdurend met andere hulpverleners te maken krijgt, zou het voor [minderjarige] het meest wenselijk zijn als [gezinstherapeut] daar nog iets in zou kunnen betekenen. De rechtbank gaat ervan uit dat beide partijen als gezaghebbende ouders dit samen kunnen en zullen regelen voor haar. Na bijvoorbeeld één of meerdere gesprekken tussen [gezinstherapeut] en [minderjarige] , waarbij [minderjarige] op een goede en verantwoorde manier wordt voorbereid op het contact(herstel) met de man, acht de rechtbank een stapsgewijs opbouwende zorg- en contactregeling op basis waarvan zij eerst een aantal keer gedurende een dag in het weekend en vervolgens eenmaal per twee weken in het weekend van vrijdag uit school tot maandag naar school contact met elkaar zullen hebben. Aangezien partijen al ruim twee jaren geen uitvoering geven aan een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken op basis van co-ouderschap, de man en [minderjarige] sinds januari van dit jaar geen contact meer met elkaar hebben gehad en vooral omdat [minderjarige] zelf aangeeft dat zij op dit moment geen contact met de man wil hebben, acht de rechtbank het op dit moment niet in het belang van [minderjarige] om terug te werken naar de verdeling op basis van co-ouderschap. De rechtbank twijfelt namelijk aan de haalbaarheid daarvan voor [minderjarige] . Wanneer het contact tussen de man en [minderjarige] eenmaal is hersteld, moet voorkomen worden dat het contact opnieuw zal worden verbroken, met als gevolg dat [minderjarige] opnieuw wordt geconfronteerd met onduidelijkheid en teleurstelling. De rechtbank kiest daarom voor een regeling die voor alle partijen haalbaar lijkt te zijn. De huidige verdeling van de vakanties en feestdagen blijft onveranderd en dus nog steeds van kracht, met dien verstande dat het contact tussen de man en [minderjarige] eerst op een goede en verantwoorde manier (stapsgewijs) zal worden hersteld, zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank wel dat de aanstaande zomervakantie te vroeg komt om de vakantieregeling al te hervatten.
5.12.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het primaire verzoek van de man tot nakoming van de bestaande verdeling van de zorg- en opvoedingstaken op basis van co-ouderschap afwijzen. De rechtbank zal het subsidiaire verzoek van de man toewijzen, in die zin dat zij zal bepalen, onder wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 8 maart 2023 (en de beschikking in hoger beroep van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 22 februari 2024), dat de man en [minderjarige] eenmaal per twee weken in het weekend van vrijdag uit school tot maandag naar school het recht hebben op contact met elkaar, met dien verstande dat [minderjarige] eerst op een goede manier dient te worden voorbereid op het contactherstel door bij voorkeur [gezinstherapeut] of een soortgelijke instantie, waarna deze regeling stapsgewijs zal worden opgebouwd tot voormelde tweewekelijkse weekendregeling. De contacten starten dan als [gezinstherapeut] aangeeft dat zij [minderjarige] hier zo goed als mogelijk op hebben voorbereid, al dan niet na een gezamenlijk gesprek met [minderjarige] en de man. De opbouw bepaalt de rechtbank als volgt:
eerst drie maal één keer per veertien dagen een zaterdag of zondag van 10:00 uur tot 19:00 uur;
dan drie maal één keer per veertien dagen van zaterdag 10:00 uur tot en met zondag 19:00 uur;
vervolgens telkens één keer per veertien dagen van vrijdag uit school tot maandag naar school, of als er geen school is; van vrijdag 16:00 uur tot maandag 10:00 uur.
Het zelfstandige verzoek van de vrouw tot schorsing van de bestaande zorg- en contactregeling zal worden afgewezen.
5.13.
De rechtbank ziet dus geen aanleiding om de Raad te verzoeken om een onderzoek te verrichten naar welke verdeling van de zorg- en contactregeling tussen partijen over [minderjarige] het meest tegemoetkomt aan de belangen van [minderjarige] , omdat de zorgen die er zijn voornamelijk zien op de al jarenlang voortdurende strijd tussen partijen en er op zichzelf geen zorgen zijn over het contact tussen de man en [minderjarige] . De rechtbank zal het zelfstandige verzoek van de vrouw om een raadsonderzoek te gelasten daarom afwijzen.
Dwangsom
5.14.
De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding om de vrouw te veroordelen tot nakoming van de te bepalen zorg- en contactregeling tussen de man en [minderjarige] op straffe van een dwangsom, omdat de rechtbank op basis van de haar beschikbare informatie niet duidelijk kan vaststellen dat het (volledig) aan de vrouw te wijten is dat er sinds begin van dit jaar geen sprake is geweest van contact tussen de man en [minderjarige] . Een belangrijke reden waardoor er op dit moment geen sprake is van contact, is namelijk ook dat [minderjarige] , die inmiddels twaalf jaar oud is, heeft aangegeven dat zij vooralsnog geen contact wil hebben met de man. Het verzoek van de man tot het opleggen van een dwangsom zal de rechtbank daarom afwijzen.
Vervangende toestemming inschrijving school
5.15.
[minderjarige] is uitgeloot voor twee middelbare scholen in [plaats 2] . Inmiddels is zij ingeschreven bij het [middelbare school] in [plaats 1] . Dit betekent dat de man geen belang meer heeft bij zijn verzoek tot vervangende toestemming om [minderjarige] op die school in te schrijven. De rechtbank zal dit verzoek daarom afwijzen.
5.16.
De vrouw heeft aangegeven dat zij van mening is, als er alsnog een plekje vrij zou komen op een van de scholen in [plaats 2] waar [minderjarige] graag naar toe wil, dat [minderjarige] de mogelijkheid moet krijgen om alsnog naar die school toe te gaan. De rechtbank is van oordeel dat de mening van een meisje van twaalf jaar oud zoals [minderjarige] bij de keuze van de middelbare school waar zij in de komende jaren naartoe zal gaan, in beginsel gevolgd moet worden. Er liggen echter geen verzoeken voor op dat punt, zodat daarover geen beslissing kan worden genomen.
Vervangende toestemming vakantie Frankrijk
5.17.
De man heeft tijdens de zitting aangegeven dat hij zijn toestemming verleent voor de voorgenomen vakantie(reis) van de vrouw samen met [minderjarige] naar Frankrijk. Tijdens een korte schorsing van de zitting heeft de man het daarvoor bestemde toestemmingsformulier ingevuld. Naast voormeld toestemmingsformulier heeft de vrouw nog een kopie van het ID-bewijs van de man nodig. De rechtbank gaat ervan uit dat de man zijn toezegging dat hij deze kopie zo spoedig als mogelijk aan de vrouw zal geven, zal nakomen.
5.18.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de vrouw geen belang meer heeft bij haar zelfstandige verzoek tot vervangende toestemming voor de voorgenomen vakantie(reis) samen met [minderjarige] naar Frankrijk. De rechtbank zal dit verzoek daarom afwijzen.
Vervangende toestemming vakantie Spanje
5.19.
De man kan niet instemmen met de voorgenomen vakantie(reis) van [minderjarige] samen met haar tantes (onder wie de zus van de vader) naar Spanje. Nu partijen hierover geen overeenstemming hebben bereikt, kan deze kwestie aan de rechtbank worden voorgelegd op grond van artikel 1:253a BW.
5.20.
De rechtbank overweegt dat de voorgenomen vakantie(reis) van [minderjarige] naar Spanje is gepland in een periode die volgens de afspraken die partijen zelf hebben gemaakt en die zij hebben neergelegd in het ouderschapsplan, aan de man toekomt. Daarnaast zal [minderjarige] op vakantie gaan samen met haar tantes vaderszijde, onder wie een zus van de man die op dit moment geen contact heeft met de man en met de rest van zijn familie. De keuze van de vrouw om [minderjarige] in een week die aan de man is toebedeeld met anderen op vakantie te laten gaan, met als motivatie dat er inmiddels gedurende een half jaar geen sprake is van contact tussen de man en [minderjarige] én de keuze van de vrouw om [minderjarige] uitgerekend met de zus van de man mee te laten gaan terwijl zij momenteel geen contact heeft met de man en met de rest van zijn familie, is naar het oordeel van de rechtbank niet constructief in het licht van de alsmaar voortdurende ouderstrijd. Om die redenen vindt de rechtbank de voorgenomen vakantie(reis) van [minderjarige] samen met haar tantes vaderszijde naar Spanje niet in haar belang. De rechtbank zal het zelfstandige verzoek van de vrouw tot vervangende toestemming voor de voorgenomen vakantie(reis) van [minderjarige] naar Spanje daarom afwijzen.
5.21.
De rechtbank kan begrijpen dat met name [minderjarige] teleurgesteld zal zijn door deze beslissing. De rechtbank benadrukt daarom het belang dat de vrouw deze beslissing (al dan niet met behulp van [gezinstherapeut] ) zo goed als mogelijk aan [minderjarige] zal uitleggen en dat zij in ieder geval niet de man hiervan de schuld zal geven. Zeker nu de man wel heeft ingestemd met de voorgenomen vakantie(reis) van de vrouw samen met [minderjarige] naar Frankrijk.
Kosten orthodontist
5.22.
Gebleken is dat [minderjarige] een noodzakelijk geachte behandeling heeft ondergaan bij de orthodontist. De rechtbank neemt als onweersproken aan dat de man met die behandeling heeft ingestemd. De rechtbank overweegt dat partijen in bijlage 2 behorende bij het door hen beiden ondertekende ouderschapsplan zijn overeengekomen dat noodzakelijke, bijzondere kosten voor [minderjarige] in overleg evenredig tussen hen worden verdeeld. Gelet op deze partijafspraak vindt de rechtbank het redelijk dat de man de helft van de kosten van de orthodontist voor zijn rekening zal nemen. De rechtbank zal daarbij als onweersproken aannemen dat de vrouw de volledige kosten reeds heeft voldaan en dat de helft van deze kosten € 552,25 bedraagt. De rechtbank zal het zelfstandige verzoek van de vrouw daarom toewijzen en bepalen dat de man gehouden is om een bedrag van € 552,25 bij te dragen. De rechtbank zal daarbij bepalen dat de man dit bedrag binnen een maand na de datum van deze beschikking aan de vrouw dient te voldoen. De rechtbank zal de man dus een iets ruimere termijn gunnen dan is verzocht.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.23.
De rechtbank zal de beslissing over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, gelet op het karakter daarvan en het belang dat hierover duidelijkheid bestaat, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de man. Dit betekent dat deze beslissing per direct van kracht is en moet worden uitgevoerd, ook als daartegen een hoger beroep wordt ingesteld. De rechtbank ziet in hetgeen door en namens de vrouw naar voren is gebracht geen aanleiding om de beslissing over de kosten van de orthodontist uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Het daartoe strekkende verzoek zal daarom worden afgewezen.
Verdeling proceskosten
5.24.
Gelet op het familierechtelijke karakter van deze procedure zal de rechtbank de kosten van partijen in deze procedure tussen hen verdelen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Brief aan [minderjarige]
5.25.
In het gesprek met de rechter heeft [minderjarige] aangegeven dat ze de beslissing graag via haar moeder te weten wilde komen. Toch ziet de rechtbank aanleiding om [minderjarige] een brief te schrijven, omdat er beslissingen zijn genomen die zij misschien moeilijk vindt om te horen. De rechtbank vindt het belangrijk om dit zo goed mogelijk aan [minderjarige] uit te leggen. Hierna is de tekst van de brief te lezen die aan [minderjarige] gestuurd wordt.
Beste [minderjarige] ,
Op 16 juni hebben wij via Teams met elkaar gepraat. Ik vond het leuk om met jou gepraat te hebben. Ik hoop ook dat je een heel leuk schoolkamp hebt gehad! Je vertelde op het laatst dat je graag via je moeder wilde horen wat de beslissing is geworden. Toch stuur ik je nu een brief. Ik doe dat, omdat ik je graag wil uitleggen waarom ik deze beslissing heb genomen. Ook omdat ik dingen heb beslist die anders zijn dan wat jij aan mij had verteld.
Je hebt namelijk aan mij verteld dat je je vader nu niet wilt zien. Toch heb ik beslist dat dat wel weer gaat gebeuren. Ik vind het namelijk belangrijk dat je contact hebt met je vader. Wel vind ik het ook belangrijk dat je je daar eerst op kunt voorbereiden, het liefst met de hulp van [persoon 1] en [persoon 2] . Daarna zou het dan moeten worden opgebouwd, waarbij je eerst eens een dag in het weekend naar papa toe gaat. Dat is dan één keer per twee weken, op zaterdag of zondag, van 10:00 uur ’s ochtends tot 19:00 uur ‘s avonds. Als dat dan drie keer is gebeurd, blijf je slapen van zaterdag tot zondag en ga je pas na het eten op zondag naar mama toe. Ook dat is één keer per twee weken. Als dat dan weer drie keer is gebeurd, ga je één keer per twee weken van vrijdag uit school tot maandag naar school naar papa toe. Zo blijft het dan ook. De vakanties worden dan weer zoals ze vroeger waren afgesproken. Ik denk dat op deze manier je wel goed contact kunt hebben met je moeder én je vader en dat het je meer rust zal geven.
Je had mij verteld dat je het stom vindt als er niet naar je geluisterd wordt. Je hebt mij heel goed uitgelegd wat jij vindt en ik heb goed, maar ik moet uiteindelijk beslissen wat ik het beste vind. En dat is dit.
Je had me ook verteld over de vakantie met je tantes in Spanje. Ik geef geen toestemming voor die vakantie. Het is namelijk in de tijd die eigenlijk voor papa bedoeld is, ookal heb je nu geen contact met papa. Ook is het met de zus van papa, waar papa geen contact mee heeft. Ik zou het van mijzelf niet eerlijk en netjes vinden naar je vader toe, als ik daar toestemming voor zou geven. Dat zal heel erg balen zijn voor jou, want je had je verheugd op die vakantie. Je gaat natuurlijk wel gewoon op vakantie met je moeder naar Frankrijk.
Ik hoop dat ik het je goed heb uitgelegd in deze brief. Als je nog vragen hebt, kun je die vast aan [persoon 1] of [persoon 2] stellen, en hun dan deze brief laten lezen. Een hele fijne vakantie gewenst en heel veel plezier en succes op de middelbare school volgend jaar!
Groetjes,
Tempel
De Rechter
5.26.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6De beslissing
De rechtbank:
In de zaak C/02/449731 / FA RK 26-3304:
6.1.
wijst de verzoeken van de man tot het treffen van een voorlopige voorziening af;
In de zaak C/02/447384 / FA RK 26-2068:
6.2.
wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 8 maart 2023 (en de beschikking in hoger beroep van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 22 februari 2024) voor zover het de reguliere verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen over [minderjarige] betreft;
6.3.
bepaalt in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen over [minderjarige] , dat de man en [minderjarige] eenmaal per twee weken in het weekend van vrijdag uit school tot maandag naar school het recht hebben op contact met elkaar, met dien verstande dat [minderjarige] eerst op een goede manier dient te worden voorbereid op het contactherstel door bij voorkeur [gezinstherapeut] of een soortgelijke instantie, waarna deze regeling stapsgewijs zal worden opgebouwd tot voormelde tweewekelijkse weekendregeling, met inachtneming van hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 5.11 en 5.12 is overwogen;
6.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
bepaalt dat man gehouden is om een bedrag van € 552,25 bij te dragen in de kosten van de orthodontist ten behoeve van [minderjarige] , welk bedrag hij binnen een maand na de datum van deze beschikking aan de vrouw dient te voldoen;
6.6.
verdeelt de kosten van partijen in deze procedure tussen hen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.7.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026 door mr. Tempel, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. Wallerbos als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummers : C/02/447384 / FA RK 26-2068 (bodemzaak)
: C/02/449731 / FA RK 26-3304 (provisionele verzoeken)
Datum uitspraak: 3 juli 2026
Beschikking over geschillenbeslechting in het kader van gezamenlijke gezagsuitoefening en provisionele voorziening
in de zaak van
[de man]
,
hierna te noemen: de man,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. W.N. Sardjoe uit Den Haag,
tegen
[de vrouw]
,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. R. Joosen uit Oosterhout,
over de minderjarige
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.
1Het procesverloop
1.1.
In het procesdossier zitten de volgende stukken:
het op 15 april 2026 ontvangen verzoekschrift, met daarin verzoeken tot het treffen van een provisionele voorziening, met bijlagen;
het op 4 juni 2026 ontvangen verweerschrift, met bijlagen;
de brief van 10 juni 2026 van mr. Sardjoe, met bijlagen.
1.2.
Op 16 juni 2026 heeft de rechtbank de verzoeken, met gesloten deuren, mondeling ter zitting behandeld. Bij die zitting zijn partijen verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast was er een vertegenwoordigster namens de Raad aanwezig.
1.3.
[minderjarige] heeft, gezien haar leeftijd, het recht om haar mening in deze zaak te geven. Op 15 juni 2026 heeft zij haar mening gegeven tijdens een gesprek met de kinderrechter dat via een tweezijdige beeld- en geluidsverbinding (via MS Teams) heeft plaatsgevonden. Bij aanvang van de zitting heeft de kinderrechter een samenvatting hiervan gedeeld met partijen en hen in de gelegenheid gesteld om in de loop van de zitting daarop te reageren.
2De feiten
2.1.
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. [minderjarige] is tijdens deze relatie geboren.
2.2.
De man heeft [minderjarige] erkend.
2.3.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.4.
Partijen hebben afspraken gemaakt over [minderjarige] , welke zij hebben neergelegd in een door hen beiden op 3 januari 2019 ondertekend ouderschapsplan. Op 24 november 2019 hebben partijen aanvullende afspraken gemaakt.
2.5.
De rechtbank heeft bij beschikking van 8 maart 2023 bepaald, voor zover hier nu van belang, onder wijziging van het tussen partijen overeengekomen (aanvullend) ouderschapsplan, dat de man en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in de even weken het recht hebben op het hebben van contact met elkaar, waarbij het wisselmoment op maandagochtend (schooltijd) plaatsvindt. Deze beschikking is door het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch bij beschikking in hoger beroep van 22 februari 2024 bekrachtigd.
2.6.
Partijen hebben in oktober 2024 tijdens de zitting in kort geding, kort samengevat, afgesproken dat de zorg- en contactregeling tussen de man en [minderjarige] zal worden hersteld op geleide van de betrokken hulpverlening.
3De verzoeken
3.1.
De man verzoekt zowel in de bodemprocedure als bij wijze van provisionele voorziening op grond van artikel 223 Rv, uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:
primair te bepalen dat de vrouw de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige] , zoals bepaald bij beschikking van deze rechtbank van 8 maart 2023, dient na te komen dan wel (subsidiair) te bepalen dat de vrouw een door de rechtbank te bepalen zorg- en contactregeling dient na te komen, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat de vrouw in gebreke blijft om aan deze beschikking te voldoen, dan wel een door de rechtbank te bepalen bedrag, zonder maximumbedrag;
aan de man toestemming te verlenen, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de vrouw, om [minderjarige] in te schrijven op de [middelbare school] ( [middelbare school] ).
3.2.
De vrouw concludeert tot afwijzing van de verzoeken van de man en verzoekt bij wijze van zelfstandige verzoeken, uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:
de Raad te gelasten om een onderzoek te verrichten naar de verdere invulling van de contacten tussen de man en [minderjarige] ;
de zorg- en contactregeling tussen de man en [minderjarige] , zoals bepaald in de beschikking van 8 maart 2023 van deze rechtbank, te schorsen in afwachting van de uitkomst van het raadsonderzoek;
de zorg- en contactregeling tussen de man en [minderjarige] , zoals bepaald in de beschikking van 8 maart 2023 van deze rechtbank, te wijzigen en een door de rechtbank te bepalen zorg- en contactregeling vast te stellen;
aan de vrouw toestemming te verlenen, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man, voor de vakantie(reis) van [minderjarige] naar Spanje in de periode van 16 juli 2026 tot en met 28 juli 2026;
aan de vrouw toestemming te verlenen, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man, voor de vakantie(reis) van de vrouw samen met [minderjarige] naar Frankrijk in de periode van 10 augustus 2026 tot en met 17 augustus 2026;
te bepalen dat de man gehouden is om een bedrag van € 552,25 bij te dragen in de kosten van de orthodontist ten behoeve van [minderjarige] .
3.3.
Op de standpunten van partijen, de mening van [minderjarige] en het advies van de Raad zal hierna, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, worden ingegaan.
4De standpunten
Het standpunt van de man
4.1.
Namens en door de man is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. De verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen over [minderjarige] op basis van co-ouderschap, zoals bepaald door de rechtbank en bekrachtigd door het gerechtshof, wordt sinds augustus 2024 niet meer nagekomen. Zoals partijen in oktober 2024 tijdens de zitting in kort geding hebben afgesproken, is [gezinstherapeut] gestart met het herstellen en het gefaseerd uitbreiden van de contacten tussen de man en [minderjarige] . De man en [minderjarige] hebben gedurende hele dagen en tijdens de weekenden contact met elkaar gehad. Deze contacten zijn volgens de man positief verlopen. Naar aanleiding van een verschil van inzicht over het verdere verloop van de zorg- en contactregeling na de Kerstvakantie, heeft de vrouw deze regeling in januari 2026 eenzijdig opgeschort. [gezinstherapeut] wilde met [minderjarige] in gesprek, maar de man vond dat zij daardoor te veel zou worden belast. Overigens heeft hij op een later moment wel zijn toestemming daarvoor gegeven. [gezinstherapeut] heeft de begeleiding vervolgens beëindigd, omdat wat hen betreft het plafond van het vrijwillig kader inmiddels was bereikt. Vanaf dat moment hebben de man en [minderjarige] geen contact meer met elkaar gehad. De man benadrukt dat er geen contra-indicaties zijn voor contact(herstel) tussen hem en [minderjarige] . Hij wijst erop dat in het verleden door verschillende partijen (zoals de bijzondere curator, de rechtbank en het gerechtshof) is geconcludeerd dat de zorgen die de vrouw heeft over het contact tussen de man en [minderjarige] , niet worden gedeeld. De man vindt daarom dat het contact tussen hem en [minderjarige] zo snel als mogelijk moet worden hersteld. De man zou de meerwaarde kunnen inzien van een ondertoezichtstelling van [minderjarige] en hij zou ermee kunnen instemmen om het traject bij [gezinstherapeut] opnieuw op te starten, mits de verdere invulling van het contactherstel daarvan wordt losgekoppeld. De man verzoekt aan de rechtbank om nu duidelijke kaders te creëren rondom het contact(herstel) en daaraan een dwangsom te koppelen om ervoor te zorgen dat de vrouw zal (blijven) meewerken. De man stelt voor om te starten met een dag in de week gevolgd door een uitbreiding in het weekend. Na de zomervakantie kan, naar de mening van de man, de verdeling op basis van co-ouderschap worden hersteld. Een schorsing van de zorg- en contactregeling, zoals de vrouw heeft verzocht, is wat de man betreft dan ook niet aan de orde.
4.2.
De man stelt dat hij aanvankelijk heeft ingestemd met het voorstel van de vrouw om [minderjarige] aan te melden bij middelbare scholen in [plaats 2] , maar [minderjarige] is uitgeloot voor twee scholen in [plaats 2] . Gezien de woonplaats van zowel de man als de vrouw, vindt de man een school in [plaats 1] nu het meest passend voor [minderjarige] . Volgens de man heeft [minderjarige] in het verleden steeds gezegd dat zij graag naar het [middelbare school] in [plaats 1] wil gaan. Dat [minderjarige] nu aangeeft dat zij graag in [plaats 2] naar school wil gaan, kan de man dan ook niet goed plaatsen. De man heeft het gevoel dat dit niet haar eigen keuze is. Wanneer de man en [minderjarige] weer contact met elkaar hebben en de man zou merken dat dit is wat [minderjarige] zélf graag wil, dan zou de man haar keuze respecteren. Voor nu handhaaft de man zijn verzoek tot vervangende toestemming om [minderjarige] aan te melden bij het [middelbare school] in [plaats 1] .
4.3.
De man stemt in met de voorgenomen vakantie van de vrouw samen met [minderjarige] naar Frankrijk. Het is daarom niet nodig om hiervoor vervangende toestemming aan de vrouw te verlenen. De man kan echter niet instemmen met de voorgenomen vakantie van [minderjarige] samen met een aantal tantes (onder wie de zus van de vader) naar Spanje, omdat deze vakantie is gepland in een week die op basis van de afspraken in het ouderschapsplan aan de vader toekomt en omdat zijn zus momenteel geen contact heeft met de vader en de rest van zijn familie.
4.4.
De man stelt zich tot slot op het standpunt dat het zelfstandige verzoek van de vrouw om te bepalen dat de man gehouden is om een deel van de kosten van de orthodontist van [minderjarige] te betalen niet toewijsbaar is op grond de geschillenregeling bij gezamenlijk gezag (artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek). Anders vindt de man dat de bestaande regeling over kinderalimentatie volledig opnieuw moet worden herzien, nu er aan beide zijden verschillende wijzigingen van omstandigheden zijn.
Het standpunt van de vrouw
4.5.
Namens en door de vrouw is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. De vrouw stelt dat het aan de man te wijten is dat het traject bij [gezinstherapeut] vroegtijdig en zonder positief resultaat is beëindigd. Volgens de vrouw heeft de man pas bij het evaluatiegesprek bij het CJG zijn toestemming gegeven aan [gezinstherapeut] om met [minderjarige] in gesprek te gaan. [minderjarige] heeft bepaalde vragen over (de beëindiging van) het traject bij [gezinstherapeut] en over (verbreken van) het contact met haar vader. Inmiddels - een half jaar later - heeft zij geen behoefte meer aan een uitleg hierover. Omdat er sinds januari 2026 geen sprake is geweest van contact tussen de man en [minderjarige] , en [minderjarige] aangeeft dat zij op dit moment geen contact wil hebben met de man, stelt de vrouw zich op het standpunt dat de zorg- en contactregeling tussen hen niet zonder meer kan worden hersteld. Daarnaast heeft [gezinstherapeut] reeds geconcludeerd dat een verdeling op basis van co-ouderschap niet in het belang van [minderjarige] wordt geacht. De vrouw vindt daarom, overeenkomstig het advies van [gezinstherapeut] dat eerst de Raad een onderzoek dient te verrichten naar de manier waarop het contact het beste kan worden hersteld. De vrouw concludeert daarom tot afwijzing van het verzoek van de man tot nakoming/vaststelling van de zorg- en contactregeling tussen hem en [minderjarige] . De vrouw verzoekt daarnaast om de bestaande zorg- en contactregeling te schorsen in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek van de Raad en te bepalen dat de regie over het herstel van het contact en over de verdere opbouw van de zorg- en contactregeling bij [gezinstherapeut] wordt belegd. De vrouw vindt het belangrijk dat de mening van [minderjarige] hierbij het uitgangspunt zal zijn. Het opleggen van een dwangsom vindt de vrouw niet in het belang van [minderjarige] .
4.6.
[minderjarige] is inmiddels ingeschreven bij het [middelbare school] in [plaats 1] . De man heeft dan ook geen belang meer bij zijn verzoek tot vervangende toestemming. De vrouw vindt wel dat de mogelijkheid moet blijven openstaan voor [minderjarige] dat als er een plek vrijkomt, om alsnog de overstap te maken naar een door haar gekozen school in [plaats 2] .
4.7.
De vrouw stelt dat zij voornemens was om dit jaar samen met [minderjarige] naar de Verenigde Staten te gaan, maar dat zij haar plannen heeft gewijzigd vanwege het ontbreken van de toestemming van de man. De vrouw wil tijdens de aankomende zomervakantie graag samen met [minderjarige] naar Frankrijk. Daarnaast is aan [minderjarige] de mogelijkheid geboden om samen met haar tantes (vaderszijde) op vakantie te gaan naar Spanje. Een van deze tantes is de zus van de man. [minderjarige] heeft goed contact met hen en de vrouw vindt het leuk voor haar dat haar deze vakantiemogelijkheid wordt geboden. Omdat de man tot aan de zitting zijn toestemming daarvoor niet heeft gegeven, verzoekt de vrouw om haar voor beide vakanties vervangende toestemming te verlenen.
4.8.
De vrouw stelt tot slot dat [minderjarige] onder behandeling is (geweest) bij de orthodontist en dat zij in verband daarmee noodzakelijke kosten heeft gemaakt. De man heeft ingestemd met deze behandeling, maar hij weigert om bij te dragen in de gemaakte kosten. De vrouw wijst erop dat partijen in het ouderschapsplan zijn overeengekomen dat zij dergelijke kosten evenredig verdelen. De vrouw verzoekt daarom, met een beroep op de van toepassing zijnde bepaling in het door partijen overeengekomen ouderschapsplan (zoals neergelegd in bijlage 2 bij het ouderschapsplan), te bepalen dat de man gehouden is om de helft van de kosten voor zijn rekening te nemen, te weten € 552,25.
De mening van [minderjarige]
4.9.
[minderjarige] heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. [minderjarige] weet eigenlijk niet waarom zij geen contact meer heeft met haar vader. Het contact is uit het niets verbroken. Op dit moment wil [minderjarige] haar vader liever niet zien. Zij vindt het goed zoals het nu is. Bovendien zou zij het spannend en heel eng vinden om weer contact met haar vader te hebben.
Het advies van de Raad
4.10.
De Raad vindt de strijd die de ouders tegen elkaar voeren, die al zeer lang duurt, erg zorgelijk voor de verdere ontwikkeling van [minderjarige] . Allerlei negatieve patronen en trauma’s worden boven het hoofd van [minderjarige] uitgevochten. De Raad vindt het daarnaast opvallend dat partijen naar elkaar blijven wijzen. [minderjarige] zal hier waarschijnlijk haar hele leven last van houden. De Raad zal binnenkort starten met een beschermingsonderzoek, maar het is al wel duidelijk dat een ondertoezichtstelling niets zal veranderen zo lang het partijen niet zal lukken om over hun eigen schaduw heen te stappen en het belang van [minderjarige] voorop te (blijven) stellen. De oplossing ligt volgens de Raad dan ook niet alleen bij (het inzetten van hulpverlening voor) [minderjarige] , maar vooral bij partijen zelf. Het is aan partijen om het tij te keren. De Raad zou het beschermingsonderzoek kunnen uitbreiden in die zin dat hij ook een onderzoek zal verrichten naar de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Echter, de uitkomst daarvan zal waarschijnlijk zijn dat – in het geval de Raad een verzoek tot ondertoezichtstelling zal indienen – hij zal adviseren om de definitieve beslissing over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aan te houden in afwachting van het verloop en het resultaat van die maatregel. Deze beslissing zal de positie van de GI erg ingewikkeld maken. De Raad adviseert daarom nu om een beslissing te nemen en duidelijke kaders te scheppen. De Raad ziet geen aanleiding om de zorg- en contactregeling te schorsen. Dit zou het signaal afgeven aan [minderjarige] dat het hebben van contact met haar vader niet goed is. Daar tegenover staat dat het niet in het belang van [minderjarige] is om het contact(herstel) te forceren. [minderjarige] heeft namelijk uit eigenbelang een keuze gemaakt tussen haar ouders. Het forceren van contact(herstel) zal in dit geval naar verwachting alleen maar averechts uitpakken. De Raad ziet op dit moment als meest laagdrempelige optie om te komen tot contact(herstel) dat het traject bij [gezinstherapeut] opnieuw zal worden opgestart.
5De beoordeling door de rechtbank
In de zaak C/02/449731 / FA RK 26-3304 (provisionele verzoeken)
5.1.
Op grond van artikel 223 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering.
5.2.
In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van
artikel 223 Rv worden verzocht (HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).
5.3.
De rechtbank overweegt vervolgens dat voor toewijzing van een verzoek in het kader van artikel 223 Rv slechts plaats is, indien er naar het oordeel van de rechtbank voldoende (spoedeisend) belang bestaat, in die zin dat van partijen niet gevergd kan worden dat zij de afloop van de hoofdzaak afwachten. Daarnaast dient de rechtbank de belangen van partijen af te wegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin.
5.4.
De rechtbank overweegt dat de man in de bodemzaak en bij wijze van voorlopige voorziening (provisioneel verzoek) precies dezelfde, gelijkluidende verzoeken heeft geformuleerd. Daarmee hebben de provisionele verzoeken, naar het oordeel van de rechtbank, naar hun aard en vooral met het oog op de wijze waarop deze zijn geformuleerd, een definitief karakter. Zo wordt in het petitum van het verzoekschrift niet verzocht om een voorlopige regeling te bepalen. Daarnaast is per afzonderlijk verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet gesteld dat de man een voldoende (spoedeisend) belang bij zijn verzoeken heeft. De rechtbank zal de verzoeken van de man tot het treffen van een voorlopige voorziening daarom afwijzen.
In de zaak C/02/447384 / FA RK 26-2068 (bodemzaak):
5.5.
Op grond van artikel 1:253a, lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen die te maken hebben met de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van (een van) de ouders aan de rechtbank worden voorgelegd.
5.6.
Uit lid 2 van voornoemd artikel volgt dat de rechtbank op verzoek van (een van) de ouders een regeling kan vaststellen over de uitoefening van het gezag. Dit kan op grond van sub a een regeling zijn over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders over hun kind.
5.7.
Uit lid 4 van voornoemd artikel is artikel 1:377e BW van overeenkomstige toepassing. In dat artikel staat dat een omgangsregeling die door de rechtbank is bepaald of door de ouders is afgesproken, kan worden veranderd. Dat kan als de omstandigheden zijn veranderd na de beslissing van de rechtbank of na de afspraken van de ouders. Dit kan ook als bij de beslissing van de rechtbank van verkeerde of onvolledige gegevens is uitgegaan.
5.8.
Op grond van artikel 1:253a, lid 1 BW kan de rechtbank ook vervangende toestemming verlenen aan een ouder voor het nemen van gezagsbeslissingen over hun kind die, in geval van gezamenlijk gezag, door de beide gezagdragende ouders gezamenlijk genomen moeten worden, zoals voor de schoolkeuze of voor een buitenlandse vakantie(reis).
5.9.
De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
5.10.
De rechtbank overweegt dat zij bij beschikking van 8 maart 2023 de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen over [minderjarige] heeft verdeeld op basis van co-ouderschap. Deze verdeling is bekrachtigd door het gerechtshof in hoger beroep. Gebleken is dat partijen sinds augustus 2024 geen uitvoering meer geven aan deze verdeling op basis van co-ouderschap en dat de man en [minderjarige] sinds januari van dit jaar geen contact meer met elkaar hebben gehad. In die zin is er, naar het oordeel van de rechtbank, nu sprake van een relevante wijziging van omstandigheden vergeleken met de situatie ten tijde van voormelde beschikkingen van de rechtbank (en het gerechtshof) die een wijziging van de verdeling op basis van co-ouderschap kan rechtvaardigen. Dit betekent dat beide partijen kunnen worden ontvangen in hun verzoeken tot nakoming, wijziging dan wel schorsing van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. De rechtbank zal deze verzoeken daarom hierna inhoudelijk beoordelen en vervolgens daarop beslissen.
5.11.
Er is al gedurende een half jaar geen sprake geweest van contact tussen de man en [minderjarige] . De rechtbank acht het daarom in het belang van [minderjarige] noodzakelijk, voordat er sprake kan zijn van contact(herstel) tussen [minderjarige] en de man, dat [minderjarige] op een goede manier daarop zal worden voorbereid door professionele begeleiding. Aangezien [gezinstherapeut] tot het begin van dit jaar betrokken is geweest bij partijen en [minderjarige] en om te voorkomen dat [minderjarige] voortdurend met andere hulpverleners te maken krijgt, zou het voor [minderjarige] het meest wenselijk zijn als [gezinstherapeut] daar nog iets in zou kunnen betekenen. De rechtbank gaat ervan uit dat beide partijen als gezaghebbende ouders dit samen kunnen en zullen regelen voor haar. Na bijvoorbeeld één of meerdere gesprekken tussen [gezinstherapeut] en [minderjarige] , waarbij [minderjarige] op een goede en verantwoorde manier wordt voorbereid op het contact(herstel) met de man, acht de rechtbank een stapsgewijs opbouwende zorg- en contactregeling op basis waarvan zij eerst een aantal keer gedurende een dag in het weekend en vervolgens eenmaal per twee weken in het weekend van vrijdag uit school tot maandag naar school contact met elkaar zullen hebben. Aangezien partijen al ruim twee jaren geen uitvoering geven aan een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken op basis van co-ouderschap, de man en [minderjarige] sinds januari van dit jaar geen contact meer met elkaar hebben gehad en vooral omdat [minderjarige] zelf aangeeft dat zij op dit moment geen contact met de man wil hebben, acht de rechtbank het op dit moment niet in het belang van [minderjarige] om terug te werken naar de verdeling op basis van co-ouderschap. De rechtbank twijfelt namelijk aan de haalbaarheid daarvan voor [minderjarige] . Wanneer het contact tussen de man en [minderjarige] eenmaal is hersteld, moet voorkomen worden dat het contact opnieuw zal worden verbroken, met als gevolg dat [minderjarige] opnieuw wordt geconfronteerd met onduidelijkheid en teleurstelling. De rechtbank kiest daarom voor een regeling die voor alle partijen haalbaar lijkt te zijn. De huidige verdeling van de vakanties en feestdagen blijft onveranderd en dus nog steeds van kracht, met dien verstande dat het contact tussen de man en [minderjarige] eerst op een goede en verantwoorde manier (stapsgewijs) zal worden hersteld, zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank wel dat de aanstaande zomervakantie te vroeg komt om de vakantieregeling al te hervatten.
5.12.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het primaire verzoek van de man tot nakoming van de bestaande verdeling van de zorg- en opvoedingstaken op basis van co-ouderschap afwijzen. De rechtbank zal het subsidiaire verzoek van de man toewijzen, in die zin dat zij zal bepalen, onder wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 8 maart 2023 (en de beschikking in hoger beroep van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 22 februari 2024), dat de man en [minderjarige] eenmaal per twee weken in het weekend van vrijdag uit school tot maandag naar school het recht hebben op contact met elkaar, met dien verstande dat [minderjarige] eerst op een goede manier dient te worden voorbereid op het contactherstel door bij voorkeur [gezinstherapeut] of een soortgelijke instantie, waarna deze regeling stapsgewijs zal worden opgebouwd tot voormelde tweewekelijkse weekendregeling. De contacten starten dan als [gezinstherapeut] aangeeft dat zij [minderjarige] hier zo goed als mogelijk op hebben voorbereid, al dan niet na een gezamenlijk gesprek met [minderjarige] en de man. De opbouw bepaalt de rechtbank als volgt:
eerst drie maal één keer per veertien dagen een zaterdag of zondag van 10:00 uur tot 19:00 uur;
dan drie maal één keer per veertien dagen van zaterdag 10:00 uur tot en met zondag 19:00 uur;
vervolgens telkens één keer per veertien dagen van vrijdag uit school tot maandag naar school, of als er geen school is; van vrijdag 16:00 uur tot maandag 10:00 uur.
Het zelfstandige verzoek van de vrouw tot schorsing van de bestaande zorg- en contactregeling zal worden afgewezen.
5.13.
De rechtbank ziet dus geen aanleiding om de Raad te verzoeken om een onderzoek te verrichten naar welke verdeling van de zorg- en contactregeling tussen partijen over [minderjarige] het meest tegemoetkomt aan de belangen van [minderjarige] , omdat de zorgen die er zijn voornamelijk zien op de al jarenlang voortdurende strijd tussen partijen en er op zichzelf geen zorgen zijn over het contact tussen de man en [minderjarige] . De rechtbank zal het zelfstandige verzoek van de vrouw om een raadsonderzoek te gelasten daarom afwijzen.
Dwangsom
5.14.
De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding om de vrouw te veroordelen tot nakoming van de te bepalen zorg- en contactregeling tussen de man en [minderjarige] op straffe van een dwangsom, omdat de rechtbank op basis van de haar beschikbare informatie niet duidelijk kan vaststellen dat het (volledig) aan de vrouw te wijten is dat er sinds begin van dit jaar geen sprake is geweest van contact tussen de man en [minderjarige] . Een belangrijke reden waardoor er op dit moment geen sprake is van contact, is namelijk ook dat [minderjarige] , die inmiddels twaalf jaar oud is, heeft aangegeven dat zij vooralsnog geen contact wil hebben met de man. Het verzoek van de man tot het opleggen van een dwangsom zal de rechtbank daarom afwijzen.
Vervangende toestemming inschrijving school
5.15.
[minderjarige] is uitgeloot voor twee middelbare scholen in [plaats 2] . Inmiddels is zij ingeschreven bij het [middelbare school] in [plaats 1] . Dit betekent dat de man geen belang meer heeft bij zijn verzoek tot vervangende toestemming om [minderjarige] op die school in te schrijven. De rechtbank zal dit verzoek daarom afwijzen.
5.16.
De vrouw heeft aangegeven dat zij van mening is, als er alsnog een plekje vrij zou komen op een van de scholen in [plaats 2] waar [minderjarige] graag naar toe wil, dat [minderjarige] de mogelijkheid moet krijgen om alsnog naar die school toe te gaan. De rechtbank is van oordeel dat de mening van een meisje van twaalf jaar oud zoals [minderjarige] bij de keuze van de middelbare school waar zij in de komende jaren naartoe zal gaan, in beginsel gevolgd moet worden. Er liggen echter geen verzoeken voor op dat punt, zodat daarover geen beslissing kan worden genomen.
Vervangende toestemming vakantie Frankrijk
5.17.
De man heeft tijdens de zitting aangegeven dat hij zijn toestemming verleent voor de voorgenomen vakantie(reis) van de vrouw samen met [minderjarige] naar Frankrijk. Tijdens een korte schorsing van de zitting heeft de man het daarvoor bestemde toestemmingsformulier ingevuld. Naast voormeld toestemmingsformulier heeft de vrouw nog een kopie van het ID-bewijs van de man nodig. De rechtbank gaat ervan uit dat de man zijn toezegging dat hij deze kopie zo spoedig als mogelijk aan de vrouw zal geven, zal nakomen.
5.18.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de vrouw geen belang meer heeft bij haar zelfstandige verzoek tot vervangende toestemming voor de voorgenomen vakantie(reis) samen met [minderjarige] naar Frankrijk. De rechtbank zal dit verzoek daarom afwijzen.
Vervangende toestemming vakantie Spanje
5.19.
De man kan niet instemmen met de voorgenomen vakantie(reis) van [minderjarige] samen met haar tantes (onder wie de zus van de vader) naar Spanje. Nu partijen hierover geen overeenstemming hebben bereikt, kan deze kwestie aan de rechtbank worden voorgelegd op grond van artikel 1:253a BW.
5.20.
De rechtbank overweegt dat de voorgenomen vakantie(reis) van [minderjarige] naar Spanje is gepland in een periode die volgens de afspraken die partijen zelf hebben gemaakt en die zij hebben neergelegd in het ouderschapsplan, aan de man toekomt. Daarnaast zal [minderjarige] op vakantie gaan samen met haar tantes vaderszijde, onder wie een zus van de man die op dit moment geen contact heeft met de man en met de rest van zijn familie. De keuze van de vrouw om [minderjarige] in een week die aan de man is toebedeeld met anderen op vakantie te laten gaan, met als motivatie dat er inmiddels gedurende een half jaar geen sprake is van contact tussen de man en [minderjarige] én de keuze van de vrouw om [minderjarige] uitgerekend met de zus van de man mee te laten gaan terwijl zij momenteel geen contact heeft met de man en met de rest van zijn familie, is naar het oordeel van de rechtbank niet constructief in het licht van de alsmaar voortdurende ouderstrijd. Om die redenen vindt de rechtbank de voorgenomen vakantie(reis) van [minderjarige] samen met haar tantes vaderszijde naar Spanje niet in haar belang. De rechtbank zal het zelfstandige verzoek van de vrouw tot vervangende toestemming voor de voorgenomen vakantie(reis) van [minderjarige] naar Spanje daarom afwijzen.
5.21.
De rechtbank kan begrijpen dat met name [minderjarige] teleurgesteld zal zijn door deze beslissing. De rechtbank benadrukt daarom het belang dat de vrouw deze beslissing (al dan niet met behulp van [gezinstherapeut] ) zo goed als mogelijk aan [minderjarige] zal uitleggen en dat zij in ieder geval niet de man hiervan de schuld zal geven. Zeker nu de man wel heeft ingestemd met de voorgenomen vakantie(reis) van de vrouw samen met [minderjarige] naar Frankrijk.
Kosten orthodontist
5.22.
Gebleken is dat [minderjarige] een noodzakelijk geachte behandeling heeft ondergaan bij de orthodontist. De rechtbank neemt als onweersproken aan dat de man met die behandeling heeft ingestemd. De rechtbank overweegt dat partijen in bijlage 2 behorende bij het door hen beiden ondertekende ouderschapsplan zijn overeengekomen dat noodzakelijke, bijzondere kosten voor [minderjarige] in overleg evenredig tussen hen worden verdeeld. Gelet op deze partijafspraak vindt de rechtbank het redelijk dat de man de helft van de kosten van de orthodontist voor zijn rekening zal nemen. De rechtbank zal daarbij als onweersproken aannemen dat de vrouw de volledige kosten reeds heeft voldaan en dat de helft van deze kosten € 552,25 bedraagt. De rechtbank zal het zelfstandige verzoek van de vrouw daarom toewijzen en bepalen dat de man gehouden is om een bedrag van € 552,25 bij te dragen. De rechtbank zal daarbij bepalen dat de man dit bedrag binnen een maand na de datum van deze beschikking aan de vrouw dient te voldoen. De rechtbank zal de man dus een iets ruimere termijn gunnen dan is verzocht.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.23.
De rechtbank zal de beslissing over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, gelet op het karakter daarvan en het belang dat hierover duidelijkheid bestaat, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de man. Dit betekent dat deze beslissing per direct van kracht is en moet worden uitgevoerd, ook als daartegen een hoger beroep wordt ingesteld. De rechtbank ziet in hetgeen door en namens de vrouw naar voren is gebracht geen aanleiding om de beslissing over de kosten van de orthodontist uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Het daartoe strekkende verzoek zal daarom worden afgewezen.
Verdeling proceskosten
5.24.
Gelet op het familierechtelijke karakter van deze procedure zal de rechtbank de kosten van partijen in deze procedure tussen hen verdelen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Brief aan [minderjarige]
5.25.
In het gesprek met de rechter heeft [minderjarige] aangegeven dat ze de beslissing graag via haar moeder te weten wilde komen. Toch ziet de rechtbank aanleiding om [minderjarige] een brief te schrijven, omdat er beslissingen zijn genomen die zij misschien moeilijk vindt om te horen. De rechtbank vindt het belangrijk om dit zo goed mogelijk aan [minderjarige] uit te leggen. Hierna is de tekst van de brief te lezen die aan [minderjarige] gestuurd wordt.
Beste [minderjarige] ,
Op 16 juni hebben wij via Teams met elkaar gepraat. Ik vond het leuk om met jou gepraat te hebben. Ik hoop ook dat je een heel leuk schoolkamp hebt gehad! Je vertelde op het laatst dat je graag via je moeder wilde horen wat de beslissing is geworden. Toch stuur ik je nu een brief. Ik doe dat, omdat ik je graag wil uitleggen waarom ik deze beslissing heb genomen. Ook omdat ik dingen heb beslist die anders zijn dan wat jij aan mij had verteld.
Je hebt namelijk aan mij verteld dat je je vader nu niet wilt zien. Toch heb ik beslist dat dat wel weer gaat gebeuren. Ik vind het namelijk belangrijk dat je contact hebt met je vader. Wel vind ik het ook belangrijk dat je je daar eerst op kunt voorbereiden, het liefst met de hulp van [persoon 1] en [persoon 2] . Daarna zou het dan moeten worden opgebouwd, waarbij je eerst eens een dag in het weekend naar papa toe gaat. Dat is dan één keer per twee weken, op zaterdag of zondag, van 10:00 uur ’s ochtends tot 19:00 uur ‘s avonds. Als dat dan drie keer is gebeurd, blijf je slapen van zaterdag tot zondag en ga je pas na het eten op zondag naar mama toe. Ook dat is één keer per twee weken. Als dat dan weer drie keer is gebeurd, ga je één keer per twee weken van vrijdag uit school tot maandag naar school naar papa toe. Zo blijft het dan ook. De vakanties worden dan weer zoals ze vroeger waren afgesproken. Ik denk dat op deze manier je wel goed contact kunt hebben met je moeder én je vader en dat het je meer rust zal geven.
Je had mij verteld dat je het stom vindt als er niet naar je geluisterd wordt. Je hebt mij heel goed uitgelegd wat jij vindt en ik heb goed, maar ik moet uiteindelijk beslissen wat ik het beste vind. En dat is dit.
Je had me ook verteld over de vakantie met je tantes in Spanje. Ik geef geen toestemming voor die vakantie. Het is namelijk in de tijd die eigenlijk voor papa bedoeld is, ookal heb je nu geen contact met papa. Ook is het met de zus van papa, waar papa geen contact mee heeft. Ik zou het van mijzelf niet eerlijk en netjes vinden naar je vader toe, als ik daar toestemming voor zou geven. Dat zal heel erg balen zijn voor jou, want je had je verheugd op die vakantie. Je gaat natuurlijk wel gewoon op vakantie met je moeder naar Frankrijk.
Ik hoop dat ik het je goed heb uitgelegd in deze brief. Als je nog vragen hebt, kun je die vast aan [persoon 1] of [persoon 2] stellen, en hun dan deze brief laten lezen. Een hele fijne vakantie gewenst en heel veel plezier en succes op de middelbare school volgend jaar!
Groetjes,
Tempel
De Rechter
5.26.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6De beslissing
De rechtbank:
In de zaak C/02/449731 / FA RK 26-3304:
6.1.
wijst de verzoeken van de man tot het treffen van een voorlopige voorziening af;
In de zaak C/02/447384 / FA RK 26-2068:
6.2.
wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 8 maart 2023 (en de beschikking in hoger beroep van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 22 februari 2024) voor zover het de reguliere verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen over [minderjarige] betreft;
6.3.
bepaalt in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen over [minderjarige] , dat de man en [minderjarige] eenmaal per twee weken in het weekend van vrijdag uit school tot maandag naar school het recht hebben op contact met elkaar, met dien verstande dat [minderjarige] eerst op een goede manier dient te worden voorbereid op het contactherstel door bij voorkeur [gezinstherapeut] of een soortgelijke instantie, waarna deze regeling stapsgewijs zal worden opgebouwd tot voormelde tweewekelijkse weekendregeling, met inachtneming van hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 5.11 en 5.12 is overwogen;
6.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
bepaalt dat man gehouden is om een bedrag van € 552,25 bij te dragen in de kosten van de orthodontist ten behoeve van [minderjarige] , welk bedrag hij binnen een maand na de datum van deze beschikking aan de vrouw dient te voldoen;
6.6.
verdeelt de kosten van partijen in deze procedure tussen hen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.7.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026 door mr. Tempel, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. Wallerbos als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.