Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7778

2026-07-17 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/446041 FA RK 26-1330 (voorlopige voorziening)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-17
Publicatiedatum
2026-08-17
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/446041 FA RK 26-1330 (voorlopige voorziening)
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verder onderzoek raad naar passende zorgregeling na verhuizing vader.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (21.818 tekens)
beschikking




RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT




Team Familie- en Jeugdrecht



Zittingsplaats: Breda



Zaaknummers: C/02/446041 FA RK 26-1330 (voorlopige voorziening)
C/02/446042 FA RK 26-1331 (bodemprocedure)



datum uitspraak: 17 juli 2026




beschikking betreffende wijziging zorgregeling


in de zaak van





[de vrouw] ,

hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. A.M. van Uitert in Waalwijk,



tegen





[de man] ,

hierna: de man,
wonende in [woonplaats 2] ,



over de minderjarigen:

- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2016, hierna: [minderjarige 1] en

- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2018, hierna [minderjarige 2] .


Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.






1Het procesverloop

1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:
- de op 11 maart 2026 ontvangen verzoeken met producties 1 tot en met 7;
- het op 20 april 2026 ontvangen F9 formulier van mr. Uitert.



1.2
Het verzoek om een voorlopige voorziening en het verzoek in de bodemprocedure zijn tijdens de zitting van 3 juli 2026 behandeld. Bij die behandeling waren aanwezig de vrouw bijgestaan door haar advocaat en de man. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad.



1.3


[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben de mogelijkheid gekregen om te zeggen wat zij van de verzoeken vinden. [minderjarige 2] heeft daar geen gebruik van gemaakt.

[minderjarige 1] heeft een brief aan de rechtbank gestuurd. [minderjarige 1] heeft de rechtbank verzocht de inhoud van deze brief niet ter zitting te bespreken. De rechtbank zal dit verzoek respecteren en de inhoud van de brief daarom niet ter zitting aan de orde stellen.






2De feiten


2.1
Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.



2.2

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de vrouw.



2.3

De man heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend en partijen hebben samen het gezag over [minderjarige 1]
en [minderjarige 2] .




2.4

Bij beschikking van 4 februari 2025 heeft deze rechtbank onder andere beslist dat
de man en de kinderen gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:

- in de oneven weken van donderdagmiddag tot en met zondag. In de even weken op
maandagochtend en van woensdagmiddag tot en met donderdagochtend;
- gedurende schoolperioden zullen de kinderen door de ouder bij wie ze verblijven om


08.30

uur naar school worden gebracht en als er sprake is van een wisseldag zal de
andere ouder de minderjarigen om 15.30 uur van school halen en op woensdag om



12.30

uur;
- verder zijn belmomenten bepaald tijdens de reguliere zorgregeling en tijdens
vakanties, en is een zorgregeling tijdens vakanties en enkele bijzondere dagen
vastgelegd.






3De verzoeken


3.1
De vrouw verzoekt bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen:



In de zaak met zaaknummer C/02/446041 FA RK 26-1330 (voorlopige voorziening)





3.2

Dat de man en de minderjarigen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , in afwijking van de beschikking van 4 februari 2025 van uw rechtbank voorlopig in het kader van de verdeling van de zorg- en
opvoedingstaken gerechtigd zijn tot contact met elkaar:

- in de oneven weken van vrijdag na de sport (of na school als er geen sportactiviteit
is) tot zondag 18.30 uur,
- in de even weken op woensdag na school (12.30 uur) tot na de hockeytraining (of tot


18.30

uur als er geen hockeytraining is);
- de belmomenten en de zorgregeling tijdens vakanties en enkele bijzondere dagen
worden gehandhaafd conform de beschikking van 4 februari 2025.




In de zaak met zaaknummer C/02/446042 FA RK 26-1331 (bodemprocedure)





3.3
De bij beschikking d.d. 4 februari 2025 van uw rechtbank vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen en te bepalen dat de man en de minderjarigen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , gerechtigd zijn tot contact met elkaar:
- in de oneven weken van vrijdag na de sport (of na school als er geen sportactiviteit
is) tot zondag 18.30 uur;
- in de even weken op woensdag na school (12.30 uur) tot na de hockeytraining (of tot


18.30

uur als er geen hockeytraining is);
- de belmomenten en de zorgregeling tijdens vakanties en enkele bijzondere dagen
worden gehandhaafd conform de beschikking van 4 februari 2025;
dan wel een wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te bepalen, die uw
rechtbank in goede justitie juist en in het belang van de minderjarigen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , acht.




3.4
Ter zitting heeft de vrouw haar verzoek tot het treffen van een provisionele voorziening gewijzigd, in die zin dat zij dit verzoek voorwaardelijk handhaaft.



3.5
De man is het niet eens met de verzoeken van de vrouw en voert verweer.





4De standpunten


4.1
Door en namens de vrouw is in aanvulling op de schriftelijke processtukken, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Er is sprake van een relevante wijziging van omstandigheden die aanpassing van de zorgregeling rechtvaardigt. De man is zonder voorafgaand overleg met de vrouw verhuisd van [woonplaats 1] naar [woonplaats 2] , terwijl de bestaande zorgregeling is gebaseerd op de geografische nabijheid van de ouders. Door de verhuizing is de regeling volgens de vrouw praktisch niet meer goed uitvoerbaar. De vrouw stelt dat de verhuizing een aanzienlijke impact heeft op het dagelijks leven van de kinderen. Zij zijn geworteld in [woonplaats 1] , waar zij naar school gaan, sporten en hun sociale contacten hebben. De extra reistijd, mede als gevolg van verkeersdrukte, leidt ertoe dat de kinderen vermoeid zijn en minder rust ervaren. Volgens de vrouw brengt de man met de kinderen regelmatig in horecagelegenheden door om de tijd te overbruggen. Daarnaast hebben de kinderen minder gelegenheid om met vriendjes en vriendinnetjes af te spreken. Volgens de vrouw ondervindt met name [minderjarige 1] hinder van de verhuizing. Zij piekert veel en ervaart stress doordat zij bang is te laat te komen op school en sport of dat ze problemen krijgt wanneer zij iets vergeet en daardoor moet terugrijden. Ook met het oog op de toekomst vindt de vrouw een wijziging van de zorgregeling noodzakelijk. Over twee jaar zal [minderjarige 1] naar de middelbare school gaan. Op de dagen dat zij bij de man verblijft, kan zij vanwege de afstand niet zelfstandig met de fiets naar school of naar de stad. Verder voert de vrouw aan dat de woonsituatie van de man niet passend is voor de huidige zorgregeling. De man woont in een studio, waarbij [minderjarige 2] samen met de man in een bed slaapt en [minderjarige 1] op een matras op de grond. Volgens de vrouw ontbreekt het de kinderen daardoor aan voldoende privacy. Ten aanzien van het door de Raad geadviseerde aanvullende onderzoek heeft de vrouw bezwaar gemaakt. Een dergelijk onderzoek zal veel tijd vergen en is belastend voor de kinderen, temeer nu op korte termijn al een traject voor psychologische hulpverlening voor hen zal starten.



4.2

Door de man is – samengevat – aangevoerd dat geen sprake is van een wijziging van omstandigheden die aanpassing van de zorgregeling rechtvaardigt. De man geeft aan dat hij na de beëindiging van de relatie noodgedwongen een appartement aan een drukke weg in [woonplaats 1] heeft geaccepteerd. Het was altijd de bedoeling dat deze woonsituatie tijdelijk zou zijn. Omdat hij zich daar eenzaam voelde en de kinderen een groene en rustige leefomgeving wilde bieden, is hij op zoek gegaan naar een andere woning. Het vinden van een passende woonruimte heeft geruime tijd geduurd, waarna hij uiteindelijk een woning heeft gevonden in [woonplaats 2] . Daar beschikken de kinderen over veel meer buitenruimte en hebben zij leeftijdsgenootjes en huisdieren in de directe omgeving. De man erkent dat hij de verhuizing niet vooraf met de vrouw heeft besproken. Volgens hem was de communicatie tussen partijen gedurende de scheiding en ook daarna echter zeer moeizaam. Voorafgaand overleg over de verhuizing zou uitsluitend tot meer conflicten hebben geleid, hetgeen niet in het belang van de kinderen was. Bovendien is volgens de man de impact van de verhuizing op de kinderen beperkt.
De reistijd naar school is weliswaar toegenomen, maar dit gaat om ongeveer 15 minuten extra. Dat de kinderen ter overbrugging van de tijd tussen school en hun sportactiviteiten geregeld in een horecagelegenheid verblijven, was volgens hem ook al het geval toen hij nog in [woonplaats 1] woonde. De man was toen ook niet in de gelegenheid om in de tussentijd op en neer naar zijn appartement te gaan. De kinderen moesten aanvankelijk wennen aan de verhuizing, maar doordat hij hen daarbij heeft betrokken, hebben zij inmiddels hun draai gevonden. Ook de sociale contacten kunnen plaatsvinden, er zijn al vriendinnen van de kinderen bij hem thuis geweest in [woonplaats 2] en met name op de woensdagen biedt hij de kinderen de gelegenheid om af te spreken en brengt en haalt hij hen indien nodig. Dat [minderjarige 1] een hockeytraining zou hebben gemist had te maken omdat [minderjarige 1] ziek was en dat de kinderen een keer te laat op school kwamen, was eenmalig. De man erkent dat [minderjarige 1] zich meer zorgen maakt dan [minderjarige 2] , maar meent dat dit deels te maken heeft met haar karakter en deels wordt veroorzaakt door de opstelling van de vrouw. Volgens de man ervaart ook [minderjarige 1] inmiddels dat de gevolgen van de verhuizing meevallen. Ten aanzien van de woonsituatie voert de man aan dat hij voornemens is de woning zodanig aan te passen dat beide kinderen over een eigen slaapkamer kunnen beschikken. Daarnaast sluit hij niet uit dat hij in de toekomst terug zal verhuizen naar (de directe omgeving van) [woonplaats 1] , maar op dit moment heeft hij geen passende woning kunnen vinden. Ook is het verkrijgen van een hypotheek, gelet op zijn werkzaamheden als zelfstandig ondernemer, nog niet mogelijk. Ten aanzien van een onderzoek door de Raad geeft de man aan hier dubbel in te staan. Enerzijds vindt hij een dergelijk onderzoek belastend voor de kinderen, maar anderzijds vindt hij het van belang inzicht te krijgen in hoe de kinderen de verhuizing en de huidige zorgregeling daadwerkelijk ervaren.




4.3
De Raad heeft ter zitting – samengevat – naar voren gebracht dat de huidige situatie veel overeenkomsten vertoont met de situatie die ongeveer drie jaar geleden onderwerp van onderzoek is geweest. Volgens de Raad hebben beide ouders een verschillende visie op de behoeften van de kinderen en de wijze waarop de zorgregeling moet worden vormgegeven. Daarbij is het zorgelijk dat partijen onvoldoende met elkaar kunnen communiceren en samenwerken. De Raad vindt het van erg belangrijk dat de ouders hierin verbetering aanbrengen, omdat in de toekomst nog veel beslissingen over de kinderen moeten worden genomen en het is in hun belang dat zij zo min mogelijk worden belast met de gevolgen van de scheiding. De Raad heeft verder aangegeven dat het op basis van de nu beschikbare informatie moeilijk is een inhoudelijk advies te geven, nu de mening van de kinderen onvoldoende bekend is. De Raad adviseert de rechtbank daarom een aanvullend onderzoek te gelasten, waarbij wordt onderzocht welke zorgregeling het meest in het belang van de kinderen is en welke het beste aansluit bij hun behoefte.





5De beoordeling



In de zaak met zaaknummer C/02/446042 FA RK 26-1331 (bodemprocedure)




5.1.
Het verzoek is gebaseerd op artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW). De rechter kan op grond van artikel 1:377e BW een eerdere beslissing of tussen partijen overeengekomen regeling wijzigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. Ook kan de rechtbank op grond van artikel 1:377a derde lid BW een tijdelijk verbod aan een ouder opleggen om met het kind contact te hebben. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.



5.2.

De rechtbank is van oordeel dat zij op dit moment onvoldoende voorgelicht is om een definitieve beslissing te kunnen nemen op het verzoek van de vrouw.
Partijen verschillen fundamenteel van mening over de gevolgen van de verhuizing van de man van [woonplaats 1] naar [woonplaats 2] voor de kinderen en de uitvoerbaarheid van de huidige zorgregeling. De vrouw stelt dat de verhuizing leidt tot stress, vermoeidheid en onrust bij de kinderen en dat wijziging van de zorgregeling daarom noodzakelijk is. De man heeft deze stellingen gemotiveerd weersproken en aangevoerd dat de kinderen inmiddels aan de nieuwe situatie zijn gewend en de gevolgen van de verhuizing beperkt zijn.




5.3.

Op basis van de stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht, kan de rechtbank onvoldoende vaststellen hoe de kinderen de huidige zorgregeling en de verhuizing daadwerkelijk ervaren, in hoeverre de verhuizing gevolgen heeft voor hun welzijn en voor de uitvoerbaarheid van de zorgregeling. De rechtbank vindt zich daarom onvoldoende geïnformeerd om nu een beslissing te nemen die recht doet aan de belangen van de kinderen. De rechtbank zal de Raad daarom verzoeken een (aanvullend) onderzoek te verrichten en de rechtbank te adviseren over de volgende vraag:
- hoe dient de zorgregeling, wat betreft aard, duur, frequentie en verdere invulling te worden vormgegeven, gelet op de belangen en behoeften van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ?




5.4.
In afwachting van het rapport en advies van de Raad zal de rechtbank de behandeling van het verzoek in de bodemprocedure aanhouden tot de hierna te noemen pro forma datum.



5.5
De rechtbank merkt daarbij nog op dat haar tijdens de zitting is gebleken dat de communicatie en samenwerking tussen de ouders ernstig is verstoord. Partijen lijken ieder vanuit hun eigen perspectief naar de situatie te kijken en zijn daarbij vooral gericht op waar de andere ouder volgens hen tekortschiet. Hierdoor verliezen zij uit het oog welk effect deze voortdurende strijd, direct dan wel indirect, al jaren op de kinderen heeft. De rechtbank vindt het zorgelijk dat partijen zich onvoldoende rekenschap lijken te geven van hun eigen aandeel in die ontstane situatie en de invloed die hun onderlinge dynamiek heeft op het welzijn van de kinderen. Juist nu de ouders nog jarenlang gezamenlijk beslissingen over hun jonge kinderen zullen moeten nemen, vindt de rechtbank het van groot belang dat zij zich meer richten op de behoeften van de kinderen en minder op het handelen van de andere ouder. Het is namelijk van groot belang dat de kinderen niet belast worden met het conflict tussen hun ouders.



In de zaak met zaaknummer C/02/446041 FA RK 26-1330 (voorlopige voorziening)





5.6
De vrouw heeft ter zitting aanvankelijk haar verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingetrokken, nu de bodemprocedure gelijktijdig werd behandeld. Vervolgens heeft zij verzocht haar provisionele verzoek als voorwaardelijk te beschouwen, in die zin dat zij dit verzoek handhaaft indien de behandeling van de bodemzaak wordt aangehouden in afwachting van een onderzoek door de Raad. Nu de rechtbank hiervoor heeft overwogen dat een onderzoek door de Raad zal worden gelast en de behandeling van de bodemprocedure zal worden aangehouden, is aan de door de vrouw gestelde voorwaarde voldaan. De rechtbank zal daarom het provisionele verzoek beoordelen.



Ontvankelijkheid





5.7
Op grond van artikel 223 lid 1 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering.




5.8
In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv worden verzocht (HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).



5.9
Naar het oordeel van de rechtbank hangt het onderhavige verzoek tot het wijzigen van de zorgregeling samen met het verzoek in de hoofdzaak, zodat de vrouw kan worden ontvangen in haar verzoek.



Inhoudelijke beoordeling





5.10
Een verzoek in het kader van artikel 223 Rv kan worden toegewezen, indien er naar het oordeel van de rechtbank voldoende belang bestaat in die zin dat van de vrouw niet gevergd kan worden dat zij de afloop van de hoofdzaak afwacht. Daarnaast dient de rechtbank de belangen van partijen af te wegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin.



5.11
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw voldoende belang bij een beoordeling van haar verzoek, nu de man is verhuisd naar [woonplaats 2] en de vrouw stelt dat deze verhuizing belemmeringen oplevert bij de uitvoering van de huidige zorgregeling.



5.12
De rechtbank is echter van oordeel dat de beschikbare informatie onvoldoende aanknopingspunten biedt voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening. Weliswaar heeft de vrouw zorgen geuit over de gevolgen van de verhuizing van de man voor de kinderen, maar de man heeft deze gemotiveerd weersproken. Op basis van de beschikbare informatie kan de rechtbank niet vaststellen dat de gevolgen van de verhuizing zodanig zijn dat een onmiddellijke wijziging van de zorgregeling noodzakelijk is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de huidige zorgregeling reeds geruime tijd wordt uitgevoerd en dat de man inmiddels sinds eind februari 2026 in [woonplaats 2] woont. De zorgregeling wordt al enkele maanden uitgevoerd vanuit de nieuwe woonsituatie. De rechtbank vindt het verder niet in het belang van de kinderen om een al geruime tijd lopende zorgregeling voorlopig te wijzigen, terwijl niet is uitgesloten dat na het nog te verrichten onderzoek opnieuw een wijziging van de regeling aangewezen zal zijn. De rechtbank zal het voorwaardelijke provisionele verzoek daarom afwijzen.





6De beslissing


De rechtbank




In de zaak met zaaknummer C/02/446042 FA RK 26-1331 (bodemprocedure):




6.1
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Breda, een (aanvullende) onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hierboven onder 5.3 vermelde vraa en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport vóór de hierna te noemen pro forma datum bij de rechtbank dient te worden ingediend, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de advocaat van de vrouw en de man, waarna zij de mogelijkheid krijgen om binnen twee weken te reageren op die rapportage en de rechtbank schriftelijk te informeren over de verdere gewenste voortgang van de bodemprocedure;



6.2
houdt de behandeling van deze bodemzaak aan tot 12 januari 2027, PRO FORMA;



6.3
houdt iedere verdere beslissing aan.




In de zaak met zaaknummer C/02/446041 FA RK 26-1330 (voorlopige voorziening):





6.4
wijst het verzoek van de vrouw af.



Deze beschikking is gegeven door mr. Benjaddi, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026 in aanwezigheid van mr. Busselaar, griffier.



Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:



door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,


door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.



Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.