Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2025:1134
2025-07-11
Bestuursrecht; Belastingrecht
22/00425
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2025:1134 → ECLI:NL:GHSHE:2021:4327
- conclusie ECLI:NL:HR:2025:1134 → ECLI:NL:PHR:2023:1215
- conclusie ECLI:NL:HR:2025:1134 → ECLI:NL:PHR:2023:1223
Inhoudsindicatie
Belasting van personenauto’s en motorrijwielen; art. 10, leden 1 en 2, Wet bpm (tekst 2015); art. 110 VWEU; vaststelling vermindering (afschrijving) wegens gebruikte staat van de personenauto; verwerping herleidingsmethode; verwerping tijdsevenredige vermindering naheffingsaanslag in verband met recht op teruggaaf wegens export van de personenauto.
Citeert (5)
- ECLI:NL:HR:2020:1779 Hoge Raad 13-11-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2021:4327 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 22-12-2021
- ECLI:NL:PHR:2023:1215 Parket bij de Hoge Raad 22-12-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:1223 Parket bij de Hoge Raad 22-12-2023
- ECLI:NL:HR:2023:1526 Hoge Raad 10-11-2023
Geciteerd door (125)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7666 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13-08-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7664 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13-08-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7657 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13-08-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7665 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13-08-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7661 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13-08-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7663 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13-08-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7660 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13-08-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7658 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13-08-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7662 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13-08-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7541 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-08-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7540 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-08-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7347 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-08-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6971 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-07-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6689 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-07-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6693 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-07-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6692 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-07-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6691 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-07-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6686 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-07-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6694 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-07-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6690 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20110 Rechtbank Den Haag 07-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20112 Rechtbank Den Haag 07-07-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:5873 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 01-07-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:5875 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 01-07-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:5874 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 01-07-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:5528 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23-06-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:5321 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-06-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:4832 Rechtbank Gelderland 17-06-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:5318 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-06-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:5319 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-06-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:5323 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-06-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:5320 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-06-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:4785 Rechtbank Gelderland 17-06-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:5322 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-06-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:3788 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-05-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:3089 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-04-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:3088 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-04-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:3117 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-04-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:3116 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-04-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:3118 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-04-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:3115 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-04-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:3086 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-04-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:3087 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9267 Rechtbank Den Haag 15-04-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:2783 Rechtbank Gelderland 10-04-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:2475 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 01-04-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:2476 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 01-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:16438 Rechtbank Den Haag 23-03-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:2264 Rechtbank Gelderland 20-03-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:2262 Rechtbank Gelderland 20-03-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:1748 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12-03-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:1754 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12-03-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:1597 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-03-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:1325 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:3862 Rechtbank Den Haag 25-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:3861 Rechtbank Den Haag 25-02-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:468 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18-02-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:1008 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-02-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:836 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-02-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:833 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-02-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (8.216 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/00425
Datum 11 juli 2025
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
de STAAT (DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 22 december 2021, nrs. BKDH-21/00246 tot en met BKDH-21/00248, BKDH-21/00250 tot en met BKDH-21/00255 en BKDH 21/00996, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 18/746, BRE 18/7728 tot en met 18/7730, BRE 18/7161, BRE 18/7163 tot en met BRE 18/7165 en BRE 18/7675 tot en met BRE 18/7677) betreffende aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente.
1Geding in cassatie
1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door S.M. Bothof, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.
1.2
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 22 december 2023 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
1.3
Belanghebbende heeft op 12 augustus 2024 verzocht om de Minister van Justitie en Veiligheid te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep. De Minister van Justitie en Veiligheid heeft schriftelijk gereageerd op het hiervoor bedoelde verzoek en zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.
2Beoordeling van de klachten
Herleidingsmethode
2.1.1
Belanghebbende heef in 2015 aangiften voor de bpm gedaan in verband met de registratie van door haar vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebrachte gebruikte personenauto’s. Zij heeft bij het berekenen van de verschuldigde bpm een vermindering als bedoeld in artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorijwielen 1992 (tekst 2015; hierna: de Wet) in aanmerking genomen vanwege de gebruikte staat ervan. Zij heeft die vermindering (afschrijving) berekend met behulp van een methode die aansluit bij de wijze waarop volgens artikel 14a van de Wet, in samenhang gelezen met artikel 8d van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, de teruggaaf van bpm wordt berekend wanneer de tenaamstelling in het Nederlandse kentekenregister van een gebruikt motorvoertuig vervalt in verband met het buiten Nederland brengen van dat voertuig. Het aldus berekende bedrag moet volgens belanghebbende worden aangemerkt als ‘rest-bpm’. Het Hof heeft die door belanghebbende ontworpen methode aangeduid als herleidingsmethode (hierna: de herleidingsmethode). Voor een beschrijving van deze door belanghebbende gehanteerde methode en een rekenvoorbeeld daarvan wordt verwezen naar de onderdelen 3.1 tot en met 3.5 van de gemeenschappelijke bijlage bij de conclusie van de Advocaat-Generaal.
2.1.2
Het Hof heeft geoordeeld dat de herleidingsmethode niet behoort tot de wettelijk toegestane methoden om de in artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet bedoelde vermindering aan bpm te berekenen en daarom niet kan worden toegepast. Het Hof heeft verder geoordeeld dat ook artikel 110 VWEU niet noopt om deze methode te aanvaarden, omdat deze methode bij op latere leeftijd ingevoerde auto’s uitgaat van een rekenkundig herleid bedrag dat niet altijd de daadwerkelijk betaalde bpm weergeeft. Dergelijke gegevens kunnen niet worden gebruikt om aan te tonen dat in strijd met artikel 110 VWEU te veel bpm wordt geheven, aldus het Hof.
2.2
De klachten tegen de hiervoor in 2.1.2 weergegeven oordelen van het Hof falen op de gronden die zijn vermeld in de onderdelen 4.4 tot en met 4.7, 4.11, 4.12, en 4.14 tot en met 4.19 van de gemeenschappelijke bijlage bij de conclusie van de Advocaat-Generaal.
Tijdsevenredig verminderen van naheffingsaanslagen wegens export
2.3.1
Voor het Hof heeft belanghebbende gesteld, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 13 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1779 (hierna: het arrest van 13 november 2020), dat de naheffingsaanslagen ter zake van drie personenauto’s moeten worden verminderd omdat bij het verlenen van teruggaaf van bpm vanwege de export van die personenauto’s geen rekening is gehouden met het nageheven, hogere bedrag aan bpm.
2.3.2
Het Hof heeft de hiervoor in 2.3.1 bedoelde stelling verworpen. De situatie waarop het arrest van 13 november 2020 ziet, is in deze zaak niet aan de orde, aldus het Hof.
2.3.3
De tegen dit oordeel gerichte klachten falen op de gronden zoals vermeld in onderdeel 4.7 van de conclusie van de Advocaat-Generaal in samenhang gelezen met onderdeel 4.25 van haar conclusie in de tussen dezelfde partijen bij de Hoge Raad aanhangige zaak met nummer 22/03099.
3Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure
3.1
Belanghebbende heeft de Hoge Raad verzocht om bij overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep, de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade.
3.2
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 7 februari 2022. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met meer dan 12 maanden maar minder dan 18 maanden. Aan belanghebbende komt daarom een vergoeding van immateriële schade toe van € 1.500.
4Proceskosten
4.1
Het door belanghebbende ingestelde beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard, zodat er geen aanleiding is om de Staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten.
4.2
In de omstandigheid dat aan belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure wordt toegekend, vindt de Hoge Raad aanleiding om de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen in de kosten van het geding in cassatie.
4.3
Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand neemt de Hoge Raad tot uitgangspunt dat (i) een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan 1 punt wordt toegekend, en (ii) op een dergelijk verzoek wegingsfactor 0,25 (zeer licht) van toepassing is, zoals voorzien in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.
5Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond,
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de aan de cassatieprocedure toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 1.500, en
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 227 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2025.
ECLI:NL:GHSHE:2021:4327.
ECLI:NL:PHR:2023:1215, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2023:1223.
Zie HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, rechtsoverweging 5.2.
BELASTINGKAMER
Nummer 22/00425
Datum 11 juli 2025
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
de STAAT (DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 22 december 2021, nrs. BKDH-21/00246 tot en met BKDH-21/00248, BKDH-21/00250 tot en met BKDH-21/00255 en BKDH 21/00996, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 18/746, BRE 18/7728 tot en met 18/7730, BRE 18/7161, BRE 18/7163 tot en met BRE 18/7165 en BRE 18/7675 tot en met BRE 18/7677) betreffende aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente.
1Geding in cassatie
1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door S.M. Bothof, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.
1.2
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 22 december 2023 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
1.3
Belanghebbende heeft op 12 augustus 2024 verzocht om de Minister van Justitie en Veiligheid te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep. De Minister van Justitie en Veiligheid heeft schriftelijk gereageerd op het hiervoor bedoelde verzoek en zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.
2Beoordeling van de klachten
Herleidingsmethode
2.1.1
Belanghebbende heef in 2015 aangiften voor de bpm gedaan in verband met de registratie van door haar vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebrachte gebruikte personenauto’s. Zij heeft bij het berekenen van de verschuldigde bpm een vermindering als bedoeld in artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorijwielen 1992 (tekst 2015; hierna: de Wet) in aanmerking genomen vanwege de gebruikte staat ervan. Zij heeft die vermindering (afschrijving) berekend met behulp van een methode die aansluit bij de wijze waarop volgens artikel 14a van de Wet, in samenhang gelezen met artikel 8d van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, de teruggaaf van bpm wordt berekend wanneer de tenaamstelling in het Nederlandse kentekenregister van een gebruikt motorvoertuig vervalt in verband met het buiten Nederland brengen van dat voertuig. Het aldus berekende bedrag moet volgens belanghebbende worden aangemerkt als ‘rest-bpm’. Het Hof heeft die door belanghebbende ontworpen methode aangeduid als herleidingsmethode (hierna: de herleidingsmethode). Voor een beschrijving van deze door belanghebbende gehanteerde methode en een rekenvoorbeeld daarvan wordt verwezen naar de onderdelen 3.1 tot en met 3.5 van de gemeenschappelijke bijlage bij de conclusie van de Advocaat-Generaal.
2.1.2
Het Hof heeft geoordeeld dat de herleidingsmethode niet behoort tot de wettelijk toegestane methoden om de in artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet bedoelde vermindering aan bpm te berekenen en daarom niet kan worden toegepast. Het Hof heeft verder geoordeeld dat ook artikel 110 VWEU niet noopt om deze methode te aanvaarden, omdat deze methode bij op latere leeftijd ingevoerde auto’s uitgaat van een rekenkundig herleid bedrag dat niet altijd de daadwerkelijk betaalde bpm weergeeft. Dergelijke gegevens kunnen niet worden gebruikt om aan te tonen dat in strijd met artikel 110 VWEU te veel bpm wordt geheven, aldus het Hof.
2.2
De klachten tegen de hiervoor in 2.1.2 weergegeven oordelen van het Hof falen op de gronden die zijn vermeld in de onderdelen 4.4 tot en met 4.7, 4.11, 4.12, en 4.14 tot en met 4.19 van de gemeenschappelijke bijlage bij de conclusie van de Advocaat-Generaal.
Tijdsevenredig verminderen van naheffingsaanslagen wegens export
2.3.1
Voor het Hof heeft belanghebbende gesteld, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 13 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1779 (hierna: het arrest van 13 november 2020), dat de naheffingsaanslagen ter zake van drie personenauto’s moeten worden verminderd omdat bij het verlenen van teruggaaf van bpm vanwege de export van die personenauto’s geen rekening is gehouden met het nageheven, hogere bedrag aan bpm.
2.3.2
Het Hof heeft de hiervoor in 2.3.1 bedoelde stelling verworpen. De situatie waarop het arrest van 13 november 2020 ziet, is in deze zaak niet aan de orde, aldus het Hof.
2.3.3
De tegen dit oordeel gerichte klachten falen op de gronden zoals vermeld in onderdeel 4.7 van de conclusie van de Advocaat-Generaal in samenhang gelezen met onderdeel 4.25 van haar conclusie in de tussen dezelfde partijen bij de Hoge Raad aanhangige zaak met nummer 22/03099.
3Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure
3.1
Belanghebbende heeft de Hoge Raad verzocht om bij overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep, de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade.
3.2
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 7 februari 2022. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met meer dan 12 maanden maar minder dan 18 maanden. Aan belanghebbende komt daarom een vergoeding van immateriële schade toe van € 1.500.
4Proceskosten
4.1
Het door belanghebbende ingestelde beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard, zodat er geen aanleiding is om de Staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten.
4.2
In de omstandigheid dat aan belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure wordt toegekend, vindt de Hoge Raad aanleiding om de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen in de kosten van het geding in cassatie.
4.3
Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand neemt de Hoge Raad tot uitgangspunt dat (i) een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan 1 punt wordt toegekend, en (ii) op een dergelijk verzoek wegingsfactor 0,25 (zeer licht) van toepassing is, zoals voorzien in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.
5Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond,
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de aan de cassatieprocedure toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 1.500, en
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 227 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2025.
ECLI:NL:GHSHE:2021:4327.
ECLI:NL:PHR:2023:1215, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2023:1223.
Zie HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, rechtsoverweging 5.2.