Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:16438
2026-03-23
Bestuursrecht; Belastingrecht
AWB - 23 _ 8059
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bpm: mandaatverbod, taxatierapport, schade, historische nieuwprijs.
Citeert (12)
- ECLI:NL:HR:2025:1134 Hoge Raad 11-07-2025
- ECLI:NL:HR:2020:63 Hoge Raad 17-01-2020
- ECLI:NL:RBZWB:2022:1528 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-03-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2023:684 Gerechtshof Den Haag 16-03-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2696 Gerechtshof Den Haag 15-12-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1694 Gerechtshof Den Haag 27-07-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:2184 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 05-07-2023
- ECLI:NL:HR:2024:775 Hoge Raad 31-05-2024
- ECLI:NL:HR:2024:1299 Hoge Raad 27-09-2024
- ECLI:NL:HR:2023:1526 Hoge Raad 10-11-2023
- ECLI:NL:HR:2016:252 Hoge Raad 19-02-2016
- ECLI:NL:HR:2024:567 Hoge Raad 31-05-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (17.111 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 23/8059
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2026 in de zaak tussen
V.O.F. [eiseres], gevestigd te [plaats], eiseres
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder,
en
de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiseres een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (Bpm) opgelegd. Daarbij is € 40 aan belastingrente in rekening gebracht (de rentebeschikking).
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 30 oktober 2023 de naheffingsaanslag en de rentebeschikking gehandhaafd.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2026.
Namens eiseres is [naam] en mr. M.U. Sahin, kantoorgenoot van gemachtigde, verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [medewerker belastingdienst 1] en
mr. [medewerker belastingdienst 2].
Overwegingen
Feiten
1. Eiseres heeft op 22 maart 2022 op aangifte een bedrag van € 3.281 aan Bpm voldaan ter zake van de inschrijving in het kentekenregister van een Jaguar F-Pace AWD 2.0 Prestige (de auto). De datum van eerste toelating van de auto is 10 december 2019.
2. In de aangifte is de te betalen belasting voor de auto berekend op basis van een taxatierapport van [taxateur] B.V. (het taxatierapport). De taxatie van de auto heeft op 18 februari 2022 plaatsgevonden en het taxatierapport is op 18 maart 2022 opgesteld. In het taxatierapport is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op
€ 82.850 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 28.744 (gemiddelde vraagprijzen referentievoertuigen -/- marge). De taxateur heeft een bedrag van € 15.669 (72% van de gecalculeerde reparatiekosten van € 21.757,83 (inclusief € 8.314,38 ex-wok schade)) als schade aangemerkt en de handelsinkoopwaarde na schade op € 13.075 vastgesteld.
3. De auto is op 7 april 2022 door de RDW goedgekeurd. De RDW heeft toen geen schadefoto’s van de auto gemaakt.
4. Verweerder heeft met dagtekening 5 mei 2023 een bedrag van € 7.081 (€ 10.362 verschuldigde Bpm -/- € 3.281 voldane Bpm) nageheven. De naheffingsaanslag is vastgesteld aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel. Eiseres is voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag in de gelegenheid gesteld om een koerslijst te overleggen. Eiseres heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
Geschil
5. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd.
Meer specifiek is in geschil:
- of de verschuldigde Bpm kan worden bepaald aan de hand van de herrekende bruto Bpm van eerder ingevoerde gelijksoortige auto’s (de herleidingsmethode);
- of het taxatierapport van eiseres terecht van bewijs is uitgesloten;
- of indien het taxatierapport niet bruikbaar is, gebruik kan worden gemaakt van de koerslijst in het taxatierapport;
- of eiseres in aanmerking komt voor een vergoeding van immateriële schade.
Beoordeling van het geschil
Herleidingsmethode
6. De beroepsgronden van eiseres met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode slagen niet, omdat de herleidingsmethode niet aansluit bij het wettelijk systeem voor de berekening van de waardevermindering van de Bpm voor gebruikte auto’s.
Taxatierapport
7. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiseres gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van de auto, rust op eiseres. Zij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte.
8. Voor de keuze om de afschrijving met een taxatierapport te berekenen, gelden de voorwaarden zoals gesteld in artikel 8 van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (de Uitvoeringsregeling). Zo is onder meer met ingang van 1 januari 2022 in artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling bepaald dat de fysieke opname door de taxateur ten hoogste een maand vóór het afschrijvingsmoment moet hebben plaatsgevonden.
9. De datum van goedkeuring door de RDW is 7 april 2022. Dat is het afschrijvingsmoment. Nu de opname van de auto door de taxateur op 18 februari 2022 heeft plaatsgevonden en de foto’s met schade van die datum zijn, is hiermee reeds niet aan de voorwaarde van artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling voldaan. De rechtbank acht deze eis, anders dan eiseres stelt, bindend en gaat daarom aan de door eiseres aangedragen uitspraak van rechtbank Zeeland-West Brabant van 29 maart 2022 voorbij.
Aldus kan het door eiseres overgelegde taxatierapport niet als bewijs voor de afschrijving van de auto dienen, omdat niet aan de voorwaarde van artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling is voldaan.
10. Voor zover eiseres heeft bedoeld te stellen dat voormelde voorwaarde van artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en dat er geen belangenafweging heeft plaatsgevonden, kan dit haar niet baten, omdat de bewijslast dat sprake is van een waardevermindering wegens schade op eiseres blijft rusten en zij, naar hierna onder 13. is overwogen, aan die bewijslast niet heeft voldaan.
11. Eiseres heeft ter zitting gesteld dat de auto met een WOK-status uit België is geïmporteerd, dat de auto voor de aanvraag gedeeltelijk is hersteld, dat zij reeds op 14 maart 2022 middels het zogenoemde online versnelde individuele aanvraag systeem (het VIA-systeem) een aanvraag voor de afgifte van een Nederlands kenteken bij de RDW heeft ingediend, dat de auto in verband met de WOK-status in België voor een keuring is opgeroepen en dat zij in verband met corona niet snel een afspraak bij de RDW kon maken. Dat de auto pas op 7 april 2022 door de RDW is goedgekeurd, is niet aan haar te wijten maar aan de RDW. Het taxatierapport kan daarom wel dienen, aldus eiseres.
12. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling. Uit de stukken van verweerder maakt de rechtbank op dat eiseres op 14 maart 2022 de auto met het VIA-systeem bij de RDW heeft aangemeld, dat op 22 maart 2022 een controle op het keuringsstation in Zwijndrecht heeft plaatsgevonden en dat de auto op 7 april 2022 door de RDW is goedgekeurd. Vast staat dat eiseres van het VIA-systeem gebruik heeft gemaakt. Van dat systeem kan alleen gebruik worden gemaakt, indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Eén van die voorwaarden is dat het desbetreffende voertuig geen (hersteld) schadevoertuig betreft als bedoeld in artikel 1 van de Regeling voertuigen.Nu de auto in België een WOK-status heeft gehad, heeft eiseres door de wijze van indiening van haar aanvraag middels het VIA-systeem het risico genomen dat de RDW nog een nadere controle naar de auto zou doen, waardoor de behandeling van haar aanvraag langer heeft geduurd. Dat de auto uiteindelijk pas op 7 april 2022 door de RDW is goedgekeurd, komt dan ook voor rekening en risico van eiseres.
13. Daarnaast acht de rechtbank het taxatierapport, anders dan eiseres stelt, zodanig gebrekkig dat het ook om die reden niet bruikbaar is voor de vaststelling van de verschuldigde Bpm. Niet inzichtelijk is of het taxatierapport de staat van de auto weergeeft ten tijde van het belastbare feit. Uit de foto’s in het taxatierapport blijkt dat de linker voorband lek is en er aanzienlijke schade aan de linker voorbumper en linker voorzijde van de auto aanwezig is, terwijl de auto wel is goedgekeurd door de RDW zonder dat er schadefoto’s van de auto zijn gemaakt. Daar komt nog bij dat de taxateur in een zeer kort tijdsbestek (30 minuten) een aanzienlijke schade van € 21.757,83 heeft geconstateerd, terwijl in het taxatierapport de algemene toestand van de auto als goed is aangemerkt en ook de toestand van de onderdelen van de auto afzonderlijk (technisch, onderstel, carrosserie, interieur en banden) als goed is aangemerkt. Bovendien heeft eiseres ook geen inkoopfactuur dan wel reparatiefacturen overgelegd, die het door eiseres gestelde bedrag aan schade zou kunnen onderbouwen. Dit betekent dat eiseres vanwege het gebrekkige taxatierapport de afschrijving ook om die reden niet mocht bepalen aan de hand van de taxatiemethode.
14. Ook het enkele feit dat verweerder in dit geval geen hertaxatie door DRZ heeft laten uitvoeren, brengt niet mee dat verweerder in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld. Verweerder heeft er in dit geval om hem moverende reden voor gekozen om af te zien van een hertaxatie door DRZ. Naar het oordeel van de rechtbank moet deze handelwijze geplaatst worden in de sleutel van de bewijslast en komt die op zichzelf beschouwd niet in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur of het Unierecht.
Koerslijst
15. Eiseres stelt zich subsidiair op het standpunt dat in dit geval van de bij de aangifte gevoegde koerslijst van X-ray, dient te worden uitgegaan. In die koerslijst staat een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 28.744 opgenomen.
16. Verweerder heeft dit gemotiveerd weersproken. Volgens verweerder heeft eiseres de opties uit de koerslijst Autotelex overgenomen en als totaalbedrag onder “overige opties” in de koerslijst van X-ray opgenomen. Door het niet op de juiste wijze opnemen van de opties, kan de koerslijst niet op een juiste wijze rekenen met de aanwezige opties en de afschrijving daarvan.
17. De rechtbank acht aannemelijk dat het aldus invullen van de koerslijst leidt tot een onjuiste uitkomst voor de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat. De koerslijst zoals deze door de taxateur van eiseres is ingevuld, kan daarom niet dienen ter bepaling van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat. De rechtbank gaat dan ook aan de door eiseres aangedragen uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 5 juli 2023 voorbij. Bovendien blijkt uit het voertuigbeeld van de RDW dat de auto een ander model, namelijk een E-Pace, betreft dan het model van de referentieauto, een F-Pace. Het beroep van eiseres op de koerslijst slaagt dus niet.
18. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder dan ook terecht de verschuldigde Bpm aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel berekend.
19. Voor zover eiseres heeft bedoeld te stellen dat zij door financiële problemen niet in staat is om de aanslag te betalen, kan dit niet tot vernietiging of verdere vermindering van de naheffingsaanslag leiden, aangezien dit een invorderingskwestie is die in deze procedure niet aan de orde kan komen. Voor een betalingsregeling dan wel een verzoek om kwijtschelding dient eiseres zich te wenden tot de ontvanger van de Belastingdienst.
Belastingrente
20. Eiseres heeft geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de rentebeschikking aangevoerd. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht belastingrente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.
Conclusie
21. Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Immateriële schade
22. Eiseres heeft in haar beroepschrift van 27 november 2023 verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op 24 mei 2023 ontvangen. De rechtbank doet op 12 maart 2026 uitspraak. De redelijke termijn is derhalve overschreden met bijna tien maanden. Aangezien verweerder op 30 oktober 2023 uitspraak op bezwaar heeft gedaan, komt de overschrijding geheel voor rekening van de Staat.
23. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade is de mate waarin belanghebbende daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden in beginsel niet van belang, behoudens bijzondere omstandigheden. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank in onderhavige zaak niet gebleken. Of de schadevergoedingen aan de gemachtigde toekomen, doet in dit verband niet ter zake. Dit betekent dat eiseres recht heeft op een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000, geheel te vergoeden door de Staat. De rechtbank volgt verweerder daarbij niet in zijn standpunt dat de vergoeding kan worden gematigd tot € 50 per half jaar.
Proceskosten
24. De rechtbank ziet in de overschrijding van de redelijke termijn reden om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 233,50 (1 procespunt voor het verzoek om vergoeding van immateriële schade met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,25).Nu de overschrijding van de redelijke beslistermijn volledig aan de rechtbank is toe te rekenen, dienen de proceskosten door de Staat te worden voldaan.
25. Eiseres heeft reeds vóór het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Nu de redelijke termijn voor bezwaar en beroep op de datum van dat arrest nog niet was overschreden, ziet de rechtbank geen aanleiding om het betaalde griffierecht aan eiseres te laten vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade toe;
- veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 233,50;
- draagt de Staat op om de toegekende vergoedingen te betalen op een bankrekening die op naam staat van eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. van Riel, rechter, in aanwezigheid van
mr. U.A. Salomons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
12 maart 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Vgl. Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
Vgl. Hoge Raad 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63.
ECLI:NL:RBZWB:2022:1528.
Vgl. gerechtshof Den Haag 16 maart 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:684, r.o. 5.3.2.
Beleid tijdelijke importprocedure, Stcrt, 2020, nr. 65815.
Vgl. gerechtshof Den Haag, 15 december 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2696.
Vgl. gerechtshof Den Haag 27 juli 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1694.
ECLI:NL:GHSHE:2023:2184.
Vgl. Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:775, r.o. 3.2.3.
Vgl. Hoge Raad 27 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1299, r.o. 5.4.3.
Vgl. Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
Vgl. Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.14.2.
ECLI:NL:HR:2024:567.
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 23/8059
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2026 in de zaak tussen
V.O.F. [eiseres], gevestigd te [plaats], eiseres
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder,
en
de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiseres een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (Bpm) opgelegd. Daarbij is € 40 aan belastingrente in rekening gebracht (de rentebeschikking).
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 30 oktober 2023 de naheffingsaanslag en de rentebeschikking gehandhaafd.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2026.
Namens eiseres is [naam] en mr. M.U. Sahin, kantoorgenoot van gemachtigde, verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [medewerker belastingdienst 1] en
mr. [medewerker belastingdienst 2].
Overwegingen
Feiten
1. Eiseres heeft op 22 maart 2022 op aangifte een bedrag van € 3.281 aan Bpm voldaan ter zake van de inschrijving in het kentekenregister van een Jaguar F-Pace AWD 2.0 Prestige (de auto). De datum van eerste toelating van de auto is 10 december 2019.
2. In de aangifte is de te betalen belasting voor de auto berekend op basis van een taxatierapport van [taxateur] B.V. (het taxatierapport). De taxatie van de auto heeft op 18 februari 2022 plaatsgevonden en het taxatierapport is op 18 maart 2022 opgesteld. In het taxatierapport is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op
€ 82.850 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 28.744 (gemiddelde vraagprijzen referentievoertuigen -/- marge). De taxateur heeft een bedrag van € 15.669 (72% van de gecalculeerde reparatiekosten van € 21.757,83 (inclusief € 8.314,38 ex-wok schade)) als schade aangemerkt en de handelsinkoopwaarde na schade op € 13.075 vastgesteld.
3. De auto is op 7 april 2022 door de RDW goedgekeurd. De RDW heeft toen geen schadefoto’s van de auto gemaakt.
4. Verweerder heeft met dagtekening 5 mei 2023 een bedrag van € 7.081 (€ 10.362 verschuldigde Bpm -/- € 3.281 voldane Bpm) nageheven. De naheffingsaanslag is vastgesteld aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel. Eiseres is voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag in de gelegenheid gesteld om een koerslijst te overleggen. Eiseres heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
Geschil
5. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd.
Meer specifiek is in geschil:
- of de verschuldigde Bpm kan worden bepaald aan de hand van de herrekende bruto Bpm van eerder ingevoerde gelijksoortige auto’s (de herleidingsmethode);
- of het taxatierapport van eiseres terecht van bewijs is uitgesloten;
- of indien het taxatierapport niet bruikbaar is, gebruik kan worden gemaakt van de koerslijst in het taxatierapport;
- of eiseres in aanmerking komt voor een vergoeding van immateriële schade.
Beoordeling van het geschil
Herleidingsmethode
6. De beroepsgronden van eiseres met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode slagen niet, omdat de herleidingsmethode niet aansluit bij het wettelijk systeem voor de berekening van de waardevermindering van de Bpm voor gebruikte auto’s.
Taxatierapport
7. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiseres gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van de auto, rust op eiseres. Zij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte.
8. Voor de keuze om de afschrijving met een taxatierapport te berekenen, gelden de voorwaarden zoals gesteld in artikel 8 van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (de Uitvoeringsregeling). Zo is onder meer met ingang van 1 januari 2022 in artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling bepaald dat de fysieke opname door de taxateur ten hoogste een maand vóór het afschrijvingsmoment moet hebben plaatsgevonden.
9. De datum van goedkeuring door de RDW is 7 april 2022. Dat is het afschrijvingsmoment. Nu de opname van de auto door de taxateur op 18 februari 2022 heeft plaatsgevonden en de foto’s met schade van die datum zijn, is hiermee reeds niet aan de voorwaarde van artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling voldaan. De rechtbank acht deze eis, anders dan eiseres stelt, bindend en gaat daarom aan de door eiseres aangedragen uitspraak van rechtbank Zeeland-West Brabant van 29 maart 2022 voorbij.
Aldus kan het door eiseres overgelegde taxatierapport niet als bewijs voor de afschrijving van de auto dienen, omdat niet aan de voorwaarde van artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling is voldaan.
10. Voor zover eiseres heeft bedoeld te stellen dat voormelde voorwaarde van artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en dat er geen belangenafweging heeft plaatsgevonden, kan dit haar niet baten, omdat de bewijslast dat sprake is van een waardevermindering wegens schade op eiseres blijft rusten en zij, naar hierna onder 13. is overwogen, aan die bewijslast niet heeft voldaan.
11. Eiseres heeft ter zitting gesteld dat de auto met een WOK-status uit België is geïmporteerd, dat de auto voor de aanvraag gedeeltelijk is hersteld, dat zij reeds op 14 maart 2022 middels het zogenoemde online versnelde individuele aanvraag systeem (het VIA-systeem) een aanvraag voor de afgifte van een Nederlands kenteken bij de RDW heeft ingediend, dat de auto in verband met de WOK-status in België voor een keuring is opgeroepen en dat zij in verband met corona niet snel een afspraak bij de RDW kon maken. Dat de auto pas op 7 april 2022 door de RDW is goedgekeurd, is niet aan haar te wijten maar aan de RDW. Het taxatierapport kan daarom wel dienen, aldus eiseres.
12. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling. Uit de stukken van verweerder maakt de rechtbank op dat eiseres op 14 maart 2022 de auto met het VIA-systeem bij de RDW heeft aangemeld, dat op 22 maart 2022 een controle op het keuringsstation in Zwijndrecht heeft plaatsgevonden en dat de auto op 7 april 2022 door de RDW is goedgekeurd. Vast staat dat eiseres van het VIA-systeem gebruik heeft gemaakt. Van dat systeem kan alleen gebruik worden gemaakt, indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Eén van die voorwaarden is dat het desbetreffende voertuig geen (hersteld) schadevoertuig betreft als bedoeld in artikel 1 van de Regeling voertuigen.Nu de auto in België een WOK-status heeft gehad, heeft eiseres door de wijze van indiening van haar aanvraag middels het VIA-systeem het risico genomen dat de RDW nog een nadere controle naar de auto zou doen, waardoor de behandeling van haar aanvraag langer heeft geduurd. Dat de auto uiteindelijk pas op 7 april 2022 door de RDW is goedgekeurd, komt dan ook voor rekening en risico van eiseres.
13. Daarnaast acht de rechtbank het taxatierapport, anders dan eiseres stelt, zodanig gebrekkig dat het ook om die reden niet bruikbaar is voor de vaststelling van de verschuldigde Bpm. Niet inzichtelijk is of het taxatierapport de staat van de auto weergeeft ten tijde van het belastbare feit. Uit de foto’s in het taxatierapport blijkt dat de linker voorband lek is en er aanzienlijke schade aan de linker voorbumper en linker voorzijde van de auto aanwezig is, terwijl de auto wel is goedgekeurd door de RDW zonder dat er schadefoto’s van de auto zijn gemaakt. Daar komt nog bij dat de taxateur in een zeer kort tijdsbestek (30 minuten) een aanzienlijke schade van € 21.757,83 heeft geconstateerd, terwijl in het taxatierapport de algemene toestand van de auto als goed is aangemerkt en ook de toestand van de onderdelen van de auto afzonderlijk (technisch, onderstel, carrosserie, interieur en banden) als goed is aangemerkt. Bovendien heeft eiseres ook geen inkoopfactuur dan wel reparatiefacturen overgelegd, die het door eiseres gestelde bedrag aan schade zou kunnen onderbouwen. Dit betekent dat eiseres vanwege het gebrekkige taxatierapport de afschrijving ook om die reden niet mocht bepalen aan de hand van de taxatiemethode.
14. Ook het enkele feit dat verweerder in dit geval geen hertaxatie door DRZ heeft laten uitvoeren, brengt niet mee dat verweerder in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld. Verweerder heeft er in dit geval om hem moverende reden voor gekozen om af te zien van een hertaxatie door DRZ. Naar het oordeel van de rechtbank moet deze handelwijze geplaatst worden in de sleutel van de bewijslast en komt die op zichzelf beschouwd niet in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur of het Unierecht.
Koerslijst
15. Eiseres stelt zich subsidiair op het standpunt dat in dit geval van de bij de aangifte gevoegde koerslijst van X-ray, dient te worden uitgegaan. In die koerslijst staat een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 28.744 opgenomen.
16. Verweerder heeft dit gemotiveerd weersproken. Volgens verweerder heeft eiseres de opties uit de koerslijst Autotelex overgenomen en als totaalbedrag onder “overige opties” in de koerslijst van X-ray opgenomen. Door het niet op de juiste wijze opnemen van de opties, kan de koerslijst niet op een juiste wijze rekenen met de aanwezige opties en de afschrijving daarvan.
17. De rechtbank acht aannemelijk dat het aldus invullen van de koerslijst leidt tot een onjuiste uitkomst voor de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat. De koerslijst zoals deze door de taxateur van eiseres is ingevuld, kan daarom niet dienen ter bepaling van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat. De rechtbank gaat dan ook aan de door eiseres aangedragen uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 5 juli 2023 voorbij. Bovendien blijkt uit het voertuigbeeld van de RDW dat de auto een ander model, namelijk een E-Pace, betreft dan het model van de referentieauto, een F-Pace. Het beroep van eiseres op de koerslijst slaagt dus niet.
18. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder dan ook terecht de verschuldigde Bpm aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel berekend.
19. Voor zover eiseres heeft bedoeld te stellen dat zij door financiële problemen niet in staat is om de aanslag te betalen, kan dit niet tot vernietiging of verdere vermindering van de naheffingsaanslag leiden, aangezien dit een invorderingskwestie is die in deze procedure niet aan de orde kan komen. Voor een betalingsregeling dan wel een verzoek om kwijtschelding dient eiseres zich te wenden tot de ontvanger van de Belastingdienst.
Belastingrente
20. Eiseres heeft geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de rentebeschikking aangevoerd. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht belastingrente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.
Conclusie
21. Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Immateriële schade
22. Eiseres heeft in haar beroepschrift van 27 november 2023 verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op 24 mei 2023 ontvangen. De rechtbank doet op 12 maart 2026 uitspraak. De redelijke termijn is derhalve overschreden met bijna tien maanden. Aangezien verweerder op 30 oktober 2023 uitspraak op bezwaar heeft gedaan, komt de overschrijding geheel voor rekening van de Staat.
23. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade is de mate waarin belanghebbende daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden in beginsel niet van belang, behoudens bijzondere omstandigheden. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank in onderhavige zaak niet gebleken. Of de schadevergoedingen aan de gemachtigde toekomen, doet in dit verband niet ter zake. Dit betekent dat eiseres recht heeft op een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000, geheel te vergoeden door de Staat. De rechtbank volgt verweerder daarbij niet in zijn standpunt dat de vergoeding kan worden gematigd tot € 50 per half jaar.
Proceskosten
24. De rechtbank ziet in de overschrijding van de redelijke termijn reden om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 233,50 (1 procespunt voor het verzoek om vergoeding van immateriële schade met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,25).Nu de overschrijding van de redelijke beslistermijn volledig aan de rechtbank is toe te rekenen, dienen de proceskosten door de Staat te worden voldaan.
25. Eiseres heeft reeds vóór het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Nu de redelijke termijn voor bezwaar en beroep op de datum van dat arrest nog niet was overschreden, ziet de rechtbank geen aanleiding om het betaalde griffierecht aan eiseres te laten vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade toe;
- veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 233,50;
- draagt de Staat op om de toegekende vergoedingen te betalen op een bankrekening die op naam staat van eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. van Riel, rechter, in aanwezigheid van
mr. U.A. Salomons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
12 maart 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Vgl. Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
Vgl. Hoge Raad 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63.
ECLI:NL:RBZWB:2022:1528.
Vgl. gerechtshof Den Haag 16 maart 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:684, r.o. 5.3.2.
Beleid tijdelijke importprocedure, Stcrt, 2020, nr. 65815.
Vgl. gerechtshof Den Haag, 15 december 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2696.
Vgl. gerechtshof Den Haag 27 juli 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1694.
ECLI:NL:GHSHE:2023:2184.
Vgl. Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:775, r.o. 3.2.3.
Vgl. Hoge Raad 27 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1299, r.o. 5.4.3.
Vgl. Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
Vgl. Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.14.2.
ECLI:NL:HR:2024:567.