Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7666

2026-08-13 Bestuursrecht; Belastingrecht 23/11640
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-08-13
Publicatiedatum
2026-08-13
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
23/11640
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bpm. Beroep ongegrond.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.130 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda


Belastingrecht


zaaknummer: BRE 23/11640



uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2026 in de zaak tussen




[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, verbonden aan 123BPM.NL),


en




de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,


en




de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 21 november 2023.



1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 8.326. Gelijktijdig heeft de inspecteur € 28 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).



1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.



1.3.

De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur,
mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .




1.4.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de zaak voor een termijn van twee weken aangehouden. Daarbij is belanghebbende in de gelegenheid gesteld om een inkoopfactuur te overleggen.



1.5.
Belanghebbende heeft de inkoopfactuur op 26 mei 2026 overgelegd.



1.6.
Gelet op hetgeen besproken is ter zitting heeft de rechtbank in deze zaak geen aanleiding gezien om de inspecteur in de gelegenheid te stellen om schriftelijk te reageren op de inkoopfactuur. De rechtbank heeft met instemming van partijen een nadere zitting achterwege gelaten, het onderzoek bij brief van 4 juni 2026 gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.




Beoordeling door de rechtbank


2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking
terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.



2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.




Feiten


3. Belanghebbende heeft op 26 juli 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een BMW X5 M50i High Executive met [VIN-nummer] (de auto). Belanghebbende heeft een bedrag aan Bpm voldaan van € 12.049.



3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.



3.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). De inspecteur heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat toepassing van de forfaitaire afschrijvingstabel het meest voordelig is, dat de verschuldigde Bpm dan € 21.175 bedraagt en de naheffingsaanslag aan belanghebbende opgelegd (zie 1.1).




Motivering



Herleidingsmethode




4. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.




Taxatiemethode




4.1.
Indien sprake is van een voertuig met meer dan normale gebruiksschade of indien sprake is van een voertuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst mag de afschrijving worden bepaald aan de hand van een taxatierapport.



Is sprake van meer dan normale gebruiksschade?





4.2.

De taxateur van belanghebbende heeft schade geconstateerd voor een bedrag van
€ 16.886 en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat vastgesteld op € 42.607. De hertaxateur van DRZ heeft geen schade aan de auto geconstateerd en opgemerkt dat de opgegeven schadeposities niet zijn aangetroffen dan wel als gebruikssporen zijn aangemerkt.




4.3.
De bewijslast voor een waardevermindering wegens schade rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft hiervoor verwezen naar haar taxatierapport en de bijbehorende foto’s. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de aankoopprijs € 99.950 bedroeg, de auto drie jaar oud is en 25.099 kilometers heeft gereden. Al hetgeen de inspecteur met betrekking tot het taxatierapport heeft gesteld behoeft dan geen behandeling meer.



4.4.
Belanghebbende heeft geen beroep gedaan op de koerslijstmethode. De inspecteur heeft terecht de forfaitaire afschrijvingstabel toegepast. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd.



Belastingrente





4.5.
Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrentebeschikking. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking.



Immateriële schadevergoeding





4.6.
Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.



4.7.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 21 april 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 13 augustus 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond zestien maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.



4.8.
Omdat de bezwaarfase afgerond zeven maanden heeft geduurd en daarmee twee maanden te lang, komt 2/16 deel, derhalve € 187,50 voor de rekening van de inspecteur en de rest, zijnde € 1.312,50 voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.




Conclusie en gevolgen


5. Het beroep is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 1.500.



5.1.
Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25, wat neerkomt op € 233,50. De Staat en de inspecteur moeten die kosten ieder voor de helft vergoeden.



5.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding weliswaar is gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 maar de redelijke termijn op deze datum nog niet was overschreden.




Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep ongegrond;


veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 187,50;


veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.312,50;


veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende;


veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende.




Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. Damen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.













griffier


rechter







De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.


Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.



De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.





Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.


Artikel 10, lid 8, van de Wet Bpm.


Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.


Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.