Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7661

2026-08-13 Bestuursrecht; Belastingrecht 23/11399
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-08-13
Publicatiedatum
2026-08-13
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
23/11399
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bpm. Taxatiemethode kan niet worden toegepast, omdat het taxatierapport langer dan een maand voor het afschrijvingsmoment is opgesteld. Het beroep is gegrond omdat de belastingrentebeschikking moet worden vernietigd.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.876 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda


Belastingrecht


zaaknummer: BRE 23/11399



uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2026 in de zaak tussen




[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, verbonden aan 123BPM.NL),


en




de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,


en




de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 27 oktober 2023.



1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 6.589 (de naheffingsaanslag). Gelijktijdig heeft de inspecteur € 55 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).



1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.



1.3.

De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur,
mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Ter zitting is gelijktijdig ook de zaak met zaaknummer 23/11398 van belanghebbende behandeld.




1.4.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de zaak voor een termijn van twee weken aangehouden. Daarbij is belanghebbende in de gelegenheid gesteld om de inkoopfactuur te overleggen.



1.5.
Belanghebbende heeft de inkoopfactuur op 26 mei 2026 overgelegd.



1.6.
Gelet op hetgeen besproken is ter zitting heeft de rechtbank in deze zaak geen aanleiding gezien om de inspecteur in de gelegenheid te stellen om schriftelijk te reageren op de inkoopfactuur. De rechtbank heeft met instemming van partijen een nadere zitting achterwege gelaten, het onderzoek bij brief van 4 juni 2026 gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.




Beoordeling door de rechtbank


2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Ter zitting heeft belanghebbende de beroepsgrond met betrekking tot de toepassing van de koerslijstmethode ingetrokken.



2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht en niet naar een te hoog bedrag is opgelegd. De belastingrentebeschikking is ten onrechte vastgesteld en moet worden vernietigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.




Feiten


3. Belanghebbende heeft op 15 december 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Mercedes V-Klasse 250d 4-MATIC Lang met [VIN-nummer] (hierna: de auto). Volgens de aangifte is een bedrag van € 2.917 aan Bpm verschuldigd. Belanghebbende heeft dit bedrag niet voldaan.



3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport van 13 december 2022 bij de aangifte gevoegd. De fysieke opname ten behoeve van het opstellen van het taxatierapport heeft op 7 december 2022 plaatsgevonden.



3.2.
De auto is op 24 januari 2023 gekeurd door de RDW.



3.3.
De inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat de taxatiemethode niet kan worden toegepast, omdat de fysieke opname niet binnen een maand voor het afschrijvingsmoment heeft plaatsgevonden. De inspecteur heeft de verschuldigde Bpm op basis van de forfaitaire afschrijvingstabel berekend op € 6.589 en de naheffingsaanslag aan belanghebbende opgelegd (zie 1.1).




Motivering



Herleidingsmethode




4. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.




Taxatiemethode




4.1.

Tussen partijen staat vast dat de auto op 24 januari 2023 door de RDW is gekeurd en dat de fysieke opname ten behoeve van het opstellen van het taxatierapport op
7 december 2022 heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat de fysieke schouw van de auto meer dan een maand voor de keuring bij de RDW (het afschrijvingsmoment) heeft plaatsgevonden.




4.2.
Belanghebbende stelt dat hij de verschuldigde Bpm mocht bepalen met toepassing van de taxatiemethode. Volgens belanghebbende kan artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling Bpm niet zo worden uitgelegd dat het niet is toegestaan om een taxatierapport te gebruiken waarin de auto langer dan een maand voor de keuring bij de RDW is geschouwd. Volgens belanghebbende heeft de inspecteur in strijd gehandeld met het evenredigheidsbeginsel.



4.3.

De rechtbank overweegt als volgt. Per 1 januari 2022 bepaalt artikel 8, vierde lid,
onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling Bpm onder meer dat de fysieke opname heeft plaatsgevonden ten hoogste een maand vóór het afschrijvingsmoment. In de toelichting op de regeling is hierover verder het volgende vermeld:




“Artikel 8, vierde lid, UR BPM 1992 wordt aangepast zodat de fysieke opname door de inspecteur moet gebeuren binnen één maand voor het afschrijvingsmoment. Dat betekent automatisch ook dat het taxatierapport moet zijn opgesteld binnen één maand voor het afschrijvingsmoment. Het afschrijvingsmoment bij de inschrijving van een gebruikt motorrijtuig in het kentekenregister is het inschrijvingsonderzoek van de RDW. Tevens moet de staat van het motorrijtuig in het taxatierapport overeenkomen met de staat van het motorrijtuig ten tijde van het inschrijvingsonderzoek.”





4.4.
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de hierboven aangehaalde bepalingen het taxatierapport niet gebruikt kan worden bij het vaststellen van de vermindering en de daarvoor te verstrekken opgaaf als bedoeld in artikel 10 van de Wet Bpm. Artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling Bpm kan redelijkerwijs niet zo worden gelezen dat het mogelijk is om gebruik te maken van een taxatierapport dat is opgesteld langer dan een maand voor het afschrijvingsmoment. Die lezing druist naar het oordeel van de rechtbank ook niet in tegen enig rechtsbeginsel. De taxatiemethode kan niet worden toegepast. De beroepsgrond van belanghebbende slaagt niet.



Hoogte naheffingsaanslag





4.5.
De inspecteur heeft de naheffingsaanslag terecht gebaseerd op de forfaitaire afschrijvingstabel. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd.



Belastingrente





4.6.
Belanghebbende stelt dat de belastingrentebeschikking moet worden vernietigd omdat uit het kentekenregister volgt dat de inschrijving van de auto heeft plaatsgevonden op 24 januari 2023.



4.7.
De inspecteur heeft ter zitting toegelicht dat voor de berekening van de verschuldigde belastingrente wordt uitgegaan van de datum van ontvangst van de aangifte, in dit geval 15 december 2022 (zie 3).



4.8.
De rechtbank volgt de inspecteur hierin niet. Op grond van artikel 30h, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt belastingrente in rekening gebracht indien de naheffingsaanslag wordt vastgesteld na afloop van het kalenderjaar waarop de belasting betrekking heeft. Voor de Bpm is sinds 1 januari 2022 het belastbare feit de inschrijving van het motorrijtuig in het kentekenregister. Nu de auto op 24 januari 2023 is ingeschreven en de naheffingsaanslag op 2 juni 2023 is opgelegd, bestond geen grondslag voor het in rekening brengen van belastingrente. De rechtbank zal de belastingrentebeschikking daarom vernietigen.



Immateriële schadevergoeding





4.9.
Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.



4.10.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 21 juli 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 13 augustus 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond dertien maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.



4.11.
Omdat de termijnoverschrijding volledig aan de rechtbank is te wijten komt dit bedrag voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.




Conclusie en gevolgen


5. Het beroep is gegrond met betrekking tot de belastingrentebeschikking. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar en vernietigt de belastingrentebeschikking. De naheffingsaanslag blijft in stand. Verder heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 1.500.



5.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen.



5.2.

De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van
€ 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De rechtbank hanteert een wegingsfactor 0,5, omdat belanghebbende op een ondergeschikt punt in het gelijk wordt gesteld. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De totale vergoeding bedraagt daarom € 1.600.








Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de belastingrentebeschikking;


vernietigt de belastingrentebeschikking;


verklaart het beroep voor het overige ongegrond;


veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.500;


veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.600 aan proceskosten aan belanghebbende;


bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 184 aan belanghebbende moet vergoeden.




Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. Damen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.













griffier


rechter







De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.


Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.



De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.






Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.


Hoge Raad 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1659.