Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2024:1659
2024-11-15
Bestuursrecht; Belastingrecht
24/02022
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2024:1659 → ECLI:NL:GHSHE:2024:1210
Inhoudsindicatie
Artikel 2, lid 2, van het Besluit proceskosten bestuursrecht; proceskosten; punt van ondergeschikt belang.
Citeert (1)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:1210 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-04-2024
Geciteerd door (27)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7661 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13-08-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7663 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13-08-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7540 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-08-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6970 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-07-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1597 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 17-06-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:5318 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-06-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1434 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 03-06-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1361 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 27-05-2026
- ECLI:NL:HR:2026:283 Hoge Raad 20-03-2026
- ECLI:NL:HR:2026:283 Hoge Raad 20-03-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:1748 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12-03-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:221 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-01-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2025:3703 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24-12-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1393 Parket bij de Hoge Raad 19-12-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:3242 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12-11-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:994 Parket bij de Hoge Raad 29-08-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:994 Parket bij de Hoge Raad 29-08-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:4485 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-07-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1447 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 09-04-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:412 Gerechtshof Den Haag 06-03-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:414 Gerechtshof Den Haag 06-03-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:601 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 05-03-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:602 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 05-03-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:247 Gerechtshof Den Haag 19-02-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:244 Gerechtshof Den Haag 19-02-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:245 Gerechtshof Den Haag 19-02-2025
- ECLI:NL:HR:2025:243 Hoge Raad 14-02-2025
Volledige tekst
Volledige tekst (3.936 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/02022
Datum 15 november 2024
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
het DAGELIJKS BESTUUR VAN DE BELASTINGSAMENWERKING OOST-BRABANT
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 10 april 2024, nr. 22/02341, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant (nr. SHE 21/895) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2020 opgelegde aanslag watersysteemheffing gebouwd.
1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.M. Vrolijk, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant (hierna: het Dagelijks Bestuur), vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Het Dagelijks Bestuur heeft een conclusie van dupliek ingediend.
2Beoordeling van de middelen
2.1
De Hoge Raad heeft de klachten van het eerste middel over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
2.2.1
Met betrekking tot de vergoeding voor kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, heeft het Hof geoordeeld dat die vergoeding in beginsel kan worden bepaald op 2 (punten) x € 875 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.750. Het Hof ziet echter aanleiding tot matiging van de aldus berekende vergoeding. Het geschil dat voorligt omvat zowel de overschrijding van de opbrengstlimiet als toekenning van een dwangsom en vergoeding van wettelijke rente. Belanghebbende wordt echter uitsluitend in het gelijk gesteld op een punt van ondergeschikt belang, namelijk het punt van de vergoeding van wettelijke rente. Het Hof ziet hierin aanleiding op grond van artikel 2, lid 2, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) het bedrag te verminderen tot € 437,50, door toepassing van een factor 0,25 in plaats van 1 voor het gewicht van de zaak.
2.2.2
Het tegen deze oordelen gerichte tweede middel faalt. Het Hof mocht de proceskostenvergoeding met toepassing van artikel 2, lid 2, van het Bpb matigen vanwege de omstandigheid dat belanghebbende uitsluitend in het gelijk is gesteld op een punt van ondergeschikt belang. Ook voor het overige geven deze oordelen niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Verder kunnen die oordelen, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, door de Hoge Raad in de cassatieprocedure niet op juistheid worden onderzocht. Zij zijn ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is vastgesteld door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, in de raadkamer van 23 oktober 2024 en op 15 november 2024 in het openbaar uitgesproken.
ECLI:NL:GHSHE:2024:1210.
BELASTINGKAMER
Nummer 24/02022
Datum 15 november 2024
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
het DAGELIJKS BESTUUR VAN DE BELASTINGSAMENWERKING OOST-BRABANT
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 10 april 2024, nr. 22/02341, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant (nr. SHE 21/895) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2020 opgelegde aanslag watersysteemheffing gebouwd.
1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.M. Vrolijk, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant (hierna: het Dagelijks Bestuur), vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Het Dagelijks Bestuur heeft een conclusie van dupliek ingediend.
2Beoordeling van de middelen
2.1
De Hoge Raad heeft de klachten van het eerste middel over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
2.2.1
Met betrekking tot de vergoeding voor kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, heeft het Hof geoordeeld dat die vergoeding in beginsel kan worden bepaald op 2 (punten) x € 875 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.750. Het Hof ziet echter aanleiding tot matiging van de aldus berekende vergoeding. Het geschil dat voorligt omvat zowel de overschrijding van de opbrengstlimiet als toekenning van een dwangsom en vergoeding van wettelijke rente. Belanghebbende wordt echter uitsluitend in het gelijk gesteld op een punt van ondergeschikt belang, namelijk het punt van de vergoeding van wettelijke rente. Het Hof ziet hierin aanleiding op grond van artikel 2, lid 2, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) het bedrag te verminderen tot € 437,50, door toepassing van een factor 0,25 in plaats van 1 voor het gewicht van de zaak.
2.2.2
Het tegen deze oordelen gerichte tweede middel faalt. Het Hof mocht de proceskostenvergoeding met toepassing van artikel 2, lid 2, van het Bpb matigen vanwege de omstandigheid dat belanghebbende uitsluitend in het gelijk is gesteld op een punt van ondergeschikt belang. Ook voor het overige geven deze oordelen niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Verder kunnen die oordelen, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, door de Hoge Raad in de cassatieprocedure niet op juistheid worden onderzocht. Zij zijn ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is vastgesteld door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, in de raadkamer van 23 oktober 2024 en op 15 november 2024 in het openbaar uitgesproken.
ECLI:NL:GHSHE:2024:1210.