Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7540

2026-08-11 Bestuursrecht; Belastingrecht BRE 23/11409
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-08-11
Publicatiedatum
2026-08-11
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 23/11409
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

BPM

Citeert (6)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.691 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda


Belastingrecht


zaaknummer: BRE 23/11409


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 11 augustus 2026 in de zaken tussen





[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),


en




de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,


en




de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van 30 oktober 2023.



1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 17.502. Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur € 105 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).



1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard en de naheffingsaanslag verminderd tot € 13.175 en de belastingrente tot € 89. De inspecteur heeft aan belanghebbende een kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend van € 592.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de inspecteur, [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . Namens belanghebbende is niemand verschenen.





Beoordeling door de rechtbank


2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag, zoals deze luidt na uitspraak op bezwaar, terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. Daarnaast beoordeelt de rechtbank de hoogte van de kostenvergoeding in bezwaar. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.



2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag, zoals deze luidt na uitspraak op bezwaar, terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende opgelegd. De kostenvergoeding in bezwaar is te laag vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Feiten


3. Belanghebbende heeft op 20 juli 2022 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Audi Q7 met [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 11.508.



3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. De expertise van de auto heeft volgens het expertiseverslag op 7 juli 2022 plaatsgevonden.



3.2.
De RDW heeft de auto op 11 juli 2022 gekeurd en aan de auto de zogenoemde WOK-status (wachten op keuring) gegeven. De RDW heeft de WOK-status op 10 oktober 2022 opgeheven.



3.3.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 29.010 bedraagt en de naheffingsaanslag Bpm opgelegd. De inspecteur heeft de forfaitaire afschrijvingstabel toegepast omdat dit het voordeligste is voor belanghebbende.



3.4.
Na bezwaar heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 24.683 bedraagt en de naheffingsaanslag verminderd. De inspecteur is bij zijn berekening uitgegaan van een bruto bpm van € 75.370 en tariefdatum 1 juli 2020. De inspecteur heeft de forfaitaire afschrijvingstabel toegepast omdat dit het voordeligste is voor belanghebbende.




Motivering



Mandaatverbod




4. Belanghebbende stelt dat de uitspraak op bezwaar mogelijk onbevoegd is genomen. Ter onderbouwing voert hij aan dat de kennisgeving en de mededeling naheffingsaanslag zijn ondertekend door drs. [persoon 1] , maar dat mag worden aangenomen dat [persoon 1] , als algemeen directeur van de [afdeling] , niet zelf betrokken is geweest bij het opstellen van deze stukken. Volgens belanghebbende kan daarom niet worden uitgesloten dat de naheffingsaanslag en de uitspraak op bezwaar door dezelfde persoon zijn opgelegd c.q. gedaan.



4.1.
De uitspraak op bezwaar is getekend door [persoon 2] . De inspecteur heeft onweersproken gesteld en met schriftelijke stukken nader onderbouwd dat een medewerker met ‘User id’ “ [user id 1] ” de behandelaar van de kennisgeving en de mededeling was en “ [user id 2] ” de behandelaar van de naheffingsaanslag was. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur hiermee aannemelijk gemaakt dat hij niet in strijd heeft gehandeld met het mandaatverbod bij het doen van uitspraak op bezwaar.


4.2.
Dat, zoals belanghebbende stelt, de inspecteur door deze handelwijze belanghebbende een eerlijk proces heeft onthouden, is ook niet gebleken. De rechtbank wijst deze beroepsgrond van belanghebbende af.



Herleidingsmethode





4.3.
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.



Taxatiemethode





4.4.
Belanghebbende stelt dat de taxatiemethode moet worden toegepast omdat sprake is van een auto met meer dan normale gebruiksschade. De inspecteur betwist dat de taxatiemethode kan worden toegepast omdat aan de auto een WOK-status is toegekend.



4.5.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een essentieel gebrek. Immers de auto heeft na de keuring op 11 juli 2022 de WOK-status gekregen. De auto had dus ten tijde van de aangifte op 20 juli 2022 een WOK-status. Dit betekent dat op grond van artikel 8, derde lid, van de Uitvoeringsregeling BPM de verschuldigde BPM op aangifte moest worden voldaan zonder toepassing van de in artikel 10 Wet BPM bedoelde vermindering. Nu de naheffingsaanslag wel met een hiervoor bedoelde vermindering is opgelegd, is deze eerder te laag dan te hoog. Met dit oordeel behoeft de grond over de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat, de historische nieuwprijs en het afschrijvingsmoment voor de toepassing van de afschrijvingstabel geen behandeling meer.



Kostenvergoeding bezwaarfase





4.6.
Belanghebbende heeft een beroep gedaan op het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024 en gesteld dat de kostenvergoeding te laag is vastgesteld. De inspecteur heeft dat op zitting erkend. De rechtbank acht dat terecht en zal daarom een vergoeding voor de kosten voor de bezwaarfase vaststellen naar het hoge tarief.



Immateriële schadevergoeding





4.7.
Belanghebbende heeft op 4 december 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.



4.8.

De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 1 juni 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 11 augustus 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 15 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500 voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen




5. Het beroep is gegrond omdat een hogere kostenvergoeding voor de bezwaarfase wordt toegekend. De naheffingsaanslag Bpm en de belastingrentebeschikking, zoals deze luiden na uitspraak op bezwaar, blijven wel in stand. Verder heeft belanghebbende recht op een vergoeding van immateriële schade.




5.1.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666 met een wegingsfactor 1, in totaal derhalve € 1.332. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934 met een wegingsfactor 0,5, omdat belanghebbende gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld en het gewicht van het punt waarop belanghebbende gelijk heeft gekregen lichter is dan het gewicht van de zaak in zijn geheel. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend zodat de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase € 467 (1 maal € 934 maal 0,5) bedraagt.



5.2.
De rechtbank merkt op dat in de bezwaarfase een kostenvergoeding is toegekend van € 592. Indien dit bedrag al aan belanghebbende is uitbetaald, komt het in mindering op de (nog) door de inspecteur te betalen proceskostenvergoeding.





Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de beslissing over de kostenvergoeding;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van een kostenvergoeding van € 1.332;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade van € 1.500;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 184 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 467 aan proceskosten aan belanghebbende.



Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier, op 11 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.













griffier


rechter







De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.



De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.





Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.


Zie Hoge Raad 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415, r.o. 3.5.3, waarin wordt overwogen dat van essentiële gebreken in elk geval sprake is zolang het motorrijtuig blijkens een vermelding in het Nederlandse kentekenregister bestemd is voor sloop of wacht op keuring.


Hoge Raad 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415, r.o. 3.5.4.


ECLI:NL:HR:2024:1060.


Hoge Raad 20 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:283 en Hoge Raad 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1659.