Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6970

2026-07-29 Bestuursrecht; Belastingrecht BRE 23/9811
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-29
Publicatiedatum
2026-07-29
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 23/9811
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

BPM

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.327 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda


Belastingrecht


zaaknummer: BRE 23/9811


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 29 juli 2026 in de zaak tussen



[belanghebbende] B.V., gevestigd in [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),


en




de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,


en




de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 13 september 2023.



1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 6.746. Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur € 16 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).



1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard en de naheffingsaanslag verminderd tot € 6.634 en de belastingrente tot € 15. De inspecteur heeft aan belanghebbende een kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend van € 594.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .





Beoordeling door de rechtbank


2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag, zoals deze luidt na uitspraak op bezwaar, terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. Daarnaast beoordeelt de rechtbank de hoogte van de kostenvergoeding in bezwaar. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.



2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag, zoals deze luidt na uitspraak op bezwaar, terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende opgelegd. De kostenvergoeding in bezwaar is te laag vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Feiten


3. Belanghebbende heeft op aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Mercedes Benz GLE met [VIN-nummer] , en een bedrag van € 4.763 aan Bpm voldaan.



3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. Bij de aangifte heeft belanghebbende geen inkoopfactuur overgelegd.



3.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). De inspecteur heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 11.509 bedraagt en de naheffingsaanslag opgelegd.



3.3.
Na bezwaar heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 11.397 bedraagt en de naheffingsaanslag verminderd. De inspecteur is bij zijn berekening uitgegaan van: (i) een historische nieuwprijs van € 98.487, (ii) een Bruto bpm van € 28.932 en (iii) een handelsinkoopwaarde van de auto van € 39.649 (€ 49.438 minus schade van DRZ € 9.789).




Motivering



Vertrouwensbeginsel




4. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, gelet op het tijdsverloop van ruim een jaar tussen de controle bij DRZ en het opleggen van de naheffingsaanslag, de inspecteur het vertrouwen heeft gewekt dat de door belanghebbende aangegeven Bpm juist was en dat daarop niet meer zou worden teruggekomen.



4.1.
De rechtbank overweegt dat de bevoegdheid tot naheffing vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan. De inspecteur heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslag deze termijn niet overschreden. Gesteld noch gebleken is dat beleid bestaat dat de inspecteur ertoe dwingt binnen een bepaalde periode na de schouw door DRZ de naheffingsaanslag op te leggen. Het enkele tijdsverloop rechtvaardigt niet de conclusie dat belanghebbende redelijkerwijs mocht menen dat geen naheffingsaanslag zou worden opgelegd. Van een schending van het vertrouwensbeginsel is geen sprake.



Afschrijvingsmethode





4.2.
Indien sprake is van een voertuig met meer dan normale gebruiksschade of indien sprake is van een voertuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst mag de afschrijving worden bepaald aan de hand van een taxatierapport. Wel is daarvoor vereist dat het taxatierapport voldoet aan de daarvoor geldende voorwaarden. Tussen partijen is niet in geschil dat er schade aanwezig is aan de auto. Belanghebbende heeft evenwel verzuimd om de inkoopfactuur bij de aangifte te overleggen. Toepassing van de taxatiemethode kan dan niet aan de orde zijn.



Koerslijstmethode





4.3.
Voor dat geval doet belanghebbende een beroep op de koerslijstmethode. Belanghebbende heeft als tiendagenstuk een nieuwe koerslijst van Xray overgelegd omdat bij het nalopen van de koerslijst van de inspecteur opviel dat niet alle opties waren aangevinkt. Volgens belanghebbende is de nieuwe koerslijst voordeliger dan de koerslijst die de inspecteur heeft toegepast. Uit de nieuwe koerslijst volgt een historische nieuwprijs van € 106.924. Belanghebbende stelt dat de uitgaande van een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 40.792 en een historische bruto bpm van € 28.932 de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 6.039. Volgens belanghebbende mag een wijziging van de historische nieuwprijs geen nadelige gevolgen voor belanghebbende tot gevolg hebben.



4.4.
De inspecteur heeft de nieuwe koerslijst ter zitting gemotiveerd betwist en stelt dat de nieuwe koerslijst niet gebruikt kan worden omdat die koerslijst niet laat zien hoeveel de CO2-uitstoot van de referentieauto is. Volgens de inspecteur is ook niet duidelijk of de (enkele) handmatige aanpassing van de CO2-uitstoot bij de rubriek ‘CO2 klant’ doorwerkt naar de waardering. Volgens de inspecteur brengt de hogere historische nieuwprijs mee dat van een hogere handelsinkoopwaarde moet worden uitgegaan, omdat rekening moet worden gehouden met een hogere CO2-uitstoot. De hogere CO2-uitstoot zal verband houden met de uitvoering of opties van de auto. De referentieauto heeft een CO2-uitstoot van 188 gr/km en weegt 2.065 kg, terwijl de te registreren auto een CO2-uitstoot van 200 gr/km heeft en een gewicht van 2.165 kg, aldus de inspecteur.



4.5.
De rechtbank overweegt dat het bij de toepassing van de koerslijstmethode niet is toegestaan rekening te houden met een waardevermindering wegens schade. Belanghebbende gaat er dan ook ten onrechte vanuit dat de handelsinkoopwaarde uit de nieuwe koerslijst vermindert mag worden met de door DRZ geconstateerde schade. Nu de inspecteur de verschuldigde bpm heeft berekenend rekening houdend met een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 39.649 is de naheffingsaanslag eerder te laag dan te hoog opgelegd. De vraag of de nieuwe koerslijst kan worden toegepast kan dan in het midden blijven evenals de vraag of een hogere historische nieuwprijs leidt tot een hoger afschrijvingspercentage voor de toepassing van de koerslijstmethode.



Hoogte van de naheffingsaanslag





4.6.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslag niet tot een te hoog bedrag is opgelegd.




Kostenvergoeding bezwaarfase





4.7.
Belanghebbende heeft een beroep gedaan op het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024 en gesteld dat de kostenvergoeding te laag is vastgesteld. De inspecteur heeft dat op zitting erkend. De rechtbank acht dat terecht en zal daarom een vergoeding voor de kosten voor de bezwaarfase vaststellen naar het hoge tarief.



Vergoeding van immateriële schade





4.8.
Belanghebbende heeft op 9 november 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.



4.9.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 2 november 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 29 juli 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 21 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 2.000. Omdat de bezwaarfase afgerond 11 maanden heeft geduurd en daarmee 5 maanden te lang, komt € 476,19 voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 1.523,81) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.





Conclusie en gevolgen


5. Het beroep is gegrond omdat een hogere kostenvergoeding voor de bezwaarfase wordt toegekend. De naheffingsaanslag Bpm en de belastingrentebeschikking, zoals deze luiden na uitspraak op bezwaar, blijven wel in stand. Verder heeft belanghebbende recht op een vergoeding van immateriële schade.



5.1.

De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling.
In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666 met een wegingsfactor 1, in totaal derhalve € 1.332.
In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934 met een wegingsfactor 0,5, omdat belanghebbende gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld en het gewicht van het punt waarop belanghebbende gelijk heeft gekregen lichter is dan het gewicht van de zaak in zijn geheel. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen zodat de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase € 934 (2 maal € 934 maal 0,5) bedraagt.




5.2.
De rechtbank merkt op dat in de bezwaarfase een kostenvergoeding is toegekend van € 594. Indien dit bedrag al aan belanghebbende is uitbetaald, komt het in mindering op de (nog) door de inspecteur te betalen proceskostenvergoeding.




Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar uitsluitend met betrekking tot de beslissing over de kostenvergoeding;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van een kostenvergoeding van € 1.332;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 476,19;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.523,81;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 934 aan proceskosten aan belanghebbende.



Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier, op 29 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.














griffier


rechter








De rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.




De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.



De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.




Hoge Raad 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472, r.o. 4.3.4.


ECLI:NL:HR:2024:1060.


Hoge Raad 20 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:283 en Hoge Raad 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1659.