Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2026:1597
2026-06-17
Bestuursrecht; Belastingrecht
24/1242
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:GHSHE:2026:1597 → ECLI:NL:RBZWB:2024:3784 (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Inhoudsindicatie
BPM. Schade niet aannemelijk gemaakt. Ten onrechte lage tarief voor vergoeding van kosten van bezwaar gehanteerd. Hoger beroep gegrond op het punt ten aanzien van de kosten van het bezwaar.
Citeert (12)
- ECLI:NL:HR:2024:1060 Hoge Raad 12-07-2024
- ECLI:NL:HR:2020:63 Hoge Raad 17-01-2020
- ECLI:NL:HR:2020:323 Hoge Raad 21-02-2020
- ECLI:NL:HR:2022:640 Hoge Raad 20-05-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3313 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23-10-2024
- ECLI:NL:HR:2024:1060 Hoge Raad 12-07-2024
- ECLI:NL:HR:2025:1375 Hoge Raad 26-09-2025
- ECLI:NL:HR:2025:1383 Hoge Raad 26-09-2025
- ECLI:NL:HR:2025:46 Hoge Raad 17-01-2025
- ECLI:NL:HR:2025:243 Hoge Raad 14-02-2025
- ECLI:NL:HR:2024:1659 Hoge Raad 15-11-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2524 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 07-08-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (21.681 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/1242
Uitspraak op het hoger beroep van
V.O.F. [belanghebbende] ,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 6 juni 2024, nummer BRE 22/4061, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 6 mei 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2Feiten
2.1.
Op 11 augustus 2020 heeft belanghebbende blijkens een inkoopfactuur een Toyota Aygo met VIN-nummer [VIN-nummer] (hierna: de auto) aangekocht voor een bedrag van € 9.250.
2.2.
Belanghebbende heeft de auto op 18 september 2020 blijkens een verkoopfactuur verkocht aan “ [bedrijf] ” voor een bedrag van € 11.725.
2.3.
[bedrijf] heeft ter zake van de auto op 3 november 2020 een factuur met omschrijving “schade gerepareerd” opgesteld van € 1.003,95.
2.4.
Belanghebbende heeft op 22 september 2020 aangifte gedaan ter zake van de registratie van de auto naar een te betalen bedrag aan BPM van € 174. Belanghebbende heeft bij de aangifte een taxatierapport gevoegd van [taxatiebedrijf] B.V. van 1 september 2020. De afgelezen tellerstand is volgens het rapport 23 kilometer. In dit rapport heeft de taxateur een bedrag aan schade vastgesteld van € 8.850. Belanghebbende heeft in verband met de geconstateerde schade de handelsinkoopwaarde op € 1.345 vastgesteld.
2.5.
De inspecteur heeft op basis van hem ter beschikking staande gegevens het standpunt ingenomen dat de auto een nieuw motorrijtuig betreft, en om die reden de verschuldigde BPM moet worden vastgesteld op € 2.186. Vervolgens heeft de inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd van € 2.012.
2.6.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. Op verzoek van de inspecteur heeft belanghebbende ter onderbouwing van zijn standpunt dat de auto gebruikt is de inkoopfactuur, verkoopfactuur en reparatiefactuur overgelegd.
2.7.
De inspecteur is in zijn uitspraak op bezwaar gedeeltelijk aan het bezwaar tegemoet gekomen. De inspecteur heeft daartoe in zijn uitspraak op bezwaar onder meer het volgende overwogen:
“Op grond van de beoordeling van het bezwaar en de overgelegde bescheiden bij het bezwaar concludeer ik dat de auto gebruikt is en stel ik de verschuldigde BPM vast op € 1.119 (zie Beoordeling bezwaar Nieuw en ongebruikt (tijdspad)). De handelsinkoopwaarde in het taxatierapport van € 1.345 kan niet dienen. De factuur prijs van € 9.250 (exclusief BTW/BPM en de nog te herstellen schade) geeft aan dat de handelsinkoopwaarde in het taxatie rapport niet juist is weergegeven.
De handelsinkoopwaarde heb ik op grond van de overgelegde bescheiden bij het bezwaar vastgesteld op € 9.191 (zie Beoordeling bezwaar Nieuw en ongebruikt (tijdspad)).
De naheffingsaanslag wordt verminderd met € 1.067.
De naheffingsaanslag stel ik vast op € 945.
Uitspraak
Ik verklaar het bezwaar gegrond.
Proceskostenvergoeding
Tijdens de bezwaarprocedure heeft u verzocht om vergoeding van de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van dit bezwaar heeft moeten maken. Ik wijs het verzoek om een proceskostenvergoeding met 2 punten toe.”
2.8.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de minister) veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade van € 500, de minister veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende in beroep van € 218,75 en bepaald dat de minister het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden.
3Geschil en conclusies van partijen
3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
I. Is de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd? Meer specifiek is in geschil of de inspecteur voldoende rekening heeft gehouden met de waardevermindering wegens schade.
II. Heeft de inspecteur de kostenvergoeding in de bezwaarfase tot het juiste bedrag vastgesteld?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de naheffingsaanslag en toekenning van een hogere kostenvergoeding voor de bezwaarfase. De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar, maar alleen voor zover het de kostenvergoeding betreft en toekenning van een kostenvergoeding voor de bezwaarfase conform het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.
4Gronden
Ten aanzien van het geschil
I. Schade
4.1.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de schade op een te laag bedrag is vastgesteld door de inspecteur. De auto is na 23 kilometer in een ongeval terecht gekomen waardoor de auto ernstig beschadigd raakte. De schade moet worden vastgesteld aan de hand van een schadecalculatie waarin prijzen en werkzaamheden worden opgevoerd die normaliter door een bekwaam reparateur in rekening worden gebracht. Dit is een objectieve maatstaf. De reparatiekosten die daadwerkelijk in rekening zijn gebracht is een subjectieve maatstaf. Deze kosten behelzen niet de volledige reparatie. Onder andere de levering van de nieuwe portieren en het voorscherm worden niet genoemd op de factuur, aldus belanghebbende. De inspecteur heeft de auto niet gezien en de auto niet laten hertaxeren. De schade is zodoende onvoldoende betwist volgens belanghebbende.
4.2.
De inspecteur stelt zich primair op het standpunt dat de auto nieuw is waardoor de naheffingsaanslag eerder te laag dan te hoog is opgelegd. De inspecteur wijst verder op de inkoopfactuur. In totaal heeft belanghebbende minimaal € 13.378, inclusief btw en BPM, voor de auto betaald. De handelsinkoopwaarde die belanghebbende bepleit van € 1.345, is daardoor niet realistisch. Daarnaast betwist de inspecteur dat de auto betrokken is geraakt bij een ongeval. De inspecteur voert aan dat de auto op 18 september 2020 aan een andere autohandelaar is verkocht voor een veel hogere prijs. De autohandelaar heeft de auto vervolgens verkocht aan een particulier, maar deze factuur ontbreekt. Het rapport van belanghebbende voldoet ook niet aan de eisen, omdat de auto niet in dezelfde staat verkeerde ten tijde van het doen van de aangifte voor de BPM. Daarnaast voldoet de koerslijst en de schadecalculatie niet aan het één maand-vereiste. Ook is geen sprake van een gedegen fysieke opname. Volgens de inspecteur blijkt niet uit de foto’s dat de portieren beschadigd zijn.
4.3.
Het hof stelt voorop dat de verschuldigde BPM met betrekking tot gebruikte personenauto’s wordt berekend met inachtneming van een vermindering. Deze vermindering is de afschrijving, uitgedrukt in procenten van de som van de catalogusprijs en de BPM op het tijdstip waarop de auto voor het eerst in gebruik is genomen. De stelplicht en bewijslast met betrekking tot de toepasselijkheid en de omvang van die vermindering rusten op de belastingplichtige. De vermindering heeft tot doel om bij de heffing van BPM ter zake van gebruikte personenauto’s rekening te houden met een (bij benadering) reële waardedaling van het desbetreffende voertuig.
4.4.
De wet- en regelgever heeft voorzien in drie methoden waaruit - met inachtneming van bepaalde voorwaarden - kan worden gekozen om die reële waardedaling aannemelijk te maken, namelijk door een verwijzing naar een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland, onder overlegging van een kopie van de passage uit die koerslijst waaraan de toegepaste afschrijving is ontleend, ofwel door een verklaring van een onafhankelijke, erkende taxateur dat de in het taxatierapport opgegeven waarde door hem naar waarheid is vastgesteld aan de hand van een gedegen fysieke opname van het motorrijtuig, onder vermelding van datum, begin- en eindtijd van deze fysieke opname en naam, adres en woonplaats van degene die de taxatie feitelijk heeft verricht. Indien de belastingplichtige geen gebruik maakt van één van de hiervoor bedoelde opgaven, wordt de afschrijving bepaald aan de hand van de in artikel 8, lid 5, Uitvoeringsregeling BPM voorziene afschrijvingstabel. Hetgeen hiervoor onder 4.1 is overwogen brengt mee dat de belastingplichtige die kiest voor één van die methodes, in geval van gemotiveerde betwisting door de inspecteur, de feiten aannemelijk dient te maken die meebrengen (a) dat die methode in zijn geval mag worden toegepast en (b) dat toepassing van die methode leidt tot de door hem verdedigde waardedaling.
4.5.
Normale gebruiksschade kan niet in mindering gebracht worden op de handelsinkoopwaarde van de auto. Op grond van artikel 2, aanhef en letter c, Wet BPM dient onder normale gebruiksschade te worden verstaan slijtage en kleine beschadigingen die ontstaan door gebruik van een voertuig en die passen bij de leeftijd en kilometrage van het voertuig. Te denken valt hierbij aan slijtage aan motor en banden of kleine beschadigingen zoals steenslag, krasjes en kleine deuken.
4.6.
De rechtbank heeft over de vraag of de auto nieuw of gebruikt is als volgt geoordeeld:
“4.2. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt. Gelet op de bewoordingen uit de uitspraak op bezwaar (zie 3.6) is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur, na beoordeling van de door belanghebbende overgelegde stukken, expliciet het standpunt heeft ingenomen dat sprake is van een gebruikte auto. Voor de stelling dat, zoals de inspecteur betoogt, belanghebbende geen beroep op het vertrouwensbeginsel toekomt omdat zij de aangifte Bpm te kwade trouw heeft ingediend, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten in het dossier. De rechtbank neemt daarom als uitgangspunt dat de auto een gebruikte auto betreft.”
Het hof acht dit oordeel juist, op goede gronden gegeven en maakt het oordeel tot de zijne.
4.7.
Voordat het hof toekomt aan een beoordeling van de gestelde waardedaling als gevolg van schade aan de auto, overweegt het hof het volgende. De inspecteur heeft zich beklaagd over diverse formele en/of materiële gebreken aan het taxatierapport van belanghebbende. Het standpunt van de inspecteur dat, zoals de inspecteur heeft gesteld, de taxateur van belanghebbende de fysieke opname in slechts 15 minuten heeft gedaan en geen onderzoek is ingesteld naar de oorzaak van de schade, heeft naar het oordeel van het hof, niet tot gevolg dat aan dat rapport geen waarde kan worden gehecht. Het hof verwerpt daarom de stellingen van de inspecteur over de formele en/of materiële gebreken aan het taxatierapport. Tevens verwerpt het hof de stelling van belanghebbende dat de inspecteur de schade onvoldoende heeft weersproken door geen hertaxatie te laten uitvoeren door DRZ. Anders dan belanghebbende betoogt, is de inspecteur niet gehouden om een hertaxatie te laten uitvoeren en kan hij ook zonder een dergelijke taxatie de door belanghebbende opgevoerde schade gemotiveerd betwisten.
4.8.
Het hof is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer schade dan de inspecteur al in aanmerking heeft genomen. Het hof heeft bij dat oordeel mede belang gehecht aan de hoogte van de door belanghebbende betaalde prijs voor de auto.
II. Kostenvergoeding bezwaar
4.9.
Belanghebbende heeft betoogd dat de inspecteur bij de vaststelling van de vergoeding voor de kosten van bezwaar ten onrechte het lage tarief van € 269 per punt heeft gehanteerd.
4.10.
Deze klacht is gegrond. De inspecteur heeft de vergoeding voor de kosten van bezwaar vastgesteld op (2 punten x € 269 x wegingsfactor 1 is) € 538. Zoals de Hoge Raad in het arrest van 12 juli 2024 heeft geoordeeld moet punt 1 van onderdeel B2 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) buiten toepassing blijven. De regelgever heeft immers het verschil in vergoeding van de kosten voor de bezwaarfase tussen belastingzaken en overige zaken onvoldoende onderbouwd. Het hof zal daarom de vergoeding voor de kosten voor de bezwaarfase opnieuw vaststellen op (2 punten x € 666 x wegingsfactor 1 is) € 1.332.
Tussenconclusie
4.11.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.12.
De inspecteur dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 559 te vergoeden, omdat de kostenvergoeding voor de bezwaarfase te laag is vastgesteld.
Ten aanzien van de proceskosten
4.13.
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het standpunt van belanghebbende dat de kostenvergoeding voor de bezwaarfase te laag is vastgesteld slaagt.
4.14.
In het kader van de toe te kennen proceskostenvergoeding BPM voor de hoger beroepsfase heeft belanghebbende gemotiveerd gesteld dat artikel 19a Wet BPM in het onderhavige geval geen toepassing vindt, omdat de Hoge Raad in de arresten van 26 september 2025 heeft geoordeeld dat, gelet op het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van cassatie in 2024, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025. Aangezien het onderhavige hoger beroep eveneens is ingesteld in 2024, dient in deze zaak te worden vastgesteld dat het geval van belanghebbende is aan te merken als een bijzonder geval als hiervoor bedoeld. Het hof is van oordeel dat belanghebbende hierin moet worden gevolgd. Dit betekent dat het hof de proceskostenvergoeding zal vaststellen op basis van het Bpb zonder daarbij rekening te houden met de uit artikel 19a, lid 2, letter b, Wet BPM voortvloeiende vermenigvuldigingsfactor. Wel ziet het hof aanleiding tot matiging van de proceskostenvergoeding voor de hoger beroepsfase op grond van artikel 2, lid 2, eerste volzin, Bpb. Het hof stelt vast dat belanghebbende in hoger beroep gedeeltelijk in het gelijk is gesteld; zij heeft ongelijk gekregen wat betreft het geschilpunt over de schade en gelijk wat betreft het geschilpunt over de kostenvergoeding voor de bezwaarfase. Gelet hierop is het hof van oordeel dat belanghebbende uitsluitend in het gelijk wordt gesteld op een punt van ondergeschikt belang. Het geschilpunten waarop belanghebbende in het gelijk is gesteld is in die zin ‘zeer licht’ dat indien de zaak alleen over dat geschilpunt zou zijn gegaan het gewicht van de zaak ‘zeer licht’ (0,25) zou zijn geweest. Dit betekent dat het hof de proceskostenvergoeding voor de hoger beroepsfase zal vaststellen uitgaande van een factor gewicht van de zaak van 0,25.
4.16.
Het hof stelt de tegemoetkoming voor het hoger beroep, mede op grond van artikel 2, lid 2, eerste volzin, Bpb, op 2 (punten) x € 934 (waarde per punt) x 0,25 (factor gewicht van de zaak) € 467.
4.17.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 Bpb heeft gemaakt.
5Beslissing
Het hof:
verklaart het hoger beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor zover het de kostenvergoeding voor de bezwaarfase betreft;
vernietigt de uitspraak op bezwaar, maar alleen voor zover het de kostenvergoeding voor de bezwaarfase betreft;
bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 559 vergoedt;
veroordeelt de inspecteur in de kosten van het bezwaar van € 1.332;
veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van € 467.
De uitspraak is gedaan door E.P.A. Brakeboer, voorzitter, T.A. Gladpootjes en W.W. Monteiro, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E. Royakkers E.P.A. Brakeboer
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Artikel 10, lid 1, Wet BPM.
Artikel 10, lid 2, Wet BPM.
Hoge Raad 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3.
Hoge Raad 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:323, r.o. 3.1.2.
Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.4.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 23 oktober 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:3313.
1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, zie Bpb.
Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.
1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, zie Bpb.
ECLI:NL:HR:2025:1375 tot en met ECLI:NL:HR:2025:1383.
ECLI:NL:HR:2025:46.
Hoge Raad 14 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:243, r.o. 3.2.2 en Hoge Raad 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1659, r.o. 2.2.2.
Zie de bijlage bij de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524, onderdeel 1.2, letter c.
1 punt voor het hogerberoepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, zie Bpb.
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/1242
Uitspraak op het hoger beroep van
V.O.F. [belanghebbende] ,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 6 juni 2024, nummer BRE 22/4061, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 6 mei 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2Feiten
2.1.
Op 11 augustus 2020 heeft belanghebbende blijkens een inkoopfactuur een Toyota Aygo met VIN-nummer [VIN-nummer] (hierna: de auto) aangekocht voor een bedrag van € 9.250.
2.2.
Belanghebbende heeft de auto op 18 september 2020 blijkens een verkoopfactuur verkocht aan “ [bedrijf] ” voor een bedrag van € 11.725.
2.3.
[bedrijf] heeft ter zake van de auto op 3 november 2020 een factuur met omschrijving “schade gerepareerd” opgesteld van € 1.003,95.
2.4.
Belanghebbende heeft op 22 september 2020 aangifte gedaan ter zake van de registratie van de auto naar een te betalen bedrag aan BPM van € 174. Belanghebbende heeft bij de aangifte een taxatierapport gevoegd van [taxatiebedrijf] B.V. van 1 september 2020. De afgelezen tellerstand is volgens het rapport 23 kilometer. In dit rapport heeft de taxateur een bedrag aan schade vastgesteld van € 8.850. Belanghebbende heeft in verband met de geconstateerde schade de handelsinkoopwaarde op € 1.345 vastgesteld.
2.5.
De inspecteur heeft op basis van hem ter beschikking staande gegevens het standpunt ingenomen dat de auto een nieuw motorrijtuig betreft, en om die reden de verschuldigde BPM moet worden vastgesteld op € 2.186. Vervolgens heeft de inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd van € 2.012.
2.6.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. Op verzoek van de inspecteur heeft belanghebbende ter onderbouwing van zijn standpunt dat de auto gebruikt is de inkoopfactuur, verkoopfactuur en reparatiefactuur overgelegd.
2.7.
De inspecteur is in zijn uitspraak op bezwaar gedeeltelijk aan het bezwaar tegemoet gekomen. De inspecteur heeft daartoe in zijn uitspraak op bezwaar onder meer het volgende overwogen:
“Op grond van de beoordeling van het bezwaar en de overgelegde bescheiden bij het bezwaar concludeer ik dat de auto gebruikt is en stel ik de verschuldigde BPM vast op € 1.119 (zie Beoordeling bezwaar Nieuw en ongebruikt (tijdspad)). De handelsinkoopwaarde in het taxatierapport van € 1.345 kan niet dienen. De factuur prijs van € 9.250 (exclusief BTW/BPM en de nog te herstellen schade) geeft aan dat de handelsinkoopwaarde in het taxatie rapport niet juist is weergegeven.
De handelsinkoopwaarde heb ik op grond van de overgelegde bescheiden bij het bezwaar vastgesteld op € 9.191 (zie Beoordeling bezwaar Nieuw en ongebruikt (tijdspad)).
De naheffingsaanslag wordt verminderd met € 1.067.
De naheffingsaanslag stel ik vast op € 945.
Uitspraak
Ik verklaar het bezwaar gegrond.
Proceskostenvergoeding
Tijdens de bezwaarprocedure heeft u verzocht om vergoeding van de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van dit bezwaar heeft moeten maken. Ik wijs het verzoek om een proceskostenvergoeding met 2 punten toe.”
2.8.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de minister) veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade van € 500, de minister veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende in beroep van € 218,75 en bepaald dat de minister het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden.
3Geschil en conclusies van partijen
3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
I. Is de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd? Meer specifiek is in geschil of de inspecteur voldoende rekening heeft gehouden met de waardevermindering wegens schade.
II. Heeft de inspecteur de kostenvergoeding in de bezwaarfase tot het juiste bedrag vastgesteld?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de naheffingsaanslag en toekenning van een hogere kostenvergoeding voor de bezwaarfase. De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar, maar alleen voor zover het de kostenvergoeding betreft en toekenning van een kostenvergoeding voor de bezwaarfase conform het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.
4Gronden
Ten aanzien van het geschil
I. Schade
4.1.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de schade op een te laag bedrag is vastgesteld door de inspecteur. De auto is na 23 kilometer in een ongeval terecht gekomen waardoor de auto ernstig beschadigd raakte. De schade moet worden vastgesteld aan de hand van een schadecalculatie waarin prijzen en werkzaamheden worden opgevoerd die normaliter door een bekwaam reparateur in rekening worden gebracht. Dit is een objectieve maatstaf. De reparatiekosten die daadwerkelijk in rekening zijn gebracht is een subjectieve maatstaf. Deze kosten behelzen niet de volledige reparatie. Onder andere de levering van de nieuwe portieren en het voorscherm worden niet genoemd op de factuur, aldus belanghebbende. De inspecteur heeft de auto niet gezien en de auto niet laten hertaxeren. De schade is zodoende onvoldoende betwist volgens belanghebbende.
4.2.
De inspecteur stelt zich primair op het standpunt dat de auto nieuw is waardoor de naheffingsaanslag eerder te laag dan te hoog is opgelegd. De inspecteur wijst verder op de inkoopfactuur. In totaal heeft belanghebbende minimaal € 13.378, inclusief btw en BPM, voor de auto betaald. De handelsinkoopwaarde die belanghebbende bepleit van € 1.345, is daardoor niet realistisch. Daarnaast betwist de inspecteur dat de auto betrokken is geraakt bij een ongeval. De inspecteur voert aan dat de auto op 18 september 2020 aan een andere autohandelaar is verkocht voor een veel hogere prijs. De autohandelaar heeft de auto vervolgens verkocht aan een particulier, maar deze factuur ontbreekt. Het rapport van belanghebbende voldoet ook niet aan de eisen, omdat de auto niet in dezelfde staat verkeerde ten tijde van het doen van de aangifte voor de BPM. Daarnaast voldoet de koerslijst en de schadecalculatie niet aan het één maand-vereiste. Ook is geen sprake van een gedegen fysieke opname. Volgens de inspecteur blijkt niet uit de foto’s dat de portieren beschadigd zijn.
4.3.
Het hof stelt voorop dat de verschuldigde BPM met betrekking tot gebruikte personenauto’s wordt berekend met inachtneming van een vermindering. Deze vermindering is de afschrijving, uitgedrukt in procenten van de som van de catalogusprijs en de BPM op het tijdstip waarop de auto voor het eerst in gebruik is genomen. De stelplicht en bewijslast met betrekking tot de toepasselijkheid en de omvang van die vermindering rusten op de belastingplichtige. De vermindering heeft tot doel om bij de heffing van BPM ter zake van gebruikte personenauto’s rekening te houden met een (bij benadering) reële waardedaling van het desbetreffende voertuig.
4.4.
De wet- en regelgever heeft voorzien in drie methoden waaruit - met inachtneming van bepaalde voorwaarden - kan worden gekozen om die reële waardedaling aannemelijk te maken, namelijk door een verwijzing naar een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland, onder overlegging van een kopie van de passage uit die koerslijst waaraan de toegepaste afschrijving is ontleend, ofwel door een verklaring van een onafhankelijke, erkende taxateur dat de in het taxatierapport opgegeven waarde door hem naar waarheid is vastgesteld aan de hand van een gedegen fysieke opname van het motorrijtuig, onder vermelding van datum, begin- en eindtijd van deze fysieke opname en naam, adres en woonplaats van degene die de taxatie feitelijk heeft verricht. Indien de belastingplichtige geen gebruik maakt van één van de hiervoor bedoelde opgaven, wordt de afschrijving bepaald aan de hand van de in artikel 8, lid 5, Uitvoeringsregeling BPM voorziene afschrijvingstabel. Hetgeen hiervoor onder 4.1 is overwogen brengt mee dat de belastingplichtige die kiest voor één van die methodes, in geval van gemotiveerde betwisting door de inspecteur, de feiten aannemelijk dient te maken die meebrengen (a) dat die methode in zijn geval mag worden toegepast en (b) dat toepassing van die methode leidt tot de door hem verdedigde waardedaling.
4.5.
Normale gebruiksschade kan niet in mindering gebracht worden op de handelsinkoopwaarde van de auto. Op grond van artikel 2, aanhef en letter c, Wet BPM dient onder normale gebruiksschade te worden verstaan slijtage en kleine beschadigingen die ontstaan door gebruik van een voertuig en die passen bij de leeftijd en kilometrage van het voertuig. Te denken valt hierbij aan slijtage aan motor en banden of kleine beschadigingen zoals steenslag, krasjes en kleine deuken.
4.6.
De rechtbank heeft over de vraag of de auto nieuw of gebruikt is als volgt geoordeeld:
“4.2. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt. Gelet op de bewoordingen uit de uitspraak op bezwaar (zie 3.6) is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur, na beoordeling van de door belanghebbende overgelegde stukken, expliciet het standpunt heeft ingenomen dat sprake is van een gebruikte auto. Voor de stelling dat, zoals de inspecteur betoogt, belanghebbende geen beroep op het vertrouwensbeginsel toekomt omdat zij de aangifte Bpm te kwade trouw heeft ingediend, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten in het dossier. De rechtbank neemt daarom als uitgangspunt dat de auto een gebruikte auto betreft.”
Het hof acht dit oordeel juist, op goede gronden gegeven en maakt het oordeel tot de zijne.
4.7.
Voordat het hof toekomt aan een beoordeling van de gestelde waardedaling als gevolg van schade aan de auto, overweegt het hof het volgende. De inspecteur heeft zich beklaagd over diverse formele en/of materiële gebreken aan het taxatierapport van belanghebbende. Het standpunt van de inspecteur dat, zoals de inspecteur heeft gesteld, de taxateur van belanghebbende de fysieke opname in slechts 15 minuten heeft gedaan en geen onderzoek is ingesteld naar de oorzaak van de schade, heeft naar het oordeel van het hof, niet tot gevolg dat aan dat rapport geen waarde kan worden gehecht. Het hof verwerpt daarom de stellingen van de inspecteur over de formele en/of materiële gebreken aan het taxatierapport. Tevens verwerpt het hof de stelling van belanghebbende dat de inspecteur de schade onvoldoende heeft weersproken door geen hertaxatie te laten uitvoeren door DRZ. Anders dan belanghebbende betoogt, is de inspecteur niet gehouden om een hertaxatie te laten uitvoeren en kan hij ook zonder een dergelijke taxatie de door belanghebbende opgevoerde schade gemotiveerd betwisten.
4.8.
Het hof is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer schade dan de inspecteur al in aanmerking heeft genomen. Het hof heeft bij dat oordeel mede belang gehecht aan de hoogte van de door belanghebbende betaalde prijs voor de auto.
II. Kostenvergoeding bezwaar
4.9.
Belanghebbende heeft betoogd dat de inspecteur bij de vaststelling van de vergoeding voor de kosten van bezwaar ten onrechte het lage tarief van € 269 per punt heeft gehanteerd.
4.10.
Deze klacht is gegrond. De inspecteur heeft de vergoeding voor de kosten van bezwaar vastgesteld op (2 punten x € 269 x wegingsfactor 1 is) € 538. Zoals de Hoge Raad in het arrest van 12 juli 2024 heeft geoordeeld moet punt 1 van onderdeel B2 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) buiten toepassing blijven. De regelgever heeft immers het verschil in vergoeding van de kosten voor de bezwaarfase tussen belastingzaken en overige zaken onvoldoende onderbouwd. Het hof zal daarom de vergoeding voor de kosten voor de bezwaarfase opnieuw vaststellen op (2 punten x € 666 x wegingsfactor 1 is) € 1.332.
Tussenconclusie
4.11.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.12.
De inspecteur dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 559 te vergoeden, omdat de kostenvergoeding voor de bezwaarfase te laag is vastgesteld.
Ten aanzien van de proceskosten
4.13.
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het standpunt van belanghebbende dat de kostenvergoeding voor de bezwaarfase te laag is vastgesteld slaagt.
4.14.
In het kader van de toe te kennen proceskostenvergoeding BPM voor de hoger beroepsfase heeft belanghebbende gemotiveerd gesteld dat artikel 19a Wet BPM in het onderhavige geval geen toepassing vindt, omdat de Hoge Raad in de arresten van 26 september 2025 heeft geoordeeld dat, gelet op het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van cassatie in 2024, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025. Aangezien het onderhavige hoger beroep eveneens is ingesteld in 2024, dient in deze zaak te worden vastgesteld dat het geval van belanghebbende is aan te merken als een bijzonder geval als hiervoor bedoeld. Het hof is van oordeel dat belanghebbende hierin moet worden gevolgd. Dit betekent dat het hof de proceskostenvergoeding zal vaststellen op basis van het Bpb zonder daarbij rekening te houden met de uit artikel 19a, lid 2, letter b, Wet BPM voortvloeiende vermenigvuldigingsfactor. Wel ziet het hof aanleiding tot matiging van de proceskostenvergoeding voor de hoger beroepsfase op grond van artikel 2, lid 2, eerste volzin, Bpb. Het hof stelt vast dat belanghebbende in hoger beroep gedeeltelijk in het gelijk is gesteld; zij heeft ongelijk gekregen wat betreft het geschilpunt over de schade en gelijk wat betreft het geschilpunt over de kostenvergoeding voor de bezwaarfase. Gelet hierop is het hof van oordeel dat belanghebbende uitsluitend in het gelijk wordt gesteld op een punt van ondergeschikt belang. Het geschilpunten waarop belanghebbende in het gelijk is gesteld is in die zin ‘zeer licht’ dat indien de zaak alleen over dat geschilpunt zou zijn gegaan het gewicht van de zaak ‘zeer licht’ (0,25) zou zijn geweest. Dit betekent dat het hof de proceskostenvergoeding voor de hoger beroepsfase zal vaststellen uitgaande van een factor gewicht van de zaak van 0,25.
4.16.
Het hof stelt de tegemoetkoming voor het hoger beroep, mede op grond van artikel 2, lid 2, eerste volzin, Bpb, op 2 (punten) x € 934 (waarde per punt) x 0,25 (factor gewicht van de zaak) € 467.
4.17.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 Bpb heeft gemaakt.
5Beslissing
Het hof:
verklaart het hoger beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor zover het de kostenvergoeding voor de bezwaarfase betreft;
vernietigt de uitspraak op bezwaar, maar alleen voor zover het de kostenvergoeding voor de bezwaarfase betreft;
bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 559 vergoedt;
veroordeelt de inspecteur in de kosten van het bezwaar van € 1.332;
veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van € 467.
De uitspraak is gedaan door E.P.A. Brakeboer, voorzitter, T.A. Gladpootjes en W.W. Monteiro, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E. Royakkers E.P.A. Brakeboer
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Artikel 10, lid 1, Wet BPM.
Artikel 10, lid 2, Wet BPM.
Hoge Raad 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3.
Hoge Raad 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:323, r.o. 3.1.2.
Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.4.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 23 oktober 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:3313.
1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, zie Bpb.
Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.
1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, zie Bpb.
ECLI:NL:HR:2025:1375 tot en met ECLI:NL:HR:2025:1383.
ECLI:NL:HR:2025:46.
Hoge Raad 14 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:243, r.o. 3.2.2 en Hoge Raad 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1659, r.o. 2.2.2.
Zie de bijlage bij de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524, onderdeel 1.2, letter c.
1 punt voor het hogerberoepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, zie Bpb.