Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7660
2026-08-13
Bestuursrecht; Belastingrecht
23/11398
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bpm. Taxatiemethode kan niet worden toegepast, omdat het taxatierapport langer dan een maand voor het afschrijvingsmoment is opgesteld. Beroep ongegrond.
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:2025:1134 Hoge Raad 11-07-2025
- ECLI:NL:HR:2023:1526 Hoge Raad 10-11-2023
- ECLI:NL:HR:2024:567 Hoge Raad 31-05-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.083 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11398
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, verbonden aan 123BPM.NL),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
en
de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 27 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 13.611 (de naheffingsaanslag).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur,
mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Ter zitting is gelijktijdig ook de zaak met zaaknummer 23/11399 van belanghebbende behandeld.
1.4.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de zaak voor een termijn van twee weken aangehouden. Daarbij is belanghebbende in de gelegenheid gesteld om de inkoopfactuur te overleggen.
1.5.
Belanghebbende heeft de inkoopfactuur op 26 mei 2026 overgelegd.
1.6.
Gelet op hetgeen besproken is ter zitting heeft de rechtbank in deze zaak geen aanleiding gezien om de inspecteur in de gelegenheid te stellen om schriftelijk te reageren op de inkoopfactuur. De rechtbank heeft met instemming van partijen een nadere zitting achterwege gelaten, het onderzoek bij brief van 4 juni 2026 gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende heeft op 4 maart 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Volkswagen Tiguan 2.0 TSI 4Motion Highline met [VIN-nummer] (de auto). Belanghebbende heeft een bedrag aan Bpm voldaan van € 10.270.
3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport van 28 februari 2022 bij de aangifte gevoegd. De fysieke opname ten behoeve van het opstellen van het taxatierapport heeft op 1 februari 2022 plaatsgevonden.
3.2.
De auto is op 17 maart 2022 gekeurd door de RDW.
3.3.
De inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat de taxatiemethode niet kan worden toegepast, omdat de fysieke opname niet binnen een maand voor het afschrijvingsmoment heeft plaatsgevonden. De inspecteur heeft de verschuldigde Bpm op basis van de forfaitaire afschrijvingstabel berekend op € 23.881 en de naheffingsaanslag aan belanghebbende opgelegd (zie 1.1).
Motivering
Herleidingsmethode
4. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
Taxatiemethode
4.1.
Tussen partijen staat vast dat de auto op 17 maart 2022 door de RDW is gekeurd en dat de fysieke opname ten behoeve van het opstellen van het taxatierapport op
1 februari 2022 heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat de fysieke schouw van de auto meer dan een maand voor de keuring bij de RDW (het afschrijvingsmoment) heeft plaatsgevonden.
4.2.
Belanghebbende stelt dat hij de verschuldigde Bpm mocht bepalen met toepassing van de taxatiemethode. Volgens belanghebbende kan artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling Bpm niet zo worden uitgelegd dat het niet is toegestaan om een taxatierapport te gebruiken waarin de auto langer dan een maand voor de keuring bij de RDW is geschouwd. Volgens belanghebbende heeft de inspecteur in strijd gehandeld met het evenredigheidsbeginsel.
4.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Per 1 januari 2022 bepaalt artikel 8, vierde lid,
onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling Bpm onder meer dat de fysieke opname heeft plaatsgevonden ten hoogste een maand vóór het afschrijvingsmoment. In de toelichting op de regeling is hierover verder het volgende vermeld:
“Artikel 8, vierde lid, UR BPM 1992 wordt aangepast zodat de fysieke opname door de inspecteur moet gebeuren binnen één maand voor het afschrijvingsmoment. Dat betekent automatisch ook dat het taxatierapport moet zijn opgesteld binnen één maand voor het afschrijvingsmoment. Het afschrijvingsmoment bij de inschrijving van een gebruikt motorrijtuig in het kentekenregister is het inschrijvingsonderzoek van de RDW. Tevens moet de staat van het motorrijtuig in het taxatierapport overeenkomen met de staat van het motorrijtuig ten tijde van het inschrijvingsonderzoek.”
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de hierboven aangehaalde bepalingen het taxatierapport niet gebruikt kan worden bij het vaststellen van de vermindering en de daarvoor te verstrekken opgaaf als bedoeld in artikel 10 van de Wet Bpm. Artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling Bpm kan redelijkerwijs niet zo worden gelezen dat het mogelijk is om gebruik te maken van een taxatierapport dat is opgesteld langer dan een maand voor het afschrijvingsmoment. Die lezing druist – gelet op de feiten en omstandigheden van het geval – niet in tegen enig rechtsbeginsel. De taxatiemethode kan niet worden toegepast. De beroepsgrond van belanghebbende slaagt niet.
Hoogte naheffingsaanslag
4.5.
Belanghebbende heeft geen beroep gedaan op de koerslijstmethode. De inspecteur heeft daarom terecht de forfaitaire afschrijvingstabel toegepast. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd.
Immateriële schadevergoeding
4.6.
Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.7.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 11 januari 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 13 augustus 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond twintig maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 2.000.
4.8.
Omdat de bezwaarfase afgerond tien maanden heeft geduurd en daarmee vier maanden te lang, komt 4/20 deel, derhalve € 400 voor de rekening van de inspecteur en de rest, zijnde € 1.600 voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 2.000.
5.1.
Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van zijn proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25, wat neerkomt op € 233,50. De Staat en de inspecteur moeten die kosten ieder voor de helft vergoeden.
5.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding weliswaar is gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 maar de redelijke termijn op deze datum nog niet was overschreden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 400;
veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.600;
veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende;
veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. Damen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11398
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, verbonden aan 123BPM.NL),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
en
de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 27 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 13.611 (de naheffingsaanslag).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur,
mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Ter zitting is gelijktijdig ook de zaak met zaaknummer 23/11399 van belanghebbende behandeld.
1.4.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de zaak voor een termijn van twee weken aangehouden. Daarbij is belanghebbende in de gelegenheid gesteld om de inkoopfactuur te overleggen.
1.5.
Belanghebbende heeft de inkoopfactuur op 26 mei 2026 overgelegd.
1.6.
Gelet op hetgeen besproken is ter zitting heeft de rechtbank in deze zaak geen aanleiding gezien om de inspecteur in de gelegenheid te stellen om schriftelijk te reageren op de inkoopfactuur. De rechtbank heeft met instemming van partijen een nadere zitting achterwege gelaten, het onderzoek bij brief van 4 juni 2026 gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende heeft op 4 maart 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Volkswagen Tiguan 2.0 TSI 4Motion Highline met [VIN-nummer] (de auto). Belanghebbende heeft een bedrag aan Bpm voldaan van € 10.270.
3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport van 28 februari 2022 bij de aangifte gevoegd. De fysieke opname ten behoeve van het opstellen van het taxatierapport heeft op 1 februari 2022 plaatsgevonden.
3.2.
De auto is op 17 maart 2022 gekeurd door de RDW.
3.3.
De inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat de taxatiemethode niet kan worden toegepast, omdat de fysieke opname niet binnen een maand voor het afschrijvingsmoment heeft plaatsgevonden. De inspecteur heeft de verschuldigde Bpm op basis van de forfaitaire afschrijvingstabel berekend op € 23.881 en de naheffingsaanslag aan belanghebbende opgelegd (zie 1.1).
Motivering
Herleidingsmethode
4. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
Taxatiemethode
4.1.
Tussen partijen staat vast dat de auto op 17 maart 2022 door de RDW is gekeurd en dat de fysieke opname ten behoeve van het opstellen van het taxatierapport op
1 februari 2022 heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat de fysieke schouw van de auto meer dan een maand voor de keuring bij de RDW (het afschrijvingsmoment) heeft plaatsgevonden.
4.2.
Belanghebbende stelt dat hij de verschuldigde Bpm mocht bepalen met toepassing van de taxatiemethode. Volgens belanghebbende kan artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling Bpm niet zo worden uitgelegd dat het niet is toegestaan om een taxatierapport te gebruiken waarin de auto langer dan een maand voor de keuring bij de RDW is geschouwd. Volgens belanghebbende heeft de inspecteur in strijd gehandeld met het evenredigheidsbeginsel.
4.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Per 1 januari 2022 bepaalt artikel 8, vierde lid,
onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling Bpm onder meer dat de fysieke opname heeft plaatsgevonden ten hoogste een maand vóór het afschrijvingsmoment. In de toelichting op de regeling is hierover verder het volgende vermeld:
“Artikel 8, vierde lid, UR BPM 1992 wordt aangepast zodat de fysieke opname door de inspecteur moet gebeuren binnen één maand voor het afschrijvingsmoment. Dat betekent automatisch ook dat het taxatierapport moet zijn opgesteld binnen één maand voor het afschrijvingsmoment. Het afschrijvingsmoment bij de inschrijving van een gebruikt motorrijtuig in het kentekenregister is het inschrijvingsonderzoek van de RDW. Tevens moet de staat van het motorrijtuig in het taxatierapport overeenkomen met de staat van het motorrijtuig ten tijde van het inschrijvingsonderzoek.”
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de hierboven aangehaalde bepalingen het taxatierapport niet gebruikt kan worden bij het vaststellen van de vermindering en de daarvoor te verstrekken opgaaf als bedoeld in artikel 10 van de Wet Bpm. Artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling Bpm kan redelijkerwijs niet zo worden gelezen dat het mogelijk is om gebruik te maken van een taxatierapport dat is opgesteld langer dan een maand voor het afschrijvingsmoment. Die lezing druist – gelet op de feiten en omstandigheden van het geval – niet in tegen enig rechtsbeginsel. De taxatiemethode kan niet worden toegepast. De beroepsgrond van belanghebbende slaagt niet.
Hoogte naheffingsaanslag
4.5.
Belanghebbende heeft geen beroep gedaan op de koerslijstmethode. De inspecteur heeft daarom terecht de forfaitaire afschrijvingstabel toegepast. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd.
Immateriële schadevergoeding
4.6.
Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.7.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 11 januari 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 13 augustus 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond twintig maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 2.000.
4.8.
Omdat de bezwaarfase afgerond tien maanden heeft geduurd en daarmee vier maanden te lang, komt 4/20 deel, derhalve € 400 voor de rekening van de inspecteur en de rest, zijnde € 1.600 voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 2.000.
5.1.
Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van zijn proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25, wat neerkomt op € 233,50. De Staat en de inspecteur moeten die kosten ieder voor de helft vergoeden.
5.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding weliswaar is gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 maar de redelijke termijn op deze datum nog niet was overschreden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 400;
veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.600;
veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende;
veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. Damen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.