Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6971
2026-07-29
Bestuursrecht; Belastingrecht
BRE 23/3788 en 23/3789
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
BPM
Citeert (4)
- ECLI:NL:HR:2025:1134 Hoge Raad 11-07-2025
- ECLI:NL:HR:2024:147 Hoge Raad 02-02-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2025:3376 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26-11-2025
- ECLI:NL:HR:2023:1526 Hoge Raad 10-11-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.624 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 23/3788 en 23/3789
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 29 juli 2026 in de zaken tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
en
de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van 26 juni 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 9.757.
1.2.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende heeft op aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Landrover Range Rover Sport 3.0 V6 Supercharged HSE Dynamic met [VIN-nummer 1] (auto 1), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 8.547.
3.1.
Belanghebbende heeft eveneens op 12 januari 2021 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een BMW X5M met [VIN-nummer 2] (auto 2), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 10.081.
3.2.
Belanghebbende heeft in beide aangiften een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. Bij de aangifte heeft belanghebbende van auto 1 een inkoopfactuur van € 40.500 en van auto 2 van € 50.000 overgelegd.
3.3.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat voor auto 1 de verschuldigde Bpm € 15.714 bedraagt en voor auto 2 € 12.671 en de naheffingsaanslag Bpm opgelegd.
Motivering
Vertrouwensbeginsel (beide auto’s)
4. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, gelet op het tijdsverloop van ruim een jaar tussen de controle bij DRZ en het opleggen van de naheffingsaanslag, de inspecteur het vertrouwen heeft gewekt dat de door belanghebbende aangegeven Bpm juist was en dat daarop niet meer zou worden teruggekomen.
4.1.
De rechtbank overweegt dat de bevoegdheid tot naheffing vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan. De inspecteur heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslag deze termijn niet overschreden. Gesteld noch gebleken is dat beleid bestaat dat de inspecteur ertoe dwingt binnen een bepaalde periode na de schouw door DRZ de naheffingsaanslag op te leggen. Het enkele tijdsverloop rechtvaardigt niet de conclusie dat belanghebbende redelijkerwijs mocht menen dat geen naheffingsaanslag zou worden opgelegd. Van een schending van het vertrouwensbeginsel is geen sprake.
Auto 1
Herleidingsmethode
4.2.
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
Afschrijvingsmethode
4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat er meer dan normale gebruiksschade aanwezig is aan auto 1 en dat daarom de taxatiemethode kan worden toegepast.
4.4.
Belanghebbende stelt dat rekening gehouden moet worden met een schadebedrag van € 15.272. De inspecteur is van mening dat rekening gehouden moet worden met de door DRZ geconstateerde schade van € 2.348.
4.5.
De bewijslast voor een waardevermindering wegens schade rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft ter onderbouwing van de in aanmerking genomen schade verwezen naar het taxatierapport en de bijbehorende foto’s. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand daarvan niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een grotere vermindering vanwege schade dan die al door de inspecteur in aanmerking is genomen. De rechtbank acht ook op basis van de overgelegde factuur niet aannemelijk dat sprake is van meer schade dan waar al rekening mee is gehouden.
Historische nieuwprijs
4.6.
Tussen partijen is vast komen te staan dat de historische nieuwprijs van de auto € 198.257 bedraagt. Partijen houdt verdeeld of de hogere historische nieuwprijs leidt tot een hoger afschrijvingspercentage.
Afschrijvingspercentage
4.7.
Belanghebbende stelt dat uitgaande van de handelsinkoopwaarde zoals door DRZ is gehanteerd van € 28.845 en een historische bruto bpm van € 20.942 de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 2.660. Volgens belanghebbende mag een wijziging van de historische nieuwprijs geen nadelige gevolgen voor belanghebbende tot gevolg hebben.
4.8.
De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde aan de hand van dezelfde koerslijst moeten worden vastgesteld. Het afschrijvingspercentage dat daaruit volgt moet worden toegepast op de bruto bpm van de importauto. Volgens de inspecteur brengt de hogere historische nieuwprijs mee dat van een hogere handelsinkoopwaarde moet worden uitgegaan, omdat rekening moet worden gehouden met een hogere CO2-uitstoot. De hogere CO2-uitstoot zal verband houden met de uitvoering of opties van de auto. De referentieauto heeft een CO2-uitstoot van 243 gr/km en is een 2.0 uitvoering met vermogen van 177 kW, terwijl de te registreren auto een CO2-uitstoot van 362 gr/km heeft en een 3.0 uitvoering is met een vermogen van 250 kW, aldus de inspecteur.
4.9.
De rechtbank overweegt dat de inspecteur gemotiveerd de door de belanghebbende verdedigde vermindering (afschrijving) heeft betwist. Het ligt dan op de weg van belanghebbende om de feiten aannemelijk te maken die deze vermindering onderbouwen. Dit betekent dat belanghebbende het bewijs dient te leveren dat een afwijkende CO2-uitstoot niet leidt tot een hogere handelsinkoopwaarde en dus tot een lager afschrijvingspercentage van de te registreren auto. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet in die bewijslast is geslaagd. Nu belanghebbende niet aannemelijk heeft kunnen maken waardoor het verschil in CO2-uitstoot wordt veroorzaakt, neemt de rechtbank als uitgangspunt dat een verschil in CO2-uitstoot zoals in deze zaak aan de orde is, te weten een verschil van 119 gr/km, zijn oorzaak moet vinden in een verschil in CO2-verhogende opties. Een dergelijk verschil in opties heeft gevolgen voor de handelsinkoopwaarde. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, had het op de weg van belanghebbende gelegen om toe te lichten of sprake is van verschillen in opties tussen de te registreren auto en het Nederlandse referentievoertuig en, zo ja, om te motiveren waarom die verschillen in opties géén invloed hebben op de handelsinkoopwaarde. Belanghebbende is dus niet in zijn bewijslast geslaagd. De rechtbank neemt hierbij mede in overweging dat de inkoopfactuur een bedrag van € 40.500 vermeldt. Gelet op het voorgaande neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat, zoals de inspecteur terecht heeft betoogd, de hogere CO2-uitstoot van de te registreren auto een zodanige invloed heeft op de handelsinkoopwaarde dat ondanks de hogere historische nieuwprijs het afschrijvingspercentage daardoor niet wijzigt.
Auto 2
Herleidingsmethode
4.10.
Belanghebbende heeft een beroep gedaan op de zogenoemde herleidingsmethode. Zoals hiervoor in 4.2 is overwogen slaagt dit beroep niet.
Taxatiemethode
4.1.
Belanghebbende stelt primair dat de taxatiemethode moet worden toegepast omdat sprake is van een auto met meer dan normale gebruiksschade. De inspecteur betwist dat er ten tijde van de aangifte sprake was van meer dan normale gebruikssporen. Daarbij wijst de inspecteur erop dat DRZ geen schade aan de auto heeft geconstateerd en heeft opgemerkt dat de opgegeven schadeposities niet zijn aangetroffen dan wel als gebruikssporen zijn aangemerkt.
4.2.
De bewijslast voor een waardevermindering wegens schade rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft verwezen naar zijn taxatierapport en de bijbehorende foto’s. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de auto drie jaar en negen maanden oud is en 54.191 km heeft gereden. Op de foto’s van de stoel die belanghebbende in beroep heeft overgelegd ziet de rechtbank geen schade. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor een waardevermindering in verband met het ontbreken van een Nederlandstalig boekenpakket, aangezien de aanleiding daarvoor niet verder is toegelicht. Het beleid dat binnen de branche zou bestaan leidt niet tot een ander oordeel. Dit brengt met zich dat de afschrijving voor de auto niet kan plaatsvinden aan de hand van de taxatiemethode op de grond dat sprake is van schade.
Subsidiaire standpunt
4.3.
In de conclusie van het beroepschrift heeft belanghebbende wel een subsidiair standpunt ingenomen maar daarvoor zijn geen stellingen betrokken. De rechtbank schuift het subsidiaire standpunt als onvoldoende gemotiveerd terzijde.
Hoogte van de naheffingsaanslag
4.4.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslag niet tot een te hoog bedrag is opgelegd.
Immateriële schadevergoeding
4.5.
Belanghebbende heeft op 20 juli 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.6.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 19 april 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 29 juli 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 28 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 2.500. Omdat de bezwaarfase afgerond 15 maanden heeft geduurd en daarmee 9 maanden te lang, komt € 803,57 voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 1.696,43) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.
Conclusie en gevolgen
5. De beroepen zijn ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 2.500.
5.1.
Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van zijn proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25, wat neerkomt op € 233,50. De inspecteur moet € 116,75 en de Staat € 116,75 van dit bedrag vergoeden.
5.2.
Belanghebbende krijgt ook een vergoeding van het griffierecht gelet op de datum van indiening van het bezwaar en de datum van het verzoek om de vergoeding van immateriële schade. De inspecteur en de Staat moeten ieder de helft vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade van € 803,57;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade van € 1.696,43;
- draagt de Staat op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht tot een bedrag van € 92;
- draagt de inspecteur op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht tot een bedrag van € 92;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier, op 29 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
Hoge Raad 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 26 november 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3376.
Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, r.o. 5.2.
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 23/3788 en 23/3789
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 29 juli 2026 in de zaken tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
en
de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van 26 juni 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 9.757.
1.2.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende heeft op aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Landrover Range Rover Sport 3.0 V6 Supercharged HSE Dynamic met [VIN-nummer 1] (auto 1), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 8.547.
3.1.
Belanghebbende heeft eveneens op 12 januari 2021 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een BMW X5M met [VIN-nummer 2] (auto 2), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 10.081.
3.2.
Belanghebbende heeft in beide aangiften een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. Bij de aangifte heeft belanghebbende van auto 1 een inkoopfactuur van € 40.500 en van auto 2 van € 50.000 overgelegd.
3.3.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat voor auto 1 de verschuldigde Bpm € 15.714 bedraagt en voor auto 2 € 12.671 en de naheffingsaanslag Bpm opgelegd.
Motivering
Vertrouwensbeginsel (beide auto’s)
4. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, gelet op het tijdsverloop van ruim een jaar tussen de controle bij DRZ en het opleggen van de naheffingsaanslag, de inspecteur het vertrouwen heeft gewekt dat de door belanghebbende aangegeven Bpm juist was en dat daarop niet meer zou worden teruggekomen.
4.1.
De rechtbank overweegt dat de bevoegdheid tot naheffing vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan. De inspecteur heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslag deze termijn niet overschreden. Gesteld noch gebleken is dat beleid bestaat dat de inspecteur ertoe dwingt binnen een bepaalde periode na de schouw door DRZ de naheffingsaanslag op te leggen. Het enkele tijdsverloop rechtvaardigt niet de conclusie dat belanghebbende redelijkerwijs mocht menen dat geen naheffingsaanslag zou worden opgelegd. Van een schending van het vertrouwensbeginsel is geen sprake.
Auto 1
Herleidingsmethode
4.2.
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
Afschrijvingsmethode
4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat er meer dan normale gebruiksschade aanwezig is aan auto 1 en dat daarom de taxatiemethode kan worden toegepast.
4.4.
Belanghebbende stelt dat rekening gehouden moet worden met een schadebedrag van € 15.272. De inspecteur is van mening dat rekening gehouden moet worden met de door DRZ geconstateerde schade van € 2.348.
4.5.
De bewijslast voor een waardevermindering wegens schade rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft ter onderbouwing van de in aanmerking genomen schade verwezen naar het taxatierapport en de bijbehorende foto’s. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand daarvan niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een grotere vermindering vanwege schade dan die al door de inspecteur in aanmerking is genomen. De rechtbank acht ook op basis van de overgelegde factuur niet aannemelijk dat sprake is van meer schade dan waar al rekening mee is gehouden.
Historische nieuwprijs
4.6.
Tussen partijen is vast komen te staan dat de historische nieuwprijs van de auto € 198.257 bedraagt. Partijen houdt verdeeld of de hogere historische nieuwprijs leidt tot een hoger afschrijvingspercentage.
Afschrijvingspercentage
4.7.
Belanghebbende stelt dat uitgaande van de handelsinkoopwaarde zoals door DRZ is gehanteerd van € 28.845 en een historische bruto bpm van € 20.942 de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 2.660. Volgens belanghebbende mag een wijziging van de historische nieuwprijs geen nadelige gevolgen voor belanghebbende tot gevolg hebben.
4.8.
De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde aan de hand van dezelfde koerslijst moeten worden vastgesteld. Het afschrijvingspercentage dat daaruit volgt moet worden toegepast op de bruto bpm van de importauto. Volgens de inspecteur brengt de hogere historische nieuwprijs mee dat van een hogere handelsinkoopwaarde moet worden uitgegaan, omdat rekening moet worden gehouden met een hogere CO2-uitstoot. De hogere CO2-uitstoot zal verband houden met de uitvoering of opties van de auto. De referentieauto heeft een CO2-uitstoot van 243 gr/km en is een 2.0 uitvoering met vermogen van 177 kW, terwijl de te registreren auto een CO2-uitstoot van 362 gr/km heeft en een 3.0 uitvoering is met een vermogen van 250 kW, aldus de inspecteur.
4.9.
De rechtbank overweegt dat de inspecteur gemotiveerd de door de belanghebbende verdedigde vermindering (afschrijving) heeft betwist. Het ligt dan op de weg van belanghebbende om de feiten aannemelijk te maken die deze vermindering onderbouwen. Dit betekent dat belanghebbende het bewijs dient te leveren dat een afwijkende CO2-uitstoot niet leidt tot een hogere handelsinkoopwaarde en dus tot een lager afschrijvingspercentage van de te registreren auto. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet in die bewijslast is geslaagd. Nu belanghebbende niet aannemelijk heeft kunnen maken waardoor het verschil in CO2-uitstoot wordt veroorzaakt, neemt de rechtbank als uitgangspunt dat een verschil in CO2-uitstoot zoals in deze zaak aan de orde is, te weten een verschil van 119 gr/km, zijn oorzaak moet vinden in een verschil in CO2-verhogende opties. Een dergelijk verschil in opties heeft gevolgen voor de handelsinkoopwaarde. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, had het op de weg van belanghebbende gelegen om toe te lichten of sprake is van verschillen in opties tussen de te registreren auto en het Nederlandse referentievoertuig en, zo ja, om te motiveren waarom die verschillen in opties géén invloed hebben op de handelsinkoopwaarde. Belanghebbende is dus niet in zijn bewijslast geslaagd. De rechtbank neemt hierbij mede in overweging dat de inkoopfactuur een bedrag van € 40.500 vermeldt. Gelet op het voorgaande neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat, zoals de inspecteur terecht heeft betoogd, de hogere CO2-uitstoot van de te registreren auto een zodanige invloed heeft op de handelsinkoopwaarde dat ondanks de hogere historische nieuwprijs het afschrijvingspercentage daardoor niet wijzigt.
Auto 2
Herleidingsmethode
4.10.
Belanghebbende heeft een beroep gedaan op de zogenoemde herleidingsmethode. Zoals hiervoor in 4.2 is overwogen slaagt dit beroep niet.
Taxatiemethode
4.1.
Belanghebbende stelt primair dat de taxatiemethode moet worden toegepast omdat sprake is van een auto met meer dan normale gebruiksschade. De inspecteur betwist dat er ten tijde van de aangifte sprake was van meer dan normale gebruikssporen. Daarbij wijst de inspecteur erop dat DRZ geen schade aan de auto heeft geconstateerd en heeft opgemerkt dat de opgegeven schadeposities niet zijn aangetroffen dan wel als gebruikssporen zijn aangemerkt.
4.2.
De bewijslast voor een waardevermindering wegens schade rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft verwezen naar zijn taxatierapport en de bijbehorende foto’s. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de auto drie jaar en negen maanden oud is en 54.191 km heeft gereden. Op de foto’s van de stoel die belanghebbende in beroep heeft overgelegd ziet de rechtbank geen schade. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor een waardevermindering in verband met het ontbreken van een Nederlandstalig boekenpakket, aangezien de aanleiding daarvoor niet verder is toegelicht. Het beleid dat binnen de branche zou bestaan leidt niet tot een ander oordeel. Dit brengt met zich dat de afschrijving voor de auto niet kan plaatsvinden aan de hand van de taxatiemethode op de grond dat sprake is van schade.
Subsidiaire standpunt
4.3.
In de conclusie van het beroepschrift heeft belanghebbende wel een subsidiair standpunt ingenomen maar daarvoor zijn geen stellingen betrokken. De rechtbank schuift het subsidiaire standpunt als onvoldoende gemotiveerd terzijde.
Hoogte van de naheffingsaanslag
4.4.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslag niet tot een te hoog bedrag is opgelegd.
Immateriële schadevergoeding
4.5.
Belanghebbende heeft op 20 juli 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.6.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 19 april 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 29 juli 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 28 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 2.500. Omdat de bezwaarfase afgerond 15 maanden heeft geduurd en daarmee 9 maanden te lang, komt € 803,57 voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 1.696,43) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.
Conclusie en gevolgen
5. De beroepen zijn ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 2.500.
5.1.
Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van zijn proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25, wat neerkomt op € 233,50. De inspecteur moet € 116,75 en de Staat € 116,75 van dit bedrag vergoeden.
5.2.
Belanghebbende krijgt ook een vergoeding van het griffierecht gelet op de datum van indiening van het bezwaar en de datum van het verzoek om de vergoeding van immateriële schade. De inspecteur en de Staat moeten ieder de helft vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade van € 803,57;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade van € 1.696,43;
- draagt de Staat op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht tot een bedrag van € 92;
- draagt de inspecteur op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht tot een bedrag van € 92;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier, op 29 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
Hoge Raad 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 26 november 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3376.
Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, r.o. 5.2.