Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7657

2026-08-13 Bestuursrecht; Belastingrecht BRE 23/11404
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-08-13
Publicatiedatum
2026-08-13
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 23/11404
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bpm

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.399 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda


Belastingrecht


zaaknummer: BRE 23/11404


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 13 augustus 2026 in de zaak tussen





[belanghebbende] B.V., gevestigd in [plaats] , belanghebbende,


en




de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,


en




de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 30 oktober 2023.



1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 5.813 aan verschuldigde Bpm.



1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 32 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).



1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.



1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, de gemachtigde van belanghebbende, deelgenomen. Namens de inspecteur hebben mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] deelgenomen.




Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

3. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht maar niet naar het juiste bedrag opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Feiten


4. Belanghebbende heeft op 24 april 2023 aangifte gedaan ter zaken van de inschrijving van een Jeep Cherokee met [VIN-nummer] (de auto) en een bedrag aan Bpm voldaan van € 636.



4.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. In het taxatierapport is 11 februari 2022 vermeld als datum waarop de auto fysiek is geschouwd.



4.2.
De auto is door de RDW op 8 februari 2022 gekeurd.



4.3.
De inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat het taxatierapport niet kan dienen omdat de fysieke opname ná de keuringsdatum bij de RDW heeft plaatsgevonden. De inspecteur heeft de verschuldigde Bpm, gebaseerd op de forfaitaire tabel, berekend op € 6.449 en de naheffingsaanslag opgelegd.




Motivering



Herleidingsmethode



5. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.



Toepassing taxatierapport



6. Tussen partijen is in geschil of het taxatierapport van belanghebbende gebruikt kan worden voor het bepalen van de Bpm. De inspecteur stelt dat de fysieke opname voor de taxatie ná de keuringsdatum bij de RDW heeft plaatsgevonden en dat daardoor het taxatierapport niet kan worden gebruikt. Belanghebbende stelt dat het taxatierapport dat enkele dagen na de keuring is opgesteld nog steeds de reële waarde van de auto tijdens het afschrijvingsmoment vastlegt.


6.1.
Per 1 januari 2022 bepaalt artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling BPM onder meer dat de fysieke opname heeft plaatsgevonden ten hoogste een maand vóór het afschrijvingsmoment. Het afschrijvingsmoment is de datum van de goedkeuring bij de RDW. Naar het oordeel van de rechtbank kan het taxatierapport niet dienen als onderbouwing aangezien de fysieke opname na het afschrijvingsmoment is geweest.



Koerslijst




7. Belanghebbende stelt subsidiair dat de verschuldigde Bpm berekent moet worden aan de hand van de koerslijstmethode. Belanghebbende heeft daarvoor in de beroepsfase een koerslijst van Xray overgelegd. De koerslijst kan volgens de inspecteur niet zonder meer zelfstandig gebruikt worden omdat de koerslijst is geïntegreerd in het geheel van de taxatie. Daarnaast is de koerslijst volgens de inspecteur niet bruikbaar omdat een totaalbedrag voor alle opties wordt gehanteerd.




7.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de koerslijst van belanghebbende. De calculatiedatum komt overeen met de keuringsdatum bij de RDW. Daarnaast heeft de inspecteur niet concreet gesteld welke opties niet zijn ingevuld in de koerslijst. Ook de hogere CO2-uitstoot is naar het oordeel van de rechtbank geen reden om af te wijken van de koerslijst.



7.2.
De naheffingsaanslag dient verminderd te worden aan de hand van de koerslijst. Hieruit volgt een handelsinkoopwaarde van € 11.998 en een historische nieuwprijs van € 79.574. De verschuldigde Bpm komt daarmee op € 4.704 waardoor de naheffingsaanslag wordt verminderd tot € 4.068.



Belastingrente



8. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Nu de met de belastingrentebeschikking samenhangende aanslag zal worden verminderd, zal de rechtbank het bedrag van de belastingrente dienovereenkomstig verminderen.



Immateriëleschadevergoeding



9. Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.



9.1.
De inspecteur heeft het bezwaarschrift op 26 mei 2023 ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 13 augustus 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond vijftien maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.



9.2.
De termijnoverschrijding heeft plaatsgevonden in de beroepsfase. De schadevergoeding komt daarom voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.




Conclusie en gevolgen


10. Het beroep is gegrond. De naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking worden verminderd. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar.



10.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten. De proceskostenvergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Aangezien de koerslijst pas in de beroepsfase voor het eerst is overgelegd, ziet de rechtbank aanleiding om alleen voor de beroepsfase een proceskostenvergoeding toe te kennen. Ten aanzien van de beroepsfase heeft belanghebbende recht op 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934 per punt. De vergoeding bedraagt in totaal € 1.868.




Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 4.068 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.500;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan belanghebbende;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden.




Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier.














griffier


rechter







De griffier is niet in staat om deze uitspraak mede te ondertekenen.



De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.



De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.



Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.