Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7665

2026-08-13 Bestuursrecht; Belastingrecht 23/11364
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-08-13
Publicatiedatum
2026-08-13
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
23/11364
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bpm. Kampeerauto. Beroep ongegrond.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.694 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda


Belastingrecht


zaaknummer: BRE 23/11364



uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2026 in de zaak tussen




[belanghebbende] h.o.d.n. [bedrijf] , te [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, verbonden aan 123BPM.NL),


en




de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,


en




de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 27 oktober 2023.



1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 1.075 (de naheffingsaanslag). Gelijktijdig heeft de inspecteur € 8 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).



1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.



1.3.

De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur,
mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .




1.4.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de zaak voor een termijn van twee weken aangehouden. Daarbij is belanghebbende in de gelegenheid gesteld om een inkoopfactuur te overleggen.



1.5.
Belanghebbende heeft de inkoopfactuur op 26 mei 2026 overgelegd.



1.6.

Gelet op hetgeen besproken is ter zitting heeft de rechtbank in deze zaak geen aanleiding gezien om de inspecteur in de gelegenheid te stellen om schriftelijk te reageren op de inkoopfactuur. De rechtbank heeft met instemming van partijen een nadere zitting achterwege gelaten, het onderzoek bij brief van 4 juni 2026 gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.

Beoordeling door de rechtbank




2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking
terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.




2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.




Feiten


3. Belanghebbende heeft op 20 april 2021 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Dethleffs XL-I 7850-2 met [VIN-nummer] (de kampeerauto). Belanghebbende heeft een bedrag aan Bpm voldaan van € 5.622.



3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.



3.2.
De inspecteur heeft op basis van de hem ter beschikking staande gegevens het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm moet worden vastgesteld op € 6.697. Hij is daarbij uitgegaan van de forfaitaire afschrijvingstabel en heeft de naheffingsaanslag aan belanghebbende opgelegd (zie 1.1).



3.3.
De volgens de inkoopfactuur verschuldigde inkoopprijs bedraagt € 122.000.




Motivering



Herleidingsmethode




4. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.




Toepassing taxatiemethode




4.1.
Indien sprake is van een voertuig met meer dan normale gebruiksschade of indien sprake is van een voertuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst mag de afschrijving worden bepaald aan de hand van een taxatierapport.



4.2.
De inspecteur heeft gesteld dat het door belanghebbende bij het doen van de aangifte overgelegde taxatierapport niet kan dienen omdat daaraan diverse formele en materiële gebreken kleven.



4.3.
De rechtbank acht aannemelijk dat de kampeerauto niet voorkomt op een koerslijst. De rechtbank ziet in het ontbreken van de inkoopfactuur – die in de beroepsfase wel is overgelegd – en de overige standpunten van de inspecteur geen aanleiding om het taxatierapport geheel terzijde te schuiven. De rechtbank zal de standpunten van de inspecteur wel betrekken bij de beoordeling van de bewijskracht die aan het taxatierapport toekomt. Dit brengt mee dat de taxatiemethode kan worden toegepast. Voor dat geval zijn de bruto historische bruto bpm en de historische nieuwprijs niet in geschil, zodat kan worden uitgegaan van de door de inspecteur overgelegde koerslijst van AutotelexPro.



Handelsinkoopwaarde





Handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat





4.4.
In het taxatierapport is de handelsinkoopwaarde vastgesteld aan de hand van een marktonderzoek. De taxateur heeft daarbij vier referentievoertuigen van verschillende merken in aanmerking genomen uit 2019 met een km-stand variërend tussen 11.603 km en 22.300 km en een gemiddelde verkoopprijs van € 127.347. Verder heeft de taxateur rekening gehouden met een waardevermindering van 35% zodat de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat is gesteld op € 82.776.



4.5.

Volgens belanghebbende zijn de gekozen referentievoertuigen uitsluitend campers die met een rijbewijs B mogen worden bestuurd. Voor de onderhavige kampeerauto is een
rijbewijs C vereist, waardoor de potentiële kopersgroep beperkter is. Belanghebbende stelt daarom dat de handelsinkoopwaarde eerder te hoog dan te laag is vastgesteld.




4.6.
De rechtbank overweegt dat in het taxatierapport niet is onderbouwd in hoeverre de referentievoertuigen vergelijkbaar zijn met de auto en op welke wijze rekening is gehouden met de onderlinge verschillen. Daarnaast is de waardevermindering van 35% niet onderbouwd. Gelet hierop is de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat, tegenover de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank acht aannemelijk dat deze waarde hoger is dan € 82.776. De omstandigheid dat voor het besturen van de kampeerauto een groot rijbewijs is vereist en dit de verkoopbaarheid kan beperken, leidt niet tot een ander oordeel.



Waardevermindering in verband met schade





4.7.
In het taxatierapport is rekening gehouden met schade van in totaal € 14.354,48 (inclusief btw), waarvan € 10.336 in mindering is gebracht van de handelsinkoopwaarde.



4.8.
De bewijslast voor een waardevermindering wegens schade rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft hiervoor verwezen naar haar taxatierapport en de bijbehorende foto’s. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruikersschade. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de kampeerauto drie jaar oud is en 9.507 kilometers heeft gereden.



Hoogte naheffingsaanslag





4.9.

Gelet op het vorenstaande en gelet op de inkoopprijs van € 122.000 (zie 3.3) acht de rechtbank niet aannemelijk dat de handelsinkoopwaarde zodanig moet worden vastgesteld dat dit leidt tot een verlaging van de verschuldigde Bpm. Dit betekent dat de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd.

Belastingrente





4.10.
Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrentebeschikking. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking.



Immateriële schadevergoeding





4.11.
Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.



4.12.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 3 april 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 13 augustus 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond zeventien maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.



4.13.
Omdat de bezwaarfase afgerond zeven maanden heeft geduurd en daarmee één maand te lang, komt 1/17 deel, derhalve € 88,24 voor de rekening van de inspecteur en de rest, zijnde € 1.411,76 voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.




Conclusie en gevolgen


5. Het beroep is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 1.500.



5.1.
Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25, wat neerkomt op € 233,50. De Staat en de inspecteur moeten die kosten ieder voor de helft vergoeden.



5.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding weliswaar is gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 maar de redelijke termijn op deze datum nog niet was overschreden.





Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep ongegrond;


veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 88,24;


veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.411,76;


veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende;


veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende.




Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. Damen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.













griffier


rechter







De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.


Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.



De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.






Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.


Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703, r.o. 3.2.3.


Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.


Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.