Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6693
2026-07-21
Bestuursrecht; Belastingrecht
BRE 23/11108
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
BPM gegrond, vernietiging aanslag.
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:2025:1134 Hoge Raad 11-07-2025
- ECLI:NL:HR:2016:252 Hoge Raad 19-02-2016
- ECLI:NL:HR:2024:853 Hoge Raad 14-06-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.901 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11108
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 21 juli 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats], belanghebbende
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 27 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 742 (de naheffingsaanslag).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1]. [inspecteur 2].
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag heeft opgelegd. Tevens beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd. Belanghebbende heeft ook recht op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende heeft aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Volvo XC60 2.0 Recharge T6 AWD R-Design met VIN [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag van € 1.559 aan Bpm voldaan.
3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte de forfaitaire afschrijvingstabel toegepast. Belanghebbende is hierbij uitgegaan van een CO2-uitstoot van 55 g/km WLTP en een bruto Bpm van € 2.580.
3.2.
De inspecteur heeft de naheffingsaanslag opgelegd met gebruikmaking van de forfaitaire afschrijvingstabel. De inspecteur is hierbij uitgegaan van een CO2-uitstoot van 64 g/km WLTP en een bruto Bpm van € 3.808.
3.3.
Tot het dossier behoren e-mails van de RDW waaruit volgt dat de bij de RDW geregistreerde CO2-uitstoot van de auto op enig moment is gewijzigd van 64 g/km naar 55 g/km.
Motivering
3.4.
Tussen partijen is in geschil of de zogenoemde herleidingsmethode kan worden toegepast.
Herleidingsmethode
3.5.
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
CO2-uitstoot
3.6.
Partijen zijn het erover eens dat naar aanleiding van de wijziging van de geregistreerde CO2-uitstoot van de auto moet worden uitgegaan van een uitstoot van 55 g/km en een bruto Bpm van € 2.580. Ook zijn partijen het erover eens dat het verschuldigde bedrag aan Bpm als gevolg hiervan moet worden vastgesteld op € 1.559, zoals door belanghebbende aangegeven. De naheffingsaanslag moet daarom worden vernietigd.
Immateriëleschadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn
3.7.
Belanghebbende maakt aanspraak op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het geschil beslecht had moeten zijn. De Hoge Raad heeft als uitgangspunt bepaald dat een redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg een periode van twee jaar bedraagt. Indien deze termijn wordt overschreden, is er aanleiding voor een vergoeding van immateriële schade.
3.8.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 28 juli 2023 heeft ontvangen. De inspecteur heeft op 27 oktober 2023 uitspraak op bezwaar gedaan. De rechtbank doet uitspraak op 21 juli 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond twaalf maanden overschreden. Aangezien de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, het financiële belang minder dan € 1.000 bedraagt en op 14 juni 2024 de termijn nog niet was overschreden, volstaat de rechtbank met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden en kent zij geen vergoeding van immateriële schade toe.
Proceskostenvergoeding
3.9.
De inspecteur stelt zich op het standpunt dat geen proceskostenvergoeding dient te worden toegekend, omdat belanghebbende eerst in beroep heeft aangevoerd dat de CO2-uitstoot lager is dan de uitstoot waar de inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag van uit is gegaan. Daarnaast betoogt de inspecteur dat belanghebbende zelf verantwoordelijk is voor de opname van de juiste gegevens in het kentekenregister en op het moment van inschrijving de juiste gegevens had kunnen en moeten verstrekken aan de RDW.
3.10.
De rechtbank overweegt dat belanghebbende al in de aangifte de lagere CO2-uitstoot van 55 g/km heeft vermeld. Naar het oordeel van de rechtbank is reeds daarom de noodzaak tot het instellen van het beroep niet uitsluitend aan de handelwijze van belanghebbende te wijten en heeft belanghebbende daarom recht op een proceskostenvergoeding.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar. en de naheffingsaanslag.
4.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Ook heeft belanghebbende recht op een proceskostenvergoeding. De inspecteur moet deze vergoeding betalen.
4.2.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de naheffingsaanslag;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11108
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 21 juli 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats], belanghebbende
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 27 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 742 (de naheffingsaanslag).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1]. [inspecteur 2].
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag heeft opgelegd. Tevens beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd. Belanghebbende heeft ook recht op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende heeft aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Volvo XC60 2.0 Recharge T6 AWD R-Design met VIN [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag van € 1.559 aan Bpm voldaan.
3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte de forfaitaire afschrijvingstabel toegepast. Belanghebbende is hierbij uitgegaan van een CO2-uitstoot van 55 g/km WLTP en een bruto Bpm van € 2.580.
3.2.
De inspecteur heeft de naheffingsaanslag opgelegd met gebruikmaking van de forfaitaire afschrijvingstabel. De inspecteur is hierbij uitgegaan van een CO2-uitstoot van 64 g/km WLTP en een bruto Bpm van € 3.808.
3.3.
Tot het dossier behoren e-mails van de RDW waaruit volgt dat de bij de RDW geregistreerde CO2-uitstoot van de auto op enig moment is gewijzigd van 64 g/km naar 55 g/km.
Motivering
3.4.
Tussen partijen is in geschil of de zogenoemde herleidingsmethode kan worden toegepast.
Herleidingsmethode
3.5.
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
CO2-uitstoot
3.6.
Partijen zijn het erover eens dat naar aanleiding van de wijziging van de geregistreerde CO2-uitstoot van de auto moet worden uitgegaan van een uitstoot van 55 g/km en een bruto Bpm van € 2.580. Ook zijn partijen het erover eens dat het verschuldigde bedrag aan Bpm als gevolg hiervan moet worden vastgesteld op € 1.559, zoals door belanghebbende aangegeven. De naheffingsaanslag moet daarom worden vernietigd.
Immateriëleschadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn
3.7.
Belanghebbende maakt aanspraak op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het geschil beslecht had moeten zijn. De Hoge Raad heeft als uitgangspunt bepaald dat een redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg een periode van twee jaar bedraagt. Indien deze termijn wordt overschreden, is er aanleiding voor een vergoeding van immateriële schade.
3.8.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 28 juli 2023 heeft ontvangen. De inspecteur heeft op 27 oktober 2023 uitspraak op bezwaar gedaan. De rechtbank doet uitspraak op 21 juli 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond twaalf maanden overschreden. Aangezien de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, het financiële belang minder dan € 1.000 bedraagt en op 14 juni 2024 de termijn nog niet was overschreden, volstaat de rechtbank met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden en kent zij geen vergoeding van immateriële schade toe.
Proceskostenvergoeding
3.9.
De inspecteur stelt zich op het standpunt dat geen proceskostenvergoeding dient te worden toegekend, omdat belanghebbende eerst in beroep heeft aangevoerd dat de CO2-uitstoot lager is dan de uitstoot waar de inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag van uit is gegaan. Daarnaast betoogt de inspecteur dat belanghebbende zelf verantwoordelijk is voor de opname van de juiste gegevens in het kentekenregister en op het moment van inschrijving de juiste gegevens had kunnen en moeten verstrekken aan de RDW.
3.10.
De rechtbank overweegt dat belanghebbende al in de aangifte de lagere CO2-uitstoot van 55 g/km heeft vermeld. Naar het oordeel van de rechtbank is reeds daarom de noodzaak tot het instellen van het beroep niet uitsluitend aan de handelwijze van belanghebbende te wijten en heeft belanghebbende daarom recht op een proceskostenvergoeding.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar. en de naheffingsaanslag.
4.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Ook heeft belanghebbende recht op een proceskostenvergoeding. De inspecteur moet deze vergoeding betalen.
4.2.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de naheffingsaanslag;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.