Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7658
2026-08-13
Bestuursrecht; Belastingrecht
BRE 23/11428 en 23/11429
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bpm
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2025:1134 Hoge Raad 11-07-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.761 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 23/11428 en 23/11429
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 13 augustus 2026 in de zaken tussen
[belanghebbende] V.O.F., gevestigd in [plaats] , belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
en
de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 30 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 10.139.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 31 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, de gemachtigde van belanghebbende, deelgenomen. Namens de inspecteur hebben mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht maar niet naar het juiste bedrag opgelegd. De belastingrentebeschikking is terecht en naar de juiste hoogte opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
Zaaknummer 23/11428
4. Belanghebbende heeft op 6 maart 2023 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Mercedes-Benz GLB met [VIN-nummer 1] (auto 1) en een bedrag aan Bpm voldaan van € 906.
4.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. In het taxatierapport is 28 februari 2023 vermeld als datum waarop auto 1 fysiek is geschouwd.
4.2.
Auto 1 is door de RDW op 6 maart 2023 gekeurd.
4.3.
De inspecteur heeft de verschuldigde Bpm berekend op € 5.741 en de naheffingsaanslag opgelegd.
Zaaknummer 23/11429
4.4.
Belanghebbende heeft op 24 januari 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Mercedes-Benz E-klasse met [VIN-nummer 2] (auto 2) en een bedrag aan Bpm voldaan van € 2.255.
4.5.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. In het taxatierapport is 21 januari 2022 vermeld als datum waarop auto 2 fysiek is geschouwd.
4.6.
Auto 1 is door de RDW op 11 januari 2022 gekeurd.
4.7.
De inspecteur heeft de verschuldigde Bpm berekend op € 6.117 en de naheffingsaanslag opgelegd.
Motivering
Herleidingsmethode (beide auto’s)
5. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
Toepassing taxatiemethode
6. Tussen partijen is in geschil of de taxatierapporten van belanghebbende gebruikt kunnen worden voor de bepaling van de Bpm. De inspecteur stelt onder meer dat de fysieke taxatie voor auto 1 op papier wel voor de keuring bij de RDW heeft plaatsgevonden, maar dat dit niet kan omdat de kilometerstand bij de fysieke taxatie hoger is dan bij de keuring bij de RDW. De inspecteur stelt dat de fysieke opname voor de taxatie van auto 2 ná de keuringsdatum bij de RDW heeft plaatsgevonden en dat daardoor het taxatierapport niet kan worden gebruikt.
Auto 1
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank kan de taxatiemethode voor auto 1 niet worden toegepast, reeds omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de auto meer dan normale gebruiksschade heeft, gelet op het rapport en de bijbehorende foto’s van DRZ. Ook komt de auto voor op de koerslijsten. De rechtbank zal in het midden laten op welke datum de fysieke taxatie heeft plaatsgevonden.
Auto 2
6.2.
Per 1 januari 2022 bepaalt artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling BPM onder meer dat de fysieke opname heeft plaatsgevonden ten hoogste een maand vóór het afschrijvingsmoment. Het afschrijvingsmoment is de datum van de goedkeuring bij de RDW. Naar het oordeel van de rechtbank kan het taxatierapport van auto 2 niet dienen als onderbouwing aangezien de fysieke opname van de auto na het afschrijvingsmoment is geweest.
Koerslijst
Auto 1
7. Belanghebbende heeft in beroep een koerslijst Xray overgelegd met een calculatiedatum van 14 maart 2023. De inspecteur stelt dat de koerslijst onder meer niet toegepast kan worden omdat de calculatiedatum na de keuringsdatum van de RDW ligt. Ter zitting heeft de inspecteur gesteld dat de koerslijst ook niet kan dienen omdat er verschillen zitten tussen de CO2-uitstoot van de auto en die van de referentieauto.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank kan de koerslijst wel worden gebruikt voor de bepaling van de verschuldigde Bpm. De calculatiedatum is gelijk aan de keuringsdatum die DRZ heeft gevolgd en verschilt slechts enkele dagen met de keuringsdatum van de RDW. Daarbij heeft belanghebbende met enkele voorbeelden gemotiveerd gesteld dat een klein verschil in dagen niet uitmaakt voor de waarde die voortvloeit uit de koerslijst. De rechtbank acht dit daarom geen reden om de koerslijst aan de kant te schuiven. Het enkele verschil in de CO2-uitstoot maakt het oordeel van de rechtbank niet anders nu de inspecteur niet concreet heeft benoemd welke opties er onjuist zijn ingevuld.
7.2.
De naheffingsaanslag dient verminderd te worden aan de hand van de koerslijst. Hieruit volgt een handelsinkoopwaarde van € 26.902 en een historische nieuwprijs van € 62.001. De verschuldigde Bpm voor auto 1 komt daarmee op € 4.909 waardoor de naheffingsaanslag wordt verminderd tot € 4.003 wat betreft auto 1.
7.3.
De inspecteur is niet verplicht om de koerslijst te overleggen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor een kostenvergoeding voor het opvragen van de koerslijst.
Auto 2
7.4.
Voor auto 2 is de forfaitaire tabel voordeliger dan beide koerslijsten. De opmerkingen met betrekking tot de koerslijsten behoeven daarom geen behandeling meer. De naheffingsaanslag is wat betreft auto 2 niet te hoog vastgesteld.
Belastingrente
8. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. De belastingrente is alleen berekend over het deel wat betrekking heeft op auto 2. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de naheffingsaanslag volgt.
Immateriëleschadevergoeding
9. Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
9.1.
De inspecteur heeft het bezwaarschrift op 31 mei 2023 ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 13 augustus 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond vijftien maanden overschreden. De rechtbank merkt de zaken aan als samenhangende zaken. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van eenmaal € 1.500.
9.2.
De termijnoverschrijding heeft plaatsgevonden in de beroepsfase. De schadevergoeding komt daarom voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep met zaaknummer 23/11428 is gegrond en het beroep met zaaknummer 23/11429 is ongegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de zaak met zaaknummer 23/11428. De naheffingsaanslag wordt verminderd tot € 9.307 (€ 4.003 met betrekking tot auto 1 en € 5.304 met betrekking tot auto 2). De belastingrentebeschikking wordt gehandhaafd.
10.1.
Omdat het beroep met zaaknummer 23/11428 gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Aangezien de koerslijst pas in de beroepsfase voor het eerst is overgelegd, ziet de rechtbank aanleiding om alleen voor de beroepsfase een proceskostenvergoeding toe te kennen. Ten aanzien van de beroepsfase heeft belanghebbende recht op 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934 per punt. De vergoeding bedraagt in totaal € 1.868. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De rechtbank merkt de zaken 23/11428 en 23/11429 aan als samenhangende zaken en kent daarom geen afzonderlijke vergoeding van proceskosten toe voor het verzoek om vergoeding van immateriële schade in de zaak 23/11429. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep met zaaknummer 23/11428 gegrond;
- verklaart het beroep met zaaknummer 23/11429 ongegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de zaak met zaaknummer 23/11428;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 9.307;
- handhaaft de belastingrentebeschikking;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.500;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan belanghebbende;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier.
griffier
rechter
De griffier is niet in staat om deze uitspraak mede te ondertekenen.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 23/11428 en 23/11429
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 13 augustus 2026 in de zaken tussen
[belanghebbende] V.O.F., gevestigd in [plaats] , belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
en
de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 30 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 10.139.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 31 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, de gemachtigde van belanghebbende, deelgenomen. Namens de inspecteur hebben mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht maar niet naar het juiste bedrag opgelegd. De belastingrentebeschikking is terecht en naar de juiste hoogte opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
Zaaknummer 23/11428
4. Belanghebbende heeft op 6 maart 2023 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Mercedes-Benz GLB met [VIN-nummer 1] (auto 1) en een bedrag aan Bpm voldaan van € 906.
4.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. In het taxatierapport is 28 februari 2023 vermeld als datum waarop auto 1 fysiek is geschouwd.
4.2.
Auto 1 is door de RDW op 6 maart 2023 gekeurd.
4.3.
De inspecteur heeft de verschuldigde Bpm berekend op € 5.741 en de naheffingsaanslag opgelegd.
Zaaknummer 23/11429
4.4.
Belanghebbende heeft op 24 januari 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Mercedes-Benz E-klasse met [VIN-nummer 2] (auto 2) en een bedrag aan Bpm voldaan van € 2.255.
4.5.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. In het taxatierapport is 21 januari 2022 vermeld als datum waarop auto 2 fysiek is geschouwd.
4.6.
Auto 1 is door de RDW op 11 januari 2022 gekeurd.
4.7.
De inspecteur heeft de verschuldigde Bpm berekend op € 6.117 en de naheffingsaanslag opgelegd.
Motivering
Herleidingsmethode (beide auto’s)
5. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
Toepassing taxatiemethode
6. Tussen partijen is in geschil of de taxatierapporten van belanghebbende gebruikt kunnen worden voor de bepaling van de Bpm. De inspecteur stelt onder meer dat de fysieke taxatie voor auto 1 op papier wel voor de keuring bij de RDW heeft plaatsgevonden, maar dat dit niet kan omdat de kilometerstand bij de fysieke taxatie hoger is dan bij de keuring bij de RDW. De inspecteur stelt dat de fysieke opname voor de taxatie van auto 2 ná de keuringsdatum bij de RDW heeft plaatsgevonden en dat daardoor het taxatierapport niet kan worden gebruikt.
Auto 1
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank kan de taxatiemethode voor auto 1 niet worden toegepast, reeds omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de auto meer dan normale gebruiksschade heeft, gelet op het rapport en de bijbehorende foto’s van DRZ. Ook komt de auto voor op de koerslijsten. De rechtbank zal in het midden laten op welke datum de fysieke taxatie heeft plaatsgevonden.
Auto 2
6.2.
Per 1 januari 2022 bepaalt artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling BPM onder meer dat de fysieke opname heeft plaatsgevonden ten hoogste een maand vóór het afschrijvingsmoment. Het afschrijvingsmoment is de datum van de goedkeuring bij de RDW. Naar het oordeel van de rechtbank kan het taxatierapport van auto 2 niet dienen als onderbouwing aangezien de fysieke opname van de auto na het afschrijvingsmoment is geweest.
Koerslijst
Auto 1
7. Belanghebbende heeft in beroep een koerslijst Xray overgelegd met een calculatiedatum van 14 maart 2023. De inspecteur stelt dat de koerslijst onder meer niet toegepast kan worden omdat de calculatiedatum na de keuringsdatum van de RDW ligt. Ter zitting heeft de inspecteur gesteld dat de koerslijst ook niet kan dienen omdat er verschillen zitten tussen de CO2-uitstoot van de auto en die van de referentieauto.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank kan de koerslijst wel worden gebruikt voor de bepaling van de verschuldigde Bpm. De calculatiedatum is gelijk aan de keuringsdatum die DRZ heeft gevolgd en verschilt slechts enkele dagen met de keuringsdatum van de RDW. Daarbij heeft belanghebbende met enkele voorbeelden gemotiveerd gesteld dat een klein verschil in dagen niet uitmaakt voor de waarde die voortvloeit uit de koerslijst. De rechtbank acht dit daarom geen reden om de koerslijst aan de kant te schuiven. Het enkele verschil in de CO2-uitstoot maakt het oordeel van de rechtbank niet anders nu de inspecteur niet concreet heeft benoemd welke opties er onjuist zijn ingevuld.
7.2.
De naheffingsaanslag dient verminderd te worden aan de hand van de koerslijst. Hieruit volgt een handelsinkoopwaarde van € 26.902 en een historische nieuwprijs van € 62.001. De verschuldigde Bpm voor auto 1 komt daarmee op € 4.909 waardoor de naheffingsaanslag wordt verminderd tot € 4.003 wat betreft auto 1.
7.3.
De inspecteur is niet verplicht om de koerslijst te overleggen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor een kostenvergoeding voor het opvragen van de koerslijst.
Auto 2
7.4.
Voor auto 2 is de forfaitaire tabel voordeliger dan beide koerslijsten. De opmerkingen met betrekking tot de koerslijsten behoeven daarom geen behandeling meer. De naheffingsaanslag is wat betreft auto 2 niet te hoog vastgesteld.
Belastingrente
8. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. De belastingrente is alleen berekend over het deel wat betrekking heeft op auto 2. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de naheffingsaanslag volgt.
Immateriëleschadevergoeding
9. Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
9.1.
De inspecteur heeft het bezwaarschrift op 31 mei 2023 ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 13 augustus 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond vijftien maanden overschreden. De rechtbank merkt de zaken aan als samenhangende zaken. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van eenmaal € 1.500.
9.2.
De termijnoverschrijding heeft plaatsgevonden in de beroepsfase. De schadevergoeding komt daarom voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep met zaaknummer 23/11428 is gegrond en het beroep met zaaknummer 23/11429 is ongegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de zaak met zaaknummer 23/11428. De naheffingsaanslag wordt verminderd tot € 9.307 (€ 4.003 met betrekking tot auto 1 en € 5.304 met betrekking tot auto 2). De belastingrentebeschikking wordt gehandhaafd.
10.1.
Omdat het beroep met zaaknummer 23/11428 gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Aangezien de koerslijst pas in de beroepsfase voor het eerst is overgelegd, ziet de rechtbank aanleiding om alleen voor de beroepsfase een proceskostenvergoeding toe te kennen. Ten aanzien van de beroepsfase heeft belanghebbende recht op 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934 per punt. De vergoeding bedraagt in totaal € 1.868. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De rechtbank merkt de zaken 23/11428 en 23/11429 aan als samenhangende zaken en kent daarom geen afzonderlijke vergoeding van proceskosten toe voor het verzoek om vergoeding van immateriële schade in de zaak 23/11429. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep met zaaknummer 23/11428 gegrond;
- verklaart het beroep met zaaknummer 23/11429 ongegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de zaak met zaaknummer 23/11428;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 9.307;
- handhaaft de belastingrentebeschikking;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.500;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan belanghebbende;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier.
griffier
rechter
De griffier is niet in staat om deze uitspraak mede te ondertekenen.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.