Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:4832

2026-06-17 Bestuursrecht; Belastingrecht AWB 23/6797, 24/2418 en 24/2424
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-06-17
Publicatiedatum
2026-06-18
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
AWB 23/6797, 24/2418 en 24/2424
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

BPM; artikel 10 Wet BPM; handelsinkoopwaarde; beroep gegrond.

Citeert (7)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (35.159 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND


Zittingsplaats Arnhem


Bestuursrecht


zaaknummers: ARN 23/6797, 24/2418 en 24/2424



uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 17 juni 2026


in de zaken tussen





[belanghebbende] C.V., uit [plaats], belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde]),


en




de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve processen, de inspecteur,



en

de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), in Den Haag, de Staat.




Inleiding


In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 5 september 2023 (zaaknummer 23/6797) en van 21 december 2023 (zaaknummers 24/2418 en 24/2424).



De inspecteur heeft aan belanghebbende drie naheffingsaanslagen belasting van personenauto’s en motorrijwielen (de naheffingsaanslagen) opgelegd ten bedrage van respectievelijk € 3.552, € 5.701 en € 4.397.



De inspecteur heeft het bezwaar in de zaak met nummer 24/2424 gegrond verklaard, de naheffingsaanslag verminderd tot € 2.424 en een proceskostenvergoeding toegekend. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende in de overige twee zaken ongegrond verklaard en de naheffingsaanslagen gehandhaafd.



De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met drie verweerschriften.



De rechtbank heeft de beroepen op 30 maart 2026 op zitting behandeld. Namens belanghebbende heeft de gemachtigde hieraan deelgenomen, bijgestaan door [persoon A]. Namens de inspecteur hebben hieraan deelgenomen [persoon B] en mr. [persoon C].






Feiten

1. Belanghebbende heeft aangiften belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) ingediend voor onderstaande voertuigen en de bijbehorende bedragen aan BPM op aangifte voldaan.














Zaaknr.




Auto




Merk




Kenteken




Datum 1e toelating




Bruto BPM




Betaalde BPM





23/6767


1


Alfa Romeo Stelvio 2.0 T AWD B-Tech Business Edition



[kenteken 1]



28-11-2019


€ 19.512


€ 6.085




24/2418


2


Alfa Romeo Stelvio 2.0 T AWD Super



[kenteken 2]



18-12-2018


€ 24.043


€ 1.812




24/2424


3


Alfa Romeo Giulia 2.0 T veloce Ti AWD (Sedan 4-dr)



[kenteken 3]



30-03-2021


€ 22.670


€ 6.293







2. Bij de aangiften heeft belanghebbende taxatierapporten, inclusief foto’s gevoegd van [persoon D] (auto 1), [persoon E] (auto 2) en [persoon F] (auto 3) van [naam bedrijf] B.V. Daarin zijn onder meer de volgende bedragen opgenomen.












Auto




Historische nieuwprijs




Handelsink.waarde onbeschadigde staat




Schade/geen oordeel km-stand




Handelsink.waarde beschadigde staat





1


€ 73.725


€ 33.631


€ 7.336 / € 3.300


€ 22.995




2


€ 69.567


€ 25.252


€ 16.709 / € 3.300


€ 5.243




3


€ 84.266


€ 37.031


€ 10.086 / € 3.550


€ 23.395






3. Belanghebbende heeft auto 2 en 3 getoond aan Domeinen Roerende Zaken (DRZ). De rapporten van DRZ vermelden de volgende bedragen:












Auto




Historische nieuwprijs




Handelsink.waarde onbeschadigde staat




Schade




Handelsink.waarde beschadigde staat





2


€ 67.735


€ 25.252 (Xray)


€ 3.491 (31%)


€ 21.761




3


€ 76.490


€ 36.680 (Xray rental)


€ -


€ 36.680







4. De inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende naheffingsaanslagen opgelegd:










Auto




Berekende BPM




Nageheven BPM





1


€ 9.637


€ 3.552




2


€ 7.513


€ 5.701




3


€ 10.870


€ 4.397*







*Volgens de kennisgeving naheffingsaanslag zou worden nageheven € 4.577 (€ 10.870 minus € 6.293), maar er is daadwerkelijk € 4.397 nageheven.

5. Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag ter zake van auto 3 heeft de inspecteur belanghebbende € 26 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking). Ter zake van de naheffingsaanslagen van auto 1 en 2 is geen belastingrente in rekening gebracht.

6. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslagen bezwaar gemaakt.



Aanvullende feiten auto 3


7. Belanghebbende heeft in de aangifte BPM voor auto 3 vermeld dat de CO2-uitstoot 175 gr/km is op basis van de CO2-meetmethode NEDC. De inspecteur is bij het opleggen van de naheffingsaanslag uitgegaan van een CO2-uitstoot van 228 gr/km op basis van de CO2-meemethode WLTP. Hierdoor bedraagt de verschuldigde BPM volgens de inspecteur € 9.637.

8. In het bezwaarschrift heeft belanghebbende gesteld dat moet worden uitgegaan van een CO2-uitstoot van 175 gr/km. In de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur vermeld dat:
- bij een nadere controle is gebleken dat de door belanghebbende aangegeven CO2-uitstoot van 175 gr/km NEDC niet overeenkomt met de gegevens uit het kentekenregister zoals de RDW deze heeft vastgesteld;


in het kentekenregister een CO2-uitstoot van 254 gr/km NEDC en 228 gr/km WLTP is vermeld;


belanghebbende op 10 juli 2023 de RDW heeft verzocht de CO2-uitstoot aan te passen naar 175 gr/km NEDC;


de RDW dit op 12 juli 2023 overeenkomstig het verzoek van belanghebbende heeft gedaan;


de naheffingsaanslag daarom in beginsel kan worden vernietigd, maar dat de inspecteur zich beroept op interne compensatie omdat het taxatierapport niet deugdelijk is en hij enkele door de taxateur in aanmerking genomen waardeverminderingen niet volgt.



9. De inspecteur heeft een bedrag van € 2.044 als schade in aanmerking genomen en die voor 72% als waardevermindering in mindering gebracht. De inspecteur heeft daardoor de naheffingsaanslag voor een bedrag van € 2.424 in stand gelaten. Dit is als volgt berekend:









Historische nieuwprijs


€ 73.725







Handelsinkoopwaarde voor schade


€ 33.631







Schade (72% van € 2.044)


-/- € 1.473







Handelsinkoopwaarde na schade


€ 32.158







Afschrijving


€ 41.567


















Bruto historische BPM


€ 19.512







Afschrijvingspercentage





56,3811%




Afschrijving


€ 11.003







Verschuldigde BPM


€ 8.509







Voldaan op aangifte


-/- € 6.085







Na te heffen


€ 2.424












Beoordeling door de rechtbank

10. De rechtbank beoordeelt de naheffingsaanslagen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

11. De rechtbank komt tot het oordeel dat in de zaken met de nummers 23/6797 (auto 1) en 24/2418 (auto 2) de naheffingsaanslagen terecht en tot de juiste hoogte zijn vastgesteld. In de zaak met nummer 24/2424 (auto 3) komt de rechtbank tot het oordeel dat de naheffingsaanslag te hoog is vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordelen komt en welke gevolgen die hebben.

12. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de aanslagen ten onrechte zijn opgelegd. Hij doet een beroep op de taxatierapporten en heeft gesteld dat de aangiften moeten worden gevolgd. Subsidiair heeft belanghebbende aangevoerd dat de naheffingsaanslagen tot te hoge bedragen zijn vastgesteld.



Auto 1





Herleidingsmethode


13. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.



Schadecalculatie


14. Belanghebbende stelt dat uit de schadecalculatie in haar taxatierapport overduidelijk blijkt dat sprake is van een nadere waardevermindering (dan waar de inspecteur reeds rekening mee heeft gehouden) vanwege schade aan de auto.

15. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een hoger bedrag aan schade dan waar de inspecteur reeds rekening mee heeft gehouden. Voor het overige is sprake van normale gebruiksschade. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de auto destijds drie jaar oud was en 59.971 kilometer heeft gereden. Al hetgeen de inspecteur overigens met betrekking tot het taxatierapport heeft gesteld hoeft hierdoor geen behandeling meer.



Waardevermindering als gevolg van de begrote herstelkosten


16. Belanghebbende stelt dat de waardevermindering als gevolg van de begrote herstelkosten 100% bedraagt.

17. De bewijslast van de waardevermindering als gevolg van schade, en dus ook met betrekking tot het in geding zijnde percentage, rust op belanghebbende. De wet komt tegemoet aan deze bewijslast door de waardevermindering in ieder geval op 31% van de aanwezige schade te stellen. Voor de vraag of het redelijk is om meer dan 31% van de berekende reparatiekosten in aanmerking te nemen, moet worden gekeken naar diverse feiten en omstandigheden ten aanzien van de auto in kwestie. Daarbij kan de leeftijd van de auto een rol spelen, maar ook het aantal gereden kilometers, de aard van de schade en de exclusiviteit van de auto. Een dergelijke beoordeling vergt dus een op de auto toegesneden beoordeling. Belanghebbende voldoet niet haar bewijslast, omdat zij in algemene bewoordingen een hoger afwijkend percentage heeft verdedigd en daaraan geen op de auto toegesneden beoordeling ten grondslag heeft gelegd. De beroepsgrond faalt.



Aftrek wegens geen oordeel kilometerstand


18. Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de omstandigheid dat de RDW geen oordeel heeft gegeven over de juistheid van de kilometerstanden, reden is om de waarde van de auto’s te verminderen met respectievelijk € 3.300, € 3.300 en € 3.550.

19. Naar het oordeel van de rechtbank kan het ontbreken van een oordeel door de RDW over de kilometerstand een waardedrukkende factor zijn, te meer omdat dit in bepaalde situaties zou kunnen duiden op tellerfraude en dit oordeel een omstandigheid is die, ook bij latere overdrachten, aan de auto blijft kleven. De bewijslast dat ook in de onderhavige gevallen sprake is van een dergelijk waardedrukkend effect, rust op belanghebbende.

20. Belanghebbende heeft niet gesteld dat sprake is van onregelmatigheden met betrekking tot de kilometerstand. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat overigens sprake is van een waardevermindering door het ontbreken van een oordeel door de RDW over de kilometerstand die niet reeds in de koerslijst zijn verdisconteerd. Belanghebbende heeft volstaan met algemene stellingen en zich daarbij niet toegespitst op de concrete situatie van de onderhavige auto. In het taxatierapport wordt door de taxateur ook geen melding gemaakt van een mogelijk onjuiste kilometerstand of anderszins twijfel geuit over de betrouwbaarheid daarvan. Dat de vermelding ‘geen oordeel kilometerstand’ als een waardeverminderend stigma moet worden beschouwd, los van een waardevermindering wegens daadwerkelijke tellerfraude, is in het taxatierapport onvoldoende onderbouwd met de enkele verwijzing naar de daarin opgenomen tabel. Gelet daarop is belanghebbende met het taxatierapport niet erin geslaagd een waardevermindering in verband met ‘geen oordeel kilometerstand’ aannemelijk te maken.



Conclusie auto 1


21. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verschuldigde BPM voor auto 1 niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Het beroep met zaaknummer 23/6797 zal daarom ongegrond worden verklaard.



Auto 2





Historische nieuwprijs


22. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de gehanteerde historische nieuwprijs te laag is en moet worden vastgesteld op € 69.567.

23. Deze beroepsgrond slaagt. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de afschrijving moet plaatsvinden op basis van de som van onder meer het bedrag aan BPM dat voor het te registreren motorrijtuig verschuldigd zou zijn geweest op het tijdstip waarop dat motorrijtuig voor het eerst in gebruik werd genomen en niet het bedrag aan bpm van een referentievoertuig. De historische nieuwprijs moet daarom worden vastgesteld op € 69.567.



Schade


24. De bewijslast ten aanzien van de schade rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft daartoe gewezen op het taxatierapport dat ten grondslag ligt aan de aangifte. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende daarmee niet aannemelijk gemaakt dat auto 2 meer schade had dan door DRZ in aanmerking is genomen. Met het taxatierapport en de (daarbij gevoegde) foto’s wordt onvoldoende uitsluitsel gegeven over de aard en omvang van de gestelde schade. De door belanghebbende opgevoerde (en niet door DRZ aangetroffen) schades zijn op de foto’s van DRZ niet te zien. Gelet op het voorgaande heeft de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank voor auto 2 de waardevermindering wegens schade terecht vastgesteld op € 11.260 (vóór toepassing van correctiefactor 31%).



Waardevermindering als gevolg van de begrote herstelkosten


25. Belanghebbende stelt dat de waardevermindering als gevolg van de begrote herstelkosten 100% bedraagt.

26. De bewijslast van de waardevermindering als gevolg van schade, en dus ook met betrekking tot het in geding zijnde percentage, rust op belanghebbende. De wet komt tegemoet aan deze bewijslast door de waardevermindering in ieder geval op 31% van de aanwezige schade te stellen. Voor de vraag of het redelijk is om meer dan 31% van de berekende reparatiekosten in aanmerking te nemen, moet worden gekeken naar diverse feiten en omstandigheden ten aanzien van de auto in kwestie. Daarbij kan de leeftijd van de auto een rol spelen, maar ook het aantal gereden kilometers, de aard van de schade en de exclusiviteit van de auto. Een dergelijke beoordeling vergt dus een op de auto toegesneden beoordeling. Belanghebbende voldoet niet haar bewijslast, omdat zij in algemene bewoordingen een hoger afwijkend percentage heeft verdedigd en daaraan geen op de auto toegesneden beoordeling ten grondslag heeft gelegd. De beroepsgrond faalt.



Aftrek wegens geen oordeel kilometerstand


27. Naar het oordeel van de rechtbank kan het ontbreken van een oordeel door de RDW over de kilometerstand een waardedrukkende factor zijn, te meer omdat dit in bepaalde situaties zou kunnen duiden op tellerfraude en dit oordeel een omstandigheid is die, ook bij latere overdrachten, aan de auto blijft kleven. De bewijslast dat ook in de onderhavige gevallen sprake is van een dergelijk waardedrukkend effect, rust op belanghebbende.

28. Belanghebbende heeft niet gesteld dat sprake is van onregelmatigheden met betrekking tot de kilometerstand. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat overigens sprake is van een waardevermindering door het ontbreken van een oordeel door de RDW over de kilometerstand die niet reeds in de koerslijst zijn verdisconteerd. Belanghebbende heeft volstaan met algemene stellingen en zich daarbij niet toegespitst op de concrete situatie van de onderhavige auto. In het taxatierapport wordt door de taxateur ook geen melding gemaakt van mogelijk onjuiste kilometerstand of anderszins twijfel geuit over de betrouwbaarheid daarvan. Dat de vermelding ‘geen oordeel kilometerstand’ als een waardeverminderend stigma moet worden beschouwd, los van een waardevermindering wegens daadwerkelijke tellerfraude, is in het taxatierapport onvoldoende onderbouwd met de enkele verwijzing naar de daarin opgenomen tabel. Gelet daarop is belanghebbende met het taxatierapport niet erin geslaagd een waardevermindering in verband met ‘geen oordeel kilometerstand’ aannemelijk te maken.



Conclusie auto 2


29. Het feit dat de historische nieuwprijs hoger dient te worden vastgesteld (zie overweging 23 hiervoor) leidt in dit geval niet tot een gegrond beroep, omdat de naheffingsaanslag van € 5.701 hierdoor niet te hoog is vastgesteld. Dit kan als volgt worden berekend:









Historische nieuwprijs


€ 69.567







Handelsinkoopwaarde voor schade


€ 25.252







Schade (31% van € 11.260)


-/- € 3.491







Handelsinkoopwaarde na schade


€ 21.761







Afschrijving


€ 47.806


















Bruto historische BPM


€ 24.043







Afschrijvingspercentage





68,7194%




Afschrijving


€ 16.523







Verschuldigde BPM


€ 7.520







Voldaan op aangifte


-/- € 1.812







Na te heffen


€ 5.708









30. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verschuldigde BPM voor auto 2 niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Het beroep met zaaknummer 24/2418 zal daarom ongegrond worden verklaard.



Auto 3





Historische nieuwprijs


31. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de gehanteerde historische nieuwprijs te laag is en moet worden vastgesteld op € 84.266.

32. Deze beroepsgrond slaagt. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de afschrijving moet plaatsvinden op de som van onder meer het bedrag aan bpm dat voor het te registreren motorrijtuig verschuldigd zou zijn geweest op het tijdstip waarop dat motorrijtuig voor het eerst in gebruik werd genomen en niet het bedrag aan bpm van een referentievoertuig. De historische nieuwprijs moet daarom worden vastgesteld op € 84.266.






Is ten onrechte geen rekening gehouden met een waardevermindering wegens schade?


33. Ten aanzien van auto 3 is de rechtbank van oordeel dat op basis van de foto’s in het dossier niet aannemelijk is geworden dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. Op overzichtsfoto’s zijn de betreffende gestelde schades niet waar te nemen. Op de close-up foto’s is wel enige schade te zien, maar de inspecteur heeft terecht aangegeven dat daaruit onvoldoende blijkt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade voor deze auto.



Conclusie auto 3


34. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verschuldigde BPM voor auto 3 tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Het beroep met zaaknummer 24/2418 is daarom gegrond.

35. De verschuldigde BPM en de naheffingsaanslag dient als volgt te worden vastgesteld:









Historische nieuwprijs


€ 84.266







Handelsinkoopwaarde voor schade


€ 36.680







Schade


nihil







Handelsinkoopwaarde na schade


€ 36.680







Afschrijving


€ 47.586


















Bruto historische BPM


€ 22.670







Afschrijvingspercentage





56,4712%




Afschrijving


€ 12.802







Verschuldigde BPM


€ 9.686







Voldaan op aangifte


-/- € 6.293







Na te heffen


€ 3.393









36. De naheffingsaanslag voor auto 3 dient te worden verminderd tot € 3.393.

37. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Aangezien belanghebbende geen zelfstandige beroepsgronden tegen de beschikking belastingrente heeft aangevoerd, moet de in rekening gebrachte belastingrente worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de naheffingsaanslag ter zake van auto 3.



Overschrijding van de redelijke termijn


38. Belanghebbende heeft de rechtbank op 26 februari 2026 verzocht om een vergoeding voor immateriële schade toe te kennen wegens een overschrijding van de redelijke termijn. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek.

39. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in zijn arresten van 19 februari 2016. Belastingzaken moeten binnen een redelijke termijn worden behandeld van in beginsel twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding deze termijn te verkorten of te verlengen.

40. Het verzoek heeft betrekking op drie zaken van één belanghebbende, waarbij de beroepen juist vanwege de inhoudelijke samenhang gezamenlijk en gelijktijdig zijn behandeld. De inhoudelijke samenhang volgt uit het feit dat in beide zaken van dezelfde belanghebbende (nagenoeg) dezelfde vragen moeten worden beantwoord. In de bezwaarfase zijn de zaken afzonderlijk behandeld, in de beroepsfase echter gelijktijdig. Daarom kent de rechtbank voor de zaken in de beroepsfase gezamenlijk één keer het tarief van € 500 per halfjaar toe.

41. De inspecteur heeft het eerste bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 18 oktober 2022. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) 20 maanden langer dan twee jaar. Daarom krijgt belanghebbende een schadevergoeding van € 2.000. De eerste uitspraak op bezwaar is van 5 september 2023. De overschrijding van de redelijke termijn is dus voor het 4/20 deel toerekenbaar aan de bezwaarfase en voor 16/20 deel aan de beroepsfase. De rechtbank zal de inspecteur daarom veroordelen om een bedrag van € 400 aan belanghebbende te betalen en de Staat veroordelen om een bedrag van € 1.600 aan belanghebbende te betalen.




Conclusie en gevolgen

42. De beroepen in de zaken met nummers 23/6797 en 24/2418 zijn ongegrond. De uitspraken op bezwaar in die zaken blijven dus in stand. Het beroep in de zaak met nummer 24/2424 is gegrond. De uitspraak op bezwaar wordt vernietigd en de naheffingsaanslag in die zaak zal worden verminderd tot € 3.393. De belastingrentebeschikking bij die aanslag dient dienovereenkomstig te worden verminderd. Ook bestaat recht op vergoeding van immateriële schade.

43. Omdat het beroep in de zaak met nummer 24/2424 gegrond is moet de inspecteur het griffierecht dat in die zaak is betaald aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten.

44. De rechtbank ziet aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep in de zaak met nummer 24/2424 redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 3.200 (1 punten voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 666, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.




Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep in de zaak met nummer 24/2424 gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag in de zaak met nummer 24/2424 tot € 3.394;
- vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- verklaart de beroepen in de zaken met de nummers 23/6797 en 24/2418 ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding voor immateriële schade van € 400;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding voor immateriële schade van € 1.600;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 in de zaak met nummer 24/2424 aan belanghebbende moet vergoeden.




Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.
Uitgesproken op 17 juni 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.





















griffier


rechter









Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.





ECLI:NL:HR:2025:1134.


vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 21 maart 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2453, r.o. 4.22


Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703.


vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 21 maart 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2453, r.o. 4.22


Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703.


Beleidsregel van de Minister van veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, en de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.


ECLI:NL:HR:2016:252.


Zie punt 3.10.2 van het overzichtsarrest en Hoge Raad 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:154, overweging 2.4.3.