Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2014:2
2014-01-10
Bestuursrecht; Belastingrecht
13/02112
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Art. 6:5, lid 1, Awb; art. 6:6, onderdeel a, Awb; art. 8:24, lid 2, Awb; art. 8:54 Awb; art. 3:69 BW. Niet overleggen machtiging is art. 6:6 Awb verzuim. Dit verzuim kan in verzet niet worden hersteld.
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:2010:BO7505 Hoge Raad 17-12-2010
- ECLI:NL:RVS:2006:AX2140 Raad van State 17-05-2006
- ECLI:NL:CRVB:2013:CA3568 Centrale Raad van Beroep 18-06-2013
Geciteerd door (220)
- ECLI:NL:RBGEL:2026:6269 Rechtbank Gelderland 05-08-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2512 Gerechtshof Amsterdam 09-07-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2528 Gerechtshof Amsterdam 09-07-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2524 Gerechtshof Amsterdam 09-07-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2522 Gerechtshof Amsterdam 09-07-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2523 Gerechtshof Amsterdam 09-07-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2521 Gerechtshof Amsterdam 09-07-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2265 Gerechtshof Den Haag 08-07-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2264 Gerechtshof Den Haag 08-07-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6071 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-07-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:3468 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30-04-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:3462 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30-04-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:3466 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30-04-2026
- ECLI:NL:HR:2026:556 Hoge Raad 17-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:4237 Rechtbank Den Haag 03-03-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:389 Gerechtshof Den Haag 17-02-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:386 Gerechtshof Den Haag 17-02-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:389 Gerechtshof Den Haag 17-02-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:386 Gerechtshof Den Haag 17-02-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:389 Gerechtshof Den Haag 17-02-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:386 Gerechtshof Den Haag 17-02-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:322 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 11-02-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:193 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 28-01-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:229 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-01-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:138 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21-01-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:135 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21-01-2026
- ECLI:NL:GHARL:2025:8278 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-12-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:8261 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-12-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:8268 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-12-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:8257 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-12-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:8278 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-12-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:8239 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-12-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:8277 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-12-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:8281 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-12-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:8281 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-12-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:8262 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-12-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:8266 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-12-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:8263 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-12-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:8264 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-12-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:8277 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-12-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:8258 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-12-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:6771 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28-10-2025
- ECLI:NL:OGEAC:2025:211 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 06-10-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2701 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 01-10-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2025:4770 Rechtbank Midden-Nederland 04-08-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2066 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23-07-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1938 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 09-07-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:3894 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24-06-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:3861 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-06-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:3862 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-06-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:652 Parket bij de Hoge Raad 30-05-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:652 Parket bij de Hoge Raad 30-05-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:578 Parket bij de Hoge Raad 23-05-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:578 Parket bij de Hoge Raad 23-05-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:578 Parket bij de Hoge Raad 23-05-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:3021 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-05-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:2396 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-04-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:2397 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-04-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:2480 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-04-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:2395 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-04-2025
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.190 tekens)
10 januari 2014
nr. 13/02112
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 11 maart 2013, nr. SBR 12/357 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 16 juli 2012 betreffende een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken.
1Het geding in feitelijke instantie
Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking de waarde van de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z] voor het kalenderjaar 2011 vastgesteld. Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 wegens het genot krachtens zakelijk recht een aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Zeist opgelegd naar de waarde vastgesteld bij voormelde beschikking.
Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Zeist bij in één geschrift vervatte uitspraken de beschikking en de aanslag gehandhaafd.
De Rechtbank heeft de tegen die uitspraken ingestelde beroepen niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende heeft tegen die uitspraak verzet gedaan. De Rechtbank heeft bij de in cassatie bestreden uitspraak het verzet ongegrond verklaard. De uitspraak van de Rechtbank op het verzet is aan dit arrest gehecht.
2Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist heeft een verweerschrift ingediend.
3Beoordeling van de middelen
3.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1.
Namens belanghebbende heeft [A] (hierna: [A]) een beroepschrift ingediend met dagtekening 27 januari 2012. Daarin heeft [A] vermeld dat hij als gemachtigde optreedt en dat de vereiste machtiging desgevraagd wordt nagezonden.
3.1.2.
De Rechtbank heeft bij brief met dagtekening 29 februari 2012, gericht aan [A], de ontvangst van het beroepschrift bevestigd en hem onder meer gevraagd om binnen vier weken na de datum van verzending van de brief een schriftelijke machtiging toe te sturen. De Rechtbank heeft [A] in die brief erop gewezen dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als niet aan het verzoek wordt voldaan.
3.1.3.
Aan het verzoek van de Rechtbank om toezending van een schriftelijke machtiging heeft [A] niet voldaan. Om die reden heeft de Rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
3.2.1.
Belanghebbende is tegen die beslissing in verzet gekomen. Als bijlage bij het verzetschrift is een door belanghebbende ondertekende machtiging van [A] overgelegd.
3.2.2.
Bij de thans in cassatie bestreden uitspraak heeft de Rechtbank het verzet ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe geoordeeld dat, nu er bij het beroepschrift geen schriftelijke machtiging was gevoegd, [A] dit verzuim niet binnen de gestelde termijn heeft hersteld en er geen verschoonbare reden is voor dit verzuim, de Rechtbank het beroep op grond van artikel 6:6 Awb niet‑ontvankelijk heeft mogen verklaren. Tegen dit oordeel richten zich de middelen.
3.3.
Bij de beoordeling van de middelen moet het volgende worden vooropgesteld.
3.3.1.
Ingevolge artikel 6:5, lid 1, aanhef en letter a, Awb wordt het bezwaar- of beroepschrift ondertekend en bevat het – voor zover hier van belang -ten minste de naam en het adres van de indiener. Daarbij wordt met ‘indiener’ bedoeld degene die voor zichzelf beroep instelt of degene namens wie beroep wordt ingesteld (zie HR 17 december 2010, nr. 09/04183, ECLI:NL:HR:2010:BO7505, BNB 2011/73).
3.3.2.
Ondertekening van het beroepschrift dient als bewijs dat het geschrift door of namens de indiener is opgesteld. Is het beroepschrift niet door de indiener zelf (mede)ondertekend maar slechts door degene die bij het beroepschrift stelt daartoe te zijn gemachtigd, dan is daarmee dit bewijs niet geleverd indien bij dat beroepschrift geen schriftelijke machtiging wordt overgelegd. In zoverre kleeft dan aan het beroepschrift een gebrek.
3.3.3.
Op grond van artikel 6:6 Awb kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 Awb of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
3.3.4.
Het hiervoor in 3.3.2 bedoelde gebrek is als een zodanig verzuim aan te merken. Dat sluit aan bij de rechtspraak van andere hoogste bestuursrechters (onder meer Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 17 mei 2006, nr. 200504755/1, ECLI:NL:RVS:2006:AX2140, en Centrale Raad van Beroep 18 juni 2013, nr. 12-5807 WWB, ECLI:NL:CRVB:2013:CA3568). Ook de memorie van toelichting wijst erop dat het ontbreken van een schriftelijke volmacht als een verzuim in de zin van artikel 6:6 Awb moet worden aangemerkt (zie Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 123). Dat het ontbreken van het bewijs van machtiging is aan te merken als een verzuim komt tevens tot uitdrukking in artikel 8:24, lid 2, Awb. Daarin is bepaald dat van de gemachtigde een schriftelijke machtiging kan worden verlangd, waarbij een uitzondering wordt gemaakt voor het geval die gemachtigde een advocaat is.
3.4.1.
De Rechtbank heeft vastgesteld dat zij bij brief van 29 februari 2012 aan [A] heeft verzocht de gestelde machtiging door belanghebbende binnen vier weken aan te tonen. In die brief is vermeld dat, indien van die gelegenheid geen gebruik wordt gemaakt, er rekening mee moet worden gehouden dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard. Voorts heeft de Rechtbank vastgesteld dat [A] niet binnen de gestelde termijn een machtiging heeft overgelegd. Uitgaande van deze vaststellingen, die in cassatie niet worden bestreden, kon de Rechtbank gelet op hetgeen hiervoor in onderdeel 3.3 is overwogen zonder schending van enige rechtsregel het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
3.4.2.
Het niet overleggen van een machtiging kan in verzet niet worden hersteld. De Rechtbank heeft het verzet derhalve terecht ongegrond verklaard.
3.5.
De middelen stuiten alle af op hetgeen hiervoor is overwogen; zij falen derhalve.
4Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, P.M.F. van Loon, M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2014.
nr. 13/02112
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 11 maart 2013, nr. SBR 12/357 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 16 juli 2012 betreffende een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken.
1Het geding in feitelijke instantie
Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking de waarde van de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z] voor het kalenderjaar 2011 vastgesteld. Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 wegens het genot krachtens zakelijk recht een aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Zeist opgelegd naar de waarde vastgesteld bij voormelde beschikking.
Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Zeist bij in één geschrift vervatte uitspraken de beschikking en de aanslag gehandhaafd.
De Rechtbank heeft de tegen die uitspraken ingestelde beroepen niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende heeft tegen die uitspraak verzet gedaan. De Rechtbank heeft bij de in cassatie bestreden uitspraak het verzet ongegrond verklaard. De uitspraak van de Rechtbank op het verzet is aan dit arrest gehecht.
2Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist heeft een verweerschrift ingediend.
3Beoordeling van de middelen
3.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1.
Namens belanghebbende heeft [A] (hierna: [A]) een beroepschrift ingediend met dagtekening 27 januari 2012. Daarin heeft [A] vermeld dat hij als gemachtigde optreedt en dat de vereiste machtiging desgevraagd wordt nagezonden.
3.1.2.
De Rechtbank heeft bij brief met dagtekening 29 februari 2012, gericht aan [A], de ontvangst van het beroepschrift bevestigd en hem onder meer gevraagd om binnen vier weken na de datum van verzending van de brief een schriftelijke machtiging toe te sturen. De Rechtbank heeft [A] in die brief erop gewezen dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als niet aan het verzoek wordt voldaan.
3.1.3.
Aan het verzoek van de Rechtbank om toezending van een schriftelijke machtiging heeft [A] niet voldaan. Om die reden heeft de Rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
3.2.1.
Belanghebbende is tegen die beslissing in verzet gekomen. Als bijlage bij het verzetschrift is een door belanghebbende ondertekende machtiging van [A] overgelegd.
3.2.2.
Bij de thans in cassatie bestreden uitspraak heeft de Rechtbank het verzet ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe geoordeeld dat, nu er bij het beroepschrift geen schriftelijke machtiging was gevoegd, [A] dit verzuim niet binnen de gestelde termijn heeft hersteld en er geen verschoonbare reden is voor dit verzuim, de Rechtbank het beroep op grond van artikel 6:6 Awb niet‑ontvankelijk heeft mogen verklaren. Tegen dit oordeel richten zich de middelen.
3.3.
Bij de beoordeling van de middelen moet het volgende worden vooropgesteld.
3.3.1.
Ingevolge artikel 6:5, lid 1, aanhef en letter a, Awb wordt het bezwaar- of beroepschrift ondertekend en bevat het – voor zover hier van belang -ten minste de naam en het adres van de indiener. Daarbij wordt met ‘indiener’ bedoeld degene die voor zichzelf beroep instelt of degene namens wie beroep wordt ingesteld (zie HR 17 december 2010, nr. 09/04183, ECLI:NL:HR:2010:BO7505, BNB 2011/73).
3.3.2.
Ondertekening van het beroepschrift dient als bewijs dat het geschrift door of namens de indiener is opgesteld. Is het beroepschrift niet door de indiener zelf (mede)ondertekend maar slechts door degene die bij het beroepschrift stelt daartoe te zijn gemachtigd, dan is daarmee dit bewijs niet geleverd indien bij dat beroepschrift geen schriftelijke machtiging wordt overgelegd. In zoverre kleeft dan aan het beroepschrift een gebrek.
3.3.3.
Op grond van artikel 6:6 Awb kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 Awb of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
3.3.4.
Het hiervoor in 3.3.2 bedoelde gebrek is als een zodanig verzuim aan te merken. Dat sluit aan bij de rechtspraak van andere hoogste bestuursrechters (onder meer Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 17 mei 2006, nr. 200504755/1, ECLI:NL:RVS:2006:AX2140, en Centrale Raad van Beroep 18 juni 2013, nr. 12-5807 WWB, ECLI:NL:CRVB:2013:CA3568). Ook de memorie van toelichting wijst erop dat het ontbreken van een schriftelijke volmacht als een verzuim in de zin van artikel 6:6 Awb moet worden aangemerkt (zie Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 123). Dat het ontbreken van het bewijs van machtiging is aan te merken als een verzuim komt tevens tot uitdrukking in artikel 8:24, lid 2, Awb. Daarin is bepaald dat van de gemachtigde een schriftelijke machtiging kan worden verlangd, waarbij een uitzondering wordt gemaakt voor het geval die gemachtigde een advocaat is.
3.4.1.
De Rechtbank heeft vastgesteld dat zij bij brief van 29 februari 2012 aan [A] heeft verzocht de gestelde machtiging door belanghebbende binnen vier weken aan te tonen. In die brief is vermeld dat, indien van die gelegenheid geen gebruik wordt gemaakt, er rekening mee moet worden gehouden dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard. Voorts heeft de Rechtbank vastgesteld dat [A] niet binnen de gestelde termijn een machtiging heeft overgelegd. Uitgaande van deze vaststellingen, die in cassatie niet worden bestreden, kon de Rechtbank gelet op hetgeen hiervoor in onderdeel 3.3 is overwogen zonder schending van enige rechtsregel het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
3.4.2.
Het niet overleggen van een machtiging kan in verzet niet worden hersteld. De Rechtbank heeft het verzet derhalve terecht ongegrond verklaard.
3.5.
De middelen stuiten alle af op hetgeen hiervoor is overwogen; zij falen derhalve.
4Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, P.M.F. van Loon, M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2014.