Gerechtshof Amsterdam
ECLI:NL:GHAMS:2026:2523
2026-07-09
Bestuursrecht; Belastingrecht
25/1006
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bpm. Beroep bij de rechtbank ongegrond in plaats van niet-ontvankelijk. Op basis van bijzondere omstandigheid ondanks overschrijding redelijke termijn geen toekenning van vergoeding van immateriële schade (IMSV).
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:2014:2 Hoge Raad 10-01-2014
- ECLI:NL:GHAMS:2023:3184 Gerechtshof Amsterdam 26-09-2023
- ECLI:NL:HR:2024:853 Hoge Raad 14-06-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (19.175 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 25/1006
9 juli 2026
uitspraak van de negende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]
, wonende te [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)
tegen de uitspraak van 20 maart 2025 in de zaak met kenmerk HAA 23/292 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
1de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, en
2. de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende betreffende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek van belanghebbende tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen.
1.2.
In hoger beroep hebben partijen de volgende inhoudelijke stukken ingediend:
een beroepschrift door belanghebbende;
een verweerschrift door de inspecteur;
nadere stukken door belanghebbende op 4 december 2025 (“conclusie van repliek”), 11 februari 2026 (wrakingsverzoek), 27 april 2026 (“pleitnota”), 28 april 2026 ( “algemene reactie” met tweede wrakingsverzoek) en 6 mei 2026 (“pleitaantekeningen”), en
een nader stuk door de inspecteur op 30 april 2026.
1.3.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2Feiten
2.1.
Belanghebbende heeft met dagtekening 13 november 2020 een aangifte bpm ingediend met het oog op de registratie in het kentekenregister van een gebruikte Audi Q3 TFSI RS uit een andere EU-lidstaat (hierna: de auto).
2.2.
In de aangifte bpm zijn onder meer de volgende gegevens betreffende de auto vermeld:
Datum eerste toelating
23 december 2019
Bruto bpm
€ 31.524
Historische nieuwprijs
€ 111.879
Handelsinkoopwaarde (cf. taxatierapport)
€ 18.950
Verschuldigde bpm
€ 5.337
2.3.
Bij de aangifte bpm is een taxatierapport gevoegd van [taxateur] ( [taxateur] ). In dat rapport is vermeld dat de auto fysiek is opgenomen op 19 oktober 2020 en dat de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat € 61.100 is, ontleend aan een koerslijst van XRAY. Verder is vermeld dat de auto aan de voorzijde en de linkerzijde schade heeft aan carrosseriedelen en de voorwielophanging, dat volgens de klant een behoorlijke tik in de motor zit en dat de linkervelgen niet aanwezig zijn. Het taxatierapport bevat daarnaast een schadecalculatie tot een bedrag van € 58.573 (inclusief btw) en diverse foto’s.
2.4.
De auto is op 18 november 2020 geschouwd bij Domeinen Roerende Zaken (DRZ). In het verslag van DRZ van de schouw zijn de volgende gegevens vermeld die afwijken van de gegevens in de aangifte:
Historische nieuwprijs
€ 118.296
Handelsinkoopwaarde onbeschadigd (koerslijst XRAY)
€ 62.193
Waardevermindering door schade
€ 20.779 (72% x € 28.860)
Handelsinkoopwaarde
€ 41.414
In het verslag is verder vermeld dat de auto in de getoonde staat een WOK-status zou moeten krijgen, dat veel zekeringen ontbreken, waaronder voor de werking van de auto essentiële zekeringen en dat de toename van de kilometerstand tussen het aanbieden van de auto bij de RDW (28.361) en de schouw bij DRZ (28.465) onwaarschijnlijk is gelet op de getoonde staat in combinatie met een motorblok dat zou moeten worden vervangen.
2.5.
Bij brief van 23 juni 2021 heeft de inspecteur belanghebbende in kennis gesteld van zijn voornemen om voor de auto bpm na te heffen. In die brief merkt de inspecteur op dat bij het taxatierapport bij de aangifte bpm de verplichte inkoopfactuur of inkoopverklaring niet is bijgevoegd en dat het taxatierapport daarom niet aan de daaraan gestelde voorwaarden voldoet. Voorts schrijft de inspecteur dat (i) op de foto’s bij het taxatierapport bij de aangifte en in het verslag van DRZ is te zien dat onderdelen van de auto zijn verwijderd, (ii) op die foto’s geen schades zijn te zien op wel aanwezige onderdelen, (iii) de RDW-keurmeester bij het tonen van de auto geen schade heeft vastgesteld en (iv) indien de auto ter keuring bij de RDW was aangeboden in de staat die uit de foto’s naar voren komt, de auto een WOKstatus had gekregen. De inspecteur heeft de verschuldigde bpm bepaald op in beginsel € 16.572, uitgaande van de historische nieuwprijs van € 118.296 die in het verslag van de schouw door DRZ is vermeld en een koerslijstwaarde van € 62.193 (XRAY). Vanwege de tenaamstelling van de auto op 9 februari 2021 komt een ‘extra leeftijdkorting’ van € 1.039 op dat bedrag in mindering. Van de in de brief geboden gelegenheid tot reageren op het voornemen binnen drie weken heeft belanghebbende geen gebruik gemaakt.
2.6.
Met dagtekening 10 september 2021 heeft de inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd, tot een te betalen bedrag van € 10.196 (€ 16.572 -/- € 5.337 -/- € 1.039).
2.7.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag op 14 oktober 2021 bezwaar gemaakt. Op het hoorgesprek van 17 februari 2022, waarvoor (de gemachtigde van) belanghebbende is uitgenodigd, is van de zijde van belanghebbende zonder afmelding niemand verschenen. De inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar van 6 oktober 2022 gehandhaafd.
2.8.
Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar is uit naam van belanghebbende ingediend door de gemachtigde. Bij het beroepschrift is een schriftelijke machtiging van 11 oktober 2021 gevoegd. De rechtbank heeft medio 2024 de gemachtigde verzocht een recente schriftelijke machtiging over te leggen en daartoe een termijn geboden die uiteindelijk is geëindigd op 20 juni 2024. Daarna heeft de rechtbank (de gemachtigde van) belanghebbende uitgenodigd voor de behandeling van de zaak op de zitting van 25 februari 2025. Op 25 februari 2025 (om 8:42 uur) is alsnog een schriftelijke machtiging met dagtekening 24 februari 2025 overgelegd met een kopie van de Nederlandse identiteitskaart van belanghebbende.
3Geschil in hoger beroep
Tussen partijen is in geschil of het beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard en, zo niet, of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is vastgesteld.
4Beoordeling van het geschil
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep
4.1.
Op zich had de rechtbank het beroep vereenvoudigd niet-ontvankelijk kunnen verklaren na het ongebruikt verstrijken van de door haar geboden termijn voor het overleggen van een recente schriftelijke machtiging (artikelen 6:5 en 8:54 van de Awb; vgl. HR 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2). Een (redelijke) grond voor niet-ontvankelijkverklaring is echter komen te vervallen doordat de rechtbank heeft besloten de zaak op zitting te behandelen en ten tijde van die zitting alsnog een recente schriftelijke machtiging voorlag. Verder is het oordeel van de rechtbank dat de overgelegde machtiging niet aan de vereisten van artikel 8:24, lid 2, van de Awb voldoet, onjuist. In artikel 8:24, lid 2, van de Awb zijn namelijk geen eisen gesteld aan een schriftelijke machtiging. Het beroep is daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
4.2.
Op de voet van artikel 8:116 van de Awb ziet het Hof af van terugwijzing van de zaak naar de rechtbank, omdat een nadere behandeling door de rechtbank niet nodig is. De inspecteur stelt daarop ook geen prijs. Het door belanghebbende gestelde belang bij terugwijzing, te weten – in het bijzonder – het kunnen afwachten van de uitkomsten van diverse lopende cassatieberoepen, staat los van de behandeling van deze zaak.
Ten aanzien van het horen in de bezwaarschriftprocedure
4.3.
Belanghebbende heeft met betrekking tot de hoorplicht in wezen betoogd dat de inspecteur net zo lang moet pogen om tot een hoorgesprek te komen totdat de belanghebbende dan wel zijn gemachtigde verschijnt om te worden gehoord. Die opvatting is onjuist. Evident is dat het Unierecht evenmin een dergelijke verstrekkende verplichting meebrengt.
Ten aanzien van het verdedigingsbeginsel
4.4.
De klacht dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd op grond van een schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel, omdat de inspecteur belanghebbende niet heeft gehoord voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag, faalt. Belanghebbende is in de kennisgeving van het voornemen om de naheffingsaanslag op te leggen in de gelegenheid gesteld zich binnen drie weken uit te laten over de feiten waarop de inspecteur dat voornemen baseerde, maar heeft die gelegenheid niet benut. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die meebrengen dat de inspecteur belanghebbende nader of anders de gelegenheid had moeten bieden om te worden gehoord uit het oogpunt van waarborging van de effectieve mogelijkheid om zich uit te spreken over het voornemen en het bewijs waarop dat voornemen was gestoeld.
Ten aanzien van de hoogte van de naheffingsaanslag
4.5.
De klachten over de hoogte van de naheffingsaanslag falen. De inspecteur heeft zich, ten eerste, terecht op het standpunt gesteld dat het taxatierapport bij de aangifte niet kan dienen om de waarde(vermindering) van de auto vast te stellen. Dat rapport is kennelijk opgemaakt op basis van een taxatie van de auto met essentiële gebreken (onder meer een ontbrekende motorkap, twee ontbrekende portieren, een ontbrekende koplamp, ontbrekende zekeringen en beweerdelijke motorschade). Door die gebreken kon en mocht niet met de auto aan het verkeer worden deelgenomen, zodat op grond van artikel 8, lid 3, van de Uitvoeringsregeling bpm 1992 de waardevermindering niet in die staat mocht worden vastgesteld. Ten tijde van de schouw bij DRZ was de situatie niet anders. Ten tweede faalt de klacht over de in aanmerking genomen CO2-uitstoot in verband met de overgang van de NEDC- naar de WLTP-meetmethode, reeds omdat de klacht in al haar algemeenheid niet eens de stelling inhoudt dat op de binnenlandse markt soortgelijke personenauto’s aanwezig waren met een CO2-uitstoot die nog met de eerstbedoelde methode was bepaald. Daardoor kan een schending van artikel 110 van het VwEU bij voorbaat niet aan de orde zijn. De juistheid van de gehanteerde handelsinkoopwaarde is ten slotte niet in geschil is. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat de inspecteur de naheffingsaanslag niet tot een te hoog bedrag heeft vastgesteld.
Ten aanzien van de overige klachten
4.6.
Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, leidt niet tot een andere beslissing dan hierna onder 7 is vermeld. In het bijzonder zijn de diverse klachten over schendingen van het Unierecht al vaak afgewezen. Het Hof komt dienaangaande ook thans niet tot andere oordelen dan de oordelen in rechtsoverweging 4.4 van zijn uitspraak van 26 september 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3184, en de daar aangehaalde rechtspraak. In rechtsoverweging 4.8 van de uitspraak van heden met kenmerk 24/3413, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan deze uitspraak wordt gehecht, heeft het Hof in aanvulling daarop voor diverse standpunten verduidelijkt waarom prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU niet nodig zijn.
Slotsom
4.7.
Het hoger beroep is gegrond. Het beroep moet ongegrond in plaats van niet-ontvankelijk worden verklaard.
5Vergoeding van immateriële schade
Het verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen. Over de naheffingsaanslag heeft belanghebbende in wezen enkel standpunten van algemene aard ingenomen, zoals dat naheffing na het belastbare feit niet is toegestaan, zonder zich op concrete onjuistheden in de naheffingsaanslag te richten. Over bedoelde standpunten heeft de Hoge Raad al voordat het beroep was ingesteld geoordeeld dat zij van een onjuiste rechtsopvatting getuigen, nadat de rechtbanken en de gerechtshoven reeds bij voortduring in die zin hadden geoordeeld (en dat sindsdien weer hebben gedaan). Het kan daarom niet anders zijn dan dat de gemachtigde van belanghebbende, wiens kennis aan belanghebbende wordt toegerekend, steeds heeft geweten dat over de belastingheffing slechts standpunten ‘tegen beter weten in’ zijn ingenomen. Daardoor ontbreekt een relevant financieel belang van belanghebbende bij de procedure. Dat vormt een bijzondere omstandigheid om ondanks de overschrijding van de redelijke termijn geen vergoeding van immateriële schade toe te kennen (vgl. HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.3).
6Kosten
Aanleiding bestaat de inspecteur te veroordelen in de kosten van belanghebbende voor het geding in hoger beroep. Daarbij geldt dat de onderhavige zaak en de zaken met kenmerken 25/676, 25/737, 25/1337, 25/1342, 25/1343 en 25/1344 samenhangende zaken zijn in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) en daarom als één zaak zijn te beschouwen. De zaken zijn gelijktijdig behandeld en de werkzaamheden van de gemachtigde zijn (vrijwel) identiek geweest, getuige onder meer de nagenoeg gelijkluidende stukken die zijn ingediend. De te vergoeden kosten in al die zeven zaken samen worden met toepassing van het forfait van het Besluit en artikel 19a van de Wet bpm 1992 vastgesteld op € 350,25 (2 punten, puntwaarde € 934, wegingsfactor 0,5, vermenigvuldigingsfactor 1,5 en vermenigvuldigingsfactor 0,25). Dat komt neer op afgerond € 50 in elk van de zaken.
7Beslissing
Het Hof:
vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
verklaart het beroep ongegrond;
gelast de inspecteur aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep heeft betaald van € 289 en beslist dat, indien dat bedrag niet tijdig wordt uitbetaald, de wettelijke rente daarover gaat lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan, en
veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende van het geding voor het Hof tot een bedrag van € 50 en beslist dat, indien dat bedrag niet tijdig wordt uitbetaald, de wettelijke rente daarover gaat lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.
De uitspraak is gedaan door mr. W.J. Blokland, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. W. de Gelder als griffier. De beslissing is op 9 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
kenmerk 25/1006
9 juli 2026
uitspraak van de negende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]
, wonende te [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)
tegen de uitspraak van 20 maart 2025 in de zaak met kenmerk HAA 23/292 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
1de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, en
2. de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende betreffende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek van belanghebbende tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen.
1.2.
In hoger beroep hebben partijen de volgende inhoudelijke stukken ingediend:
een beroepschrift door belanghebbende;
een verweerschrift door de inspecteur;
nadere stukken door belanghebbende op 4 december 2025 (“conclusie van repliek”), 11 februari 2026 (wrakingsverzoek), 27 april 2026 (“pleitnota”), 28 april 2026 ( “algemene reactie” met tweede wrakingsverzoek) en 6 mei 2026 (“pleitaantekeningen”), en
een nader stuk door de inspecteur op 30 april 2026.
1.3.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2Feiten
2.1.
Belanghebbende heeft met dagtekening 13 november 2020 een aangifte bpm ingediend met het oog op de registratie in het kentekenregister van een gebruikte Audi Q3 TFSI RS uit een andere EU-lidstaat (hierna: de auto).
2.2.
In de aangifte bpm zijn onder meer de volgende gegevens betreffende de auto vermeld:
Datum eerste toelating
23 december 2019
Bruto bpm
€ 31.524
Historische nieuwprijs
€ 111.879
Handelsinkoopwaarde (cf. taxatierapport)
€ 18.950
Verschuldigde bpm
€ 5.337
2.3.
Bij de aangifte bpm is een taxatierapport gevoegd van [taxateur] ( [taxateur] ). In dat rapport is vermeld dat de auto fysiek is opgenomen op 19 oktober 2020 en dat de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat € 61.100 is, ontleend aan een koerslijst van XRAY. Verder is vermeld dat de auto aan de voorzijde en de linkerzijde schade heeft aan carrosseriedelen en de voorwielophanging, dat volgens de klant een behoorlijke tik in de motor zit en dat de linkervelgen niet aanwezig zijn. Het taxatierapport bevat daarnaast een schadecalculatie tot een bedrag van € 58.573 (inclusief btw) en diverse foto’s.
2.4.
De auto is op 18 november 2020 geschouwd bij Domeinen Roerende Zaken (DRZ). In het verslag van DRZ van de schouw zijn de volgende gegevens vermeld die afwijken van de gegevens in de aangifte:
Historische nieuwprijs
€ 118.296
Handelsinkoopwaarde onbeschadigd (koerslijst XRAY)
€ 62.193
Waardevermindering door schade
€ 20.779 (72% x € 28.860)
Handelsinkoopwaarde
€ 41.414
In het verslag is verder vermeld dat de auto in de getoonde staat een WOK-status zou moeten krijgen, dat veel zekeringen ontbreken, waaronder voor de werking van de auto essentiële zekeringen en dat de toename van de kilometerstand tussen het aanbieden van de auto bij de RDW (28.361) en de schouw bij DRZ (28.465) onwaarschijnlijk is gelet op de getoonde staat in combinatie met een motorblok dat zou moeten worden vervangen.
2.5.
Bij brief van 23 juni 2021 heeft de inspecteur belanghebbende in kennis gesteld van zijn voornemen om voor de auto bpm na te heffen. In die brief merkt de inspecteur op dat bij het taxatierapport bij de aangifte bpm de verplichte inkoopfactuur of inkoopverklaring niet is bijgevoegd en dat het taxatierapport daarom niet aan de daaraan gestelde voorwaarden voldoet. Voorts schrijft de inspecteur dat (i) op de foto’s bij het taxatierapport bij de aangifte en in het verslag van DRZ is te zien dat onderdelen van de auto zijn verwijderd, (ii) op die foto’s geen schades zijn te zien op wel aanwezige onderdelen, (iii) de RDW-keurmeester bij het tonen van de auto geen schade heeft vastgesteld en (iv) indien de auto ter keuring bij de RDW was aangeboden in de staat die uit de foto’s naar voren komt, de auto een WOKstatus had gekregen. De inspecteur heeft de verschuldigde bpm bepaald op in beginsel € 16.572, uitgaande van de historische nieuwprijs van € 118.296 die in het verslag van de schouw door DRZ is vermeld en een koerslijstwaarde van € 62.193 (XRAY). Vanwege de tenaamstelling van de auto op 9 februari 2021 komt een ‘extra leeftijdkorting’ van € 1.039 op dat bedrag in mindering. Van de in de brief geboden gelegenheid tot reageren op het voornemen binnen drie weken heeft belanghebbende geen gebruik gemaakt.
2.6.
Met dagtekening 10 september 2021 heeft de inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd, tot een te betalen bedrag van € 10.196 (€ 16.572 -/- € 5.337 -/- € 1.039).
2.7.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag op 14 oktober 2021 bezwaar gemaakt. Op het hoorgesprek van 17 februari 2022, waarvoor (de gemachtigde van) belanghebbende is uitgenodigd, is van de zijde van belanghebbende zonder afmelding niemand verschenen. De inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar van 6 oktober 2022 gehandhaafd.
2.8.
Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar is uit naam van belanghebbende ingediend door de gemachtigde. Bij het beroepschrift is een schriftelijke machtiging van 11 oktober 2021 gevoegd. De rechtbank heeft medio 2024 de gemachtigde verzocht een recente schriftelijke machtiging over te leggen en daartoe een termijn geboden die uiteindelijk is geëindigd op 20 juni 2024. Daarna heeft de rechtbank (de gemachtigde van) belanghebbende uitgenodigd voor de behandeling van de zaak op de zitting van 25 februari 2025. Op 25 februari 2025 (om 8:42 uur) is alsnog een schriftelijke machtiging met dagtekening 24 februari 2025 overgelegd met een kopie van de Nederlandse identiteitskaart van belanghebbende.
3Geschil in hoger beroep
Tussen partijen is in geschil of het beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard en, zo niet, of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is vastgesteld.
4Beoordeling van het geschil
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep
4.1.
Op zich had de rechtbank het beroep vereenvoudigd niet-ontvankelijk kunnen verklaren na het ongebruikt verstrijken van de door haar geboden termijn voor het overleggen van een recente schriftelijke machtiging (artikelen 6:5 en 8:54 van de Awb; vgl. HR 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2). Een (redelijke) grond voor niet-ontvankelijkverklaring is echter komen te vervallen doordat de rechtbank heeft besloten de zaak op zitting te behandelen en ten tijde van die zitting alsnog een recente schriftelijke machtiging voorlag. Verder is het oordeel van de rechtbank dat de overgelegde machtiging niet aan de vereisten van artikel 8:24, lid 2, van de Awb voldoet, onjuist. In artikel 8:24, lid 2, van de Awb zijn namelijk geen eisen gesteld aan een schriftelijke machtiging. Het beroep is daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
4.2.
Op de voet van artikel 8:116 van de Awb ziet het Hof af van terugwijzing van de zaak naar de rechtbank, omdat een nadere behandeling door de rechtbank niet nodig is. De inspecteur stelt daarop ook geen prijs. Het door belanghebbende gestelde belang bij terugwijzing, te weten – in het bijzonder – het kunnen afwachten van de uitkomsten van diverse lopende cassatieberoepen, staat los van de behandeling van deze zaak.
Ten aanzien van het horen in de bezwaarschriftprocedure
4.3.
Belanghebbende heeft met betrekking tot de hoorplicht in wezen betoogd dat de inspecteur net zo lang moet pogen om tot een hoorgesprek te komen totdat de belanghebbende dan wel zijn gemachtigde verschijnt om te worden gehoord. Die opvatting is onjuist. Evident is dat het Unierecht evenmin een dergelijke verstrekkende verplichting meebrengt.
Ten aanzien van het verdedigingsbeginsel
4.4.
De klacht dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd op grond van een schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel, omdat de inspecteur belanghebbende niet heeft gehoord voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag, faalt. Belanghebbende is in de kennisgeving van het voornemen om de naheffingsaanslag op te leggen in de gelegenheid gesteld zich binnen drie weken uit te laten over de feiten waarop de inspecteur dat voornemen baseerde, maar heeft die gelegenheid niet benut. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die meebrengen dat de inspecteur belanghebbende nader of anders de gelegenheid had moeten bieden om te worden gehoord uit het oogpunt van waarborging van de effectieve mogelijkheid om zich uit te spreken over het voornemen en het bewijs waarop dat voornemen was gestoeld.
Ten aanzien van de hoogte van de naheffingsaanslag
4.5.
De klachten over de hoogte van de naheffingsaanslag falen. De inspecteur heeft zich, ten eerste, terecht op het standpunt gesteld dat het taxatierapport bij de aangifte niet kan dienen om de waarde(vermindering) van de auto vast te stellen. Dat rapport is kennelijk opgemaakt op basis van een taxatie van de auto met essentiële gebreken (onder meer een ontbrekende motorkap, twee ontbrekende portieren, een ontbrekende koplamp, ontbrekende zekeringen en beweerdelijke motorschade). Door die gebreken kon en mocht niet met de auto aan het verkeer worden deelgenomen, zodat op grond van artikel 8, lid 3, van de Uitvoeringsregeling bpm 1992 de waardevermindering niet in die staat mocht worden vastgesteld. Ten tijde van de schouw bij DRZ was de situatie niet anders. Ten tweede faalt de klacht over de in aanmerking genomen CO2-uitstoot in verband met de overgang van de NEDC- naar de WLTP-meetmethode, reeds omdat de klacht in al haar algemeenheid niet eens de stelling inhoudt dat op de binnenlandse markt soortgelijke personenauto’s aanwezig waren met een CO2-uitstoot die nog met de eerstbedoelde methode was bepaald. Daardoor kan een schending van artikel 110 van het VwEU bij voorbaat niet aan de orde zijn. De juistheid van de gehanteerde handelsinkoopwaarde is ten slotte niet in geschil is. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat de inspecteur de naheffingsaanslag niet tot een te hoog bedrag heeft vastgesteld.
Ten aanzien van de overige klachten
4.6.
Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, leidt niet tot een andere beslissing dan hierna onder 7 is vermeld. In het bijzonder zijn de diverse klachten over schendingen van het Unierecht al vaak afgewezen. Het Hof komt dienaangaande ook thans niet tot andere oordelen dan de oordelen in rechtsoverweging 4.4 van zijn uitspraak van 26 september 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3184, en de daar aangehaalde rechtspraak. In rechtsoverweging 4.8 van de uitspraak van heden met kenmerk 24/3413, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan deze uitspraak wordt gehecht, heeft het Hof in aanvulling daarop voor diverse standpunten verduidelijkt waarom prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU niet nodig zijn.
Slotsom
4.7.
Het hoger beroep is gegrond. Het beroep moet ongegrond in plaats van niet-ontvankelijk worden verklaard.
5Vergoeding van immateriële schade
Het verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen. Over de naheffingsaanslag heeft belanghebbende in wezen enkel standpunten van algemene aard ingenomen, zoals dat naheffing na het belastbare feit niet is toegestaan, zonder zich op concrete onjuistheden in de naheffingsaanslag te richten. Over bedoelde standpunten heeft de Hoge Raad al voordat het beroep was ingesteld geoordeeld dat zij van een onjuiste rechtsopvatting getuigen, nadat de rechtbanken en de gerechtshoven reeds bij voortduring in die zin hadden geoordeeld (en dat sindsdien weer hebben gedaan). Het kan daarom niet anders zijn dan dat de gemachtigde van belanghebbende, wiens kennis aan belanghebbende wordt toegerekend, steeds heeft geweten dat over de belastingheffing slechts standpunten ‘tegen beter weten in’ zijn ingenomen. Daardoor ontbreekt een relevant financieel belang van belanghebbende bij de procedure. Dat vormt een bijzondere omstandigheid om ondanks de overschrijding van de redelijke termijn geen vergoeding van immateriële schade toe te kennen (vgl. HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.3).
6Kosten
Aanleiding bestaat de inspecteur te veroordelen in de kosten van belanghebbende voor het geding in hoger beroep. Daarbij geldt dat de onderhavige zaak en de zaken met kenmerken 25/676, 25/737, 25/1337, 25/1342, 25/1343 en 25/1344 samenhangende zaken zijn in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) en daarom als één zaak zijn te beschouwen. De zaken zijn gelijktijdig behandeld en de werkzaamheden van de gemachtigde zijn (vrijwel) identiek geweest, getuige onder meer de nagenoeg gelijkluidende stukken die zijn ingediend. De te vergoeden kosten in al die zeven zaken samen worden met toepassing van het forfait van het Besluit en artikel 19a van de Wet bpm 1992 vastgesteld op € 350,25 (2 punten, puntwaarde € 934, wegingsfactor 0,5, vermenigvuldigingsfactor 1,5 en vermenigvuldigingsfactor 0,25). Dat komt neer op afgerond € 50 in elk van de zaken.
7Beslissing
Het Hof:
vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
verklaart het beroep ongegrond;
gelast de inspecteur aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep heeft betaald van € 289 en beslist dat, indien dat bedrag niet tijdig wordt uitbetaald, de wettelijke rente daarover gaat lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan, en
veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende van het geding voor het Hof tot een bedrag van € 50 en beslist dat, indien dat bedrag niet tijdig wordt uitbetaald, de wettelijke rente daarover gaat lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.
De uitspraak is gedaan door mr. W.J. Blokland, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. W. de Gelder als griffier. De beslissing is op 9 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: