Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2010:BO7505
2010-12-17
Bestuursrecht; Belastingrecht
09/04183
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Artikel 8:41, lid 1, van de Awb. Beroep bij de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van griffierecht; meer dan eenmaal griffierecht verschuldigd ter zake van één, door meer dan één belanghebbende ingediend beroepschrift?; geen sprake van hetzelfde besluit.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (83)
- ECLI:NL:GHARL:2026:5301 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-08-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:5301 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-08-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:386 Gerechtshof Den Haag 17-02-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:389 Gerechtshof Den Haag 17-02-2026
- ECLI:NL:OGEAC:2025:211 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 06-10-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:578 Parket bij de Hoge Raad 23-05-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:1949 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 01-04-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:139 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 22-01-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:137 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 22-01-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:153 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-01-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:154 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-01-2025
- ECLI:NL:GHARL:2024:5785 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10-09-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:5786 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10-09-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:937 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 20-03-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:2055 Rechtbank Rotterdam 08-03-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:628 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-01-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:629 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-01-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:631 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-01-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:625 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-01-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:622 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-01-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:621 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-01-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:620 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-01-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:619 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-01-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:618 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-01-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:626 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-01-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:624 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-01-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:627 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-01-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:623 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-01-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:630 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-01-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2265 Gerechtshof Den Haag 07-11-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:4798 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 06-06-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:354 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-01-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:49 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 11-01-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:53 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 11-01-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2022:3785 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26-10-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:493 Gerechtshof Den Haag 01-03-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:494 Gerechtshof Den Haag 01-03-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:495 Gerechtshof Den Haag 01-03-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:58 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12-01-2022
- ECLI:NL:RBLIM:2021:9997 Rechtbank Limburg 29-12-2021
- ECLI:NL:RBLIM:2021:10001 Rechtbank Limburg 29-12-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:10714 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-11-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:9177 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28-09-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:7244 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-07-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:6292 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-06-2021
- ECLI:NL:HR:2021:876 Hoge Raad 11-06-2021
- ECLI:NL:HR:2021:877 Hoge Raad 11-06-2021
- ECLI:NL:HR:2021:878 Hoge Raad 11-06-2021
- ECLI:NL:HR:2021:879 Hoge Raad 11-06-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:764 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26-01-2021
- ECLI:NL:RBNNE:2021:464 Rechtbank Noord-Nederland 25-01-2021
- ECLI:NL:RBNNE:2021:463 Rechtbank Noord-Nederland 25-01-2021
- ECLI:NL:RBNNE:2021:462 Rechtbank Noord-Nederland 25-01-2021
- ECLI:NL:RBNNE:2021:461 Rechtbank Noord-Nederland 25-01-2021
- ECLI:NL:GHARL:2020:9911 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24-11-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:9533 Rechtbank Den Haag 28-09-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2019:3838 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 17-10-2019
- ECLI:NL:RBAMS:2019:7445 Rechtbank Amsterdam 04-10-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:3094 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 08-08-2019
- ECLI:NL:GHDHA:2019:718 Gerechtshof Den Haag 29-03-2019
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.654 tekens)
nr. 09/04183
17 december 2010
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank te Haarlem van 11 september 2009, nr. AWB 09/907, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 22 juni 2009, nr. AWB 09/907.
1. Het geding in feitelijke instantie
Aan belanghebbende zijn twee belastingaanslagen opgelegd, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij gezamenlijke uitspraak van de Inspecteur zijn gehandhaafd. Belanghebbende heeft tegen die uitspraak beroep ingesteld bij de Rechtbank.
De Rechtbank heeft bij uitspraak van 22 juni 2009 het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet betaald zijn van het griffierecht.
Belanghebbende heeft daartegen verzet gedaan. De Rechtbank heeft bij de in cassatie bestreden uitspraak het verzet ongegrond verklaard. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Minister heeft een conclusie van dupliek ingediend.
3. Beoordeling van de klacht
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. De gemachtigde van belanghebbende heeft met één geschrift namens vier besloten vennootschappen, waaronder belanghebbende, beroep ingesteld bij de Rechtbank. Het geschrift vermeldde vier uitspraken op bezwaar, die elk afzonderlijk waren gericht aan één van de vier vennootschappen en die betrekking hadden op ten aanzien van elk van de vier vennootschappen afzonderlijk opgelegde belastingaanslagen.
3.1.2. De Rechtbank heeft aan de gemachtigde vier griffierechtnota's toegezonden, voor ieder van de vier vennootschappen één afzonderlijk. De gemachtigde heeft, onder vermelding van het kenmerk van één van die vier griffierechtnota's, niet zijnde de nota voor belanghebbende, griffierecht betaald, en daarbij vermeld 'wegens hetzelfde besluit 1 x recht verschuldigd voor 09/906, 907, 908 en 909'.
3.2. De Rechtbank heeft belanghebbendes beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet betaald zijn van het verschuldigde griffierecht.
3.3. In verzet was in geschil of belanghebbendes beroep ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard.
3.4. De Rechtbank heeft geoordeeld dat niet sprake is van een geval waarin het beroep van de indieners betrekking heeft op hetzelfde besluit, dat evenmin sprake is van samenhangende besluiten, en dat belanghebbendes beroep derhalve terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
3.5. In cassatie voert belanghebbende aan dat in deze situatie op de voet van artikel 8:41, lid 1, Awb slechts éénmaal griffierecht is verschuldigd, aangezien sprake is van één indiener, te weten de gemachtigde, en voorts sprake is van één beroepschrift ter zake van hetzelfde besluit, dan wel ter zake van samenhangende besluiten.
3.6. Artikel 8:41, lid 1, eerste en tweede volzin, Awb luiden:
'Van de indiener van het beroepschrift wordt door de griffier een griffierecht geheven. Indien het een beroepschrift ter zake van twee of meer samenhangende besluiten of van twee of meer indieners ter zake van hetzelfde besluit betreft, is eenmaal griffierecht verschuldigd.'
3.7. Aan de parlementaire geschiedenis van artikel 8:41, lid 1, Awb kan worden ontleend dat de wetgever met deze bepaling heeft beoogd dat, indien beroep is ingesteld door twee of meer indieners ter zake van twee of meer besluiten die zijn genomen ten aanzien van hen afzonderlijk, voor de indiening van het beroepschrift door elk van die indieners griffierecht is verschuldigd. Slechts indien twee of meer indieners één beroepschrift indienen ter zake van hetzelfde besluit is eenmaal griffierecht verschuldigd (vgl. Kamerstukken II 1993/94, 23 780, nr. 3, blz. 5 t/m 6, en Kamerstukken II 1994/95, 23 780, nr. 8, blz. 2 t/m 3). In dit verband is met 'indiener' bedoeld degene die voor zichzelf beroep instelt, respectievelijk namens wie beroep wordt ingesteld.
3.8. Gelet op hetgeen hiervoor in 3.7 is overwogen, is in het onderwerpelijke geval sprake van een door vier vennootschappen bij de Rechtbank ingediend beroepschrift, zodat van elk van de indieners afzonderlijk griffierecht dient te worden geheven, tenzij sprake is van een beroepschrift dat is gericht tegen hetzelfde besluit, als bedoeld in artikel 8:41, lid 1, tweede volzin, Awb. Van een zodanig besluit was in dit geval geen sprake. Het onderhavige beroepschrift had, zoals de Rechtbank in onderdeel 2.8 van haar uitspraak heeft vastgesteld, betrekking op diverse aanslagen die aan de vier indieners afzonderlijk waren opgelegd, zodat niet gezegd kan worden dat de beroepen zich richten tegen hetzelfde besluit. De klacht faalt derhalve.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet, als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, J.A.C.A. Overgaauw, P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2010.
17 december 2010
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank te Haarlem van 11 september 2009, nr. AWB 09/907, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 22 juni 2009, nr. AWB 09/907.
1. Het geding in feitelijke instantie
Aan belanghebbende zijn twee belastingaanslagen opgelegd, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij gezamenlijke uitspraak van de Inspecteur zijn gehandhaafd. Belanghebbende heeft tegen die uitspraak beroep ingesteld bij de Rechtbank.
De Rechtbank heeft bij uitspraak van 22 juni 2009 het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet betaald zijn van het griffierecht.
Belanghebbende heeft daartegen verzet gedaan. De Rechtbank heeft bij de in cassatie bestreden uitspraak het verzet ongegrond verklaard. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Minister heeft een conclusie van dupliek ingediend.
3. Beoordeling van de klacht
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. De gemachtigde van belanghebbende heeft met één geschrift namens vier besloten vennootschappen, waaronder belanghebbende, beroep ingesteld bij de Rechtbank. Het geschrift vermeldde vier uitspraken op bezwaar, die elk afzonderlijk waren gericht aan één van de vier vennootschappen en die betrekking hadden op ten aanzien van elk van de vier vennootschappen afzonderlijk opgelegde belastingaanslagen.
3.1.2. De Rechtbank heeft aan de gemachtigde vier griffierechtnota's toegezonden, voor ieder van de vier vennootschappen één afzonderlijk. De gemachtigde heeft, onder vermelding van het kenmerk van één van die vier griffierechtnota's, niet zijnde de nota voor belanghebbende, griffierecht betaald, en daarbij vermeld 'wegens hetzelfde besluit 1 x recht verschuldigd voor 09/906, 907, 908 en 909'.
3.2. De Rechtbank heeft belanghebbendes beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet betaald zijn van het verschuldigde griffierecht.
3.3. In verzet was in geschil of belanghebbendes beroep ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard.
3.4. De Rechtbank heeft geoordeeld dat niet sprake is van een geval waarin het beroep van de indieners betrekking heeft op hetzelfde besluit, dat evenmin sprake is van samenhangende besluiten, en dat belanghebbendes beroep derhalve terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
3.5. In cassatie voert belanghebbende aan dat in deze situatie op de voet van artikel 8:41, lid 1, Awb slechts éénmaal griffierecht is verschuldigd, aangezien sprake is van één indiener, te weten de gemachtigde, en voorts sprake is van één beroepschrift ter zake van hetzelfde besluit, dan wel ter zake van samenhangende besluiten.
3.6. Artikel 8:41, lid 1, eerste en tweede volzin, Awb luiden:
'Van de indiener van het beroepschrift wordt door de griffier een griffierecht geheven. Indien het een beroepschrift ter zake van twee of meer samenhangende besluiten of van twee of meer indieners ter zake van hetzelfde besluit betreft, is eenmaal griffierecht verschuldigd.'
3.7. Aan de parlementaire geschiedenis van artikel 8:41, lid 1, Awb kan worden ontleend dat de wetgever met deze bepaling heeft beoogd dat, indien beroep is ingesteld door twee of meer indieners ter zake van twee of meer besluiten die zijn genomen ten aanzien van hen afzonderlijk, voor de indiening van het beroepschrift door elk van die indieners griffierecht is verschuldigd. Slechts indien twee of meer indieners één beroepschrift indienen ter zake van hetzelfde besluit is eenmaal griffierecht verschuldigd (vgl. Kamerstukken II 1993/94, 23 780, nr. 3, blz. 5 t/m 6, en Kamerstukken II 1994/95, 23 780, nr. 8, blz. 2 t/m 3). In dit verband is met 'indiener' bedoeld degene die voor zichzelf beroep instelt, respectievelijk namens wie beroep wordt ingesteld.
3.8. Gelet op hetgeen hiervoor in 3.7 is overwogen, is in het onderwerpelijke geval sprake van een door vier vennootschappen bij de Rechtbank ingediend beroepschrift, zodat van elk van de indieners afzonderlijk griffierecht dient te worden geheven, tenzij sprake is van een beroepschrift dat is gericht tegen hetzelfde besluit, als bedoeld in artikel 8:41, lid 1, tweede volzin, Awb. Van een zodanig besluit was in dit geval geen sprake. Het onderhavige beroepschrift had, zoals de Rechtbank in onderdeel 2.8 van haar uitspraak heeft vastgesteld, betrekking op diverse aanslagen die aan de vier indieners afzonderlijk waren opgelegd, zodat niet gezegd kan worden dat de beroepen zich richten tegen hetzelfde besluit. De klacht faalt derhalve.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet, als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, J.A.C.A. Overgaauw, P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2010.