Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Den Haag

ECLI:NL:GHDHA:2026:2265

2026-07-08 Bestuursrecht; Belastingrecht BK-25/774
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-08
Publicatiedatum
2026-07-08
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
BK-25/774
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Art. 6:5, art. 6:6 en art. 8:24, lid 2, Awb: vertegenwoordigingsbevoegdheid. De beweerdelijk gemachtigde heeft geen recente machtiging overgelegd. Het hoger beroep is niet bevoegd ingesteld. Het Hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Citeert (8)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.438 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG


Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/774



Uitspraak van 8 juli 2026


in het geding tussen:





[Y] beweerdelijk namens [X] B.V., gevestigd te [Z] , belanghebbende,



en


de heffingsambtenaar van de Regionale Belasting Groep, Heffingsambtenaar,
(vertegenwoordiger: […] )


op het hoger beroep van [Y] tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 6 oktober 2025, nummer ROT 24/9747.





Procesverloop


1.1.
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken de waarde op 1 januari 2023 van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (de onroerende zaak), voor het kalenderjaar 2024 vastgesteld op € 1.035.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2024 opgelegde aanslag in de onroerende-zaakbelastingen (gebruiker) van de [gemeente] (de aanslag).



1.2.

[Y] heeft namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de beschikking en de aanslag. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.



1.3.

[Y] heeft namens belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 371 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen.



1.4.

[Y] heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 579 geheven. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. [Y] heeft nadere stukken ingediend, bij het Hof ingekomen op 11 en 12 juni 2026.



1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 30 juni 2026, gehouden te Den Haag. De Heffingsambtenaar is verschenen. Van de kant van belanghebbende is (zonder tijdige kennisgeving aan het Hof) niemand verschenen. Belanghebbende is door de griffier van het Hof bij digitaal bericht van 23 april 2026, gericht aan [Y] , onder aanduiding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd om te verschijnen op de zitting. Blijkens de bij dit bericht opgeslagen metadata in de digitale postkamer van het Hof is het bericht op 23 april 2026 om 12:14 uur opgeslagen in het webportaal Mijn Rechtspraak. Van de plaatsing van het bericht is op 23 april 2026 om 12:20 uur een kennisgeving per e-mail verstuurd naar het door [Y] opgegeven e-mailadres. Gelet hierop is belanghebbende naar het oordeel van het Hof op de juiste wijze uitgenodigd.



1.6.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting, dat aanving om 10.00 uur, heeft het Hof ervan kennisgenomen dat [Y] nog drie berichten/stukken had ingezonden, in de digitale postkamer van het Hof ontvangen om 09:54 uur en 09:55 uur. Het Hof heeft, gelet op de inhoud van die berichten/stukken, geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen. Deze stukken behoren dus niet tot de gedingstukken.



1.7.
Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.





Feiten


2.1.
Bij brief van 27 oktober 2025, bij het Hof ingekomen op 29 oktober 2025, heeft [Y] hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. Het hogerberoepschrift vermeldt onder meer:


“De volmacht maakt reeds deel uit van het Rechtbankdossier alsmede dat van verweerder!”




2.2.
Bij per aangetekende post, aan [Y] toegestuurd op het adres [postadres] , verzonden brief van 30 oktober 2025 is hem meegedeeld:


“Ik verzoek u (…) de volgende stukken te verstrekken:
- een op uw naam gestelde machtiging in te dienen, die niet ouder is dan 6 maanden gerekend vanaf het moment van indiening van het hogerberoepschrift;
- een kopie van een geldig ID-bewijs van de persoon die de machtiging heeft ondertekend als hoger beroep is ingesteld door een belanghebbende B.V., C.V., N.V., V.O.F., stichting of vereniging dan tevens ter zake een uittreksel van inschrijving bij de KvK toevoegen, waaruit blijkt dat namens belanghebbende correct hoger beroep is ingesteld. Het uittreksel KvK mag niet ouder zijn dan 6 maanden gerekend vanaf het moment van indiening van het hogerberoepschrift;





Ik geef u de mogelijkheid het verzuim uiterlijk 27 november 2025 te herstellen.


Als u van deze mogelijkheid geen gebruik maakt, kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat het gerechtshof uw hoger beroep niet (inhoudelijk) in behandeling neemt. Er volgt dan een uitspraak, waartegen u bij het gerechtshof in verzet kunt komen.”



2.3.
De hiervoor in 2.2 vermelde brief is volgens informatie van PostNL op 31 oktober 2025 afgehaald bij het PostNL-punt [adres PostNL-punt] .






Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen


3.1.
Het Hof beoordeelt allereerst ambtshalve of het door [Y] (beweerdelijk namens belanghebbende) ingestelde hoger beroep ontvankelijk is. Specifiek is aan de orde of [Y] deugdelijk is gemachtigd en dus bevoegd is om namens belanghebbende hoger beroep in te stellen. Indien die vraag bevestigend wordt beantwoord, komt aan de orde of de waarde van de onroerende zaak te hoog is vastgesteld.



3.2.
Belanghebbende concludeert tot ontvankelijkverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en wijziging van de beschikking in die zin dat de waarde van de onroerende zaak wordt vastgesteld op € 803.000 dan wel een door het Hof in goede justitie vastgestelde waarde en dienovereenkomstige vermindering van de aanslag. Verder verzoekt belanghebbende om een proceskostenvergoeding.



3.3.
De Heffingsambtenaar concludeert primair tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep en subsidiair tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.





Beoordeling van de ontvankelijkheid van het hoger beroep


4.1.
Op grond van artikel 6:5, lid 1, letter a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het beroepschrift ondertekend en bevat het tenminste de naam en het adres van de indiener. Daarbij wordt met indiener gedoeld op degene die voor zichzelf beroep instelt of namens wie beroep wordt ingesteld (HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:876).



4.2.
Artikel 8:24, lid 2, Awb luidt:


“2. De bestuursrechter kan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.”




4.3.
Op grond van artikel 6:6 Awb kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.



4.4.
Ingevolge artikel 6:24 en artikel 8:108, lid 1 Awb zijn de artikelen 6:5, 6:6 en 8:24, lid 2 Awb ook van toepassing op de procedure in hoger beroep.



4.5.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:556, onder meer overwogen;


“4.2 Op grond van artikel 8:24, lid 2, Awb kan de bestuursrechter van een gemachtigde die geen advocaat is een schriftelijke machtiging verlangen.



4.3.1
Bij het gebruik van deze bevoegdheid mag de bestuursrechter met het oog op een goede rechtspleging in redelijkheid eisen stellen aan de machtiging. Hij wordt daarin niet beperkt door de wijze waarop een rechter in een vorige instantie de bevoegdheid van artikel 8:24, lid 2, Awb heeft gebruikt, noch door de wijze waarop die rechter een aan hem overgelegde schriftelijke machtiging heeft beoordeeld.



4.3.2
De hiervoor in 4.3.1 bedoelde bevoegdheid van de bestuursrechter houdt onder meer in dat hij mag vragen om een recente machtiging. Hij mag eveneens vragen om een machtiging die is gegeven na de bestreden uitspraak. Ook mag hij om een machtiging vragen die specifiek ziet op de procedure die zich afspeelt voor zijn gerecht.



4.3.3
Voor het opvragen van een machtiging als hiervoor in 4.3.2 bedoeld, is niet vereist dat de bestuursrechter aanwijzingen heeft dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gemachtigde, zoals die is vastgelegd in een eerdere machtiging, op grond van de bepalingen over volmacht in Titel 3 van Boek 3 BW zou zijn geëindigd, en die rechter daarom in redelijkheid aanleiding kon vinden om eraan te twijfelen of die bevoegdheid is blijven voortbestaan.



4.3.4
De Hoge Raad is in zoverre teruggekomen van zijn arrest van 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:840.3 Daarbij heeft hij in aanmerking genomen dat de bepalingen van Titel 3 van Boek 3 BW weliswaar op grond van artikel 3:79 BW buiten het vermogensrecht van overeenkomstige toepassing zijn, maar dat dit slechts geldt voor zover de aard van de rechtshandeling of van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. In de parlementaire toelichting bij Boek 3 BW is in verband met dit voorbehoud onder meer opgemerkt dat men met overeenkomstige toepassing van (onder meer) Titel 3 van Boek 3 BW op procesrechtelijke rechtshandelingen uitermate voorzichtig dient te zijn.[4]




4.4
Om te kunnen beoordelen of een schriftelijke machtiging is ondertekend door de rechtzoekende op wiens naam zij is gesteld, en dus kan dienen als bewijs van volmacht, mag de bestuursrechter binnen een door hem te stellen redelijke termijn om legitimatie van deze persoon vragen.



4.5
De bestuursrechter is niet verplicht te motiveren waarom hij een recente machtiging en/of legitimatie van de volmachtgever vraagt, noch waarom hij de hiervoor in 4.3.1 bedoelde eisen stelt.



4.6
Indien degene die zich bij het instellen van beroep als gemachtigde heeft gesteld, niet een (nieuwe) machtiging als hiervoor in 4.3.2 bedoeld overlegt binnen de daartoe door de rechter gestelde termijn, of indien binnen een dergelijke termijn geen legitimatie als hiervoor in 4.4 bedoeld plaatsvindt van degene op wiens naam het beroep is ingesteld, is sprake van een verzuim in de zin van artikel 6:6 Awb.[5] De rechter is bevoegd het bij hem ingestelde rechtsmiddel vanwege een dergelijk verzuim niet-ontvankelijk te verklaren, op voorwaarde dat de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe door de rechter gestelde redelijke termijn, en geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat dit verzuim verschoonbaar is.[6]



4.7
Op grond van de schakelbepalingen van de artikelen 6:24 en 8:108, lid 1, Awb en artikel 29 AWR geldt wat hiervoor in 4.2 tot en met 4.6 is overwogen eveneens in hoger beroep en cassatie. (…)


(…)



[4] Kamerstukken II 1970/71, nr. 3770, nr. 5, blz. 81.
[5] Vgl. HR 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2, rechtsoverwegingen 3.3.3 en 3.3.4, en ABRvS 16 maart 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT0580, rechtsoverweging 2.7.
[6] Vgl. ABRvS 18 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1675, rechtsoverweging 3.3, CRvB 16 oktober 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG3583, rechtsoverweging 4.4, en CBb 20 juni 2001, ECLI:NL:CBB:2001:AB2227. ”




4.6.
In hoger beroep is [Y] gelegenheid geboden een op zijn naam gestelde volmacht die niet ouder is dan 6 maanden teruggerekend vanaf de datum van indiening van het hogerberoepschrift over te leggen. In de hiervoor in 2.2 genoemde brief is vermeld dat, indien van die gelegenheid geen gebruik wordt gemaakt, het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard. [Y] heeft desondanks geen recente volmacht, dat wil zeggen een volmacht die dateert van na 29 april 2025, overgelegd en hiervoor geen verschoningsgrond aangedragen. Dit leidt tot het oordeel dat er geen toereikende volmacht is om hoger beroep in te stellen namens belanghebbende.



4.7.
Gelet op het voorgaande dient, bij het ontbreken van een toereikende machtiging, ervan te worden uitgegaan dat het hoger beroep niet bevoegd is ingesteld.



4.8.
Aangezien [Y] niet bevoegd was om namens belanghebbende hoger beroep in te stellen, is het door [Y] beweerdelijk namens belanghebbende ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk.



4.9.
Indien het hoger beroep geacht moet worden te zijn ingesteld door [Y] zelf, leidt dat ook tot een niet-ontvankelijk hoger beroep. [Y] kan immers geen hoger beroep voor zichzelf instellen, reeds omdat [Y] niet de bezwaar- en beroepsprocedure heeft doorlopen en omdat de aanslag niet aan hem is opgelegd en de beschikking niet tot hem is gericht (artikel 26a, lid 1, letters a en c, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in verbinding met artikel 30, lid 1, Wet WOZ en artikel 236, lid 1, van de Gemeentewet).



Slotsom





4.10.
Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.





Proceskosten


5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.





Beslissing


Het Gerechtshof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.








Deze uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, P.J.J. Vonk en M.J.M. van der Weijden, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.




De griffier, de voorzitter,









L. van den Bogerd Chr.Th.P.M. Zandhuis




De beslissing is op 8 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.




Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.




Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.


Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.


Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).





Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:


1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:


a. - de naam en het adres van de indiener;


b. - de dagtekening;


c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


d. - de gronden van het beroep in cassatie.





Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.