Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6071

2026-07-07 Bestuursrecht; Belastingrecht BRE 25/3275
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-07
Publicatiedatum
2026-07-07
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 25/3275
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

8:55 Verzet ongegrond.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.462 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Belastingrecht


zaaknummer: BRE 25/3275


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 op het verzet van



[belanghebbende] , uit [plaats] (België), belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),


tegen de uitspraak van de rechtbank van 26 januari 2026 in het geding tussen



belanghebbende



en




de heffingsambtenaar van de gemeente Sluis, de heffingsambtenaar.




Inleiding


1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 26 januari 2026 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep ziet op de naheffingsaanslag parkeerbelasting met [aanslagnummer] .



1.1.
Belanghebbende heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.




Beoordeling door de rechtbank


2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 26 januari 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat geen machtiging is overgelegd. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.



2.1.
Gemachtigde heeft in verzet alsnog een machtiging overgelegd en vraagt om bevestiging om het beroep inhoudelijk te behandelen.



2.2.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



2.3.
Iemand die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank het beroep op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.



2.4.
De rechtbank heeft bij brieven van 8 juli 2025, 14 augustus 2025 en 22 september 2025 gevraagd om een machtiging en gronden in te dienen. Op 8 oktober 2025 heeft gemachtigde gereageerd en de gronden ingediend. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende de brieven van 8 juli 2025 en 22 september 2025 heeft ontvangen, omdat belanghebbende deze brieven heeft meegestuurd. Gemachtigde heeft geen machtiging overgelegd.



2.5.

Uit vaste rechtspraak komt naar voren dat het processuele handelen van een gemachtigde voor rekening komt van degene die de behartiging van zijn belangen aan hem heeft toevertrouwd. Dat geldt ook voor het niet overleggen van de gevraagde stukken.
De rechtbank is van oordeel dat dit voor risico van belanghebbende komt.




2.6.
Vast staat dat de rechtbank binnen de gestelde termijn geen machtiging heeft ontvangen. De rechtbank heeft dan ook in de uitspraak van 26 januari 2026 terecht geoordeeld dat niet is gebleken dat gemachtigde gemachtigd was namens belanghebbende beroep in te stellen.



2.7.
Pas in verzet heeft gemachtigde de juiste stukken overgelegd. De rechtbank oordeelt dat bij het niet voldoen aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, het beroep wegens dit verzuim niet-ontvankelijk verklaard kan worden en dat dat verzuim in verzet niet kan worden hersteld.




Conclusie en gevolgen


3. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 26 januari 2026. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr.W. Dekkers, griffier.













griffier


rechter







De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.



De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.





Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.





Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Dit staat in artikel 8:24, tweede lid van de Awb.


Vergelijk Hoge Raad, 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2.