Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:6269

2026-08-05 Bestuursrecht; Belastingrecht ARN 24/5414
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-08-05
Publicatiedatum
2026-08-05
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ARN 24/5414
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

WOZ-zaak, ingediend door mr. Vugts. Rechtbank heeft gelet op de omstandigheden van dit geval een recente machtiging opgevraagd, die niet is ingediend. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Citeert (9)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.558 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND


Bestuursrecht


zaaknummer: ARN 24/5414



uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 5 augustus 2026


in de zaak tussen





[belanghebbende] , uit [plaatsnaam] , belanghebbende
(beroep ingediend door: mr. J.W. Vugts),


en




de heffingsambtenaar van de gemeente Westervoort, de heffingsambtenaar.




Inleiding


In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 1 februari 2024.



De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [adres] te [plaatsnaam] (de woning) op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 406.000 (de beschikking). Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag onroerendezaakbelastingen van de gemeente Westervoort voor het jaar 2023 opgelegd (de aanslag).



De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de waarde van de woning verlaagd naar € 373.000 en aan belanghebbende een vergoeding van de kosten in bezwaar toegekend. Vervolgens is belanghebbende in beroep gekomen tegen de hoogte van die kostenvergoeding.



Kort na ontvangst van het beroepschrift heeft de heffingsambtenaar een hogere kostenvergoeding toegekend en heeft hij het verschil kort daarna overgemaakt.



De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.




Feiten

1. Op 11 mei 2026 heeft de rechtbank met een digitaal bericht het verzoek gedaan aan mr. J.W. Vugts (mr. Vugts) om een recente machtiging over te leggen. In dit verzoek heeft de rechtbank het volgende vermeld:


“De rechtbank heeft deze zaak bestudeerd. De zaak gaat alleen om de hoogte van de proceskostenvergoeding, nadat de heffingsambtenaar in de uitspraak op bezwaar bij de toekenning van de kostenvergoeding bij vergissing het oude tarief uit 2023 had toegepast (296 euro per punt). In beroep heeft de heffingsambtenaar de fout zo snel mogelijk trachten te herstellen. Uiteindelijk is een bedrag van 748,26 euro aan u overgemaakt, uitgaande van 2 punten voor bezwaarfase ad 310 euro per punt (tarief 2024, lage tarief voor belastingzaken) en 128,26 voor kosten taxatierapport. In beroep vraagt u om hogere bedragen per punt voor de bezwaarfase (624 euro per punt, gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad) en u vraagt om kostenvergoeding in beroep, alles zonder toepassing van artikel 30a van de Wet WOZ.



Opvallend aan deze zaak is dat de machtiging dateert van 17-2-2023, terwijl het beroep alleen gaat over de hoogte van de kostenvergoeding en uit het verweerschrift blijkt dat de betreffende woning in januari 2024 is verkocht. Dit roept de vraag op of de belanghebbende op de hoogte is van deze beroepsprocedure en of zij akkoord is met het voeren hiervan.



Gelet op deze omstandigheden verzoekt de rechtbank u om binnen twee weken een recente machtiging over te leggen.



Verder geeft de rechtbank u in overweging om het beroep in te trekken gelet op de omstandigheden van dit geval. Daarbij wijst de rechtbank erop dat zij mogelijk niet tot een hogere kostenvergoeding zal beslissen wegens misbruik van procesrecht.



Als u het beroep niet intrekt en bovendien een recente machtiging heeft overgelegd, verzoekt de rechtbank u om uit te leggen waarom het doorzetten van deze procedure volgens u geen misbruik van procesrecht oplevert.”


2. Op 18 mei 2026 heeft mr. Vugts gereageerd op het verzoek van de rechtbank om een recente machtiging. In de reactie staat het volgende vermeld:


“(…) We zien nu dat de uitspraak op bezwaar dateert van na 1 januari 2024. Dat maakt een groot verschil. Wel is het zo dat er beroep ingesteld was omdat de proceskostenvergoeding in de uitspraak op bezwaar sowieso verkeerd was vastgesteld. Ik zie niet in hoe mijn beroep kan leiden tot misbruik van procesrecht. Wellicht zie ik iets over het hoofd en kunt u mij dit verduidelijken.



Hierbij willen wij het beroep intrekken en u verzoeken om enkel nog uitspraak te doen over de proceskostenvergoeding in beroep. Indien u voor het doen van uitspraak op alleen de proceskostenvergoeding in beroep ook een machtiging nodig heeft, vernemen wij dit graag en verzoeken wij u ons daartoe tijd te gunnen. (…)”


3. Op 19 mei 2026 heeft de rechtbank mr. Vugts er met een digitaal bericht van op de hoogte gesteld dat het verzoek om een nieuwe machtiging van kracht blijft en hem de mogelijkheid gegeven om uiterlijk op 2 juni 2026 te reageren op het verzoek.

4. Op 26 mei 2026 heeft mr. Vugts de volgende reactie gegeven:


“(…) Het bevreemdt ons dat u in deze fase van de beroepsprocedure nog verzoekt om een machtiging, zelfs nu er enkel nog uitspraak op de proceskosten gedaan dient te worden en het doel al is bereikt waardoor de beroepsprocedure is ingetrokken. Bovendien was de machtiging bij het aangaan van de beroepsprocedure voldoende recent. (…)”


5. Op 29 mei 2026 heeft de rechtbank mr. Vugts er met een digitaal bericht op gewezen dat indien niet aan het verzoek om een recente machtiging wordt voldaan, zij hieraan de gevolgen zal verbinden die zij geraden acht en dat daarbij de mogelijkheid tot niet-ontvankelijkverklaring bestaat.



Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, omdat mr. Vugts desgevraagd geen recente machtiging heeft ingediend waaruit blijkt dat hij in deze zaak als gemachtigde van belanghebbende beroep mocht instellen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Toetsingskader


7. De Hoge Raad heeft in het arrest van 10 april 2026 het volgende overwogen:


“(…)


4.2
Op grond van artikel 8:24, lid 2, Awb kan de bestuursrechter van een gemachtigde die geen advocaat is een schriftelijke machtiging verlangen.

4.3.1
Bij het gebruik van deze bevoegdheid mag de bestuursrechter met het oog op een goede rechtspleging in redelijkheid eisen stellen aan de machtiging. Hij wordt daarin niet beperkt door de wijze waarop een rechter in een vorige instantie de bevoegdheid van artikel 8:24, lid 2, Awb heeft gebruikt, noch door de wijze waarop die rechter een aan hem overgelegde schriftelijke machtiging heeft beoordeeld.


4.3.2
De hiervoor in 4.3.1 bedoelde bevoegdheid van de bestuursrechter houdt onder meer in dat hij mag vragen om een recente machtiging. Hij mag eveneens vragen om een machtiging die is gegeven na de bestreden uitspraak. Ook mag hij om een machtiging vragen die specifiek ziet op de procedure die zich afspeelt voor zijn gerecht.


4.3.3
Voor het opvragen van een machtiging als hiervoor in 4.3.2 bedoeld, is niet vereist dat de bestuursrechter aanwijzingen heeft dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gemachtigde, zoals die is vastgelegd in een eerdere machtiging, op grond van de bepalingen over volmacht in Titel 3 van Boek 3 BW zou zijn geëindigd, en die rechter daarom in redelijkheid aanleiding kon vinden om eraan te twijfelen of die bevoegdheid is blijven voortbestaan.


4.3.4
De Hoge Raad is in zoverre teruggekomen van zijn arrest van 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:840.3 Daarbij heeft hij in aanmerking genomen dat de bepalingen van Titel 3 van Boek 3 BW weliswaar op grond van artikel 3:79 BW buiten het vermogensrecht van overeenkomstige toepassing zijn, maar dat dit slechts geldt voor zover de aard van de rechtshandeling of van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. In de parlementaire toelichting bij Boek 3 BW is in verband met dit voorbehoud onder meer opgemerkt dat men met overeenkomstige toepassing van (onder meer) Titel 3 van Boek 3 BW op procesrechtelijke rechtshandelingen uitermate voorzichtig dient te zijn.4



4.4
Om te kunnen beoordelen of een schriftelijke machtiging is ondertekend door de rechtzoekende op wiens naam zij is gesteld, en dus kan dienen als bewijs van volmacht, mag de bestuursrechter binnen een door hem te stellen redelijke termijn om legitimatie van deze persoon vragen.


4.5
De bestuursrechter is niet verplicht te motiveren waarom hij een recente machtiging en/of legitimatie van de volmachtgever vraagt, noch waarom hij de hiervoor in 4.3.1 bedoelde eisen stelt.


4.6

Indien degene die zich bij het instellen van beroep als gemachtigde heeft gesteld, niet een (nieuwe) machtiging als hiervoor in 4.3.2 bedoeld overlegt binnen de daartoe door de rechter gestelde termijn, of indien binnen een dergelijke termijn geen legitimatie als hiervoor in 4.4 bedoeld plaatsvindt van degene op wiens naam het beroep is ingesteld, is sprake van een verzuim in de zin van artikel 6:6 Awb.5 De rechter is bevoegd het bij hem ingestelde rechtsmiddel vanwege een dergelijk verzuim niet-ontvankelijk te verklaren, op voorwaarde dat de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe door de rechter gestelde redelijke termijn, en geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat dit verzuim verschoonbaar is.6
(…)
Voetnoten:
3 Vgl. HR 28 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1558, rechtsoverweging 3.2, en HR 11 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1441.
4. Kamerstukken II 1970/71, nr. 3770, nr. 5, blz. 81.
5 Vgl. HR 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2, rechtsoverwegingen 3.3.3 en 3.3.4, en ABRvS 16 maart 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT0580, rechtsoverweging 2.7.
6 Vgl. ABRvS 18 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1675, rechtsoverweging 3.3, CRvB 16 oktober 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG3583, rechtsoverweging 4.4, en CBb 20 juni 2001, ECLI:NL:CBB:2001:AB2227.”




Is mr. Vugts gemachtigde van belanghebbende?


8. Het beroepschrift is op 14 maart 2024 ingediend door mr. Vugts, namens belanghebbende. Bij het beroepschrift is een machtiging overgelegd die door belanghebbende is ondertekend en dateert van 17 februari 2023. De rechtbank heeft in de omstandigheden van het geval aanleiding gezien om een recente machtiging op te vragen. De redenen hiervoor zijn uiteengezet in het hiervoor geciteerde bericht van 11 mei 2026 (zie punt 1.). De rechtbank heeft op 19 mei 2026 nogmaals de mogelijkheid gegeven om een recente machtiging over te leggen (zie punt 3.). Mr. Vugts heeft wel op deze berichten gereageerd, maar heeft geen recente machtiging ingediend. Er bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat dit verzuim verschoonbaar is.

9. De rechtbank verbindt aan het uitblijven van een recente machtiging de gevolgtrekking dat mr. Vugts niet is gemachtigd om namens belanghebbende beroep in te stellen en dat het beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk is.



Verzoek immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn


10. Mr. Vugts heeft op 14 maart 2024 verzocht om een schadevergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

11. Gezien het feit dat niet is gebleken dat mr. Vugts gemachtigd is om beroep in te stellen namens belanghebbende, is hij ook niet bevoegd om namens belanghebbende een verzoek om immateriële schadevergoeding in te dienen. Ook dit verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.




Conclusie en gevolgen


12. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Belanghebbende krijgt het griffierecht niet terug en zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Ook het verzoek om immateriële schadevergoeding is kennelijk niet-ontvankelijk.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep en het verzoek om schadevergoeding kennelijk niet-ontvankelijk.





Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.A. Wildenbeest, griffier.
Uitgesproken op 5 augustus 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.





















griffier


rechter











Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.




ECLI:NL:HR:2026:556.