Gerechtshof Den Haag
ECLI:NL:GHDHA:2026:2264
2026-07-08
Bestuursrecht; Belastingrecht
BK-25/581
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:GHDHA:2026:2264 → ECLI:NL:RBROT:2025:9552 niet ontvankelijk
Inhoudsindicatie
Art. 6:5, art. 6:6 en art. 8:24, lid 2, Awb: vertegenwoordigingsbevoegdheid. De beweerdelijk gemachtigde heeft geen recente machtiging overgelegd. Het hoger beroep is niet bevoegd ingesteld. Het Hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Citeert (8)
- ECLI:NL:HR:2021:876 Hoge Raad 11-06-2021
- ECLI:NL:HR:2026:556 Hoge Raad 17-04-2026
- ECLI:NL:HR:2013:840 Hoge Raad 11-10-2013
- ECLI:NL:HR:2014:2 Hoge Raad 10-01-2014
- ECLI:NL:RVS:2005:AT0580 Raad van State 16-03-2005
- ECLI:NL:RVS:2013:1675 Raad van State 18-10-2013
- ECLI:NL:CRVB:2008:BG3583 Centrale Raad van Beroep 16-10-2008
- ECLI:NL:CBB:2001:AB2227 College van Beroep voor het bedrijfsleven 20-06-2001
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.153 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/581
Uitspraak van 8 juli 2026
in het geding tussen:
[Y] beweerdelijk namens [X] B.V., gevestigd te [Z] , belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de Regionale Belasting Groep, de Heffingsambtenaar,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van [Y] tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 29 juli 2025, nummer ROT 24/7695.
Procesverloop
1.1.
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken de waarde op 1 januari 2023 van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (de onroerende zaak), voor het kalenderjaar 2024 vastgesteld op € 2.444.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2024 opgelegde aanslag in de onroerende-zaakbelastingen van de [gemeente] (de aanslag).
1.2.
[Y] heeft namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de beschikking en de aanslag. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.
1.3.
[Y] heeft namens belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 371 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
[Y] heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Het in hoger beroep verschuldigde griffierecht van € 579 is niet betaald. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. [Y] heeft op 22 oktober 2025 en 13 juni 2026 nadere stukken ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 30 juni 2026, gehouden te Den Haag. De Heffingsambtenaar is verschenen. Van de kant van belanghebbende is (zonder tijdige kennisgeving aan het Hof) niemand verschenen. Belanghebbende is door de griffier van het Hof bij digitaal bericht van 23 april 2026, gericht aan [Y] , onder aanduiding van plaats, datum en tijd uitgenodigd om te verschijnen op de zitting. Blijkens de bij dit bericht opgeslagen metadata in de digitale postkamer van het Hof is dit bericht op 23 april 2026 om 12:14 uur opgeslagen in het webportaal Mijn Rechtspraak. Van de plaatsing van het bericht is op 23 april 2026 om 12:20 uur een kennisgeving per e-mail verstuurd naar het door [Y] opgegeven e-mailadres. Gelet hierop is belanghebbende naar het oordeel van het Hof op de juiste wijze uitgenodigd.
1.6.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting, dat aanving om 9.30 uur, heeft [Y] nog berichten/stukken ingezonden, in de digitale postkamer van het Hof ontvangen op 30 juni 2026 om 09:52 uur en 09:55 uur. Het Hof heeft, gelet op de inhoud van die berichten/stukken, geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen. Deze stukken behoren dus niet tot de gedingstukken.
1.7.
Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2.1.
Bij brief van 30 juli 2025, bij het Hof ingekomen op 31 juli 2025, heeft [Y] hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. Het hogerberoepschrift vermeldt onder meer:
“De volmacht maakt reeds deel uit van het Rechtbankdossier alsmede dat van verweerder!”
2.2.1.
Bij per aangetekende post aan [Y] , aan het adres [postadres] , verzonden brief van 1 augustus 2025 is hem meegedeeld:
“U heeft hoger beroep ingesteld. Dit beroep voldoet niet aan de hierna opgenomen vereisten. U heeft verzuimd:
- een op uw naam gestelde machtiging in te dienen, die niet ouder is dan 6 maanden gerekend vanaf het moment van indiening van het hoger beroepschrift;
- een kopie van een geldig ID-bewijs van de persoon die de machtiging heeft ondertekend;
- als hoger beroep is ingesteld door een belanghebbende B.V., C.V., N.V., V.O.F., stichting of vereniging dan tevens ter zake een uittreksel van inschrijving bij de KvK toevoegen, waaruit blijkt dat namens belanghebbende correct hoger beroep is ingesteld. Het uittreksel KvK mag niet ouder zijn dan 6 maanden gerekend vanaf het moment van indiening van het hogerberoepschrift;
Ik geef u de mogelijkheid het verzuim uiterlijk 29 augustus 2025 te herstellen.“
2.2.2.
De brief is volgens informatie van PostNL op 2 augustus 2025 afgehaald bij het PostNL-punt [adres PostNL-punt] .
2.3.
Als bijlagen bij een brief van 27 augustus 2025, bij het Hof ingekomen op 29 augustus 2025, heeft [Y] onder meer twee machtigingen en een kopie van een identiteitsbewijs gevoegd. De machtigingen zijn ondertekend door de bestuurder van belanghebbende, [naam] , op 5 mei 2022 en op 27 maart 2024. Het identiteitsbewijs van de bestuurder van belanghebbende is geldig tot 20 september 2024.
2.4.1.
Bij per aangetekende post aan het hiervoor in 2.2.1 vermelde adres, [postadres] , verzonden brief van 13 oktober 2025 is [Y] nogmaals verzocht om de volgende stukken te verstrekken:
“Ik verzoek u (…) de volgende stukken te verstrekken:
- een op uw naam gestelde machtiging, die niet ouder is dan 6 maanden teruggerekend vanaf de datum van indiening van het hogerberoepschrift;
- een kopie van een geldig ID-bewijs van de persoon die de machtiging heeft ondertekend.
- een uittreksel van inschrijving bij de KvK toevoegen, waaruit blijkt dat namens belanghebbende correct hoger beroep is ingesteld. Het uittreksel KvK mag niet ouder zijn dan 6 maanden gerekend vanaf het moment van indiening van het hogerberoepschrift;
Ik geef u de mogelijkheid het verzuim uiterlijk binnen vier weken na dagtekening van deze brief te herstellen.
Als u van deze mogelijkheid geen gebruik maakt, kan het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat het gerechtshof het hoger beroep niet (inhoudelijk) in behandeling neemt.”
2.4.2.
De brief is volgens informatie van PostNL op 14 oktober 2025 afgehaald bij het PostNL-punt [adres PostNL-punt] .
2.5.
Bij brief, ingekomen bij het Hof op 22 oktober 2025, heeft [Y] nogmaals de machtiging van 27 maart 2024 en de kopie van het verlopen identiteitsbewijs, alsmede een uittreksel van de Kamer van Koophandel van 6 december 2024 ingediend.
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
3.1.
Het Hof beoordeelt allereerst ambtshalve of het door [Y] (beweerdelijk namens belanghebbende) ingestelde hoger beroep ontvankelijk is. Specifiek is aan de orde of [Y] deugdelijk is gemachtigd en dus bevoegd is om namens belanghebbende hoger beroep in te stellen. Indien die vraag bevestigend wordt beantwoord, komt aan de orde of de waarde van de onroerende zaak te hoog is vastgesteld.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot ontvankelijkverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en wijziging van de beschikking in die zin dat de waarde van de onroerende zaak op een lager bedrag wordt vastgesteld. Verder verzoekt belanghebbende om een proceskostenvergoeding.
3.3.
De Heffingsambtenaar concludeert – zo begrijpt het Hof – primair tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep en subsidiair tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beoordeling van de ontvankelijkheid van het hoger beroep
4.1.
Op grond van artikel 6:5, lid 1, letter a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het beroepschrift ondertekend en bevat het tenminste de naam en het adres van de indiener. Daarbij wordt met indiener gedoeld op degene die voor zichzelf beroep instelt of namens wie beroep wordt ingesteld (HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:876).
4.2.
Artikel 8:24, lid 2, Awb luidt:
“2. De bestuursrechter kan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.”
4.3.
Op grond van artikel 6:6 Awb kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
4.4.
Ingevolge artikel 6:24 en artikel 8:108, lid 1, Awb zijn de artikelen 6:5, 6:6 en 8:24, lid 2, Awb ook van toepassing op de procedure in hoger beroep.
4.5.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:556, onder meer overwogen:
“4.2 Op grond van artikel 8:24, lid 2, Awb kan de bestuursrechter van een gemachtigde die geen advocaat is een schriftelijke machtiging verlangen.
4.3.1
Bij het gebruik van deze bevoegdheid mag de bestuursrechter met het oog op een goede rechtspleging in redelijkheid eisen stellen aan de machtiging. Hij wordt daarin niet beperkt door de wijze waarop een rechter in een vorige instantie de bevoegdheid van artikel 8:24, lid 2, Awb heeft gebruikt, noch door de wijze waarop die rechter een aan hem overgelegde schriftelijke machtiging heeft beoordeeld.
4.3.2
De hiervoor in 4.3.1 bedoelde bevoegdheid van de bestuursrechter houdt onder meer in dat hij mag vragen om een recente machtiging. Hij mag eveneens vragen om een machtiging die is gegeven na de bestreden uitspraak. Ook mag hij om een machtiging vragen die specifiek ziet op de procedure die zich afspeelt voor zijn gerecht.
4.3.3
Voor het opvragen van een machtiging als hiervoor in 4.3.2 bedoeld, is niet vereist dat de bestuursrechter aanwijzingen heeft dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gemachtigde, zoals die is vastgelegd in een eerdere machtiging, op grond van de bepalingen over volmacht in Titel 3 van Boek 3 BW zou zijn geëindigd, en die rechter daarom in redelijkheid aanleiding kon vinden om eraan te twijfelen of die bevoegdheid is blijven voortbestaan.
4.3.4
De Hoge Raad is in zoverre teruggekomen van zijn arrest van 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:840.3 Daarbij heeft hij in aanmerking genomen dat de bepalingen van Titel 3 van Boek 3 BW weliswaar op grond van artikel 3:79 BW buiten het vermogensrecht van overeenkomstige toepassing zijn, maar dat dit slechts geldt voor zover de aard van de rechtshandeling of van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. In de parlementaire toelichting bij Boek 3 BW is in verband met dit voorbehoud onder meer opgemerkt dat men met overeenkomstige toepassing van (onder meer) Titel 3 van Boek 3 BW op procesrechtelijke rechtshandelingen uitermate voorzichtig dient te zijn.[4]
4.4
Om te kunnen beoordelen of een schriftelijke machtiging is ondertekend door de rechtzoekende op wiens naam zij is gesteld, en dus kan dienen als bewijs van volmacht, mag de bestuursrechter binnen een door hem te stellen redelijke termijn om legitimatie van deze persoon vragen.
4.5
De bestuursrechter is niet verplicht te motiveren waarom hij een recente machtiging en/of legitimatie van de volmachtgever vraagt, noch waarom hij de hiervoor in 4.3.1 bedoelde eisen stelt.
4.6
Indien degene die zich bij het instellen van beroep als gemachtigde heeft gesteld, niet een (nieuwe) machtiging als hiervoor in 4.3.2 bedoeld overlegt binnen de daartoe door de rechter gestelde termijn, of indien binnen een dergelijke termijn geen legitimatie als hiervoor in 4.4 bedoeld plaatsvindt van degene op wiens naam het beroep is ingesteld, is sprake van een verzuim in de zin van artikel 6:6 Awb.[5] De rechter is bevoegd het bij hem ingestelde rechtsmiddel vanwege een dergelijk verzuim niet-ontvankelijk te verklaren, op voorwaarde dat de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe door de rechter gestelde redelijke termijn, en geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat dit verzuim verschoonbaar is.[6]
4.7
Op grond van de schakelbepalingen van de artikelen 6:24 en 8:108, lid 1, Awb en artikel 29 AWR geldt wat hiervoor in 4.2 tot en met 4.6 is overwogen eveneens in hoger beroep en cassatie. (…)
(…)
[4] Kamerstukken II 1970/71, nr. 3770, nr. 5, blz. 81.
[5] Vgl. HR 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2, rechtsoverwegingen 3.3.3 en 3.3.4, en ABRvS 16 maart 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT0580, rechtsoverweging 2.7.
[6] Vgl. ABRvS 18 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1675, rechtsoverweging 3.3, CRvB 16 oktober 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG3583, rechtsoverweging 4.4, en CBb 20 juni 2001, ECLI:NL:CBB:2001:AB2227. ”
4.6.
In hoger beroep is [Y] tweemaal de gelegenheid geboden een op zijn naam gestelde volmacht die niet ouder is dan 6 maanden teruggerekend vanaf de datum van indiening van het hogerberoepschrift over te leggen. Het bericht van 13 oktober 2025 vermeldt dat, indien van die gelegenheid geen gebruik wordt gemaakt, het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard. [Y] heeft desondanks geen recente volmacht, dat wil zeggen een volmacht die dateert van na 31 januari 2025, overgelegd en hiervoor geen verschoningsgrond aangedragen. Daarom dient ervan te worden uitgegaan dat de volmacht niet toereikend is om hoger beroep in te stellen namens belanghebbende.
4.7.
Gelet op het voorgaande dient, bij gebreke van bewijs van een toereikende machtiging, ervan te worden uitgegaan dat het hoger beroep niet bevoegd is ingesteld.
4.8.
Aangezien [Y] niet bevoegd was om namens belanghebbende hoger beroep in te stellen, is het door [Y] beweerdelijk namens belanghebbende ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk.
4.9.
Indien het hoger beroep geacht moet worden te zijn ingesteld door [Y] zelf, leidt dat ook tot een niet-ontvankelijk hoger beroep. [Y] kan immers geen hoger beroep voor zichzelf instellen, reeds omdat [Y] niet de bezwaar- en beroepsprocedure heeft doorlopen en omdat de aanslag niet aan hem is opgelegd en de beschikking niet tot hem is gericht (artikel 26a, lid 1, letters a en c, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in verbinding met artikel 30, lid 1, Wet WOZ en artikel 236, lid 1, van de Gemeentewet).
Slotsom
4.10.
Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
Proceskosten
5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing
Het Gerechtshof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, P.J.J. Vonk en M.J.M. van der Weijden, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.
De griffier, de voorzitter,
L. van den Bogerd Chr.Th.P.M. Zandhuis
De beslissing is op 8 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/581
Uitspraak van 8 juli 2026
in het geding tussen:
[Y] beweerdelijk namens [X] B.V., gevestigd te [Z] , belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de Regionale Belasting Groep, de Heffingsambtenaar,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van [Y] tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 29 juli 2025, nummer ROT 24/7695.
Procesverloop
1.1.
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken de waarde op 1 januari 2023 van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (de onroerende zaak), voor het kalenderjaar 2024 vastgesteld op € 2.444.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2024 opgelegde aanslag in de onroerende-zaakbelastingen van de [gemeente] (de aanslag).
1.2.
[Y] heeft namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de beschikking en de aanslag. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.
1.3.
[Y] heeft namens belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 371 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
[Y] heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Het in hoger beroep verschuldigde griffierecht van € 579 is niet betaald. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. [Y] heeft op 22 oktober 2025 en 13 juni 2026 nadere stukken ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 30 juni 2026, gehouden te Den Haag. De Heffingsambtenaar is verschenen. Van de kant van belanghebbende is (zonder tijdige kennisgeving aan het Hof) niemand verschenen. Belanghebbende is door de griffier van het Hof bij digitaal bericht van 23 april 2026, gericht aan [Y] , onder aanduiding van plaats, datum en tijd uitgenodigd om te verschijnen op de zitting. Blijkens de bij dit bericht opgeslagen metadata in de digitale postkamer van het Hof is dit bericht op 23 april 2026 om 12:14 uur opgeslagen in het webportaal Mijn Rechtspraak. Van de plaatsing van het bericht is op 23 april 2026 om 12:20 uur een kennisgeving per e-mail verstuurd naar het door [Y] opgegeven e-mailadres. Gelet hierop is belanghebbende naar het oordeel van het Hof op de juiste wijze uitgenodigd.
1.6.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting, dat aanving om 9.30 uur, heeft [Y] nog berichten/stukken ingezonden, in de digitale postkamer van het Hof ontvangen op 30 juni 2026 om 09:52 uur en 09:55 uur. Het Hof heeft, gelet op de inhoud van die berichten/stukken, geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen. Deze stukken behoren dus niet tot de gedingstukken.
1.7.
Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2.1.
Bij brief van 30 juli 2025, bij het Hof ingekomen op 31 juli 2025, heeft [Y] hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. Het hogerberoepschrift vermeldt onder meer:
“De volmacht maakt reeds deel uit van het Rechtbankdossier alsmede dat van verweerder!”
2.2.1.
Bij per aangetekende post aan [Y] , aan het adres [postadres] , verzonden brief van 1 augustus 2025 is hem meegedeeld:
“U heeft hoger beroep ingesteld. Dit beroep voldoet niet aan de hierna opgenomen vereisten. U heeft verzuimd:
- een op uw naam gestelde machtiging in te dienen, die niet ouder is dan 6 maanden gerekend vanaf het moment van indiening van het hoger beroepschrift;
- een kopie van een geldig ID-bewijs van de persoon die de machtiging heeft ondertekend;
- als hoger beroep is ingesteld door een belanghebbende B.V., C.V., N.V., V.O.F., stichting of vereniging dan tevens ter zake een uittreksel van inschrijving bij de KvK toevoegen, waaruit blijkt dat namens belanghebbende correct hoger beroep is ingesteld. Het uittreksel KvK mag niet ouder zijn dan 6 maanden gerekend vanaf het moment van indiening van het hogerberoepschrift;
Ik geef u de mogelijkheid het verzuim uiterlijk 29 augustus 2025 te herstellen.“
2.2.2.
De brief is volgens informatie van PostNL op 2 augustus 2025 afgehaald bij het PostNL-punt [adres PostNL-punt] .
2.3.
Als bijlagen bij een brief van 27 augustus 2025, bij het Hof ingekomen op 29 augustus 2025, heeft [Y] onder meer twee machtigingen en een kopie van een identiteitsbewijs gevoegd. De machtigingen zijn ondertekend door de bestuurder van belanghebbende, [naam] , op 5 mei 2022 en op 27 maart 2024. Het identiteitsbewijs van de bestuurder van belanghebbende is geldig tot 20 september 2024.
2.4.1.
Bij per aangetekende post aan het hiervoor in 2.2.1 vermelde adres, [postadres] , verzonden brief van 13 oktober 2025 is [Y] nogmaals verzocht om de volgende stukken te verstrekken:
“Ik verzoek u (…) de volgende stukken te verstrekken:
- een op uw naam gestelde machtiging, die niet ouder is dan 6 maanden teruggerekend vanaf de datum van indiening van het hogerberoepschrift;
- een kopie van een geldig ID-bewijs van de persoon die de machtiging heeft ondertekend.
- een uittreksel van inschrijving bij de KvK toevoegen, waaruit blijkt dat namens belanghebbende correct hoger beroep is ingesteld. Het uittreksel KvK mag niet ouder zijn dan 6 maanden gerekend vanaf het moment van indiening van het hogerberoepschrift;
Ik geef u de mogelijkheid het verzuim uiterlijk binnen vier weken na dagtekening van deze brief te herstellen.
Als u van deze mogelijkheid geen gebruik maakt, kan het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat het gerechtshof het hoger beroep niet (inhoudelijk) in behandeling neemt.”
2.4.2.
De brief is volgens informatie van PostNL op 14 oktober 2025 afgehaald bij het PostNL-punt [adres PostNL-punt] .
2.5.
Bij brief, ingekomen bij het Hof op 22 oktober 2025, heeft [Y] nogmaals de machtiging van 27 maart 2024 en de kopie van het verlopen identiteitsbewijs, alsmede een uittreksel van de Kamer van Koophandel van 6 december 2024 ingediend.
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
3.1.
Het Hof beoordeelt allereerst ambtshalve of het door [Y] (beweerdelijk namens belanghebbende) ingestelde hoger beroep ontvankelijk is. Specifiek is aan de orde of [Y] deugdelijk is gemachtigd en dus bevoegd is om namens belanghebbende hoger beroep in te stellen. Indien die vraag bevestigend wordt beantwoord, komt aan de orde of de waarde van de onroerende zaak te hoog is vastgesteld.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot ontvankelijkverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en wijziging van de beschikking in die zin dat de waarde van de onroerende zaak op een lager bedrag wordt vastgesteld. Verder verzoekt belanghebbende om een proceskostenvergoeding.
3.3.
De Heffingsambtenaar concludeert – zo begrijpt het Hof – primair tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep en subsidiair tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beoordeling van de ontvankelijkheid van het hoger beroep
4.1.
Op grond van artikel 6:5, lid 1, letter a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het beroepschrift ondertekend en bevat het tenminste de naam en het adres van de indiener. Daarbij wordt met indiener gedoeld op degene die voor zichzelf beroep instelt of namens wie beroep wordt ingesteld (HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:876).
4.2.
Artikel 8:24, lid 2, Awb luidt:
“2. De bestuursrechter kan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.”
4.3.
Op grond van artikel 6:6 Awb kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
4.4.
Ingevolge artikel 6:24 en artikel 8:108, lid 1, Awb zijn de artikelen 6:5, 6:6 en 8:24, lid 2, Awb ook van toepassing op de procedure in hoger beroep.
4.5.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:556, onder meer overwogen:
“4.2 Op grond van artikel 8:24, lid 2, Awb kan de bestuursrechter van een gemachtigde die geen advocaat is een schriftelijke machtiging verlangen.
4.3.1
Bij het gebruik van deze bevoegdheid mag de bestuursrechter met het oog op een goede rechtspleging in redelijkheid eisen stellen aan de machtiging. Hij wordt daarin niet beperkt door de wijze waarop een rechter in een vorige instantie de bevoegdheid van artikel 8:24, lid 2, Awb heeft gebruikt, noch door de wijze waarop die rechter een aan hem overgelegde schriftelijke machtiging heeft beoordeeld.
4.3.2
De hiervoor in 4.3.1 bedoelde bevoegdheid van de bestuursrechter houdt onder meer in dat hij mag vragen om een recente machtiging. Hij mag eveneens vragen om een machtiging die is gegeven na de bestreden uitspraak. Ook mag hij om een machtiging vragen die specifiek ziet op de procedure die zich afspeelt voor zijn gerecht.
4.3.3
Voor het opvragen van een machtiging als hiervoor in 4.3.2 bedoeld, is niet vereist dat de bestuursrechter aanwijzingen heeft dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gemachtigde, zoals die is vastgelegd in een eerdere machtiging, op grond van de bepalingen over volmacht in Titel 3 van Boek 3 BW zou zijn geëindigd, en die rechter daarom in redelijkheid aanleiding kon vinden om eraan te twijfelen of die bevoegdheid is blijven voortbestaan.
4.3.4
De Hoge Raad is in zoverre teruggekomen van zijn arrest van 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:840.3 Daarbij heeft hij in aanmerking genomen dat de bepalingen van Titel 3 van Boek 3 BW weliswaar op grond van artikel 3:79 BW buiten het vermogensrecht van overeenkomstige toepassing zijn, maar dat dit slechts geldt voor zover de aard van de rechtshandeling of van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. In de parlementaire toelichting bij Boek 3 BW is in verband met dit voorbehoud onder meer opgemerkt dat men met overeenkomstige toepassing van (onder meer) Titel 3 van Boek 3 BW op procesrechtelijke rechtshandelingen uitermate voorzichtig dient te zijn.[4]
4.4
Om te kunnen beoordelen of een schriftelijke machtiging is ondertekend door de rechtzoekende op wiens naam zij is gesteld, en dus kan dienen als bewijs van volmacht, mag de bestuursrechter binnen een door hem te stellen redelijke termijn om legitimatie van deze persoon vragen.
4.5
De bestuursrechter is niet verplicht te motiveren waarom hij een recente machtiging en/of legitimatie van de volmachtgever vraagt, noch waarom hij de hiervoor in 4.3.1 bedoelde eisen stelt.
4.6
Indien degene die zich bij het instellen van beroep als gemachtigde heeft gesteld, niet een (nieuwe) machtiging als hiervoor in 4.3.2 bedoeld overlegt binnen de daartoe door de rechter gestelde termijn, of indien binnen een dergelijke termijn geen legitimatie als hiervoor in 4.4 bedoeld plaatsvindt van degene op wiens naam het beroep is ingesteld, is sprake van een verzuim in de zin van artikel 6:6 Awb.[5] De rechter is bevoegd het bij hem ingestelde rechtsmiddel vanwege een dergelijk verzuim niet-ontvankelijk te verklaren, op voorwaarde dat de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe door de rechter gestelde redelijke termijn, en geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat dit verzuim verschoonbaar is.[6]
4.7
Op grond van de schakelbepalingen van de artikelen 6:24 en 8:108, lid 1, Awb en artikel 29 AWR geldt wat hiervoor in 4.2 tot en met 4.6 is overwogen eveneens in hoger beroep en cassatie. (…)
(…)
[4] Kamerstukken II 1970/71, nr. 3770, nr. 5, blz. 81.
[5] Vgl. HR 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2, rechtsoverwegingen 3.3.3 en 3.3.4, en ABRvS 16 maart 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT0580, rechtsoverweging 2.7.
[6] Vgl. ABRvS 18 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1675, rechtsoverweging 3.3, CRvB 16 oktober 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG3583, rechtsoverweging 4.4, en CBb 20 juni 2001, ECLI:NL:CBB:2001:AB2227. ”
4.6.
In hoger beroep is [Y] tweemaal de gelegenheid geboden een op zijn naam gestelde volmacht die niet ouder is dan 6 maanden teruggerekend vanaf de datum van indiening van het hogerberoepschrift over te leggen. Het bericht van 13 oktober 2025 vermeldt dat, indien van die gelegenheid geen gebruik wordt gemaakt, het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard. [Y] heeft desondanks geen recente volmacht, dat wil zeggen een volmacht die dateert van na 31 januari 2025, overgelegd en hiervoor geen verschoningsgrond aangedragen. Daarom dient ervan te worden uitgegaan dat de volmacht niet toereikend is om hoger beroep in te stellen namens belanghebbende.
4.7.
Gelet op het voorgaande dient, bij gebreke van bewijs van een toereikende machtiging, ervan te worden uitgegaan dat het hoger beroep niet bevoegd is ingesteld.
4.8.
Aangezien [Y] niet bevoegd was om namens belanghebbende hoger beroep in te stellen, is het door [Y] beweerdelijk namens belanghebbende ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk.
4.9.
Indien het hoger beroep geacht moet worden te zijn ingesteld door [Y] zelf, leidt dat ook tot een niet-ontvankelijk hoger beroep. [Y] kan immers geen hoger beroep voor zichzelf instellen, reeds omdat [Y] niet de bezwaar- en beroepsprocedure heeft doorlopen en omdat de aanslag niet aan hem is opgelegd en de beschikking niet tot hem is gericht (artikel 26a, lid 1, letters a en c, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in verbinding met artikel 30, lid 1, Wet WOZ en artikel 236, lid 1, van de Gemeentewet).
Slotsom
4.10.
Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
Proceskosten
5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing
Het Gerechtshof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, P.J.J. Vonk en M.J.M. van der Weijden, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.
De griffier, de voorzitter,
L. van den Bogerd Chr.Th.P.M. Zandhuis
De beslissing is op 8 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.