Raad van State
ECLI:NL:RVS:2025:722
2025-02-27
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
BRS.24.000351
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:RVS:2025:722 → ECLI:NL:RBDHA:2024:15335 bekrachtiging/bevestiging
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 16 september 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie de termijn van de aan de vreemdeling opgelegde bewaringsmaatregel verlengd met ten hoogste twaalf maanden.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2024:1892 Raad van State 06-05-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:2842 Raad van State 15-07-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:4940 Raad van State 04-12-2024
Geciteerd door (147)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:29053 Rechtbank Den Haag 01-10-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:28918 Rechtbank Den Haag 30-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:27811 Rechtbank Den Haag 23-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:27633 Rechtbank Den Haag 21-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26253 Rechtbank Den Haag 10-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26260 Rechtbank Den Haag 09-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26024 Rechtbank Den Haag 07-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26250 Rechtbank Den Haag 01-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24331 Rechtbank Den Haag 27-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:23230 Rechtbank Den Haag 19-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:23185 Rechtbank Den Haag 18-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:23138 Rechtbank Den Haag 17-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22795 Rechtbank Den Haag 14-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22807 Rechtbank Den Haag 05-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21800 Rechtbank Den Haag 04-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21621 Rechtbank Den Haag 03-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24551 Rechtbank Den Haag 27-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21049 Rechtbank Den Haag 27-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20222 Rechtbank Den Haag 17-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:17703 Rechtbank Den Haag 30-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:18525 Rechtbank Den Haag 26-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:18529 Rechtbank Den Haag 25-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:18526 Rechtbank Den Haag 25-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:17040 Rechtbank Den Haag 23-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:16852 Rechtbank Den Haag 18-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:16575 Rechtbank Den Haag 18-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:15603 Rechtbank Den Haag 10-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:14888 Rechtbank Den Haag 04-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:14736 Rechtbank Den Haag 02-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:12755 Rechtbank Den Haag 20-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:17674 Rechtbank Den Haag 19-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:15377 Rechtbank Den Haag 14-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:15476 Rechtbank Den Haag 14-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:12615 Rechtbank Den Haag 13-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:11368 Rechtbank Den Haag 07-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:15888 Rechtbank Den Haag 01-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10301 Rechtbank Den Haag 29-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:15865 Rechtbank Den Haag 29-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9673 Rechtbank Den Haag 22-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9434 Rechtbank Den Haag 20-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:8251 Rechtbank Den Haag 08-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:7104 Rechtbank Den Haag 27-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:6410 Rechtbank Den Haag 24-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:6039 Rechtbank Den Haag 20-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:7245 Rechtbank Den Haag 18-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:5505 Rechtbank Den Haag 16-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:5277 Rechtbank Den Haag 13-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:4959 Rechtbank Den Haag 11-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:6203 Rechtbank Den Haag 06-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:6573 Rechtbank Den Haag 05-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:3848 Rechtbank Den Haag 26-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:3697 Rechtbank Den Haag 25-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:3620 Rechtbank Den Haag 23-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:3421 Rechtbank Den Haag 20-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:3592 Rechtbank Den Haag 12-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:2738 Rechtbank Den Haag 11-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:2007 Rechtbank Den Haag 05-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:1500 Rechtbank Den Haag 29-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:1498 Rechtbank Den Haag 29-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:1292 Rechtbank Den Haag 26-01-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (3.328 tekens)
BRS.24.000351
ECLI:NL:RVS:2025:722
Datum uitspraak: 27 februari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 25 september 2024 in zaak nr. NL24.36139 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 16 september 2024 heeft de minister de termijn van de aan de vreemdeling opgelegde bewaringsmaatregel verlengd met ten hoogste twaalf maanden.
Bij uitspraak van 25 september 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892, over het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije).
Ook voor Algerijnse vreemdelingen die niet over geldige grensoverschrijdingsdocumenten of kopieën van zulke documenten beschikken, ontbreekt vanaf december 2023 in algemene zin niet langer het zicht op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn. Uit cijfers die de minister heeft overgelegd in de zaken die hebben geleid tot de uitspraak die hiervoor is genoemd, blijkt namelijk dat in februari en maart 2024 in totaal voor vier ongedocumenteerde Algerijnse vreemdelingen de nationaliteit is bevestigd en een laissez-passer is afgegeven. Die vreemdelingen beschikten niet over geldige grensoverschrijdingsdocumenten of kopieën van zulke documenten. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraken van 15 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2842, onder 1, en 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4940, onder 1, waarin zij het oordeel van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, over het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn voor Algerijnse ongedocumenteerde vreemdelingen heeft overgenomen. Wat de vreemdeling aanvoert, biedt geen reden om hierover in zijn geval anders te oordelen.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Nouta, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Nouta
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2025
922
ECLI:NL:RVS:2025:722
Datum uitspraak: 27 februari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 25 september 2024 in zaak nr. NL24.36139 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 16 september 2024 heeft de minister de termijn van de aan de vreemdeling opgelegde bewaringsmaatregel verlengd met ten hoogste twaalf maanden.
Bij uitspraak van 25 september 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892, over het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije).
Ook voor Algerijnse vreemdelingen die niet over geldige grensoverschrijdingsdocumenten of kopieën van zulke documenten beschikken, ontbreekt vanaf december 2023 in algemene zin niet langer het zicht op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn. Uit cijfers die de minister heeft overgelegd in de zaken die hebben geleid tot de uitspraak die hiervoor is genoemd, blijkt namelijk dat in februari en maart 2024 in totaal voor vier ongedocumenteerde Algerijnse vreemdelingen de nationaliteit is bevestigd en een laissez-passer is afgegeven. Die vreemdelingen beschikten niet over geldige grensoverschrijdingsdocumenten of kopieën van zulke documenten. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraken van 15 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2842, onder 1, en 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4940, onder 1, waarin zij het oordeel van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, over het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn voor Algerijnse ongedocumenteerde vreemdelingen heeft overgenomen. Wat de vreemdeling aanvoert, biedt geen reden om hierover in zijn geval anders te oordelen.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Nouta, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Nouta
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2025
922