Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21800
2026-08-04
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.41556
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
bewaring – vervolgberoep - ongegrond.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:16945 Rechtbank Den Haag 22-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2025:722 Raad van State 27-02-2025
Geciteerd door (2)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:25596 Rechtbank Den Haag 03-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:25596 Rechtbank Den Haag 03-09-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (5.270 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.41556
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 12 juni 2026 aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapport overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten op 30 juli 2026.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2001 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van vreemdelingenbewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 22 juni 2026 volgt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom ziet de beoordeling nu op het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring sinds het sluiten van dat onderzoek op 18 juni 2026.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Hij verblijft ruim zes weken in vreemdelingenbewaring en verweerder heeft slechts twee korte vertrekgesprekken gevoerd met hem. Verder zijn twee schriftelijke rappels gestuurd naar de Algerijnse autoriteiten. De Algerijnse autoriteiten hebben hier niet op gereageerd, wat volgens eiser ook maakt dat er geen zicht op uitzetting is.
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser naar Algerije. Uit het voortgangsrapport blijkt dat op 26 juni 2026 en 16 juli 2026 een rappel is gestuurd naar de Algerijnse autoriteiten in verband met de aanvraag voor een laissez-passer (lp) voor eiser. Ook zijn er op 16 juni 2026 en op 20 juli 2026 vertrekgesprekken gevoerd met eiser. Door opnieuw een vertrekgesprek te voeren met eiser en te rappelleren bij de Algerijnse autoriteiten heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in de te toetsen periode voldoende voortvarend aan eisers uitzetting gewerkt. Verweerder is verder afhankelijk van de medewerking van de Algerijnse autoriteiten. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder meer of andere uitzettingshandelingen had moeten verrichten.
6. Daarnaast is niet gebleken dat het zicht op uitzetting is komen te ontbreken. De rechtbank stelt daarbij voorop dat in het algemeen het zicht op uitzetting naar Algerije niet ontbreekt. Op 22 juni 2026 heeft verweerder de lp-aanvraag verzonden naar de Algerijnse autoriteiten. Dat er tot op heden nog geen (positieve) reactie van de Algerijnse autoriteiten op de lp-aanvraag is ontvangen, betekent niet dat in eisers geval het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Er zijn door eiser verder geen concrete aanknopingspunten aannemelijk gemaakt die erop wijzen dat het lp-traject op niets zal uitlopen en dat er voor hem geen lp zal worden afgegeven.
7. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 4 augustus 2026 door mr. J.F.I Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Verberne, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Vreemdelingenwet 2000.
Dit volgt uit artikel 96a, eerste lid, Vw.
ECLI:NL:RBDHA:2026:16945.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 mei 2024, ECLI:N:RVS:2024:1891, bevestigd met de uitspraak van 27 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2025:722.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.41556
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 12 juni 2026 aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapport overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten op 30 juli 2026.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2001 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van vreemdelingenbewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 22 juni 2026 volgt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom ziet de beoordeling nu op het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring sinds het sluiten van dat onderzoek op 18 juni 2026.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Hij verblijft ruim zes weken in vreemdelingenbewaring en verweerder heeft slechts twee korte vertrekgesprekken gevoerd met hem. Verder zijn twee schriftelijke rappels gestuurd naar de Algerijnse autoriteiten. De Algerijnse autoriteiten hebben hier niet op gereageerd, wat volgens eiser ook maakt dat er geen zicht op uitzetting is.
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser naar Algerije. Uit het voortgangsrapport blijkt dat op 26 juni 2026 en 16 juli 2026 een rappel is gestuurd naar de Algerijnse autoriteiten in verband met de aanvraag voor een laissez-passer (lp) voor eiser. Ook zijn er op 16 juni 2026 en op 20 juli 2026 vertrekgesprekken gevoerd met eiser. Door opnieuw een vertrekgesprek te voeren met eiser en te rappelleren bij de Algerijnse autoriteiten heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in de te toetsen periode voldoende voortvarend aan eisers uitzetting gewerkt. Verweerder is verder afhankelijk van de medewerking van de Algerijnse autoriteiten. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder meer of andere uitzettingshandelingen had moeten verrichten.
6. Daarnaast is niet gebleken dat het zicht op uitzetting is komen te ontbreken. De rechtbank stelt daarbij voorop dat in het algemeen het zicht op uitzetting naar Algerije niet ontbreekt. Op 22 juni 2026 heeft verweerder de lp-aanvraag verzonden naar de Algerijnse autoriteiten. Dat er tot op heden nog geen (positieve) reactie van de Algerijnse autoriteiten op de lp-aanvraag is ontvangen, betekent niet dat in eisers geval het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Er zijn door eiser verder geen concrete aanknopingspunten aannemelijk gemaakt die erop wijzen dat het lp-traject op niets zal uitlopen en dat er voor hem geen lp zal worden afgegeven.
7. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 4 augustus 2026 door mr. J.F.I Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Verberne, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Vreemdelingenwet 2000.
Dit volgt uit artikel 96a, eerste lid, Vw.
ECLI:NL:RBDHA:2026:16945.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 mei 2024, ECLI:N:RVS:2024:1891, bevestigd met de uitspraak van 27 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2025:722.