Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:24331
2026-08-27
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.46383
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Tweede vervolgberoep; art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000; zicht op uitzetting naar Algerije; voldoende voortvarend; ongegrond.
Citeert (8)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:7279 Rechtbank Den Haag 31-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:16570 Rechtbank Den Haag 16-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2024:1892 Raad van State 06-05-2024
- ECLI:NL:RVS:2025:722 Raad van State 27-02-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2026:16570 Rechtbank Den Haag 16-06-2026
- ECLI:EU:C:2025:647
- ECLI:EU:C:2022:858
- ECLI:NL:RVS:2026:329 Raad van State 23-01-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.733 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.46383
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
De minister heeft op 11 maart 2026 aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000
(Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft deze maatregel al eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 31 maart 2026. Op het eerste vervolgberoep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 16 juni 2026.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 20 augustus 2026 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. Uit de uitspraak van 16 juni 2026 volgt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek in die zaak, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van sluiten van dat onderzoek, op 12 juni 2026, rechtmatig is.
Ontbreekt zicht op uitzetting en handelt de minister voldoende voortvarend?
3. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting en dat zicht op uitzetting ontbreekt. Hiertoe voert eiser aan dat de maatregel al bijna zes maanden voortduurt en dat niet is gebleken dat de minister voor eiser persoonlijk heeft gerappelleerd of dat de Europese Liaisonofficier is ingeschakeld.
3.1.
De rechtbank stelt voorop dat uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije in zijn algemeenheid niet ontbreekt. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat de minister op 18 maart 2026 een laissez-passer (lp) aanvraag heeft ingediend en op 26 juni 2026 en voor het laatst op 16 juli 2026 schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten naar de status van deze aanvraag. Zoals eerder is geoordeeld ziet de rechtbank geen aanleiding om eraan te twijfelen dat deze rappels betrekking hebben op eiser. Verder heeft de minister op 24 juni 2026 en op 31 juli 2026 vertrekgesprekken gevoerd met eiser. Uit deze vertrekgesprekken volgt dat eiser niet wil meewerken aan zijn terugkeer naar Algerije, omdat hij wil terugkeren naar Frankrijk. Op eiser rust de plicht om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Niet is gebleken dat eiser op enige wijze invulling heeft gegeven aan die medewerkingsplicht. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije niet ontbreekt en dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld.
Leidt ambtshalve toetsing tot onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring?
4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens, tot het sluiten van het onderzoek op 20 augustus 2026, verder geen grond om te komen tot het oordeel dat het voortduren van de bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Habibi, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 31 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:7279.
Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 16 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:16570.
Dit is mogelijk op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000.
Dit volgt uit artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
Zie de uitspraak van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892, bevestigd in de uitspraak van 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722.
Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 16 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:16570 r.o. 3.1.
Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar), HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X) en ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.46383
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
De minister heeft op 11 maart 2026 aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000
(Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft deze maatregel al eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 31 maart 2026. Op het eerste vervolgberoep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 16 juni 2026.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 20 augustus 2026 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. Uit de uitspraak van 16 juni 2026 volgt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek in die zaak, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van sluiten van dat onderzoek, op 12 juni 2026, rechtmatig is.
Ontbreekt zicht op uitzetting en handelt de minister voldoende voortvarend?
3. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting en dat zicht op uitzetting ontbreekt. Hiertoe voert eiser aan dat de maatregel al bijna zes maanden voortduurt en dat niet is gebleken dat de minister voor eiser persoonlijk heeft gerappelleerd of dat de Europese Liaisonofficier is ingeschakeld.
3.1.
De rechtbank stelt voorop dat uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije in zijn algemeenheid niet ontbreekt. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat de minister op 18 maart 2026 een laissez-passer (lp) aanvraag heeft ingediend en op 26 juni 2026 en voor het laatst op 16 juli 2026 schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten naar de status van deze aanvraag. Zoals eerder is geoordeeld ziet de rechtbank geen aanleiding om eraan te twijfelen dat deze rappels betrekking hebben op eiser. Verder heeft de minister op 24 juni 2026 en op 31 juli 2026 vertrekgesprekken gevoerd met eiser. Uit deze vertrekgesprekken volgt dat eiser niet wil meewerken aan zijn terugkeer naar Algerije, omdat hij wil terugkeren naar Frankrijk. Op eiser rust de plicht om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Niet is gebleken dat eiser op enige wijze invulling heeft gegeven aan die medewerkingsplicht. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije niet ontbreekt en dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld.
Leidt ambtshalve toetsing tot onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring?
4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens, tot het sluiten van het onderzoek op 20 augustus 2026, verder geen grond om te komen tot het oordeel dat het voortduren van de bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Habibi, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 31 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:7279.
Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 16 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:16570.
Dit is mogelijk op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000.
Dit volgt uit artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
Zie de uitspraak van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892, bevestigd in de uitspraak van 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722.
Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 16 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:16570 r.o. 3.1.
Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar), HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X) en ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.