Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:7279

2026-03-31 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.14751
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-03-31
Publicatiedatum
2026-03-31
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.14751
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bewaring; art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000; Algerijnse nationaliteit; alle zware gronden betwist; dat eiser een geruime tijd geleden als asielzoeker naar Nederland is gekomen en dat eiser nu via een Dublinovername Nederland is binnenkomen maakt niet dat de minister de eerdere onrechtmatige grensoverschrijding niet mag tegenwerpen; beroep ongegrond.

Citeert (4)

Geciteerd door (2)

Volledige tekst

Volledige tekst (7.673 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Arnhem



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.14751


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),


en


de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. J. Kaikai).




Procesverloop


Bij besluit van 11 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.



Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.



De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn via beeldverbinding verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.



Overwegingen



Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?

1. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;



1.1.
Eiser heeft alle zware gronden betwist. Ten aanzien van zware grond 3a betoogt eiser dat hem ten onrechte wordt tegengeworpen dat hij Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, omdat hij na een Dublinprocedure door Nederland is overgenomen van Zwitserland. Zijn komst naar Nederland is gefaciliteerd vanuit Zwitserland en hij heeft geen invloed gehad op de wijze van binnenkomst. Voor zover wordt verwezen naar zijn illegale inreis in Europa in het verleden, vindt eiser het onterecht dat die nu nog wordt tegengeworpen. Die inreis heeft geruime tijd geleden plaatsgevonden en hangt samen met zijn asielverleden. Ten aanzien van zware grond 3b voert eiser aan hij zich sinds zijn aankomst in Nederland niet aan het toezicht heeft kunnen onttrekken, omdat hij direct na de overdracht in bewaring is gesteld. Volgens eiser kan de minister niet volstaan met een verwijzing naar gedragingen in het verleden, zonder naar zijn huidige situatie en gedrag in Nederland te kijken. Met betrekking tot zware grond 3c betoogt eiser dat hij zich ten tijde van een eventuele vertrekplicht niet in Nederland bevond, maar in Zwitserland verbleef. Onder die omstandigheden was het voor hem feitelijk onmogelijk om aan een vertrekverplichting uit Nederland te voldoen. Ten aanzien van zware grond 3d wijst eiser erop dat de Nederlandse autoriteiten hem zelf, op basis van beschikbare informatie, naar Nederland hebben overgebracht. Eiser stelt dat hij erop mocht vertrouwen dat de minister voorafgaand daaraan zijn identiteit en nationaliteit voldoende heeft vastgesteld, zodat niet kan worden volgehouden dat hij onvoldoende meewerkt aan het vaststellen daarvan. Ten aanzien van zware grond 3e stelt eiser dat hij, nadat hij door Nederland is overgenomen van Zwitserland, geen tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd, zodat deze grond niet aan de maatregel ten grondslag kan worden gelegd.



1.2.
In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding om de gronden die aan maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd onrechtmatig te achten. Ten aanzien van zware grond 3a stelt de rechtbank vast dat deze feitelijke juist is. Eiser heeft zelf verklaard dat hij Europa is binnengekomen zonder de vereiste grensoverschrijdende documenten. Dat eiser destijds als asielzoeker naar Nederland is gekomen en de inreis een geruime tijd geleden heeft plaatsgevonden, houdt niet in dat de minister dat niet mag tegenwerpen. Ook de omstandigheid dat eiser nu via een Dublinovername Nederland is binnengekomen maakt niet dat de minister eiser de eerdere onrechtmatige grensoverschrijding niet zou mogen tegenwerpen. Met betrekking tot zware grond 3b overweegt de rechtbank dat ook deze grond feitelijk juist is. Uit de stukken volgt dat eiser meerdere asielaanvragen heeft ingediend en na die aanvragen steeds met onbekende bestemming is vertrokken. Daarnaast is van belang dat eiser zich niet beschikbaar heeft gehouden voor de autoriteiten. Dat deze gedragingen (deels) in het verleden hebben plaatsgevonden, maakt niet dat de minister deze niet aan de maatregel ten grondslag mocht leggen. Eiser heeft ook niet nader toegelicht waarom dit niet zou kunnen. Voor de zware gronden 3a en 3b is voldoende dat zij feitelijk juist zijn. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring samen dragen en eiser ook worden tegengeworpen. Wat eiser verder heeft aangevoerd kan daar niet aan afdoen en behoeft daarom geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.



Leidt ambtshalve toets tot een ander oordeel?

2. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgrond, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan.





Conclusie en gevolgen


3. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Habibi, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.



ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.


Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X), HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.