Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:26250
2026-09-01
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.48045
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bewaring; ongegrond.
Citeert (8)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:6039 Rechtbank Den Haag 20-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10301 Rechtbank Den Haag 29-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:16575 Rechtbank Den Haag 18-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2024:1892 Raad van State 06-05-2024
- ECLI:NL:RVS:2025:722 Raad van State 27-02-2025
- ECLI:EU:C:2025:647
- ECLI:EU:C:2022:858
- ECLI:NL:RVS:2026:329 Raad van State 23-01-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.201 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.48045
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. J.M. Walther),
en
de minister van Asiel en Migratie,
Procesverloop
De minister heeft op 6 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Deze rechtbank en zittingsplaats heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 20 maart 2026, op het eerste vervolgberoep heeft de rechtbank op 29 april 2026 uitspraak gedaan en op het tweede vervolgberoep heeft de rechtbank op 18 juni 2026 uitspraak gedaan.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De minister heeft op 20 augustus 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het vooronderzoek gesloten op 27 augustus 2026 en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 18 juni 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op 16 juni 2026 dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 16 juni 2026 tot de opheffing van de maatregel op 20 augustus 2026.
Ontbrak zicht op uitzetting binnen redelijke termijn?
3. Eiser voert aan dat zicht op uitzetting binnen redelijke termijn niet meer bestond.
3.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt daarbij voorop dat zicht op uitzetting naar Algerije in zijn algemeenheid niet ontbreekt. Het is de rechtbank niet gebleken dat dit inmiddels anders zou zijn. Ook in geval van eiser ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat geen sprake was van zicht op uitzetting binnen redelijke termijn. De lp-aanvraag is op 10 maart 2026 naar de Algerijnse autoriteiten verzonden en niet is gebleken dat zij de aanvraag voor het opheffen van de maatregel hebben afgewezen of niet in behandeling hadden genomen. Aan de autoriteiten van Algerije mocht ook enige tijd gegund worden om op de aanvraag te reageren. Verder is van belang dat eiser op geen enkel moment aantoonbare actie heeft ondernomen om zijn terugkeer te realiseren. Met documenten had eiser het lp-traject kunnen bespoedigen.
Was het voortduren van de maatregel nog gerechtvaardigd?
4. Eiser betoogt dat het voortduren van de maatregel niet langer gerechtvaardigd was. Eiser is op 27 februari 2026 op grond van artikel 59, eerste lid van de Vw 2000 in bewaring gesteld, waarvan de grondslag op 6 maart 2026 is gewijzigd naar artikel 59a van de Vw 2000. Eiser was ten tijde van het indienen van dit beroep dus al bijna zes maanden van zijn vrijheid beroofd.
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de bewaring tot aan het moment van opheffen daarvan op 20 augustus 2026 niet onrechtmatig heeft voortgeduurd. Volgens het beleid van de minister is hij na een aaneengesloten periode van zes maanden vreemdelingenbewaring gehouden een verzwaarde belangenafweging te maken. Eiser verblijft sinds 27 februari 2026 in bewaring op verschillende grondslagen. Dit betekent dat eiser op 27 augustus 2026 zes maanden in bewaring zou zitten. Uit de voortgangsrapportage van de minister blijkt dat 20 augustus 2026 – voor het verstrijken van de zes maanden termijn – een belangenafweging is gemaakt en de maatregel is opgeheven. Deze handelswijze acht de rechtbank juist.
4.2.
In beginsel komt gedurende de eerste zes maanden van de bewaring meer gewicht toe aan de belangen van de minister bij voortduring van de bewaring dan aan de belangen van eiser bij zijn invrijheidstelling. Wel kunnen bijzondere omstandigheden ertoe leiden dat aan de belangen van de vreemdeling, ook al is de zes maandentermijn nog niet verstreken, een groter gewicht toekomt dan aan de belangen van de minister. Eiser heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die maken dat de belangenafweging eerder dan op 20 augustus 2026 had moeten worden gemaakt. Hierbij betrekt de rechtbank dat – zoals ook uit de belangenafweging en de vertrekgesprekken blijkt – eiser op geen enkel moment aantoonbare actie heeft ondernomen om zijn terugkeer te realiseren. Dit is door eiser ook niet betwist.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 20 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:6039.
Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 29 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:10301.
Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 18 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:16575.
Dit is mogelijk op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000.
ABRvS 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892 en ABRvS 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722.
Paragraaf A5/6.8 van de Vw 2000.
Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar), HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X) en ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.48045
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. J.M. Walther),
en
de minister van Asiel en Migratie,
Procesverloop
De minister heeft op 6 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Deze rechtbank en zittingsplaats heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 20 maart 2026, op het eerste vervolgberoep heeft de rechtbank op 29 april 2026 uitspraak gedaan en op het tweede vervolgberoep heeft de rechtbank op 18 juni 2026 uitspraak gedaan.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De minister heeft op 20 augustus 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het vooronderzoek gesloten op 27 augustus 2026 en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 18 juni 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op 16 juni 2026 dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 16 juni 2026 tot de opheffing van de maatregel op 20 augustus 2026.
Ontbrak zicht op uitzetting binnen redelijke termijn?
3. Eiser voert aan dat zicht op uitzetting binnen redelijke termijn niet meer bestond.
3.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt daarbij voorop dat zicht op uitzetting naar Algerije in zijn algemeenheid niet ontbreekt. Het is de rechtbank niet gebleken dat dit inmiddels anders zou zijn. Ook in geval van eiser ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat geen sprake was van zicht op uitzetting binnen redelijke termijn. De lp-aanvraag is op 10 maart 2026 naar de Algerijnse autoriteiten verzonden en niet is gebleken dat zij de aanvraag voor het opheffen van de maatregel hebben afgewezen of niet in behandeling hadden genomen. Aan de autoriteiten van Algerije mocht ook enige tijd gegund worden om op de aanvraag te reageren. Verder is van belang dat eiser op geen enkel moment aantoonbare actie heeft ondernomen om zijn terugkeer te realiseren. Met documenten had eiser het lp-traject kunnen bespoedigen.
Was het voortduren van de maatregel nog gerechtvaardigd?
4. Eiser betoogt dat het voortduren van de maatregel niet langer gerechtvaardigd was. Eiser is op 27 februari 2026 op grond van artikel 59, eerste lid van de Vw 2000 in bewaring gesteld, waarvan de grondslag op 6 maart 2026 is gewijzigd naar artikel 59a van de Vw 2000. Eiser was ten tijde van het indienen van dit beroep dus al bijna zes maanden van zijn vrijheid beroofd.
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de bewaring tot aan het moment van opheffen daarvan op 20 augustus 2026 niet onrechtmatig heeft voortgeduurd. Volgens het beleid van de minister is hij na een aaneengesloten periode van zes maanden vreemdelingenbewaring gehouden een verzwaarde belangenafweging te maken. Eiser verblijft sinds 27 februari 2026 in bewaring op verschillende grondslagen. Dit betekent dat eiser op 27 augustus 2026 zes maanden in bewaring zou zitten. Uit de voortgangsrapportage van de minister blijkt dat 20 augustus 2026 – voor het verstrijken van de zes maanden termijn – een belangenafweging is gemaakt en de maatregel is opgeheven. Deze handelswijze acht de rechtbank juist.
4.2.
In beginsel komt gedurende de eerste zes maanden van de bewaring meer gewicht toe aan de belangen van de minister bij voortduring van de bewaring dan aan de belangen van eiser bij zijn invrijheidstelling. Wel kunnen bijzondere omstandigheden ertoe leiden dat aan de belangen van de vreemdeling, ook al is de zes maandentermijn nog niet verstreken, een groter gewicht toekomt dan aan de belangen van de minister. Eiser heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die maken dat de belangenafweging eerder dan op 20 augustus 2026 had moeten worden gemaakt. Hierbij betrekt de rechtbank dat – zoals ook uit de belangenafweging en de vertrekgesprekken blijkt – eiser op geen enkel moment aantoonbare actie heeft ondernomen om zijn terugkeer te realiseren. Dit is door eiser ook niet betwist.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 20 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:6039.
Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 29 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:10301.
Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 18 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:16575.
Dit is mogelijk op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000.
ABRvS 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892 en ABRvS 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722.
Paragraaf A5/6.8 van de Vw 2000.
Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar), HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X) en ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.