Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:23230
2026-08-19
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.45278
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
bewaring, art. 59, eerste lid aanhef en onder a Vw, ongegrond.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2025:722 Raad van State 27-02-2025
- ECLI:EU:C:2025:647
- ECLI:EU:C:2026:148
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.595 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.45278
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
v-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. H.J.M. Nijholt),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. I. van Es).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel en voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van bewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 7 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 augustus 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is via een beeldverbinding vanuit het detentiecentrum in Rotterdam verschenen. De gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister zijn op de rechtbank in Groningen verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan, als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in bewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in bewaring voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. De bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring. Deze vreemdeling kan in bewaring worden gesteld omdat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid dat vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van bewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
a. a) Nederland niet op de voorgeschreven wijze binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij eiser zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b) eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
c) niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
q) meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft
ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
r) geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.
Voortraject
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij niet kan worden vastgesteld of de beschikking onmiddellijk aan hem is uitgereikt. Volgens eiser ontbreken hiervoor de stukken in het dossier, zoals bijvoorbeeld een uitreikingsblad. Nu dit niet kan worden gecontroleerd, dient de bewaring volgens eiser te worden opgeheven.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat geconcludeerd kan worden dat de beschikking onmiddellijk is uitgereikt. Onderaan de maatregel staat vermeld dat deze onmiddellijk aan eiser is uitgereikt en de maatregel is op ambtseed opgemaakt. De kennisgeving is onverwijld gedaan en daarnaast heeft eiser niet gesteld dat hij de maatregel niet heeft ontvangen.
Grondslag
6. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft nu aan eiser op
15 november 2021 een terugkeerbesluit is opgelegd en op 20 januari 2026 een inreisverbod van 2 jaar. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
7. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. De maatregel is gemotiveerd en er zijn ten minste twee van de gronden, bedoeld in het tweede lid van artikel 5.6, van het Vb aanwezig. Daarmee is er voldoende reden om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De rechtbank laat de beoordeling van de individuele gronden onbesproken.
Lichter middel
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onttrekking is gegeven.
8.1.
Verder is de rechtbank niet gebleken van medische omstandigheden dan wel persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser en lichter middel dan bewaring op te leggen. In hetgeen eiser aanvoert over zijn minderjarige dochter in België, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Uit het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan deze maatregel blijkt dat eiser heeft verklaard dat hij zijn dochter niet heeft erkend en dat hij haar al lang niet heeft gezien. Eiser heeft toegelicht een procedure te willen starten om het gezag en omgang te krijgen. Deze omstandigheden zijn onvoldoende om van de maatregel af te zien. Van strijd met artikel 8 EVRM is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.
Ten aanzien van de medische omstandigheden van eiser heeft de minister in de maatregel erop gewezen dat binnen de detentie- en uitzetcentra gespecialiseerde zorg beschikbaar is. In dit verband heeft de minister terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij.
Voortvarend handelen
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Er hebben op 13 juli 2026, 23 juli 2026 en op 11 augustus 2026 vertrekgesprekken plaatsgevonden en daarnaast is er volgens de minister op 22 juli 2026 een laissez-passer aanvraag ingediend.
Zicht op uitzetting
10. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Algerije niet ontbreekt. In zijn algemeenheid mag worden aangenomen dat sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven geen laissez-passer voor eiser te zullen verstrekken.
Conclusie en gevolgen
11. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is.
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Wetterauw, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Hierna: bewaring.
Vreemdelingenwet 2000.
Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Kennisgeving op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.
Vreemdelingenbesluit 2000.
Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
Zie de (meest recente) uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722.
Zie ook Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en Hof van Justitie van de Europese Unie, 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148 (Aroja).
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.45278
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
v-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. H.J.M. Nijholt),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. I. van Es).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel en voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van bewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 7 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 augustus 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is via een beeldverbinding vanuit het detentiecentrum in Rotterdam verschenen. De gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister zijn op de rechtbank in Groningen verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan, als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in bewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in bewaring voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. De bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring. Deze vreemdeling kan in bewaring worden gesteld omdat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid dat vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van bewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
a. a) Nederland niet op de voorgeschreven wijze binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij eiser zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b) eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
c) niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
q) meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft
ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
r) geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.
Voortraject
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij niet kan worden vastgesteld of de beschikking onmiddellijk aan hem is uitgereikt. Volgens eiser ontbreken hiervoor de stukken in het dossier, zoals bijvoorbeeld een uitreikingsblad. Nu dit niet kan worden gecontroleerd, dient de bewaring volgens eiser te worden opgeheven.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat geconcludeerd kan worden dat de beschikking onmiddellijk is uitgereikt. Onderaan de maatregel staat vermeld dat deze onmiddellijk aan eiser is uitgereikt en de maatregel is op ambtseed opgemaakt. De kennisgeving is onverwijld gedaan en daarnaast heeft eiser niet gesteld dat hij de maatregel niet heeft ontvangen.
Grondslag
6. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft nu aan eiser op
15 november 2021 een terugkeerbesluit is opgelegd en op 20 januari 2026 een inreisverbod van 2 jaar. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
7. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. De maatregel is gemotiveerd en er zijn ten minste twee van de gronden, bedoeld in het tweede lid van artikel 5.6, van het Vb aanwezig. Daarmee is er voldoende reden om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De rechtbank laat de beoordeling van de individuele gronden onbesproken.
Lichter middel
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onttrekking is gegeven.
8.1.
Verder is de rechtbank niet gebleken van medische omstandigheden dan wel persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser en lichter middel dan bewaring op te leggen. In hetgeen eiser aanvoert over zijn minderjarige dochter in België, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Uit het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan deze maatregel blijkt dat eiser heeft verklaard dat hij zijn dochter niet heeft erkend en dat hij haar al lang niet heeft gezien. Eiser heeft toegelicht een procedure te willen starten om het gezag en omgang te krijgen. Deze omstandigheden zijn onvoldoende om van de maatregel af te zien. Van strijd met artikel 8 EVRM is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.
Ten aanzien van de medische omstandigheden van eiser heeft de minister in de maatregel erop gewezen dat binnen de detentie- en uitzetcentra gespecialiseerde zorg beschikbaar is. In dit verband heeft de minister terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij.
Voortvarend handelen
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Er hebben op 13 juli 2026, 23 juli 2026 en op 11 augustus 2026 vertrekgesprekken plaatsgevonden en daarnaast is er volgens de minister op 22 juli 2026 een laissez-passer aanvraag ingediend.
Zicht op uitzetting
10. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Algerije niet ontbreekt. In zijn algemeenheid mag worden aangenomen dat sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven geen laissez-passer voor eiser te zullen verstrekken.
Conclusie en gevolgen
11. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is.
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Wetterauw, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Hierna: bewaring.
Vreemdelingenwet 2000.
Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Kennisgeving op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.
Vreemdelingenbesluit 2000.
Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
Zie de (meest recente) uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722.
Zie ook Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en Hof van Justitie van de Europese Unie, 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148 (Aroja).