Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21621

2026-08-03 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.40731
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-03
Publicatiedatum
2026-08-03
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.40731
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, van de Vw. Het beroep is ongegrond. Uit de door de minister ter zitting gegeven cijfers over 2026 en juni 2026 volgt dat de Algerijnse autoriteiten lp's afgeven en dat voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije is.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.775 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Roermond



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.40731


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),


en


de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. L. Hartog).




Procesverloop


1. Met het bestreden besluit van 20 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.



1.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.



1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, O. Sennani als tolk en de gemachtigde van de minister.




Beoordeling door de rechtbank



De maatregel van bewaring




2. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In de maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.



2.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vreemdelingenbesluit 2000 heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.



Het (samengevatte) standpunt van eiser



3. Eiser voert in de eerste plaats aan dat de (aan deze maatregel voorafgaande) maatregel van vreemdelingenbewaring die op 14 juli 2026 aan hem is opgelegd op grond van artikel 59b van de Vw te laat is omgezet naar de onderhavige maatregel. Dat is erkend en eiser heeft daar ook een schadevergoeding voor gekregen. De onrechtmatige voortduring van die eerste maatregel (waardoor eiser eigenlijk zonder grondslag in bewaring verbleef) moet volgens eiser doorwerken in de voorliggende maatregel en leiden tot de opheffing van deze maatregel. Daarnaast voert eiser aan dat de aanvraag om een laissez-passer (lp) op 18 maart 2026 is ingediend en dat van de minister meer kan en mag worden verwacht dan het slechts maandelijks rappelleren nu er geen reactie komt van de Algerijnse autoriteiten. Tot slot heeft de gemachtigde van eiser het idee dat het moelijk(er) wordt om een lp van de Algerijnse autoriteiten te verkrijgen en de vraag is dan ook of er nog sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije.



De gronden van de maatregel



4. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser de gronden in de maatregel niet heeft betwist. Ook de rechtbank is van oordeel dat die gronden feitelijk juist zijn en samen met de toelichting daarbij voldoende zijn om de maatregel te dragen, omdat op grond daarvan kan worden aangenomen dat er een onderduikrisico bestaat.



Omzetting van de maatregel



5. Over de eerste beroepsgrond is de rechtbank van oordeel dat de onrechtmatigheid van de voorgaande maatregel in dit geval niet doorwerkt in de huidige maatregel. De onrechtmatigheid van een eerdere maatregel werkt namelijk alleen door als het vastgestelde gebrek van de eerste maatregel een ernstige schending oplevert van het (fundamentele) recht om in vrijheid te worden gesteld. Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 16 juni 2023. In dit geval is geen sprake van een dusdanig ernstige schending. De voorgaande maatregel is te laat omgezet waardoor eiser enkele dagen op de verkeerde grondslag in bewaring heeft gezeten. Het feit dat eiser gedurende een relatief korte periode zonder juiste grondslag in bewaring heeft gezeten, levert op zichzelf geen ernstige schending op. Overigens heeft hij daar ook een schadevergoeding voor ontvangen. De beroepsgrond slaagt niet.



Zicht op uitzetting en voortvarend handelen



6. In wat eiser hierover heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat geen sprake (meer) is van zicht op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn of dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan eisers uitzetting. Voorop staat dat eiser geen (reis)documenten heeft, dus de minister is voor eisers vertrek naar Algerije afhankelijk van het verstrekken van een lp door de Algerijnse autoriteiten. Verder overweegt de rechtbank dat in zijn algemeenheid zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije bestaat: dit volgt uit de rechtspraak van de Afdeling. Eiser heeft met zijn daarover – in feite enkel op de (praktijk)ervaringen van zijn gemachtigde gebaseerde – geuite twijfel onvoldoende (concreets) aangevoerd om daar niet langer van uit te kunnen gaan. Daar komt bij dat de minister op de zitting de recente cijfers heeft gedeeld. In de periode van 1 januari 2026 tot en met 30 juni 2026 zijn er 151 lp-aanvragen naar de Algerijnse autoriteiten gezonden, zijn 42 lp’s verkregen en zijn 40 vreemdelingen met een lp gedwongen uitgezet naar Algerije. Voor de laatste volledige maand (periode van 1 juni 2026 tot en met 30 juni 2026) geldt dat er 28 lp-aanvragen zijn ingediend, 10 lp’s zijn verkregen en 4 vreemdelingen gedwongen zijn uitgezet met een lp. Hieruit kan worden geconcludeerd dat in zijn algemeenheid sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn: de Algerijnse autoriteiten werken immers mee en er worden (nog steeds) lp-s verstrekt. Dat daaruit volgens eiser niet kan worden afgeleid hoe lang dat (in algemene zin) gemiddeld duurt en wat het toekenningspercentage is, doet aan die conclusie niet af. In het specifieke geval van eiser overweegt de rechtbank dat het lp-traject nu loopt vanaf 18 maart 2026 en dat de minister de tijd moet worden gegund om de uitkomst van de lp-aanvraag af te wachten. Daarvoor is de minister afhankelijk van de Algerijnse autoriteiten. Nergens blijkt uit dat het lp-traject niet meer loopt. Verder is van belang dat de Algerijnse autoriteiten niet te kennen hebben gegeven dat aan eiser geen lp zal worden verstrekt. Dat kan niet uit het enkele tijdsverloop tot nu toe worden afgeleid. De rechtbank stelt daarnaast vast dat op regelmatige basis wordt gerappelleerd (op 20 juli 2026 is hier voor het laatst op gerappelleerd). Ook heeft op 20 juli 2026 een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden. Met het maandelijks rappelleren en het voeren van vertrekgespreken doet de minister (vooralsnog) voldoende aan eisers vertrek. Bovendien is niet gebleken dat eiser zelf actie heeft ondernomen om aan documenten te komen of op andere wijze meewerkt aan zijn vertrek, waardoor hij het lp-traject mogelijk kan bespoedigen. In het vertrekgesprek van 20 juli 2026 heeft eiser bijvoorbeeld verklaard dat hij niet wil terugkeren naar Algerije. In het bewaringsgehoor heeft hij dat herhaald en verklaard dat hij niet zal meewerken aan zijn terugkeer naar Algerije. Deze beroepsgronden slagen ook niet.



Ambtshalve oordeel



7. De ambtshalve rechtmatigheidsbeoordeling leidt tot slot ook niet tot het oordeel dat de maatregel tot aan het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest. Naast de al besproken beroepsgronden heeft eiser geen gronden aangevoerd of omstandigheden genoemd die maken dat de minister – gelet op het niet betwiste onderduikrisico – met een lichter middel had moeten volstaan of dat de maatregel van vreemdelingenbewaring voor eiser (wegens zijn medische of persoonlijke omstandigheden) onevenredig bezwarend is (geworden). Daarvan is de rechtbank ook niet gebleken. In de maatregel van bewaring is onder meer voldoende ingegaan op het refoulement-risico, eisers medische situatie en zijn verklaringen over zijn (gestelde) zoontje in Frankrijk.




Conclusie en gevolgen


8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.





Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.






Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Broier, rechter, in aanwezigheid van mr. L.G.G.M. van Buggenum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 3 augustus 2026.






Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.




Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.


ECLI:NL:RVS:2023:2353.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5943.


Dit volgt onder meer uit de uitspraken van de Afdeling van 6 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1892) en 27 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:722).


Zie overigens over de daaraan voorafgaande cijfers over 2025 ook de uitspraak van deze rechtbank van 20 april 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:9434).