Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:22807

2026-08-05 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.39986
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-05
Publicatiedatum
2026-08-14
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.39986
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring, vervolgberoep, zicht op uitzetting, ongegrond.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.289 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Arnhem



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.39986


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),


en


de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met het voortduren van de vreemdelingenbewaring. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.




Procesverloop


2. Met het besluit van 9 maart 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Bij uitspraak van 12 mei 2026 heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen dat besluit ongegrond verklaard.



2.1.
De minister heeft een kennisgeving voortduren vreemdelingenbewaring aan de rechtbank gezonden. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.



2.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. De gemachtigde van eiser heeft tijdens de zitting hierop gereageerd.



2.3.

De rechtbank heeft het beroep op 31 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank



3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

4. Uit de uitspraak van 12 mei 2026 volgt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van vreemdelingenbewaring sinds het moment van sluiten van dat onderzoek, op 6 mei 2026, rechtmatig is.



Ontbreekt zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn?


5. Eiser voert aan dat het zicht op uitzetting ontbreekt. Eiser verblijft inmiddels geruime tijd in vreemdelingenbewaring en heeft hieraan voorafgaand ook al een tijd (vanaf september 2025) in strafrechtelijke detentie verbleven. Tijdens de strafrechtelijke detentie heeft de minister ook al gerappelleerd op de status van de aanvraag om een laissez-passer (lp). De Algerijnse autoriteiten zijn echter nog steeds niet overgegaan tot de afgifte van een lp.



5.1.
De rechtbank stelt voorop dat uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije in zijn algemeenheid niet ontbreekt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt waarom zicht op uitzetting in zijn specifieke geval ontbreekt. De lp-aanvraag is op 29 oktober 2025 ingediend en de minister heeft tijdens de zitting aangegeven dat hij voor het laatst op 17 juli 2026 schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten. De autoriteiten hebben hier nog niet op gereageerd, maar dat betekent niet dat geen lp zal worden verstrekt. Aan de Algerijnse autoriteiten mag ook enige tijd worden gegund om de afgifte van een lp in orde te maken en om te bepalen welke stappen daarvoor nodig zijn. De minister moet voorlopig in de gelegenheid worden gesteld om een antwoord af te wachten. Er bestaan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het lp-traject op niets zal uitlopen. Verder rust op eiser de plicht om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Niet gebleken is dat eiser op enige wijze invulling heeft gegeven aan die medewerkingsplicht. De beroepsgrond slaagt niet.



Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

6. Los van de door eiser aangevoerde grond, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.






Conclusie en gevolgen


7. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.







Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.




Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:








Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.




Rb. Den Haag, zittingsplaats Arnhem 12 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:11550.


Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000.


Dit volgt uit artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.


Zie de uitspraak van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892, bevestigd in de uitspraak van 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722.


Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.