Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:23185

2026-08-18 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.43825
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-18
Publicatiedatum
2026-08-18
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.43825
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bewaring; volgberoep.

Citeert (12)

Geciteerd door (1)

Volledige tekst

Volledige tekst (8.552 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Groningen



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.43825


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] eiser,

V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. J. van Bennekom),



en


de minister van Asiel en Migratie, de minister.




Procesverloop


1. De minister heeft op 7 mei 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.



1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.



1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft op 5 augustus 2026 gronden van beroep ingediend en verzocht om het volledige procesdossier te verstrekken. De minister heeft het procesdossier op 6 augustus 2026 geüpload. Op 14 augustus 2026 heeft eiser aanvullende gronden van beroep ingediend.



1.3.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 14 augustus 2026 gesloten.




Beoordeling door de rechtbank



Standpunten eiser


2. Eiser betoogt dat de voortduring van de bewaring onrechtmatig is. Eiser wijst er allereerst op dat de rechtbank op grond van artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn de voortduring van de bewaring volledig moet toetsen en niet kan volstaan met de constatering dat de bewaring in een eerder beroep rechtmatig is bevonden. Eiser voert verder aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn verwijdering en dat geen sprake is van een redelijk vooruitzicht op verwijdering. Eiser zit sinds 7 mei 2026 in bewaring en er wordt nog steeds gewacht op een lp. De minister kan volgens eiser niet aangeven wanneer zicht op verwijdering bestaat. Daarbij betwist eiser de door de minister in de voortgangsrapportage vermelde rappels, omdat de schriftelijke rappels zelf geen onderdeel uitmaken van het dossier. Daarnaast voert eiser aan dat, nu hij nog steeds in bewaring zit, de bewaring niet langer evenredig is en voor een lichter middel moet worden gekozen. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 17 juli 2026. Eiser concludeert dat de bewaring moet worden opgeheven en verzoekt om schadevergoeding.



Toetsingskader


3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 26 mei 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van dat onderzoek op 22 mei 2026. De rechtbank volgt eisers stelling niet dat dit in strijd is met artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn. Dat de te toetsen periode wordt beperkt, betekent niet dat er geen volledige toets van het beroep of de maatregel plaatsvindt.



Omzetting


4. Voor zover eiser stelt dat artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn niet goed is omgezet in de nationale wetgeving, verwijst de rechtbank naar de uitspraken van de Afdeling. Hierin heeft de Afdeling, naar aanleiding van het recht van de Unie en de rechtspraak van het EHRM en het Hof van Justitie, geoordeeld dat de verschillende juridische gronden om onderdanen van derde landen te detineren, zijn vermeld in de Vw, zoals nader ingevuld bij een toepasselijke bepaling in hoofdstuk 5, paragraaf 2, van het Vb. Volgens de Afdeling is het Vb, waarin de objectieve criteria zijn vastgelegd, een algemeen verbindend voorschrift en voldoet dit aan de vereisten die in de rechtspraak van het Hof van Justitie (onder andere het arrest Al Chodor van 15 maart 2017, ECLI:EU:C:2017:213) zijn gesteld. De beroepsgrond slaagt niet.



Voortvarendheid


5. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat de minister sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure op 4 juni 2026 op 26 juni 2026 en tweemaal op 16 juli 2026 bij de Algerijnse autoriteiten heeft gerappelleerd op de lp-aanvraag. De rechtbank ziet in hetgeen eiser aanvoert en in het dossier geen aanleiding om te twijfelen aan het feit dat deze rappels aan de Algerijnse autoriteiten zijn verzonden. Daarnaast heeft de minister op 17 juni 2026, 29 juni 2026, en op 30 juli 2026 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend.



Zicht op uitzetting


6. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat zicht op verwijdering van eiser nog steeds bestaat. De rechtbank wijst op rechtspraak van de Afdeling, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting naar Algerije in het algemeen niet (meer) ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven geen lp voor eiser te zullen verstrekken. Dat nog geen reactie is ontvangen op de rappels rechtvaardigt niet de conclusie dat geen zicht op uitzetting bestaat. De bewaring duurt op dit moment nog niet zodanig lang dat moet worden aangenomen dat hierop geen reactie van de Algerijnse autoriteiten meer kan worden verwacht.



Lichter middel


7. Verder overweegt de rechtbank dat zij in haar uitspraak van 26 mei 2026 al heeft geoordeeld dat het toepassen van een lichter middel niet volstaat om de uitzetting van eiser te verzekeren. De rechtbank ziet in hetgeen eiser aanvoert, waaronder de uitspraak van de zittingsplaats Amsterdam, die gaat over grensdetentie, geen aanleiding om aan te nemen dat een lichter middel nu wel zou kunnen volstaan of dat de voortduring van de bewaring onevenredig of anderzins niet langer gerechtvaardigd zou zijn.



Ambtshalve toets


8. De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.



Conclusie en gevolgen


9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.










Beslissing


De rechtbank:




verklaart het beroep ongegrond;


wijst het verzoek om schadevergoeding af.





Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.




De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:





Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.




Vreemdelingenwet 2000.


Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw.


Richtlijn 2008/115/EG.


Laissez-passer.


Het formulier M120.


ECLI:NL:RBDHA:2026:19756.


Rb. Den Haag, zittingsplaats Groningen, 26 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:13691.


Richtlijn 2008/115/EG.


De uitspraken van 13 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1528) en van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:829).


Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


Vreemdelingenbesluit 2000.


Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 20 augustus 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:15664).


Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


Zie de uitspraken van de Afdeling van 6 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1892), 15 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2842) en 25 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:722).


Rb. Den Haag, zittingsplaats Groningen, 26 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:13691, r.o. 6.


Zie ook de arresten Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).