Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:8750
2026-02-18
Civiel recht
C/02/416590 / HA ZA 23-632 (T)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Tussenvonnis. Omvang van de rechten van de pandhouder op vermogensbestanddelen van failliet, voor en na datum faillissement. Pandrechten op NOW en TVL gelden?
Citeert (4)
- ECLI:NL:RBAMS:2024:3796 Rechtbank Amsterdam 26-06-2024
- ECLI:NL:HR:2025:1897 Hoge Raad 12-12-2025
- ECLI:NL:HR:2003:AF1881 Hoge Raad 07-03-2003
- ECLI:NL:HR:2007:BA0033 Hoge Raad 29-06-2007
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
BW art. 2:10BW art. 2:14BW art. 2:15BW art. 2:19 lid 4BW art. 2:19 lid 5BW art. 2:239 lid 6BW art. 2:248 lid 1BW art. 2:248 lid 2BW art. 2:248BW art. 2:394BW art. 2:9BW art. 3:107BW art. 3:108BW art. 3:109BW art. 3:119BW art. 3:228BW art. 3:246BW art. 3:251 lid 1BW art. 3:251BW art. 3:300 lid 1BW art. 3:300BW art. 3:33BW art. 3:83 lid 1BW art. 3:84 lid 3BW art. 6:157BW art. 6:159BW art. 6:162Rv art. 130Rv art. 21Rv art. 223
Volledige tekst
Volledige tekst (151.956 tekens)
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/416590 / HA ZA 23-632
Vonnis van 18 februari 2026
in de zaak van
MR. MARIA CORNELIA JOHANNA OONK-PALLANDT in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van SANDWICH FASHION COMPANY B.V.,
te Breda,
eisende partij in conventie,
gedaagde partij in voorwaardelijke reconventie,
gedaagde partij in de (voorwaardelijke) incidenten,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. S.E.L. van Kerkhof,
tegen
1 [persoon 1] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [persoon 1] ,
advocaat: mr. I.F.M. Lakwijk,2. MANFORT B.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Manfort,
advocaat: mr. I.F.M. Lakwijk,3. WOMFAM B.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in voorwaardelijke reconventie,
eisende partij in de (voorwaardelijke) incidenten,
hierna te noemen: WomFam,
advocaat: mr. J.A. van der Meer,4. FEWCH B.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in voorwaardelijke reconventie,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: FEWCH,
advocaat: mr. J.A. van der Meer,5. SF GROUP B.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: SF Group,
advocaat: mr. I.F.M. Lakwijk,6. PTG COMPANIES B.V.,
te Breda,
gedaagde partij,
hierna te noemen: PTG Companies,
advocaat: mr. I.F.M. Lakwijk,
partijen 1 en 2 hierna samen te noemen: [partijen 1 en 2] ,
partijen 3 en 4 hierna samen te noemen: WomFam c.s.
1De zaak in het kort
1.1.
Sandwich Fashion Company B.V. is de derde doorstart van de Nederlandse tak van het Sandwich Concern. In de kern gaat het in deze zaak om de vraag (1) of [partijen 1 en 2] aansprakelijk is wegens onbehoorlijk bestuur, (2) of Sandwich Fashion Company B.V. betalingen heeft verricht aan WomFam en PTG Companies die vernietigd kunnen worden en terugvloeien in de boedel, (3) of Sandwich Fashion Company B.V. een vordering heeft op SF Group en (4) of WomFam en FEWCH aanspraak kunnen maken op de executie-opbrengst van de voorraden en inventaris. Deze opbrengst staat geparkeerd op de derdengeldrekening van het advocatenkantoor van de curator (de gesepareerde opbrengst). Met betrekking tot de vorderingen jegens WomFam speelt de vraag of WomFam ten tijde van het faillissement een vordering had op Sandwich III en of daarvoor pandrechten zijn verleend, zodat WomFam ook aanspraak kan maken op de na datum faillissement geïnde en nog te innen debiteuren van Sandwich Fashion Company B.V.
1.2.
De rechtbank is van oordeel dat de betaling aan PTG Companies niet vernietigd kan worden en niet terugvloeit in de boedel, (3) dat Sandwich Fashion Company B.V. geen vordering heeft op SF Group en (4) dat FEWCH geen aanspraak kan maken op de executie-opbrengst van de inventaris. De beslissing over (1) de bestuurdersaansprakelijkheid van [persoon 1] (2) de vernietigbaarheid van de betalingen aan WomFam en (4) de aanspraak van WomFam op de executie-opbrengst van de voorraden en inventaris wordt aangehouden. Daarvoor is nadere informatie van partijen nodig.
1.3.
De beslissing van de rechtbank wordt hierna onder ‘De beoordeling’ uitgelegd. Eerst worden het verloop van de procedure, de feiten, de vorderingen en de verweren daartegen, geschetst. Onder het laatste kopje is de beslissing van de rechtbank te lezen.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het tussenvonnis van 26 maart 2025 en de daarin genoemde stukken, waarbij wordt opgemerkt dat van de conclusie van dupliek in (voorwaardelijke) reconventie van de curator de delen 1, 2, 3 en 5 door de rechtbank zijn geweigerd en geen onderdeel uitmaken van het procesdossier;
– de akte in het geding brengen van nadere producties van de curator met producties 150 tot en met 165;
– de akte overleggen producties van [partijen 1 en 2] , SF Group en PTG Companies met producties 43 tot en met 44b,
– het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 13 november 2025, met daaraan gehecht de brieven van mr. Lakwijk en mr. Oonk-Pallandt.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
3.1.
Bij vonnis van 14 februari 2023 is Sandwich Fashion Company B.V. (hierna: Sandwich III) op eigen aangifte failliet verklaard met benoeming van mr. Oonk-Pallandt tot curator.
3.2.
Manfort is sinds 13 november 2020 enig bestuurder van Sandwich III. [persoon 1] is sinds 31 augustus 2020 enig bestuurder van Manfort. Daarnaast is [persoon 1] ook bestuurder van de zustervennootschap van Sandwich III, PTG Companies. [persoon 1] (die 1% van de aandelen houdt in SF Group) is via STAK SMJDK (die 99% van de aandelen houdt in SF Group), SF Group, Stichting FFN (die de aandelen houdt in FF10 B.V.) en FF10 B.V. de economisch gerechtigde van Sandwich III en PTG Companies.
3.3.
Sandwich III exploiteerde het damesmodemerk Sandwich via 16 fysieke winkels verspreid over Nederland, haar eigen online webshop en via de online outletwinkel van Otrium B.V. Het merk Sandwich is begin jaren ’80 opgericht door [vader] (hierna: [vader] ) en zijn zoon [zoon] . Het merk Sandwich was onderdeel van de [groep] dat bestond uit een wereldwijde groep van vennootschappen met productielocaties in China, de inkoopkantoren in Hongkong Woclo Trading Hong Kong Ltd. (hierna: Woclo) en Perfaso Hong Kong Ltd. (hierna: Perfaso) en diverse verkoopvennootschappen, waaronder [bedrijf 1] Ltd. (hierna: [bedrijf 1] ) in Engeland en [bedrijf 2] N.V. (hierna: [bedrijf 2] ) in België. De activiteiten van Sandwich omvatten het hele proces van het eerste ontwerp van een kledingstuk, de productie, de export en import, opslag en logistiek, tot en met de marketing en de verkoop in de winkels. Verschillende onderdelen van de bedrijfsactiviteiten zijn in verschillende concernvennootschappen ondergebracht. De onderlinge entiteiten zijn als groep afhankelijk van elkaar vanwege de onderlinge verbondenheid door middel van de inkoop- en verkoopkantoren en vanwege de merkrechten waarvan de Sandwich-entiteiten op grond van licentieovereenkomsten gebruik mogen maken. Het geheel aan entiteiten wordt hierna het Sandwich Concern genoemd.
3.4.
De merkrechten waren in handen van FEWCH. [persoon 1] was tot 18 juli 2022 bestuurder van deze vennootschap. Die functie is daarna vervuld door [vader]
3.5.
Sandwich III is de tweede doorstart van de Nederlandse tak van het Sandwich Concern (hierna: Sandwich I), die op 26 november 2019 failliet is verklaard. Het Sandwich Concern werd gefinancierd via een groepsfinanciering die oorspronkelijk dateert uit mei 2009. In 2015 zijn FinFort Succes B.V. (hierna: FinFort) en FSCP B.V. (hierna: FSCP) toegetreden tot deze groepsfinanciering. [persoon 1] en de heer [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ) waren via FinFort en FSCP bij het Sandwich Concern betrokken. [persoon 1] is vanaf 30 december 2015 bestuurder geweest van FSCP.
3.6.
Na bestudering van de door de financiers aangeleverde informatie zijn de curatoren van Sandwich I in hun faillissementsverslag van 3 oktober 2022 tot de conclusie gekomen dat ten tijde van het faillissement van Sandwich I de vordering van FinFort uit hoofde van de groepsfinanciering meer van € 5.000.000,00 beliep en de vordering van FSCP meer dan € 300.000,00. Naast deze financiering had FinFort in december 2018 nog een herfinanciering verstrekt van € 2.375.000,00. Voor beide financieringen zijn door Sandwich I zekerheden verstrekt, waaronder pandrechten op voorraden en vorderingen. Volgens het faillissementsverslag zijn met name de zekerheden verstrekt door Sandwich I voor de geldlening uit mei 2009 niet aan te tasten, waarmee vooralsnog vaststaat dat de zekerheden rechtsgeldig tot stand zijn gekomen. Voor zover bekend heeft Sandwich I niet direct getrokken onder deze werkkapitaalfinanciering uit (oorspronkelijk) mei 2009, aldus de curatoren van Sandwich I.
3.7.
[persoon 1] heeft via SF Group op 8 december 2019 de activa van Sandwich I gekocht voor een koopsom van in totaal € 1.870.000,00 en de onderneming van Sandwich I doorgestart, maar heeft al kort daarna het faillissement van Sandwich II moeten aanvragen. Sandwich II is op 7 april 2020 failliet verklaard.
3.8.
De curator van Sandwich II heeft in het faillissementsverslag van 6 juli 2023 onder 5.4 opgenomen dat er geen indicaties zijn dat de pandrechten op de voorraden, inventaris en (externe) debiteuren niet rechtsgeldig tot stand zouden zijn gekomen of paulianeus zijn gevestigd. De curator stelt zich vooralsnog op het standpunt dat de verpanding van de bankrekeningen en intercompany-vorderingen niet rechtsgeldig tot stand is gekomen.
3.9.
Bij koopovereenkomst van 22 april 2020 heeft [persoon 1] via zijn vennootschap PTG Consultancy B.V. (later genaamd Sandwich Fashion Company B.V.) de activa uit de boedel van Sandwich II gekocht voor een tweede doorstart van de onderneming. Sandwich III heeft een koopsom van in totaal € 100.000,00 betaald, waarvan € 65.000,00 voor de voorraden, inventaris en vorderingen. In de considerans van de koopovereenkomst is onder I. opgenomen dat een deel van de activa van Sandwich II, waaronder de voorraad, inventaris en vorderingen, is verpand aan FSCP in verband met de door FSCP en FinFort verstrekte leningen. Verder staat er dat alle overeenkomsten tussen FinFort en Sandwich II op 2 april 2020 zijn overgedragen aan FSCP, waarbij ook alle vorderingen van FinFort op Sandwich II aan FSCP zijn gecedeerd. De curator heeft onder J. in de considerans erkend dat het pandrecht rechtsgeldig is gevestigd en strekt tot zekerheid van de vorderingen die FSCP heeft op Sandwich II “als gesteld in de door de Pandhouder aangeleverde documentatie” en dat de vestiging van de betreffende pandrechten niet door hem kan worden vernietigd met een beroep op de pauliana. In de overeenkomst is ook opgenomen: “Deze erkenning en bevestiging omvat uitdrukkelijk niet een (vermeend) pandrecht op bankrekeningen en intercompany vorderingen van de Vennootschap op een andere Vennootschap.”In artikel 3.3.1 van de koopovereenkomst is vastgelegd dat partijen in een separate overeenkomst afspraken maken over de afwikkeling van de pandrechten van FSCP op de door Sandwich III overgenomen activa.
3.10.
Op 20 april 2020, twee dagen voor de tweede doorstart, heeft Sandwich III zich onder haar oude naam PTG Consultancy B.V. hoofdelijk verbonden voor de groepsfinanciering uit (oorspronkelijk) mei 2009.
3.11.
Op 20 april 2020 heeft FSCP aan PTG Consultancy B.V. en PTG Companies een kortlopende geldlening verstrekt van € 1.100.000,00 ter financiering van de overname van de activa uit het faillissement van Sandwich II, met een looptijd tot 31 december 2021.
3.12.
Bij Omnibus Deed of Pledge d.d. 20 april 2020 hebben PTG Consultancy B.V. en PTG Companies aan FSCP een pandrecht verleend, onder meer ter zekerheid voor de terugbetaling van het door FSCP verleende krediet van € 1.100.000,00.
3.13.
Op 29 april 2020 hebben FSCP als pandhouder van de verkochte activa en Sandwich III als koper van die activa een overeenkomst gesloten, waarin partijen afspraken hebben gemaakt over de afwikkeling van de pandrechten van FSCP, zoals bedoeld in de koopovereenkomst van 22 april 2020. [persoon 1] heeft de overeenkomst namens beide partijen getekend. Partijen zijn overeengekomen dat de pandhouder afstand doet van haar zekerheidsrechten op de activa onder de opschortende voorwaarde van volledige betaling van de vergoeding als bepaald in artikel 1.2. Deze vergoeding bestaat uit de opbrengst onder aftrek van gemaakte kosten tot en met 31 december 2022. In artikel 1.2. zijn partijen overeengekomen dat FSCP zich het recht voorbehoudt om de definitie van de vergoeding en de procedure voor controle van de juistheid van de vergoeding zes weken na dagtekening van deze overeenkomst nader te duiden. In artikel 1.3. zijn partijen overeengekomen dat voor zover Sandwich III financiering heeft gekregen van FSCP voor haar bedrijfsvoering, de vergoeding zal worden verrekend met de verplichting van FSCP om gelden beschikbaar te stellen op grond van een dergelijke financiering.
3.14.
Op 18 mei 2020 hebben FSCP en Sandwich III een aanvullende overeenkomst gesloten waarin artikel 1.2 van de overeenkomst van 29 april 2020 is vervangen. Ook deze overeenkomst is door [persoon 1] namens beide partijen getekend. Volgens het nieuwe artikel 1.2 betaalt Sandwich III uiterlijk op de laatste werkdag van iedere maand aan FSCP de opbrengst, onder aftrek van gemaakte kosten tot en met 31 december 2022. Onder ‘opbrengst onder aftrek van gemaakte kosten’ wordt door partijen verstaan: de ontvangen gelden van (het incasseren van) bestaande debiteuren, de verkopen van inventaris, (varende) voorraden te vermeerderen met de opbrengst van (nieuw te ontwerpen) collecties, onder aftrek van in redelijkheid te maken kosten die Sandwich III hiervoor dient te maken. Ook dient Sandwich III verplicht gebruik te maken van alle mogelijke steunmaatregelen van de overheid in verband met Covid-19. Voor het overige blijft de overeenkomst van 29 april 2020 volledig in stand.
3.15.
Op 2 september 2020 heeft Sandwich III een Omnibus Deed of Pledge getekend, waarbij een aantal vennootschappen van het Sandwich Concern, waaronder Sandwich III, zich als pandgever heeft verbonden om aan FinFort en FSCP als pandhouder (bij voorbaat) pandrechten te verlenen op hun ‘Security Assets’, tot zekerheid voor de volledige betaling van de ‘Secured Obligations’ omschreven als “all present and future payment obligations and liabilities (…) of the Pledgor to the Pledgee under or in connection with the Credit Agreements or otherwise (uit welke hoofde dan ook) and all reasonable costs, charges and expenses (…)”.
3.16.
De vergoeding die Sandwich III op grond van de overeenkomst van 29 april 2020 verschuldigd is, is niet (volledig) betaald. Op 28 december 2020 heeft Sandwich III met FSCP een Credit Facility Agreement gesloten waarin partijen zijn overeengekomen dat – kort gezegd – Sandwich III deze vergoeding mag gebruiken als werkkapitaal tegen een jaarlijkse rente van 1%. De overeenkomst heeft een looptijd tot 31 december 2021. Als zekerheid voor de betaling van alles wat Sandwich III aan FSCP verschuldigd is krachtens deze overeenkomst, zijn partijen in artikel 16 overeengekomen dat Sandwich III op eerste verzoek van FSCP een pandrecht aan FSCP zal verlenen op haar activa.
3.17.
Bij koopovereenkomst van 31 januari 2021 heeft FSCP de inventaris van Sandwich III gekocht voor een koopsom van € 60.500,00. Partijen zijn daarbij overeengekomen dat Sandwich III de inventaris mag blijven gebruiken voor de uitoefening van de onderneming tegen een jaarlijks symbolisch bedrag van € 1,00. Deze afspraak is schriftelijk vastgelegd op 31 december 2021.
3.18.
De pandakte van 2 september 2020 (zie 3.15) is op 16 februari 2021 en 9 maart 2021 geregistreerd.
3.19.
Op 1 mei 2021 heeft FSCP (vertegenwoordigd door [persoon 1] ) al haar rechten en verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst met Sandwich III van 29 april 2020 en de daarbij horende Credit Facility Agreement van 28 december 2020 overgedragen aan [vader], die de overeenkomsten op 31 juli 2021 heeft overgedragen aan FEWCH (vertegenwoordigd door [persoon 1] ). Sandwich III heeft als wederpartij bij deze overgedragen overeenkomsten deze contractovernames voor akkoord getekend.
3.20.
Op 15 augustus 2021 heeft Sandwich III een Omnibus Deed of Pledge getekend, waarbij een aantal vennootschappen van het Sandwich Concern, waaronder Sandwich III, zich als pandgever verbindt om aan FEWCH als pandhouder (bij voorbaat) pandrechten te verlenen op hun ‘Security Assets’, tot zekerheid voor de volledige betaling van de ‘Secured Obligations’.
3.21.
Op 1 december 2021 is FSCP ontbonden.
3.22.
Op 28 december 2021 heeft Sandwich III een aanvullende Credit Facility Agreement gesloten met FEWCH waarbij de termijn van de Credit Facility Agreement van 28 december 2020 is verlengd met zes maanden tot 30 juni 2022. De overeenkomst is namens beide partijen getekend door [persoon 1] .
3.23.
Op 13 juli 2022 is de pandakte van 15 augustus 2021 door FEWCH ter registratie aan de belastingdienst aangeboden.
3.24.
Op 18 juli 2022 is [persoon 1] afgetreden als bestuurder van FEWCH en opgevolgd door [vader]
3.25.
Op 2 november 2022 heeft [persoon 1] een overzicht getekend waarin staat dat per 31 december 2021 volgens interne niet gecontroleerde cijfers Sandwich III een schuld heeft van in totaal € 23.438.275,30 aan groepsfinanciering, waarvan een bedrag van
€ 5.056.807,00 aan Nederland.
3.26.
Bij e-mail van 11 november 2022 heeft [persoon 1] aan [persoon 2] meegedeeld: “In Nederland staat er volgens onze interne cijfers, zoals ook eerder met je besproken, € 5.056.807,00 open op 31 december 2021.”
3.27.
Op 25 november 2022 heeft FEWCH al haar rechten en verplichtingen uit hoofde van de Credit Facility Agreement met einddatum 30 juni 2022 overgedragen aan WomFam, een vennootschap waarvan [vader] bestuurder is. [vader] heeft op 25 november 2022 aan [persoon 2] een volmacht verleend om namens WomFam haar vorderingen op diverse ondernemingen die het kledingmerk Sandwich exploiteren op te eisen, te innen, zekerheden uit te winnen en verder alle handelingen te verrichten die nodig zijn om de vorderingen te verhalen.
3.28.
Daarnaast heeft FEWCH met WomFam een ‘overeenkomst tot contractsovername per 25 november 2022’ gesloten, waarbij FEWCH al haar rechten en verplichtingen uit diverse overeenkomsten die zij als gevolg van contractsovername heeft verworven en/of heeft gesloten met een aantal vennootschappen van het Sandwich Concern, “waaronder, maar niet beperkt tot een overeenkomst van geldlening d.d. 9 december 2019, welke onder andere is gewijzigd op 17 december 2019; een overeenkomst van geldlening d.d. 17 december 2019; een overeenkomst pandhouder in verband met koop activa d.d. 29 april 2020” heeft overgedragen aan WomFam.
3.29.
Op 22 december 2022 heeft WomFam aan Sandwich III, SF Group, Manfort, WCH, [bedrijf 2] , [bedrijf 1] , Studio East Ltd. en Woclo meegedeeld dat alle vorderingen die genoemde vennootschappen op elkaar hebben zijn verpand aan WomFam, met het verzoek om de vorderingen te voldoen op de bankrekening van WomFam.
3.30.
Bij notariële akte van 29 december 2022 heeft Sandwich III haar vorderingen op – onder andere – de Rijksoverheid uit hoofde van de Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (hierna: NOW) en de Regeling Subsidie Vaste Lasten Financiering Covid-19 openbaar verpand aan WomFam. De NOW-vordering werd voorlopig begroot op € 95.000,00 en de vordering uit hoofde van de Tegemoetkoming Vaste Lasten (hierna: TVL) werd voorlopig begroot op € 1.740.000,00.
3.31.
Op 31 december 2022 heeft Sandwich III een bedrag van € 300.000,00 aan WomFam betaald.
3.32.
Begin januari 2023 heeft Sandwich III een voorraadtaxatie laten verrichten door taxatiebureau NTAB naar de stand per 31 december 2022.
3.33.
Op 14 januari 2023 heeft Sandwich III een Omnibus Deed of Pledge gesloten waarbij een aantal vennootschappen van het Sandwich Concern, waaronder Sandwich III, zich als pandgever heeft verbonden om aan WomFam als pandhouder (bij voorbaat) pandrechten te verlenen op hun ‘Security Assets’, tot zekerheid voor de volledige betaling van de ‘Secured Obligations’.
3.34.
Op 23 januari 2023 is de pandakte van 14 januari 2023 geregistreerd.
3.35.
Op 30 januari 2023 heeft WomFam aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) mededeling gedaan van haar pandrecht van 29 december 2022.
3.36.
Op 3 februari 2023 heeft WomFam een pandakte van 14 januari 2023 laten registreren die gelijk is aan de onder 3.33 genoemde pandakte, met dien verstande dat daaraan nog de partijen Manfort en SF Group zijn toegevoegd.
3.37.
Op 3 februari 2023 heeft Sandwich III een bedrag van € 20.000,00 aan WomFam betaald.
3.38.
Op 8 februari 2023 heeft Sandwich III een bedrag van € 952.000,00 ontvangen aan coronasteun in de vorm van TVL.
3.39.
Op 8 en 9 februari 2023 heeft Sandwich III de volgende bedragen uitgekeerd:
– € 330.000,00 aan WomFam;
– € 79.343,85 aan PTG Companies;
– € 202.946,30 aan Woclo;
– € 196.809,92 aan Perfaso.
3.40.
Op 13 februari 2023 heeft FEWCH de pandakte van 15 augustus 2021 nogmaals laten registeren.
3.41.
Op 13 februari 2023 heeft WomFam de onder 3.36 genoemde pandakte nogmaals laten registreren.
3.42.
Op 13 februari 2023 heeft Sandwich III haar faillissement aangevraagd. Bij de aangifte zijn de notulen gevoegd van de algemene vergadering van aandeelhouders van Sandwich III, waarin op de eerste pagina in de aanhef staat dat de vergadering gehouden is op 12 februari 2023. Op de tweede pagina staat dat de notulen ondertekend zijn op 29 januari 2023. Als oorzaak van het faillissement is aangevoerd:
“2.3. Als gevolg van volgende periodes van verhoogde Covid-besmettingen w.o. lockdowns maar zeker ook de gevolgen van de oorlog in Oekraïne, is de omzet van de onderneming behoorlijk achter gebleven ten opzichte van de begroting. In diezelfde periode stegen de kosten op bijna alle vlakken. Hierdoor ontstond er druk op de marge, het resultaat en de liquiditeit waardoor er een verlieslatende situatie ontstond. Daarnaast heeft de onderneming ondanks dat zij hier recht op had, zeer lang moeten wachten voordat RVO een belangrijk deel van de TVL heeft betaald. Daarnaast is de licentieovereenkomst met de merkhouder opgezegd.
2.4
Als gevolg van voorgaande verloor de financier van de vennootschap haar vertrouwen in de continuïteit en heeft de financier de aan haar verpande zekerheden opgeëist. Hierdoor is het onmogelijk om de onderneming voort te zetten en ontbreekt het aan middelen om aan de verplichtingen van de onderneming te kunnen (blijven) voldoen.”
3.43.
Bij e-mail van 18 februari 2023 heeft [persoon 1] op verzoek van de curator een overzicht toegestuurd van de betalingen tussen Sandwich III en een aantal vennootschappen. In reactie daarop heeft de curator aan [persoon 1] bericht:
“Het financiële overzicht begrijp ik aldus dat Sandwich van de door haar genoten ‘groepsfinanciering’ een bedrag van Euro 322.499,63 nog niet zou hebben terugbetaald. Ik begreep evenwel dat nadat het pandrecht op de vorderingen op Sandwich UK en Sandwich Belgium aan laatstgenoemde vennootschappen op 22 december 2022 openbaar is gemaakt, deze gelieerde entiteiten nog substantiële bedragen aan WomFam B.V. hebben betaald, die dan in mindering zouden moeten strekken op vorenbedoelde bedrag. Is het u bekend welke bedragen UK en Belgium uit hoofde van verpande vorderingen van Sandwich op hen aan WomFam B.V. (of haar rechtsvoorgangsters) hebben betaald?”
3.44.
Bij e-mail van 16 april 2023 heeft de curator een aantal rechtshandelingen vernietigd op grond van de artikelen 42 en 47 Fw (hierna ook: de pauliana).
3.45.
WomFam heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel verzocht om haar als pandhouder ex artikel 3:251 lid 1 BW verlof te verlenen om de aan haar verpande voorraden en handelsdebiteuren onderhands te verkopen aan Team SW. De voorzieningenrechter heeft bij beschikking van 26 april 2023 het verzoek afgewezen, onder meer omdat in die procedure niet kon worden vastgesteld dat WomFam een vordering heeft uit hoofde van de overeenkomst van 20 april 2020, waarbij Sandwich III zich hoofdelijk heeft verbonden voor de groepsfinanciering, en evenmin uit hoofde van de Credit Facility Agreement.
3.46.
De curator heeft FEWCH, WomFam en Team SW gedagvaard en onder meer gevorderd dat de merkhouder en WomFam medewerking verlenen aan de verkoop van de activa van Sandwich III aan één van de door curator voorgedragen retailpartijen. In de aanloop naar de mondelinge behandeling van dit kort geding hebben partijen overeenstemming bereikt over de verkoop van de activa aan Team SW, van welke vennootschap [persoon 1] bestuurder is.
3.47.
Bij koopovereenkomst van 22 mei 2023 heeft de curator de activa verkocht aan Team SW. Daarbij zijn partijen overeengekomen dat van de koopprijs een bedrag van € 810.000,00 (hierna: de gesepareerde opbrengst) op de derdengeldrekening van het kantoor van de curator zou worden gestort, totdat in rechte zou zijn vastgesteld wie gerechtigd is tot dit deel van opbrengst: de boedel of WomFam (die pandrechten claimt te hebben op onder andere de kledingvoorraad en inventaris van Sandwich III) c.q. FEWCH (die eigendomsrechten claimt te hebben op de aanwezige winkel- en bedrijfsinventaris van Sandwich III). In artikel 1.3 van deze overeenkomst zijn partijen overeengekomen dat de curator binnen zes maanden een procedure aanhangig moet maken tegen FEWCH en WomFam om duidelijkheid te verkrijgen wie gerechtigd is tot de gesepareerde opbrengst.
3.48.
Bij brief van 16 november 2023 heeft de curator Manfort en [persoon 1] als (indirect) bestuurder van Sandwich III aansprakelijk gesteld wegens onbehoorlijk bestuur.
3.49.
Bij brief van 16 november 2023 heeft de curator de betaling van 8 februari 2023 aan PTG Companies van € 79.343,85 vernietigd op grond van de artikelen 42 en 47 Fw en PTG Companies gesommeerd dit bedrag terug te betalen aan de boedel.
3.50.
Bij brief van 16 november 2023 heeft de curator de betalingen van 3 februari 2023 en 8 februari 2023 aan WomFam van respectievelijk € 20.000,00 en € 330.000,00 vernietigd op grond van de artikelen 42 en 47 Fw en WomFam gesommeerd dit bedrag terug te betalen aan de boedel.
3.51.
Bij brief van 16 november 2023 heeft de curator SF Group bericht dat Sandwich III volgens haar administratie een vordering in rekening-courant heeft op SF Group van € 1.847.771,18 en SF Group gesommeerd dit bedrag te betalen aan de boedel.
3.52.
Bij brief van 17 november 2023 heeft de curator de betalingen van 31 december 2022 aan WomFam van € 300.000,00 vernietigd op grond van de artikelen 42 en 47 Fw en WomFam gesommeerd dit bedrag terug te betalen aan de boedel.
3.53.
In april 2024 heeft de curator met WomFam afspraken gemaakt over de incasso van vorderingen op derden (zoals Otrium en Pay.nl) en handelsdebiteuren. Deze afspraken hielden in dat de door de debiteuren na faillissement betaalde bedragen op de derdengeldrekening van het kantoor van de curator worden gestort, totdat in deze procedure is vastgesteld aan wie – naast de gesepareerde opbrengst van € 810.000,00 – deze bedragen toekomen. Pay.nl heeft een bedrag van € 175.185,93 op de derdengeldrekening van het kantoor van de curator gestort en Otrium heeft een bedrag van € 150.000,00 gestort als voorschot op de eindafrekening.
4Het geschil
In conventie:
4.1.
De curator vordert, na wijziging eis, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – samengevat –:
1) ter zake de bestuurdersaansprakelijkheid
primair:
1) een verklaring voor recht dat [persoon 1] en Manfort hoofdelijk aansprakelijk zijn op grond van artikel 2:248 BW voor het boedeltekort;
2) hoofdelijke veroordeling van [persoon 1] en Manfort tot betaling van het volledige boedeltekort;
3) hoofdelijke veroordeling van [persoon 1] en Manfort tot betaling van een voorschot op het boedeltekort van € 5.000.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente en verminderd met het bedrag dat de curator ontvangt van WomFam, FEWCH, SF Group en PTG Companies;
subsidiair:
1) hoofdelijke veroordeling van [persoon 1] en Manfort tot vergoeding van de schade die is ontstaan als gevolg van hun onrechtmatig handelen als bedoeld in artikel 6:162 BW, althans op basis van hun interne aansprakelijkheid wegens schending van artikel 2:9 BW, nader op te maken bij staat;
2) hoofdelijke veroordeling van [persoon 1] en Manfort tot betaling van een voorschot op deze schadevergoeding van € 800.000,00 vermeerderd met de wettelijke rente;
2) ter zake het bestuursverbod:
1) een verklaring voor recht dat ten aanzien van [persoon 1] sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 106a lid 1 a en/of b en/of c Fw;
2) [persoon 1] een bestuursverbod op te leggen voor de duur van vijf jaar op straffe van een dwangsom;
3) de griffier op te dragen om op grond van artikel 106b lid 3 Fw het vonnis naar de Kamer van Koophandel te sturen zodra het vonnis onherroepelijk zal zijn geworden;
3a) ter zake de nietige, althans vernietigde/vernietigbare rechtshandelingen:
een verklaring voor recht dat gelet op het ontbreken van rechtsgeldige bestuursbesluiten gezien het tegenstrijdig belang, althans op grond van de pauliana, nietig zijn c.q. rechtsgeldig buitengerechtelijk vernietigd zijn, althans te vernietigen de navolgende rechtshandelingen (waarbij de rechtbank de opsomming aanhoudt van voor de eiswijziging):
b) de overeenkomst van 29 april 2020;
c) de aanvullende overeenkomst van 18 mei 2020;
d) de Omnibus Deed of Pledge van 2 september 2020;
e) de Credit Facility Agreement van 28 december 2020;
f) de koopovereenkomst inventaris van 31 januari 2021;
i. i) de Omnibus Deed of Pledge van 15 augustus 2021;
j) de verlenging van de Credit Facility Agreement van 28 december 2021;
k) de gebruiksovereenkomst inventaris van 31 december 2021;
l) de ‘schulderkenning’ van [persoon 1] van 2 november 2022;
m) de overeenkomst van 25 november 2022;
n) de overeenkomst van 25 november 2022;
o) de mededeling van verpanding door WomFam van 22 december 2022;
p) de verpanding van 29 december 2022;
q) de betaling aan WomFam van € 300.000,00 op 31 december 2022;
r) de Omnibus Deed of Pledge van 14 januari 2023 (23 januari 2023);
s) de registratie van de pandakte van 14 januari 2023 op 3 februari 2023;
t) de betaling aan WomFam van € 20.000,00 op 3 februari 2023;
u) de betaling aan WomFam van € 330.000,00 op 8 februari 2023;
v) de betaling aan PTG Companies van € 79.343,85 op 8 februari 2023;
y) de registratie van de pandaktes van 15 augustus 2021 en 14 januari 2023 op 13 februari 2023;
zz) de gebruiksovereenkomst inventaris van 31 december 2021,;
zzz) de volmacht verstrekking van 25 januari 2023;
zzzz) de Omnibus Deed of Pledge van 20 april 2020,
3b) ter zake onrechtmatig handelen:
een verklaring voor recht dat het samenstel van rechtshandelingen (a t/m zzzz), al dan niet tezamen met selectieve betalingen aan gelieerde vennootschappen, kwalificeert als onrechtmatig handelen en hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot vergoeding van de schade die uit dit onrechtmatig handelen voortvloeit, nader op te maken bij staat, en bij wijze van voorschot op de schadevergoeding te bepalen dat WomFam en FEWCH niets meer van failliet te vorderen hebben, althans bij wijze van voorschot gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een voorschot van € 1.135.185,93 vermeerderd met wettelijke rente;
4) ter zake artikel 1.3 en 2.3 van de koopovereenkomst van 22 mei 2023 en de debiteurenbetalingen:
1) een verklaring voor recht dat de boedel gerechtigd is tot de gesepareerde opbrengst van de voorraden (€ 756.000,00) en de inventaris (€ 54.000,00) en tot de opbrengst van de betalingen door debiteuren van failliet na datum faillissement;
2) te bepalen dat deze gesepareerde opbrengst en de opbrengst van de debiteurenbetalingen dienen te worden overgemaakt naar de boedelrekening zodra het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan;
5) ter zake de rekening-courantvordering:
SF Group te gebieden aan de boedel een bedrag te voldoen van € 1.896.500,00 vermeerderd met wettelijke rente;
6) ter zake onverschuldigde betalingen:
1) WomFam te gebieden aan de boedel een bedrag te voldoen van € 650.000,00, een bedrag van € 140.000,00 en een bedrag van € 31.768,20, vermeerderd met de wettelijke rente;
2) PTG Companies te gebieden om aan de boedel een bedrag te voldoen van € 79.343,85, vermeerderd met de wettelijke rente;
3) een verklaring voor recht dat ook voor het overige bedragen die Sandwich Fashion Company B.V. aan WomFam en FEWCH of haar rechtsvoorgangers heeft voldaan onverschuldigd zijn betaald, althans dat het in ontvangst nemen van deze betalingen onrechtmatig was, en dat WomFam en FEWCH daarnaast ongerechtvaardigd zijn verrijkt door (debiteuren)betalingen die aan Sandwich Fashion Company B.V. ten goede hadden behoren te komen maar die derden (externe debiteuren en gelieerde vennootschappen) rechtstreeks aan WomFam en FEWCH hebben gedaan ter aflossing van een vermeende schuld van Sandwich Fashion Company B.V. aan WomFam en FEWCH of aan rechtsvoorgangers, althans dat het in ontvangst nemen van deze betalingen van debiteuren onrechtmatig was, dit tenminste tot een bedrag van € 1.603.500,00, althans € 1.534.500,00, ter zake de rechtstreekse betalingen van Sandwich Fashion Company B.V. en tenminste een bedrag van € 330.721,00 ter zake de oude debiteuren en tenminste een bedrag van € 1.114.154,00 ter zake de nieuwe debiteuren, althans tot enig bedrag dat de rechtbank juist voorkomt en WomFam en/of FEWCH te veroordelen om het aldus vastgestelde bedrag aan de boedel van Sandwich Fashion Company B.V. te voldoen;
4) WomFam en FEWCH te veroordelen inzage te verstrekken in hun boekhouding en bankafschriften en afschriften te verstrekken van de relevante bescheiden, zodat de omvang kan worden vastgesteld van de aanspraken van de boedel zoals bedoeld onder 3);
7) ter zake de proceskosten en nakosten:
1) gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van de procedure, vermeerderd met de wettelijke renten;
2) gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Eiswijziging
4.2.
De curator heeft in de loop van de procedure haar eis meerdere keren gewijzigd. De laatste eiswijziging vond plaats tijdens de mondelinge behandeling. Partijen hebben tegen deze wijzigingen bezwaar gemaakt. Bij de beoordeling van deze bezwaren geldt als uitgangspunt dat ingevolge artikel 130 Rv een eiser bevoegd is zijn eis of de gronden daarvan schriftelijk te veranderen of vermeerderen zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen. Een eiswijziging kan worden geweigerd wanneer deze in strijd is met de eisen van goede procesorde. De rechtbank is van oordeel dat van strijd met de eisen van goede procesorde in het onderhavige geval geen sprake is. Mede door de gevoerde verweren en de extra schriftelijke ronde die partijen hebben gekregen, heeft het geschil zich zodanig ontwikkeld en verduidelijkt dat de curator daarin reden heeft gezien haar eis te wijzigen. De wijzigingen liggen in het verlengde van de door partijen gevoerde discussie. Om die reden zullen de bezwaren tegen de eiswijzingen worden afgewezen.
Standpunt van de curator
4.3.
De curator legt aan haar vorderingen tegen Manfort als bestuurder en [persoon 1] als indirect bestuurder van Sandwich III ten grondslag dat er sprake is van onbehoorlijk bestuur. Daardoor is het bestuur volgens de curator primair op grond van artikel 2:248 BW aansprakelijk voor het tekort van de boedel en subsidiair op grond van 6:162 BW aansprakelijk voor de door de gezamenlijke schuldeisers geleden schade, dan wel op grond van artikel 2:9 BW aansprakelijk voor de door Sandwich III geleden schade. Voor wat betreft de primaire grondslag doet de curator zowel een beroep op artikel 2:248 lid 2 BW vanwege schending van de publicatieplicht (artikel 2:394 BW) en boekhoudplicht (artikel 2:10 BW), als op artikel 2:248 lid 1 BW. De curator stelt dat de ernstige verwijten die [persoon 1] kunnen worden gemaakt een bestuursverbod rechtvaardigen.
4.4.
Aan de (buitengerechtelijke) vernietiging van een groot aantal rechtshandelingen legt de curator ten grondslag dat deze rechtshandelingen vernietigbaar zijn op grond van artikel 42 of 47 Fw dan wel (ver)nietig(baar) zijn, omdat [persoon 1] handelde in verschillende hoedanigheden terwijl er sprake was van tegenstrijdig belang, zodat er op grond van artikel 2:14 BW althans artikel 2:15 BW geen rechtsgeldige besluiten konden worden genomen om Sandwich III te binden aan de desbetreffende overeenkomsten.
4.5.
De (buitengerechtelijke) vernietiging van een aantal overeenkomsten en betalingen leidt tot vorderingen op WomFam en PTG Companies uit hoofde van onverschuldigde betaling van respectievelijk € 650.000,00 en € 79.343,85.
4.6.
Daarnaast vordert de curator uit hoofde van onverschuldigde betaling van WomFam nog een bedrag van € 140.000,00. Het betreft een bedrag dat [bedrijf 2] aan Sandwich III verschuldigd was maar op 9 februari 2023, enkele dagen voor het faillissement, aan WomFam heeft betaald. Volgens de curator komt dit bedrag aan de boedel toe.
4.7.
Aan haar vorderingen tegen WomFam legt de curator verder ten grondslag dat WomFam geen vordering heeft op Sandwich III, althans geen rechtsgeldig pandrecht heeft verkregen op de voorraden, debiteuren en inventaris van Sandwich III. Dit leidt er toe dat WomFam geen aanspraak kan maken op de opbrengst van de verkoop van de activa uit de boedel, waarvan een bedrag van € 810.000,00 gesepareerd staat op de derdengeldrekening van het kantoor van de curator, en geen aanspraak kan maken op de betalingen die de debiteuren van Sandwich III na datum faillissement hebben verricht. Deze debiteuren hebben tussen 13 februari 2023 (datum faillissement) en 24 februari 2023 een bedrag van
€ 31.768,20 aan WomFam betaald. De curator vordert dit bedrag op grond van onverschuldigde betaling van WomFam terug. De curator stelt met WomFam afspraken te hebben gemaakt over de incasso van vorderingen op derden, zoals Otrium en Pay.nl, en handelsdebiteuren, in het kader waarvan er bedragen op de derdengeldrekening van het kantoor van de curator worden ontvangen. Zo heeft de curator van Otrium een voorschotbetaling ontvangen van € 150.000,00 en van Pay.nl een bedrag van € 175.185,93. De curator stelt zich op het standpunt dat deze bedragen aan de boedel toekomen.
4.8.
De vordering tegen FEWCH ziet op de gesepareerde opbrengst van de inventaris. De curator betwist het eigendomsrecht van FEWCH op de inventaris en stelt dat FEWCH daarom geen aanspraak kan maken op het gesepareerde bedrag van € 54.000,00.
4.9.
Aan haar vordering tegen SF Group legt de curator ten grondslag dat er tussen Sandwich III en SF Group een rekening-courantverhouding bestond op grond waarvan de boedel nog een vordering op SF Group heeft van € 1.896.500,00.
4.10.
Aan haar vordering uit onrechtmatige daad tegen alle gedaagden legt de curator ten grondslag dat het geheel aan transacties, waarbij gedaagden als gelieerde partijen beweerdelijke vorderingen op Sandwich III van onduidelijke omvang en beweerdelijk daaraan verbonden pandrechten hebben verkregen en zonder duidelijke grondslag aan elkaar hebben overgedragen, dusdanig vreemd is in het kader van een normale bedrijfsuitoefening, dat er sprake moet zijn van schijnhandelingen. Deze schijnhandelingen, althans het samenstel van rechtshandeling tussen de gelieerde partijen, al dan niet in combinatie met selectieve betalingen aan gelieerde vennootschappen, leiden tot het stelselmatig leeghalen van Sandwich III ten koste van de externe schuldeisers en kwalificeren als onrechtmatig handelen, op grond waarvan de gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door Sandwich III geleden schade.
Verweer van gedaagden
4.11.
Manfort en [persoon 1] betwisten dat er sprake is van onbehoorlijk bestuur. SF Group betwist dat er sprake is van een vordering uit rekening-courant en PTG Companies betwist dat de betaling aan haar vernietigd kan worden op grond van de pauliana.
4.12.
WomFam voert als verweer aan dat zij een vordering heeft op Sandwich III die de gesepareerde opbrengst ver overschrijdt en waarvoor zij pandrechten heeft verkregen op de voorraad, vorderingen en inventaris van Sandwich III, zodat zij als pandhouder bevoegd is haar pandrechten uit te winnen en gerechtigd is tot de opbrengst van de verkoop van de aan haar verpande activa. WomFam betwist dat de aan haar verstrekte pandrechten vernietigbaar zijn op grond van de pauliana. Voor zover FEWCH geen aanspraak kan maken op de gesepareerde opbrengst van de inventaris, doet WomFam met betrekking tot de inventaris een beroep op haar pandrecht.
4.13.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
In voorwaardelijk incident:
4.14.
WomFam [zo begrijpt de rechtbank, en niet WomFam c.s.] vordert, na wijziging eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de curator te veroordelen tot openlegging van de administratie van Sandwich Fashion Company B.V. zoals deze werd gehouden in Vertilinq, voor zover zij zou volharden in haar betwisting van de vordering van WomFam op Sandwich Fashion Company B.V., op straffe van een dwangsom.
4.15.
WomFam legt aan haar vordering ten grondslag dat zij toegang tot de financiële administratie van Sandwich III nodig heeft om de exacte omvang van haar vordering op Sandwich III te kunnen bepalen. Zij baseert haar vordering tot openlegging op artikel 3:15j sub d BW. De vordering wordt ingesteld als een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv, onder de voorwaarde dat de curator volhardt in de betwisting van de vordering van WomFam.
4.16.
De curator voert als verweer aan dat het karakter van een incidentele vordering ex artikel 223 Rv zich niet laat rijmen met de aan de incidentele vordering verbonden voorwaarde. Gevorderd wordt een voorlopige voorziening voor de duur van het geding, terwijl niet duidelijk is wanneer vast staat dat de voorwaarde is vervuld. In ieder geval ontbreekt door het voorwaardelijk karakter van de incidentele vordering de voor een vordering ex artikel 223 Rv vereiste spoedeisendheid. Ook overigens ontbreekt het spoedeisend belang. Al vanaf het faillissement loopt de discussie of WomFam überhaupt een vordering heeft op Sandwich III en zo ja, tot welk bedrag. WomFam heeft niet eerder aanleiding gezien om inzage in de administratie af te dwingen. Pas als vaststaat dat WomFam een vordering heeft en die vordering groter is dan de gesepareerde opbrengst, kan er een belang ontstaan voor WomFam tot inzage in de administratie van failliet om de exacte hoogte van haar vordering vast te stellen. Dat belang is er nu nog niet.
4.17.
[partijen 1 en 2] refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
4.18.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
In voorwaardelijke reconventie:
4.19.
WomFam en FEWCH vorderen – samengevat – voor het geval de vordering van de curator onder 4 (deels) wordt afgewezen:
primair: te bepalen dat de gesepareerde opbrengst van in totaal € 810.000,00 binnen drie dagen na datum vonnis wordt overgemaakt naar de Stichting Derdengelden Turnaround Advocaten B.V. en te bepalen dat de uitspraak in reconventie dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte ex artikel 3:300 lid 1 BW;
subsidiair: de curator te veroordelen althans te hengen en gedogen dat de gesepareerd opbrengst wordt overgemaakt naar de Stichting Derdengelden Turnaround Advocaten B.V. op straffe van een dwangsom;
meer subsidiair: de curator te instrueren om de gesepareerd opbrengst binnen drie dagen na datum vonnis over te maken naar de Stichting Derdengelden Turnaround Advocaten B.V.;
primair, subsidiair en meer subsidiair te verklaren voor recht dat de executieopbrengst vanaf datum faillissement aan WomFam toekomen en de curator te veroordelen daarover rekening en verantwoording af te leggen en de executieopbrengst alsnog aan WomFam te voldoen op de derdengeldrekening van Turnaround Advocaten binnen drie dagen na datum vonnis, te vermeerderen met wettelijke rente;
primair, subsidiair en meer subsidiair te verklaren voor recht dat WomFam een vordering heeft op Sandwich Fashion Company B.V., dat WomFam pandrechten heeft op de vorderingen van Sandwich Fashion Company B.V. op derden, de voorraad en inventaris van Sandwich Fashion Company B.V., volgend uit (onder meer) de pandakten d.d. 2 september 2020, 15 augustus 2021 en 14 januari 2023 en te verklaren voor recht dat de opbrengsten daarvan toekomen aan WomFam en te bevelen dat de curator moet gehengen en gedogen dat de vorderingen van Sandwich Fashion Company B.V. op derden enkel bevrijdend aan WomFam kunnen worden betaald;
onder veroordeling van de curator in de kosten van de procedure.
4.20.
WomFam en FEWCH leggen aan hun vordering ten grondslag dat WomFam een vordering heeft op Sandwich III, waarvoor aan WomFam pandrechten zijn verstrekt op voorraden, inventaris en vorderingen. Om die reden maakt WomFam aanspraak op de gesepareerde opbrengst van de bij koopovereenkomst van 22 mei 2023 verkochte voorraad ad € 756.000,00. FEWCH stelt eigenaar te zijn van de verkochte inventaris en maakt dan ook aanspraak op de opbrengst daarvan ad € 54.000,00. Voor zover FEWCH geen eigenaar mocht zijn, maakt WomFam aanspraak op de opbrengst van de inventaris vanwege het daarop rustende pandrecht.
4.21.
De curator betwist zowel de pandrechten van WomFam als het eigendomsrecht van FEWCH.
4.22.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
In incident ex artikel 223 Rv:
4.23.
WomFam vordert – samengevat –:
a en b) een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv te treffen voor de duur van het geding tussen WomFam en de curator, inhoudende dat de curator het totaalbedrag aan NOW- en TVL-gelden, in hoofdsom groot € 302.169.00, of zoveel nog op de boedelrekening beschikbaar is, separeert op de derdengeldrekening van de Stichting Derdengelden Lawwise Advocaten;
c) te bepalen dat de curator dit bedrag uiterlijk zeven dagen na het treffen van de voorlopige voorziening overmaakt op de derdengeldrekening van de Stichting Derdengelden Lawwise Advocaten op straffe dat de uitspraak ex artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de instructie van de curator;
d) deze voorlopige voorziening uitvoerbaar bij voorraad te verklaren;
e) met veroordeling van de curator in de proceskosten van dit incident.
4.24.
WomFam legt aan haar vordering ten grondslag dat Sandwich III haar vorderingen uit hoofde van de NOW- en TVL-regeling aan WomFam openbaar heeft verpand bij notariële akte van 29 december 2022. WomFam heeft daarvan op 30 januari 2023 mededeling gedaan aan de RVO, die de ontvangst van de mededeling op 2 februari 2023 heeft bevestigd. Hangende de procedure heeft de curator de vorderingen geïncasseerd en de betalingen laten bijschrijven op haar boedelrekening. Vervolgens heeft de curator een aanzienlijke betaling uit hoofde van haar salaris ten laste van de boedelrekening gebracht. Na betaling van dit bedrag van € 133.000,00 resteert – naast het bedrag aan NOW- en TVL-gelden ad € 302.169,00 – nog slechts een bedrag van € 4.241,89 op de boedelrekening. WomFam vreest dat de curator het bedrag aan NOW en TVL zal aanwenden voor haar salaris en het voeren van procedures.
4.25.
De curator voert als verweer aan dat vorderingen uit hoofde van NOW en TVL niet verpandbaar zijn, zodat WomFam geen rechtsgeldig pandrecht op deze vorderingen heeft verkregen. Mochten de vorderingen wel verpandbaar zijn, dan heeft te gelden dat de na datum faillissement verrichte betalingen van in totaal € 302.169,00 op datum faillissement nog geen vastgestelde, bestaande aanspraken waren en dus nog geen vorderingen van failliet. Deze aanspraken zijn eerst ontstaan na datum faillissement, dankzij de inspanningen die de curator heeft verricht en aanzienlijke kosten die zij heeft moeten maken om aanvragen in te kunnen dienen om tot definitieve vaststelling van de tegemoetkomingen NOW en TVL te komen, zodat deze gelden aan de boedel toekomen.
4.26.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
5.1.
Bij de beoordeling van de diverse vorderingen gaat de rechtbank uit van het navolgende. Waar mogelijk, zal de rechtbank daarbij de vorderingen van partijen betrekken en daarover oordelen.
De verschillende (rechts)handelingen
5.2.
Voordat [persoon 1] de onderneming van Sandwich II doorstartte, heeft hij Sandwich III bij overeenkomst van 20 april 2020 hoofdelijk verbonden voor een schuld uit hoofde van de groepsfinanciering. De rechtbank is het niet eens met de curator dat Sandwich III daarmee onverplicht een schuld op zich heeft genomen waarmee zij de overige schuldeisers heeft benadeeld. Partijen hadden immers afgesproken, zo hebben WomFam en [persoon 1] onweersproken gesteld, dat Sandwich III slechts aansprakelijk zou zijn voor de schuld uit hoofde van de groepsfinanciering voor zover deze vordering op de verpande activa van Sandwich II kon worden verhaald. FSCP kon ook zonder deze hoofdelijke aansprakelijkheid van Sandwich III haar vordering uit hoofde van de groepsfinanciering verhalen op de activa die Sandwich II aan haar had verpand. Sandwich III had zich immers bij aankoop van deze verpande activa uit de boedel van Sandwich II verbonden om de pandrechten van FSCP te respecteren en met FSCP afspraken te maken over de afwikkeling van de verpande activa. Sandwich III heeft met de overeenkomst van 20 april 2020 dan ook geen schuld op zich genomen waartoe zij niet ook op grond van de koopovereenkomst van 22 april 2020 gehouden was.
De overeenkomst van 29 april 2020
5.3.
Met betrekking tot de afwikkeling van de pandrechten is FSCP met Sandwich III op 29 april 2020 overeengekomen dat FSCP afstand doet van haar zekerheidsrechten, onder de opschortende voorwaarde van volledige betaling aan FSCP van een vergoeding die bestaat uit de opbrengst van de verpande activa onder aftrek van de gemaakte kosten tot en met 31 december 2022. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze overeenkomst niet vernietigd worden met een beroep op artikel 42 Fw, aangezien Sandwich III op grond van de koopovereenkomst van 22 april 2020 gehouden was om met FSCP afspraken te maken over de afwikkeling van de pandrechten. Er is dan ook sprake van een verplichte rechtshandeling, zodat het beroep van de curator op artikel 42 Fw niet kan slagen. Om deze verplichte rechtshandeling te kunnen vernietigen op grond van artikel 47 Fw, moet de curator aantonen dat voldaan is aan het vereiste dat de overeenkomst het gevolg is geweest van overleg tussen Sandwich III en FSCP, met als doel FSCP boven andere schuldeisers te begunstigen. Van ‘overleg’ in de zin van deze bepaling is sprake indien Sandwich III en FSCP hebben samengespannen, in die zin dat zij bij de totstandkoming van de overeenkomst beiden het oogmerk hebben gehad FSCP daarmee te bevoordelen boven andere schuldeisers. Op de curator rust niet alleen de stelplicht, maar ook de bewijslast van dit begunstigingsoogmerk van Sandwich III. De rechtbank is van oordeel dat de curator niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Zo leidt de enkele omstandigheid dat partijen hebben afgesproken om aan FSCP een resultaatsafhankelijk vergoeding te betalen voor de verpande activa nog niet tot de conclusie dat er sprake is van benadeling van de overige schuldeisers, laat staan van wetenschap van benadeling. Maar ook als de benadeling en de wetenschap van benadeling wel voldoende zouden zijn onderbouwd, dan nog is dat onvoldoende voor het aannemen van samenspanning. Het beroep op artikel 47 Fw kan daarom niet slagen.
5.4.
Het voorgaande betekent dat de vordering van de curator onder 3a) onder b. zal worden afgewezen voor zover deze vordering op de pauliana is gebaseerd.
De ‘schulderkenning’ van 2 november 2022
5.5.
De op 29 april 2020 bereikte afspraak met de pandhouder hield volgens [persoon 1] in dat Sandwich III de verpande voorraad in de Sandwichwinkels zou verkopen en de netto-opbrengst van die voorraad gedurende een periode tot 31 december 2022 zou afdragen aan de pandhouder. Na afloop van de afgesproken periode zou de pandhouder afstand doen van eventueel nog resterende zekerheidsrechten. Als er na 31 december 2022 nog verpande voorraad over zou zijn, zou de pandhouder daar dus verder geen aanspraak meer op maken en ook anderszins geen aanspraken meer hebben tegenover Sandwich III, ongeacht of de schuld waarvoor het pandrecht tot zekerheid strekte helemaal gedelgd zou zijn of niet. Deze stelling van [persoon 1] sluit aan bij de stelling van WomFam, dat de verkoop van de verpande activa van Sandwich II door partijen werd beschouwd als een alternatieve wijze van executieverkoop ex artikel 3:251 BW.
5.6.
Hoewel noch in de koopovereenkomst van 22 april 2020, noch in de overeenkomst van 29 april 2020 is opgenomen hoe hoog de gesecureerde vordering van FSCP uit hoofde van de groepsfinanciering is, begrijpt de rechtbank uit de hiervoor aangehaalde stellingen van partijen dat partijen er kennelijk van uit zijn gegaan dat deze vordering gelijk aan of hoger is dan de opbrengst van de verpande activa. In dit verband acht de rechtbank van belang dat in de eerdere faillissementen is gesproken over een vordering uit hoofde van de groepsfinanciering van meer dan € 5.000.000,00. Dit sluit aan bij het door [persoon 1] op 2 november 2022 getekende overzicht, waarin hij een bedrag noemt van € 5.056.807,00, en bij de door de curator overgelegd ‘third amendment to the loan agreement may 5th 2009’ van 15 december 2013, waarbij door een aantal vennootschappen van de – toen nog geheten – [groep] een bedrag wordt geleend van € 5.000.000,00. Het is die oude groepsfinanciering van de [groep] , zo stelt de curator, waarop het document van 2 november 2022 lijkt te zien. Gelet op de stelling van de curator dat [persoon 1] Sandwich III een ‘molensteen om de nek heeft gehangen’ door Sandwich III hoofdelijk te verbinden voor de oude groepsfinanciering, heeft de discussie tussen partijen zich in deze procedure niet gericht op de vraag hoe hoog de gesecureerde vordering van FSCP precies was. [partijen 1 en 2] en WomFam c.s. hebben uit de stellingen van de curator begrepen, zo is de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling duidelijk geworden, dat de curator de vordering van FSCP– en na contractsovername van WomFam – niet betwist, voor zover het gaat om de gesecureerde vordering uit hoofde van de groepsfinanciering. De precieze hoogte van deze vordering is in het kader van deze procedure alleen van belang als de aanspraak van WomFam op de boedel hoger is dan haar resterende vordering uit hoofde van de groepsfinanciering. Dat daarvan sprake is, is in deze procedure gesteld noch gebleken.
5.7.
De curator stelt dat zij het door [persoon 1] getekende overzicht van 2 november 2022 heeft vernietigd bij e-mail van 16 april 2023. De rechtbank leest dat niet in die e-mail. In het petitum wordt deze door de curator genoemde ‘schulderkenning’ wel genoemd onder 3a) onder l. Voor zover dit als een beroep op vernietiging moet worden beschouwd, verwerpt de rechtbank dit beroep nu de curator onvoldoende heeft onderbouwd dat daar een rechtsgrond voor is.
5.8.
Het voorgaande betekent dat de vordering van de curator onder 3a) onder l. zal worden afgewezen voor zover deze vordering op de pauliana is gebaseerd.
De overeenkomst van 18 mei 2020
5.9.
Uit artikel 1.2. van de overeenkomst van 29 april 2020 vloeit voor de pandhouder het recht voort om de definitie van de vergoeding nader te duiden. De verplichting van Sandwich III om daaraan mee te werken vloeit ook uit deze overeenkomst voort, zodat de overeenkomst van 18 mei 2020, waarbij partijen gevolg hebben gegeven aan deze bepaling, niet als een onverplichte rechtshandeling kan worden beschouwd. Het beroep van de curator op artikel 42 Fw kan dan ook niet slagen.
5.10.
Partijen zijn op 18 mei 2020 niet alleen nader overeengekomen dat de op 29 april 2020 afgesproken vergoeding maandelijks zou worden betaald, maar ook dat deze zou worden betaald uit de verkoop van de nieuwe voorraad. De curator stelt dat de aan de verkoop van de verpande activa verbonden kosten pas aan het einde van het boekjaar kunnen worden vastgesteld, zodat niet maandelijks kon worden vastgesteld wat de hoogte van de af te dragen vergoeding is. [persoon 1] heeft hiertegen ingebracht dat partijen een rekenmethode hadden bedacht waarmee de maandelijks te betalen vergoeding kon worden berekend, de zogenoemde ‘sweep’. Ter zitting heeft [persoon 1] toegelicht dat deze afspraak inhield dat aan het einde van de maand de liquiditeiten die op de bankrekening stonden werden afgedragen ter aflossing van deze verplichting. Op enig moment bleef door omstandigheden de verkoop achter, waardoor er minder omzet werd gemaakt en er geen afdracht meer kon plaatsvinden. [persoon 1] stelt dit met [vader] – de financier – te hebben besproken, die daar begrip voor had. [persoon 1] zou met een voorstel komen dat meer op resultaat gebaseerd was. [vader] stond daar wel voor open, maar dit voorstel is nooit op papier gezet en nooit geformaliseerd. [persoon 1] heeft wel op het einde van ieder boekjaar berekend wat de opbrengsten van de activa waren. Dit bedrag verminderd met de redelijke kosten is in de interne – niet gepubliceerde – jaarrekeningen opgenomen als buitengewone last, aldus [persoon 1] .
5.11.
De curator stelt dat deze aanvullende afspraak van 18 mei 2020 met betrekking tot de te betalen vergoeding een paulianeus karakter heeft, omdat deze is gemaakt met als enig doel FSCP boven iedere toekomstige schuldeiser van Sandwich III te bevoordelen. Een toelichting op deze stelling ontbreekt. Voor zover de curator daarmee een beroep heeft willen doen op artikel 47 Fw, heeft zij dit beroep onvoldoende onderbouwd. Ook in haar e-mail van 16 april 2023, waar de curator naar verwijst, is geen onderbouwing te lezen voor een beroep op artikel 47 Fw.
5.12.
Voor zover de curator heeft willen stellen dat de aanvullende afspraak van 18 mei 2020 een verzwaring van de afspraak van 29 april 2020 is, is de rechtbank het met haar eens. Voor de betaling van de overeengekomen vergoeding zou volgens de aanvullende afspraak ook de opbrengst van de nieuwe voorraad moeten worden ingezet, terwijl volgens de oorspronkelijk afspraak de betaling van de overeengekomen vergoeding resultaatsafhankelijk was, in die zin dat, zo begrijpt de rechtbank, de vergoeding pas zou worden voldaan zodra de verpande voorraad was verkocht. Deze aanvullende afspraak rechtvaardigt echter niet de conclusie dat er sprake is van begunstiging van FSCP als pandhouder boven toekomstige schuldeisers, laat staan de conclusie dat partijen het oogmerk hebben gehad om FSCP boven andere schuldeisers te begunstigen. Sandwich III stond op 18 mei 2020 nog aan het begin van de doorstart en er was geen enkele reden om te veronderstellen dat de toekomstige schuldeisers niet zouden kunnen worden voldaan. Zoals de curator bij conclusie van repliek ook aangeeft, was Sandwich III in de kern een financieel gezonde onderneming, die in de Covid-jaren 2020 en 2021 mooie winsten heeft gerealiseerd. Dit volgt ook uit de interne jaarrekeningen van Sandwich III. Daar komt bij dat partijen hadden afgesproken dat Sandwich III de overeengekomen vergoeding aan FSCP verschuldigd mocht blijven, voor zover zij deze nodig had voor haar bedrijfsvoering. Partijen hebben dit op 28 december 2020 vastgelegd in de Credit Facility Agreement. Een beroep op vernietiging van de overeenkomst van 18 mei 2020 op grond van artikel 47 Fw kan dan ook niet slagen.
5.13.
Het voorgaande betekent dat de vordering van de curator onder 3a) onder c. zal worden afgewezen voor zover deze vordering op de pauliana is gebaseerd.
De Credit Facility Agreements van 28 december 2020 en 28 december 2021
5.14.
Sandwich III heeft de met FSCP afgesproken vergoeding niet (volledig) afgedragen, maar gebruikt als werkkapitaal, onder meer voor de aanschaf van nieuwe voorraden. Als zekerheid voor de terugbetaling van deze gelden heeft FSCP pandrechten verkregen op activa van Sandwich III. De niet afgedragen vergoeding wordt door Sandwich en FSCP aangemerkt als financiering, zo blijkt uit de Credit Facility Agreement van 28 december 2020, waarin “Facility Amount” wordt omschreven als “the total amounts made available to the Debtor by the Creditor from time to time, as a result of the agreement dated April 29th 2020 between Creditor and Debtor.” De rechtbank is het met WomFam eens dat hoewel er in deze overeenkomst alleen wordt verwezen naar de overeenkomst van 29 april 2020, daarmee ook de overeenkomst van 18 mei 2020 wordt bedoeld. De aanvullende overeenkomst van 18 mei 2020 is namelijk gesloten naar aanleiding van het in artikel 1.2 van de overeenkomst van 29 april 2020 opgenomen recht van de pandhouder om de definitie van vergoeding nader te duiden en kan daar niet los van worden gezien.
5.15.
In deze Credit Facility Agreement van 28 december 2020 zijn de voorwaarden voor de financiering vastgelegd, waaronder een rente van 1% per jaar. De Credit Facility Agreement van 28 december 2021 betreft een verlenging van de overeengekomen termijn van 31 december 2021 tot 30 juni 2022. De curator heeft ook deze twee rechtshandelingen van Sandwich III op 16 april 2023 buitengerechtelijk vernietigd. In haar dagvaarding heeft de curator niet nader uitgewerkt of de vernietiging plaatsvindt op grond van artikel 42 of 47 Fw. Dat kan ook niet uit haar e-mail van 16 april 2023 worden afgeleid. Uit de zinsnede ‘evenmin is gebleken van enige verplichting tot het tekenen van een overeenkomst van geldlening’ leidt de rechtbank af dat een beroep wordt gedaan op artikel 42 Fw. Dit beroep faalt, nu de curator onvoldoende heeft gesteld dat aan de vereisten voor het inroepen van deze pauliana is voldaan. Naast een onverplichte rechtshandeling en benadeling van schuldeisers, moet er voor een geslaagd beroep op artikel 42 Fw ook sprake zijn van wetenschap van benadeling bij – in ieder geval – Sandwich III. Daarvoor is nodig dat Sandwich III bij het aangaan van de Credit Facility Agreement op 28 december 2020 kon voorzien dat er een situatie zou ontstaan waarin zij niet al haar schuldeisers volledig zou kunnen voldoen. De curator heeft echter niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat ten tijde van het verrichten van deze rechtshandeling het faillissement van Sandwich III en het tekort daarin met een redelijke mate van waarschijnlijkheid waren te voorzien. Datzelfde geldt voor de rechtshandeling van 28 december 2021, waarbij de termijn van de Credit Facility Agreement is verlengd tot 30 juni 2022. Aangezien Sandwich III door deze beide overeenkomsten, waarbij haar een financiering werd verstrekt tegen een rente van 1% per jaar, in staat was haar schuldeisers te betalen, had het op de weg van de curator gelegen om haar beroep op de pauliana te onderbouwen met concrete stellingen. Nu de curator dat heeft nagelaten, kan een beroep op vernietiging van beide Credit Facility Agreements op grond van de pauliana niet slagen.
5.16.
Het voorgaande betekent dat de vorderingen van de curator onder 3a) onder e. en j. zullen worden afgewezen voor zover deze vorderingen op de pauliana zijn gebaseerd.
De Omnibus Deed of Pledge van 2 september 2020
5.17.
Op 2 september 2020 heeft Sandwich III aan FSCP pandrechten verleend op haar activa. In deze Omnibus Deed op Pledge wordt Sandwich III onder (I) genoemd als een van de partijen bij deze overeenkomst en aangeduid als ‘Pledgor’. Dat in de definitie van het begrip “Pledgor” op pagina 9 van deze pandakte de pandgevers worden omschreven als de partijen (A) tot en met (F) kan naar het oordeel van de rechtbank als een kennelijke verschrijving worden beschouwd. De rechtbank verwerpt dan ook het standpunt van de curator dat Sandwich III met deze Deed of Pledge geen rechtsgeldig pandrecht aan FSCP heeft verleend, omdat Sandwich III niet valt onder de definitie van ‘Pledgor’ zoals omschreven op pagina 9.
5.18.
Aangenomen dat het op 2 september 2020 verleende pandrecht een onverplichte rechtshandeling is geweest, zoals de curator stelt, dan kan deze enkele omstandigheid niet tot vernietiging op grond van artikel 42 Fw leiden, omdat de curator onvoldoende heeft onderbouwd dat ook aan de overige vereisten voor een geslaagd beroep op artikel 42 Fw is voldaan. De enkele verlening van een pandrecht voor een financiering leidt niet tot benadeling van schuldeisers. FSCP heeft van Sandwich III zekerheden verlangd voor de terugbetaling van de aan Sandwich III verstrekte financiering. Dat is niet ongebruikelijk. Ook voor een financiering door een derde had Sandwich III zekerheden moeten verstrekken. De curator heeft niet gesteld dat de voorwaarden waaronder FSCP de financiering aan Sandwich III heeft verstrekt ongunstiger zijn dan de voorwaarden waaronder Sandwich III de financiering van een derde had kunnen verkrijgen. Waarom de zekerheden die Sandwich III vervolgens op 2 september 2020 aan FSCP heeft verstrekt tot benadeling van de schuldeisers van Sandwich III zou leiden, zoals de curator stelt, is de rechtbank bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing dan ook niet duidelijk. Bovendien is ook met betrekking tot deze rechtshandeling niet onderbouwd dat er sprake is van wetenschap van benadeling. Dat betekent dat het beroep op vernietiging van deze pandakte op grond van de pauliana niet kan slagen.
5.19.
Het voorgaande betekent dat de vordering van de curator onder 3a) onder d. zal worden afgewezen voor zover deze vordering op de pauliana is gebaseerd.
5.20.
Op 1 mei 2021 heeft FSCP haar overeenkomst met Sandwich III van 29 april 2020 en de daarbij behorende Credit Facility Agreement van 31 december 2020 overgedragen aan [vader] , die deze overeenkomsten op 31 juli 2021 heeft overgedragen aan FEWCH.
5.21.
Contractoverneming heeft tot gevolg dat de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en alle daaraan verbonden nevenrechten worden overgedragen aan een derde. Tot deze nevenrechten behoren ook pandrechten. Dat betekent dat de door Sandwich III op 2 september 2020 aan FSCP verleende pandrechten voor de door FSCP aan Sandwich III verstrekte financiering na de contractsovername op 1 mei 2021 kunnen worden uitgeoefend door [vader] en, na de contractsovername op 31 juli 2021, door FEWCH.
De Omnibus Deed of Pledge van 15 augustus 2021
5.22.
Na de contractsovername op 31 juli 2021 heeft Sandwich III op 15 augustus 2021 een pandrecht verstrekt aan FEWCH. Deze Omnibus Deed of Pledge heeft dezelfde inhoud als de Omnibus Deed of Pledge van 2 september 2020. De curator acht ook deze rechtshandeling van 15 augustus 2021 paulianeus. Ook op dit punt mocht van de curator verwacht worden dat zij concreet zou stellen en onderbouwen waarom aan de vereisten voor dat beroep op de pauliana is voldaan. Dat geldt zeker nu voor de aan FEWCH overgedragen vordering op Sandwich III op 2 september 2020 al pandrechten waren verleend. Het is dus maar de vraag of de pandakte van 15 augustus 2021 nodig is geweest. Nu de onderbouwing van de curator ontbreekt, en ook niet duidelijk is op welke rechtsgrond zij vernietiging vordert, kan het beroep de pauliana niet slagen.
5.23.
Het voorgaande betekent dat de vordering van de curator onder 3a) onder i. zal worden afgewezen voor zover deze vordering op de pauliana is gebaseerd.
De contractsovernemingen van 25 november 2022
5.24.
Op 25 november 2022 heeft FEWCH de Credit Facility Agreement met einddatum van 30 juni 2022 overgedragen aan WomFam. Sandwich III heeft haar medewerking daaraan verleend door deze mee te tekenen. Gesteld noch gebleken is dat Sandwich III daartoe verplicht was, zodat er sprake is van een onverplichte rechtshandeling. Door deze contractovername is FEWCH als financier vervangen door WomFam. Gesteld noch gebleken is dat dit tot benadeling van schuldeisers heeft geleid, zodat het beroep van de curator op artikel 42 Fw niet kan slagen.
5.25.
Het voorgaande betekent dat de vordering van de curator onder 3a) onder m. zal worden afgewezen.
5.26.
Op 25 november 2022 is er nog een overeenkomst tot contractovername gesloten tussen WomFam als overnemer en een groot aantal vennootschappen, waaronder FEWCH, als overdrager. Bij deze overeenkomst draag FEWCH ‘diverse overeenkomsten’ die zij ‘als gevolg van contractovername heeft verworven’ over aan WomFam. De curator doet ook met betrekking tot deze overeenkomst een beroep op vernietiging op grond van pauliana. Het is de rechtbank niet duidelijk waarom deze overeenkomst is gesloten en welke – in het kader van deze procedure belangrijke – overeenkomsten FEWCH aan WomFam heeft overgedragen. Nu de curator niet heeft gesteld, laat staan onderbouwd, tot welke vordering de vernietiging van deze overeenkomst leidt, heeft de curator geen belang bij vernietiging van deze overeenkomst.
5.27.
Het voorgaande betekent dat de vordering van de curator onder 3a) onder n. zal worden afgewezen voor zover deze vordering op de pauliana is gebaseerd.
Mededeling pandrecht WomFam van 22 december 2022
5.28.
Op 22 december 2022 heeft WomFam aan Sandwich III, SF Group, Manfort, WCH B.V., [bedrijf 2] , [bedrijf 1] , Studio East Ltd. en Woclo meegedeeld dat alle vordering die deze vennootschappen op elkaar hebben zijn verpand aan WomFam en na deze mededeling aan WomFam moeten worden voldaan. Ook met betrekking tot deze rechtshandeling heeft de curator een beroep gedaan op vernietiging. Voor zover de curator bedoeld heeft een beroep te doen op de artikelen 42 en 47 Fw kan dit beroep niet slagen, aangezien de mededeling geen rechtshandeling is van Sandwich III.
5.29.
Het voorgaande betekent dat de vordering van de curator onder 3a) onder o. zal worden afgewezen voor zover deze vordering op de pauliana is gebaseerd.
De Omnibus Deed of Pledge van 20 april 2020
5.30.
Naast een vordering uit hoofde van de overeengekomen vergoeding voor de verpande activa, zoals omschreven in de overeenkomsten van 29 april 2020 en 18 mei 2020, had FSCP – zo stellen [partijen 1 en 2] en WomFam c.s. – nog een vordering op Sandwich III uit hoofde van verstrekte liquide middelen. Voor zover partijen daarmee de korte lopende geldlening hebben bedoeld die FSCP op 20 april 2020 aan Sandwich III heeft verstrekt ter dekking van de eerste kosten, geldt dat dit bedrag van € 400.000,00 door Sandwich III al in juni 2020 aan FSCP is terugbetaald. Dat betekent dat de curator geen belang meer heeft bij de door haar gevorderde vernietiging van het pandrecht, dat bij de Omnibus Deed of Pledge van 20 april 2020 voor de kortlopende geldlening is verleend. Voor zover dit pandrecht ook verleend mocht zijn voor andere, nog toekomstige, betalingsverplichtingen uit welke hoofde dan ook, zoals WomFam c.s. stelt, geldt dat de curator haar belang bij een beroep op vernietiging van de Omnibus Deed of Pledge voor deze betalingsverplichtingen onvoldoende heeft onderbouwd. Voor de betalingsverplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomsten van 29 april 2020 en 18 mei 2020 zijn namelijk bij de Omnibus Deed of Pledge van 1 september 2020 pandrechten verleend aan FSCP.
5.31.
Het voorgaande betekent dat de vordering onder 3a) onder zzzz zal worden afgewezen voor zover deze vordering op de pauliana is gebaseerd.
5.32.
Voor zover FSCP nog andere aanvullende financiering mocht hebben verstrekt, kunnen eventuele daaruit voortvloeiende vorderingen niet door WomFam te gelde worden gemaakt, omdat gesteld noch gebleken is dat deze vorderingen aan WomFam zijn overgedragen. Uit de opeenvolgende overeenkomsten van 1 mei 2021, 31 juli 2021 en 25 november 2022 blijkt dat FSCP – via [vader] en FEWCH – aan WomFam alleen de contracten heeft overgedragen die betrekking hebben op de door Sandwich III verschuldigde vergoeding voor de verpande activa.
5.33.
Het onderhavige geschil tussen de curator en WomFam betreft dan ook alleen de vordering uit hoofde van de op 29 april 2020 en 18 mei 2020 overeengekomen vergoeding voor de verpande activa en niet een eventuele vordering uit hoofde van aanvullende financiering.
5.34.
De curator betwist zowel de (hoogte van de) vordering van WomFam uit hoofde van de overeengekomen vergoeding als het door WomFam gestelde pandrecht dat daarvoor verleend is op de activa van Sandwich III.
5.35.
Voor zover de curator zich op het standpunt stelt dat WomFam geen pandrecht heeft op de door Sandwich III uit de faillissementsboedel van Sandwich II gekochte activa, verwerpt de rechtbank dit standpunt. De curator van Sandwich II heeft het pandrecht van FSCP op deze activa immers erkend. Het pandrecht was aan FSCP verleend voor haar vordering op Sandwich II uit hoofde van de groepsfinanciering. Sandwich III was op grond van de koopovereenkomst van 22 april 2020 gehouden het pandrecht van FSCP te respecteren.
5.36.
Sandwich III heeft een deel van de overeengekomen vergoeding voor de verpande activa aan FSCP betaald en een deel daarvan gebruikt als werkkapitaal. Voor de vordering uit hoofde van deze verschuldigd gebleven vergoeding heeft Sandwich III pandrechten verstrekt op haar activa. Zoals hiervoor is overwogen, zijn de verpandingen die vóór 25 november 2022 – de datum waarop de rechten en verplichtingen uit de Credit Facility Agreements door FEWCH aan WomFam zijn overgedragen en WomFam de positie van de financier/pandhouder heeft overgenomen – hebben plaatsgevonden via de Omnibus Deed of Pledge van 2 september 2020 en 15 augustus 2021 niet vernietigbaar op grond van de pauliana.
Het pandrecht van 29 december 2022
5.37.
Sandwich III heeft bij notariële akte van 29 december 2022 een openbaar pandrecht aan WomFam verstrekt op haar vorderingen terzake de NOW- en TVL-gelden.
5.38.
De curator betwist dat WomFam een rechtsgeldig pandrecht heeft verkregen op de vordering van Sandwich III uit hoofde van de NOW- en TVL-regeling. Volgens de curator zijn vorderingen uit hoofde van coronasteunregelingen niet verpandbaar. Ter onderbouwing van haar stelling dat deze vorderingen wel verpandbaar zijn, verwijst WomFam naar een recente uitspraak van de rechtbank [plaats] van 26 juni 2024 waarin is geoordeeld dat noch de wet, noch de aard van de vordering, zich tegen overdracht van een vordering uit hoofde van de NOW-regeling en TVL-regeling verzet als bedoeld in artikel 3:83 lid 1 BW, zodat deze subsidievorderingen op grond van artikel 3:228 BW verpandbaar zijn.
5.39.
De rechtbank ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank [plaats] . De Hoge Raad heeft inmiddels ook geoordeeld dat de NOW- en TVL-gelden overdraagbaar zijn en daarmee verpandbaar. Dat betekent dat deze subsidievorderingen verpandbaar zijn, in ieder geval voor zover deze vorderingen zijn ontstaan vóór datum faillissement.
5.40.
Voor wat betreft het na datum faillissement door de curator ontvangen bedrag van € 302.169,00 aan NOW- en TVL-gelden, verschillen partijen van mening over het antwoord op de vraag of de vordering tot nabetaling uit hoofde van de definitieve vaststelling van de NOW/TVL-gelden is ontstaan na datum faillissement. De curator verwijst in dit verband naar het advies van prof. mr. [persoon 3] van 10 december 2024. Volgens [persoon 3] zijn in het onderhavige geval de NOW- en TVL-vorderingen eerst na datum faillissement met de definitieve toekenning van de subsidie door het UWV respectievelijk RVO ontstaan en heeft WomFam geen pandrecht op de desbetreffende vorderingen verkregen. De curator heeft na datum faillissement de financiële gegevens en informatie verstrekt, waaronder accountants- en derdenverklaringen, die vereist zijn voor de definitieve toekenning van de subsidie. Zonder deze gegevens zouden de door Sandwich III aangevraagde NOW- en TVL-subsidies op nihil zijn gesteld. Niet alleen zou dan geen aanspraak zijn ontstaan op uitkering van het bedrag dat de eerder aan Sandwich III toegekende voorschotten te boven gaat (het meerdere), maar Sandwich III zou bovendien de verplichting hebben gehad tot terugbetaling van de eerder toegekende en ontvangen voorschotten. Deze aanspraak op het meerdere ontstaat volgens [persoon 3] pas nadat de voor de definitieve vaststelling vereiste gegevens zijn aangeleverd en op basis daarvan de subsidiebedragen zijn berekend en vastgesteld. Vóór dat moment kan de aanspraak op het meerdere niet worden gekwalificeerd als een reeds bestaande vordering onder de opschortende voorwaarde dat nadien tijdig aan alle vereisten voor de definitieve berekening en vaststelling van de subsidie zou worden voldaan, noch als een bestaande vordering waarvan slechts de omvang behoeft te worden bepaald of berekend. WomFam heeft hier onvoldoende tegenin gebracht, zodat de rechtbank met de curator van oordeel is dat WomFam geen pandrecht heeft verkregen op de NOW- en TVL-gelden die de curator in het kader van de definitieve vaststelling van de subsidie na datum faillissement heeft ontvangen.
5.41.
Het vorenoverwogene brengt mee dat de incidentele vordering van WomFam tot het separeren van de door de curator ontvangen NOW- en TVL-gelden wordt afgewezen.
5.42.
Voor wat betreft het door WomFam gestelde pandrecht op de subsidievorderingen die voor datum faillissement zijn ontstaan, geldt het volgende.
5.43.
Sandwich III heeft in de periode van 30 maart 2021 tot en met 25 april 2022 een voorschot op de NOW-gelden ontvangen van in totaal € 1.380.653,00 en op 8 februari 2023 een voorschot op de TVL-gelden van € 952.000,00. Met de incassering door Sandwich III van haar vordering uit hoofde van de NOW- en TVL-regeling zijn eventuele door WomFam verkregen stille pandrechten op deze – ten tijde van de verpanding nog toekomstige – vorderingen tenietgegaan. Het pandrecht komt niet op de geïnde bedragen te rusten en de pandhouder komt ter zake de geïnde bedragen geen voorrang toe. Om die reden behoeft de vraag of WomFam een stil pandrecht op deze vorderingen heeft verkregen door de registratie op 16 februari 2021 van de pandakte van 2 september 2020 en/of de registratie op 13 juli 2022 van de pandakte van 15 augustus 2021 geen bespreking meer. Voor wat betreft de openbare verpanding op 29 december 2022 geldt dat deze alleen betrekking kan hebben op (het voorschot op) de TVL-gelden die Sandwich III op 8 februari 2023 heeft ontvangen. Na ontvangst van dit bedrag van € 952.000,00 heeft Sandwich III dezelfde dag een bedrag van € 330.000,00 aan WomFam betaald. Op 12 februari 2023 heeft Sandwich III haar faillissement aangevraagd.
5.44.
WomFam stelt gerechtigd te zijn tot het bedrag van € 330.000,00, omdat zij een opeisbare vordering op Sandwich III had en op 29 december 2022 een openbaar pandrecht had verkregen op de vordering van Sandwich III uit hoofde van de NOW- en TVL-regeling. De curator betwist met een beroep op de artikelen 42 en 47 Fw de rechtsgeldigheid van het openbaar pandrecht van 29 december 2022. Bij conclusie van repliek voegt zij daaraan toe dat een eventueel pandrecht door de betaling van de TVL-gelden op de bankrekening van Sandwich III teniet is gegaan.
5.45.
Voor de beoordeling van de vraag of WomFam op grond van het openbaar pandrecht van 29 december 2022 gerechtigd is tot het bedrag van € 330.000,00, is van belang dat dit pandrecht tot stand is gekomen door mededeling daarvan aan de RVO op 30 januari 2023. Door deze mededeling was WomFam op grond van artikel 3:246 BW met uitsluiting van Sandwich III bevoegd tot inning van het voorschot op de TVL-gelden en kon er alleen nog maar aan WomFam bevrijdend worden betaald. De gelden zijn echter door Sandwich III geïncasseerd en niet door WomFam. Gesteld noch gebleken is dat Sandwich III de bedragen met toestemming van WomFam heeft geïncasseerd. WomFam stelt slechts dat partijen de afspraak hadden gemaakt dat Sandwich III de door haar ontvangen gelden aan WomFam zou afdragen ter aflossing van de vordering van WomFam uit hoofde van de financiering. Deze afspraak is Sandwich III niet (volledig) nagekomen. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat WomFam niet met een beroep op haar openbaar pandrecht van 29 december 2022 aanspraak kan maken op het aan haar uitgekeerde bedrag van € 330.000,00. De vraag of dit pandrecht vernietigbaar is op grond van de pauliana behoeft dan ook geen bespreking.
5.46.
Het voorgaande betekent dat bij gebrek aan enig belang bij de vernietiging van deze openbare verpanding van 29 december 2022 de vordering van de curator 3a) onder p. zal worden afgewezen voor zover deze vordering op de pauliana is gebaseerd.
De Omnibus Deed of Pledge van 14 januari 2023
5.47.
Na de contractsovername op 25 november 2022 heeft Sandwich III op 14 januari 2023 een pandrecht verstrekt aan WomFam. Deze Omnibus Deed of Pledge heeft dezelfde inhoud als de eerder aan FSCP en FEWCH verleende Omnibus Deed of Pledge van respectievelijk 2 september 2020 en 15 augustus 2022. Ook deze rechtshandeling acht de curator paulianeus. Gelet op de eerder verleende pandakten van 2 september 2020 en 15 augustus 2021, is zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet duidelijk waarom deze pandakte van 14 januari 2023 leidt tot benadeling van de schuldeisers van Sandwich III. De rechtbank verwijst verder naar hetgeen zij hiervoor in rechtsoverweging 5.22 heeft overwogen.
5.48.
Het voorgaande betekent dat de vordering van de curator onder 3a) onder r. zal worden afgewezen voor zover deze vordering op de pauliana is gebaseerd.
De registraties van de pandaktes op 3 februari 2023 en 13 februari 2023 en de volmacht van 25 januari 2023
5.49.
WomFam heeft de pandakte van 14 januari 2023 op 3 februari 2023 laten registeren en FEWCH heeft de pandakte van 15 augustus 2021 nog een keer op 13 februari 2023 laten registreren. De curator heeft met betrekking tot deze registraties een beroep gedaan op de pauliana. In het kader daarvan is tussen partijen de discussie ontstaan of de registratie van een pandakte een rechtshandeling of een feitelijke handeling is.
5.50.
Indien er sprake is van een onderhandse pandakte, zoals in het onderhavige geval, dan is de vestiging van een stil of bezitloos pandrecht pas voltooid door registratie van deze pandakte bij de Belastingdienst, zo volgt uit de artikelen 3:237 lid 1 BW en 3:239 lid 1 BW jo. art. 1 lid 2 sub b Registratiewet 1970. Het pandrecht komt tot stand op het tijdstip van aanbieding ter registratie (art. 5 Registratiewet). De rechtbank is van oordeel dat de registratie van de pandakte een feitelijke handeling is en geen rechtshandeling, zoals de curator stelt. Een rechtshandeling vereist een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard (artikel 3:33 BW). De wil om een pandrecht te vestigen wordt geopenbaard in de pandakte, waarmee partijen beogen een pandrecht tot stand te brengen. De pandakte bevat de wilsovereenstemming van partijen. Dat voor voltooiing van de vestiging van een stil of bezitloos pandrecht registratie van de pandakte nodig is, maakt de registratie nog geen rechtshandeling. De registratie is een administratieve handeling waartoe zowel de pandgever als de pandhouder bevoegd is en bevat geen wilsverklaring gericht op een ander rechtsgevolg dan al beoogd was met de pandakte.
5.51.
Maar ook al zou de registratie van de pandakte een rechtshandeling zijn, dan kan dit de curator niet baten. Uit de door de curator overgelegde producties 80 en 81 blijkt dat de registraties hebben plaatsgevonden door WomFam en FEWCH. Dat betekent dat de curator deze handelingen niet kan vernietigen op grond van de artikelen 42 en 47 Fw. Dat zou mogelijk anders zijn, als WomFam en FEWCH deze registraties zouden hebben verricht namens Sandwich III op basis van een daartoe verstrekte volmacht. De curator wijst in haar conclusie van repliek in conventie naar een ‘overeenkomst van beweerdelijk 25 januari 2023 waarin [persoon 1] namens Sandwich III WomFam een volmacht geeft’, om deze dan vervolgens te vernietigen op grond van de artikelen 42 en 47 Fw, maar legt deze volmacht niet over. WomFam neemt bij conclusie van dupliek aan dat de curator doelt op de door WomFam bij conclusie van antwoord overgelegde brief van 25 januari 2023. In deze brief leest de rechtbank niet dat er door Sandwich III een volmacht aan WomFam wordt verleend om de pandaktes te registreren. Bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing gaat de rechtbank er dan ook van uit dat de registraties niet hebben plaatsgevonden door of namens Sandwich III, zodat de curator, ook indien er sprake zou zijn geweest van een rechtshandeling, geen beroep had kunnen doen op de artikelen 42 of 47 Fw.
5.52.
Het voorgaande betekent dat de vorderingen van de curator onder 3a) onder s. en y. zullen worden afgewezen voor zover deze vorderingen zijn gebaseerd op de pauliana. Ook de vordering onder zzz, zal worden afgewezen, nu onvoldoende gesteld noch gebleken is dat er op 25 januari 2023 een volmacht is verleend aan WomFam, en voor zover deze al verleend, dat de curator een belang heeft bij de door haar gevorderde vernietiging.
5.53.
De rechtbank komt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen tot de conclusie dat WomFam een rechtsgeldig pandrecht heeft verkregen op de activa van Sandwich III.
Tussenconclusie
5.54.
Gelet op voormelde vaststellingen, zullen de vorderingen van de curator onder 3a) onder b., c., d., e., i., j., l., m., n., o., p., r., s., y., zzz. en zzzz. worden afgewezen voor zover deze op de pauliana zijn gegrond. Ook zal worden afgewezen de incidentele vordering van WomFam tot het separeren van de NOW- en TVL-gelden. De rechtbank zal hierna de (overige) vorderingen van partijen bespreken. Daarbij is het uitgangspunt, zoals hiervoor is vastgesteld, dat WomFam een rechtsgeldig pandrecht heeft verkregen op de activa van Sandwich III en dat het geschil tussen de curator en WomFam alleen de vordering uit hoofde van de op 29 april 2020 en 18 mei 2020 overeengekomen vergoeding voor de verpande activa betreft.
De rechten van WomFam
De vordering van WomFam
5.55.
De rechtbank moet beoordelen of Sandwich III betalingen aan WomFam heeft verricht die vernietigd kunnen worden en terugvloeien in de boedel. Daarvoor moet de vraag worden beantwoord of WomFam een vordering op Sandwich III heeft uit hoofde van de overeengekomen vergoeding en wat de hoogte van die vordering dan is. Bij conclusie van antwoord gaf WomFam aan inzage nodig te hebben in de administratie van Sandwich III om de hoogte van haar vordering te kunnen vaststellen. Naar aanleiding van de discussie daarover met de curator heeft WomFam van [persoon 1] de beschikking gekregen over dat deel van de administratie van Sandwich III en FSCP waarover [persoon 1] in zijn hoedanigheid van bestuurder van Sandwich III en bewaarder van de administratie van FSCP nog beschikt. WomFam stelt dat met deze administratieve stukken van Sandwich III en FSCP en de administratie en bankmutaties van WomFam, de hoogte van de vordering van WomFam nader kan worden onderbouwd. Onder verwijzing naar het door (de heer [persoon 4] , de consultant van) [persoon 1] gemaakte Excel-overzicht en de daarop gegeven toelichting van [persoon 1] stelt WomFam dat zij nog een vordering heeft van in ieder geval € 2.939.149,00. Het – alsnog – verkrijgen van een gedeelte van de administratie van Sandwich III is voor WomFam aanleiding om haar vordering in het incident te wijzigen en alleen nog inzage te vragen in Vertilinq, de voorraadadministratie van Sandwich III.
5.56.
De rechtbank stelt vast dat volgens de toelichting van [persoon 1] Sandwich III een bedrag van € 5.918.525,00 aan de financier zou hebben moeten betalen. Dit bedrag betreft de opbrengsten verminderd met de redelijke kosten en bestaat uit de posten ‘Cash geint op oude debiteuren’ en ‘Resultaat winst- en verliesrekening’. Deze laatste post is volgens de toelichting daarop het resultaat in het kader van de voorraad. Op dit bedrag moet in mindering worden gebracht het bedrag dat al aan de financier is betaald. Dit is een bedrag van € 2.979.375,00 en bestaat uit de posten ‘Ontvangen van / (betaald aan) financier’, ‘Cash geint op oude debiteuren door FSCP’ en ‘Cash geint op nieuwe debiteuren door Financier’. Het verschil tussen beide bedragen is € 2.939.150,00 (hierna: het saldo van de financiering). Op pagina 1 van de toelichting staan de uitgangspunten voor de berekening van het saldo van de financiering. WomFam stelt dat de berekening van de vordering zoals deze uit de toelichting en het Excel-overzicht volgt een juiste weergave is van de kredietafspraken tussen de financier en Sandwich III. Een nadere toelichting kan daarop volgens WomFam worden gegeven door de [persoon 1] , zijn consultant de heer [persoon 4] , [persoon 2] en – vanwege zijn leeftijd, schriftelijk – [vader]
5.57.
De post ‘resultaat winst- en verliesrekening’ wordt onderbouwd door de in de toelichting op pagina 5 opgenomen winst- en verliesrekening. De rechtbank begrijpt hieruit dat ook de opbrengst van de nieuwe voorraad is meegenomen in de berekening van het resultaat waarop de financier recht heeft. Partijen hebben echter op 29 april 2020 afgesproken dat de vergoeding bestaat uit de opbrengst van de oude verpande voorraad verminderd met de redelijke kosten. Op 18 mei 2020 hebben partijen voor het vaststellen van die vergoeding een rekenmethode bedacht. Het is die rekenmethode, zo begrijpt de rechtbank, die ten grondslag ligt aan de berekening van de post ‘Resultaat winst- en verliesrekening’. Die rekenmethode is de rechtbank echter niet duidelijk geworden, ook niet na de toelichting daarop, die tijdens de mondelinge behandeling is gevraagd en door [persoon 1] is gegeven. [persoon 1] en WomFam zullen daarom nog in de gelegenheid worden gesteld hierover bij akte duidelijkheid te verschaffen.
5.58.
De door Sandwich III op 22 april 2020 gekochte verpande activa bestond uit vorderingen, voorraad en inventaris. Het is de rechtbank niet duidelijk of de opbrengst van de inventaris, die door Sandwich III aan FSCP is verkocht, is meegenomen in de berekening van het bedrag waarop de financier recht heeft. Hiervoor is in ieder geval geen aparte post opgenomen. Ook hierover mogen [persoon 1] en WomFam zich nog bij akte uitlaten.
5.59.
Voor wat betreft het bedrag dat al aan de pandhouder is afgelost en in mindering strekt op het bedrag waarop de pandhouder recht heeft, is niet duidelijk:
– of in het bedrag dat door de pandhouder in 2023 is geïnd ook de bedragen zijn meegenomen die WomFam na datum faillissement heeft geïnd,
– of in het bedrag dat in 2022 en 2023 is geïnd ook de bedragen zijn meegenomen die door groepsvennootschappen aan WomFam zijn betaald na de mededeling verpanding van 22 december 2022 door WomFam, zoals het door [bedrijf 2] op 9 februari 2023 aan WomFam betaalde bedrag van € 140.000,00,
– of het bedrag van € 1.896.500,00 dat volgens [persoon 1] geparkeerd stond bij SF Group is meegenomen in het afgeloste bedrag,
– of rekening is gehouden met betalingen door Sandwich III aan andere vennootschappen op verzoek van de pandhouder, zoals bedoeld in de brief van mr. Froger van 13 april 2023.
[persoon 1] en WomFam zullen nog in de gelegenheid worden gesteld hierover bij akte duidelijkheid te verschaffen.
5.60.
WomFam heeft het Excel-overzicht en de daarop gegeven toelichting pas in het geding gebracht bij conclusie van dupliek. Daardoor heeft de curator daar nog niet op kunnen reageren. Gezien het belang van dit rapport zal de rechtbank de curator daartoe alsnog in de gelegenheid stellen. Voordat de rechtbank daartoe overgaat, zal de rechtbank eerst de vordering van WomFam in het voorwaardelijk incident behandelen.
Vordering in voorwaardelijk incident WomFam – inzage in Vertilinq
5.61.
WomFam heeft in het voorwaardelijk incident verzocht om de curator te veroordelen tot openlegging van de administratie van Sandwich III zoals deze werd gehouden in Vertilinq. Nu de curator in deze procedure de (hoogte van de) vordering van WomFam uit hoofde van de overeengekomen vergoeding is blijven betwisten, is voldaan aan de voorwaarde waaronder deze vordering is ingesteld. Aangezien inzage in Vertilinq nodig is om een deugdelijke berekening te kunnen maken van de hoogte van de vordering van WomFam, heeft WomFam een voldoende en rechtstreeks belang bij haar vordering. De rechtbank zal de vordering daarom toewijzen, evenals de gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring. Er is geen reden om aan te nemen dat de curator deze veroordeling niet zal nakomen, zodat de rechtbank geen dwangsom aan deze veroordeling zal verbinden.
5.62.
WomFam heeft zich niet uitgelaten op welke wijze openlegging van de voorraadadministratie dient plaats te vinden. De rechtbank zal de curator bevelen WomFam inzage te geven in de voorraadadministratie Vertilinq, en wel binnen twee weken na datum vonnis. Vervolgens heeft WomFam vier weken de tijd de administratie te bestuderen en eventueel een nieuwe berekening te laten maken. Na die vier weken dient zij binnen twee weken een akte te nemen, waarbij zij – indien nodig – een nieuwe berekening in het geding kan brengen en een nadere toelichting kan geven op de berekening, zoals bedoeld in rechtsoverwegingen 5.57, 5.58 en 5.59. Vervolgens mogen de curator en [persoon 1] binnen zes weken bij akte van maximaal 10 pagina’s op deze akte van WomFam reageren. De rechtbank benadrukt dat de akte alleen mag worden gebruikt door partijen om zich uit te laten over de hoogte van de vordering van WomFam uit hoofde van de overeengekomen vergoeding, en niet over andere onderwerpen. De akte is uitdrukkelijk niet bedoeld om discussies tussen partijen, waarover de rechtbank zich in dit tussenvonnis heeft uitgelaten, opnieuw te openen dan wel alsnog de onderbouwing te geven die in eerdere schriftelijke rondes had moeten worden gegeven.
De betalingen aan WomFam
De betalingen door Sandwich III aan WomFam van € 650.000,00
5.63.
Sandwich III heeft op 31 december 2022 een bedrag van € 300.000,00 aan WomFam betaald en op 3 februari 2023 een bedrag van € 20.000,00. Na ontvangst van de TVL-gelden heeft Sandwich III op 8 februari 2023 nog een bedrag van € 330.000,00 aan WomFam betaald. De curator stelt zich op het standpunt dat deze betalingen vernietigbaar zijn op grond van de pauliana. WomFam betwist dit en stelt gerechtigd te zijn tot deze bedragen van in totaal € 650.000,00, omdat zij een met zekerheden versterkte opeisbare vordering had op Sandwich III en daardoor gerechtigd was deze betalingen met voorrang boven andere schuldeisers te ontvangen.
5.64.
Bij de beoordeling van de vraag of de betalingen vernietigbaar zijn, neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat de vordering uit hoofde van de overeengekomen vergoeding opeisbaar was door het verstrijken van de looptijd van de Credit Facility Agreement op 30 juni 2022. Na de contractsovername op 25 november 2022 heeft [persoon 2] – daartoe gevolmachtigd door [vader] – namens WomFam aangedrongen op betaling van (een deel van) de opeisbare vordering. De door Sandwich III verrichte betalingen zijn dan ook aan te merken als verplichte rechtshandelingen, die alleen vernietigd kunnen worden met een beroep op artikel 47 Fw. In geschil is het antwoord op de vraag of er sprake is geweest van overleg tussen WomFam en Sandwich III, met als doel WomFam boven andere schuldeisers te begunstigen.
5.65.
Vast staat dat er vanaf 25 november 2022 tussen [persoon 2] en [persoon 1] overleg heeft plaatsgevonden over de (gedeeltelijke) aflossing van de financiering. WomFam stelt dat dit overleg zag op het feit dat WomFam het krediet zou opzeggen, indien Sandwich III niet zou overgaan tot betaling van de aan WomFam verpande NOW- en TVL-gelden als omvangrijke inlossing op de opeisbare schuld. [persoon 1] bevestigt dat de ontvangst van deze gelden een belangrijke rol heeft gespeeld in het overleg met [persoon 2] en stelt dat [persoon 2] verlangde dat Sandwich III de aanspraken op de NOW- en TVL-gelden tot zekerheid voor de aflossing van de Credit Facility aan WomFam zou verpanden. Sandwich III heeft daaraan meegewerkt. De toegezegde gelden bleven echter uit, waardoor de afspraak met WomFam niet tijdig kon worden nakomen. Uiteindelijk heeft Sandwich III de TVL-gelden pas op 8 februari 2023 ontvangen, aldus [persoon 1] .
5.66.
In afwachting van de TVL-gelden, zo begrijpt de rechtbank, heeft Sandwich III aan WomFam twee betalingen verricht ter aflossing van de opeisbare schuld, namelijk een bedrag van € 300.000,00 op 31 december 2022 en een bedrag van € 20.000,00 op 3 februari 2023. De rechtbank is van oordeel dat de curator het begunstigingsoogmerk met betrekking tot de betalingen van € 300.000,00 en € 20.000,00 onvoldoende heeft onderbouwd. Het enkele feit dat er tussen partijen overleg heeft plaatsgevonden over de aflossing van de financiering en WomFam Sandwich III daarbij onder druk heeft gezet, is onvoldoende om van samenspanning te kunnen spreken. De betalingen aan WomFam zijn dan ook niet vernietigbaar op grond van artikel 47 Fw.
5.67.
Het voorgaande betekent dat de vorderingen van de curator onder 3) onder q. en t. zullen worden afgewezen voor zover deze op de pauliana zijn gegrond.
5.68.
[persoon 1] stelt – onder meer in zijn relaas – dat de omzet in de weken voorafgaand aan de betaling van de TVL-gelden behoorlijk achterbleef, waardoor hij een belangrijk deel van de TVL-gelden nodig had om de onderneming te financieren. Daarom heeft hij de druk van WomFam weerstaan en niet het gehele bedrag aan WomFam afgedragen, maar slechts een bedrag van € 330.000,00. De rest van de ontvangen TVL-gelden heeft hij gebruikt om vennootschappen uit de Sandwich-groep te betalen, zoals PTG Companies, Woclo en Perfaso, en verder de Belastingdienst, het pensioenfonds, verhuurders en reguliere handelsdebiteuren. Ter rechtvaardiging van de betaling aan de groepsvennootschappen stelt [persoon 1] dat dit leveranciers waren van goederen en diensten met lang openstaande vorderingen, die meer dan 80% van de totale schuldenlast van Sandwich III vertegenwoordigden, en dat betaling van deze crediteuren nodig was om de onderneming overeind te houden. De betalingen aan WomFam en de overige crediteuren waren dan ook gericht op de continuïteit van de onderneming. Daarbij ging hij ervan uit dat hij met WomFam nieuwe afspraken kon maken over de aflossing van de financiering, omdat uit het taxatierapport van de NTAB bleek dat de voorraad de meeste waarde had als deze via Sandwich III kon worden verkocht, zodat WomFam gebaat was bij continuïteit van de onderneming. [persoon 2] bleek daartoe echter niet bereid te zijn en liet [persoon 1] weten dat hij van plan was om de voorraad in vuistpand te nemen en de winkels de voorraad ten behoeve van WomFam te laten uitverkopen. [persoon 1] stemde daar niet mee in. Na een laatste poging op zondagochtend om een op continuïteit van Sandwich III gerichte betalingsafspraak te maken, heeft hij op zondagmiddag 12 februari 2023 besloten om eigen aangifte te doen van het faillissement van Sandwich III, aldus [persoon 1] .
5.69.
De curator acht het relaas van [persoon 1] niet geloofwaardig. Onder verwijzing naar het rapport van NTBA, de in januari en februari geregistreerde pandaktes, de ‘focus’ op de TVL-gelden en het AVA-besluit dat ondertekend is op 29 januari 2023, stelt de curator zich bij conclusie van repliek op het standpunt dat het de bedoeling van partijen was om al twee weken eerder het faillissement aan te vragen. Verder betwist de curator onder verwijzing naar een brief van WomFam aan [persoon 1] van 10 februari 2023 dat [persoon 1] in de dagen van 8 tot en met 10 februari 2023 nog een reële verwachting had met betrekking tot de continuïteit van Sandwich III. Tot slot voert de curator aan dat het overleg tussen WomFam en Sandwich III vanwege hun zeer nauwe verbondenheid weldegelijk kwalificeert als samenspanning in de zin van artikel 47 Fw. In dit verband verwijst zij naar het arrest Cikam/Siemon, waarin vanwege de nauwe verbondenheid tussen de schuldeiser en schuldenaar voorshands, behoudends tegenbewijs, werd aangenomen dat zowel bij de schuldeiser als bij de schuldenaar de bedoeling heeft voorgezeten om de schuldeiser door de betaling aan haar ten nadele van de overige schuldeisers van de schuldenaar te bevoordelen.
5.70.
Dat er sprake is van zeer nauwe verbondenheid tussen schuldeiser en schuldenaar, zoals de curator stelt, is niet gebleken. Zowel WomFam als [persoon 1] betwist dat WomFam en Sandwich III aan elkaar gelieerd zijn. Zij stellen dat WomFam of haar aandeelhouder op geen enkele wijze, direct noch indirect, als aandeelhouder en/of bestuurder verbonden is aan Sandwich III. Ook de economisch belanghebbende (UBO) van WomFam is niet dezelfde als van Sandwich III. WomFam is een vennootschap van [vader] en [persoon 1] is nooit bestuurder van WomFam geweest. Gelet hierop is er naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen enkele reden om voorshands aan te nemen dat partijen het oogmerk hadden om WomFam boven de andere schuldeisers van Sandwich III te bevoordelen.
5.71.
Dat partijen de bedoeling hebben gehad om twee weken eerder het faillissement aan te vragen is evenmin gebleken. Dat kan in ieder geval niet worden afgeleid uit het feit dat [persoon 2] , naar de curator stelt, het NTAB opdracht heeft gegeven om de voorraad te taxeren. Het NTAB heeft de voorraad op 31 december 2022 immers niet alleen op liquidatiewaarde getaxeerd maar ook op onderhandse verkoopwaarde bij gelijkblijvende bestemming en gebruik. Gezien het grote verschil in waarde tussen beide scenario’s, is de stelling van [persoon 1] dat WomFam belang had bij continuïteit van de onderneming en [persoon 1] daardoor nog de verwachting had dat WomFam bereid was om aanvullende afspraken te maken, alleszins aannemelijk. Ook uit het AVA-besluit kan de bedoeling om het faillissement eerder aan te vragen niet worden afgeleid. [persoon 1] stelt dat de datum op de tweede pagina van dat besluit een verschrijving is en de datum op de eerste pagina (12 februari 2023) de werkelijke datum is waarop het besluit is genomen. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van deze verklaring van [persoon 1] , aangezien dit strookt met de brief van WomFam van 10 februari 2023, waarin WomFam aangeeft de voorraad in vuistpand te willen nemen vanwege het feit dat Sandwich III haar verplichtingen niet nakomt. Vanaf dat moment was volgens [persoon 1] het faillissement onvermijdelijk.
5.72.
De rechtbank is van oordeel dat het handelen van [persoon 1] niet wijst op samenspanning. Niet alleen is hij de afspraak met [persoon 2] om de ontvangen TVL-gelden volledig aan WomFam af te dragen niet nagekomen, maar hij heeft de TVL-gelden ook gebruikt om verschillende schuldeisers te voldoen. Dat laatste wijst erop dat het handelen van [persoon 1] gericht was op continuïteit van de onderneming. Gesteld noch gebleken is dat ook zonder het handelen van de pandhouder het faillissement onvermijdelijk was.
5.73.
Het voorgaande betekent dat de curator onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is geweest van het oogmerk tot begunstiging, zodat de betaling aan WomFam van
€ 330.000,00 niet vernietigbaar is op grond van artikel 47 Fw en de vordering van de curator onder 3a) onder u. op die grond zal worden afgewezen.
5.74.
Dat de curator ten aanzien van het bedrag van € 650.000,00 geen beroep toekomt op de pauliana betekent echter niet zonder meer dat WomFam recht had op deze betalingen. Of WomFam recht had op voornoemde betalingen van in totaal € 650.000,00 is afhankelijk van het antwoord op de vraag of WomFam ten tijde van die betalingen nog een vordering op Sandwich III had uit hoofde van de overeengekomen vergoeding. De beslissing op de vordering van de curator tot betaling van dit bedrag aan de boedel als bedoeld onder 6.1 zal daarom worden aangehouden in afwachting van de door partijen nog te nemen (antwoord)aktes.
De betaling door [bedrijf 2] aan WomFam van € 140.000,00
5.75.
De curator stelt dat [bedrijf 2] op 9 februari 2023 een schuld aan Sandwich III van € 140.000,00 aan WomFam heeft betaald. Deze betaling is verricht nadat WomFam op 22 december 2022 aan alle gelieerde vennootschappen mededeling heeft gedaan van haar pandrecht. WomFam voert als verweer aan dat deze betaling een zelfstandige betalingsverplichting van [bedrijf 2] is in verband met een aan [bedrijf 2] verrichte financiering. Voor zover de curator meent dat dit als een betaling aan Sandwich III heeft te gelden, komt deze betaling niet toe aan Sandwich III vanwege het aan [bedrijf 2] openbaar gemaakte pandrecht, aldus WomFam.
5.76.
WomFam heeft de door haar gestelde zelfstandige betalingsverplichting van [bedrijf 2] niet onderbouwd, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat het bedrag van
€ 140.000,00 ziet op een schuld van [bedrijf 2] aan Sandwich III. Gelet op het door Sandwich III aan WomFam verstrekte pandrecht op haar vorderingen op derden, waarvan WomFam op 22 december 2022 mededeling heeft gedaan aan [bedrijf 2] , was WomFam gerechtigd deze vordering van Sandwich III op [bedrijf 2] te innen en heeft [bedrijf 2] bevrijdend aan WomFam kunnen betalen. Van onverschuldigde betaling is dan ook geen sprake.
5.77.
Of WomFam recht heeft gehad op deze betaling van € 140.000,00 is eveneens afhankelijk van het antwoord op de vraag of WomFam ten tijde van die betaling nog een vordering op Sandwich III had uit hoofde van de overeengekomen vergoeding. De beslissing op de vordering van de curator tot betaling van dit bedrag aan de boedel als bedoeld onder 6.1 zal daarom worden aangehouden in afwachting van de door partijen nog te nemen (antwoord)aktes.
De debiteurenbetalingen aan WomFam van € 31.768,20
5.78.
De curator stelt verder dat debiteuren tussen datum faillissement en 24 februari 2023 een bedrag van in totaal € 31.768,20 aan WomFam hebben betaald. Dit bedrag hoort ten goede te komen aan de boedel van Sandwich III. Nu WomFam weigert opgaaf te doen van de door haar en de eerdere pandhouders ontvangen bedragen, heeft Sandwich III recht en belang bij een vordering ex artikel 843a Rv, nu uit de boekhouding van Sandwich III niet valt op te maken welke geldstromen vanuit haar debiteuren en gelieerde vennootschappen bij de opvolgend pandhouders terecht zijn gekomen.
5.79.
WomFam betwist dat dit bedrag aan de boedel toekomt. Zij stelt zich op het standpunt dat zij een rechtsgeldig pandrecht heeft verkregen op de debiteuren van Sandwich III, zodat het bedrag van € 31.768,20 niet onverschuldigd aan haar is betaald. Met betrekking tot de vordering op grond van artikel 843a Rv voert WomFam als verweer aan dat deze vordering door de curator niet wordt gemotiveerd en door haar niet wordt gespecificeerd welke bescheiden zij zou willen ontvangen.
5.80.
Zoals overwogen in rechtsoverweging 5.53, heeft WomFam een rechtsgeldig pandrecht verkregen. Dat betekent dat zij bevoegd is de vorderingen van Sandwich III op haar (handels)debiteuren te innen, voor zover dat nodig is voor het verhaal van haar vordering op Sandwich III. Of WomFam recht heeft op het door haar geïnde bedrag van
€ 31.768,20 is afhankelijk van het antwoord op de vraag of WomFam ten tijde van die betalingen nog een vordering op Sandwich III had uit hoofde van de overeengekomen vergoeding. De beslissing op de vordering van de curator tot betaling van dit bedrag aan de boedel als bedoeld onder 6.1 zal daarom worden aangehouden in afwachting van de door partijen nog te nemen (antwoord)aktes.
5.81.
In deze procedure zal nog moeten worden vastgesteld of WomFam een vordering heeft uit hoofde van de overeengekomen vergoeding en zo ja, hoe hoog deze vordering is. Bij de vaststelling daarvan spelen de over en weer tussen Sandwich III en de financier/pandhouder betaalde bedragen een belangrijke rol. Zoals hiervoor onder het kopje ‘de vordering van WomFam’ is overwogen, mogen partijen zich hierover nog uitlaten. De rechtbank gaat ervan uit dat de door WomFam onder haar pandrecht geïnde bedragen worden meegenomen in de berekening van de (nog resterende) vordering van WomFam.
Inzagevordering van de curator
5.82.
De vordering van de curator onder 6.4, om haar op grond van artikel 843a Rv inzage te verschaffen in de boekhouding, bankafschriften en relevante bescheiden van WomFam en FEWCH om de omvang van de aanspraken van de boedel van Sandwich III vast te kunnen stellen zoals bedoeld onder 6.3, zal worden afgewezen. De curator heeft onvoldoende onderbouwd dat aan de vereiste voor toewijzing van een dergelijk verzoek is voldaan. Zo heeft de curator onvoldoende gespecificeerd in welke bescheiden zij inzage wenst. Daar komt bij dat het inzagerecht alleen uitgeoefend kan worden met betrekking tot bescheiden waarover WomFam en FEWCH beschikken. Ter zitting heeft de curator haar eis gewijzigd, waardoor de vordering onder 6.3 nu ook ziet op de bedragen die aan de rechtsvoorgangers van WomFam en FEWCH zijn voldaan. De curator heeft echter niet gesteld dat WomFam en FEWCH beschikken over de bescheiden van hun rechtsvoorgangers.
Tussenconclusie
5.83.
In afwachting van de door partijen nog te nemen (antwoord)aktes, houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan op de vordering van de curator uit hoofde van onverschuldigde betaling zoals gevorderd onder 6.1 en 6.3. De vordering onder 6.4 zal worden afgewezen.
De aanspraak van FEWCH op de gesepareerde opbrengst van € 54.000,00
5.84.
Op 31 januari 2021 heeft Sandwich III haar inventaris aan FSCP verkocht voor een bedrag van € 60.500,00 inclusief btw. Dit bedrag is overgemaakt naar Sandwich III en de inventaris is geleverd op grond van artikel 3:115 sub a BW, zo stelt WomFam c.s., zodat Sandwich III over de inventaris kon blijven beschikken. WomFam c.s. stelt dat FSCP de aan haar verpande inventaris heeft gekocht omdat Sandwich III dringend liquide middelen nodig had.
5.85.
De curator stelt dat deze koopovereenkomst nietig is wegens strijd met het fiduciaverbod van artikel 3:84 lid 3 BW en dat zij de overeenkomst primair op die grond heeft vernietigd en subsidiair op grond van de pauliana, nu de koopprijs in geen enkele verhouding staat tot de waarde van de winkelinventaris. Zij voert verder aan dat niet is gebleken van een verkoop of eigendomsoverdracht van FSCP aan FEWCH.
5.86.
Op FEWCH rust de stelplicht en, zo nodig, de bewijslast van haar stelling dat zij eigenaar is van de inventaris die bij Sandwich III in gebruik is op grond van een tussen FEWCH en Sandwich III gesloten gebruiksovereenkomst. Uit het dossier blijkt echter niet dat FSCP haar eigendomsrechten aan FEWCH heeft overgedragen. Ook ter zitting heeft WomFam c.s. desgevraagd het eigendomsrecht van FEWCH niet kunnen onderbouwen. Dat betekent dat niet is komen vast te staan dat FEWCH eigenaar is geworden van de inventaris. Zij is dan ook niet gerechtigd tot de gesepareerde opbrengst van € 54.000,00.
5.87.
Het voorgaande betekent dat de curator geen belang heeft bij de gevorderde vernietiging van de tussen FEWCH en Sandwich III gesloten gebruiksovereenkomst van
31 december 2021, zodat de vorderingen van de curator onder 3a) onder k. en zz. zullen worden afgewezen. De vordering van de curator onder 3a) onder f. zal worden afgewezen omdat deze vordering niet is ingesteld tegen de koper van de inventaris, FSCP.
De aanspraak van WomFam op de gesepareerde opbrengst van € 54.000,00
5.88.
WomFam stelt dat indien niet FEWCH maar Sandwich III eigenaar is van de inventaris, de opbrengst toekomt aan WomFam. Ter onderbouwing van haar aanspraak op de opbrengst van de inventaris doet WomFam een beroep op haar pandrecht. Zij voert daartoe aan dat zij oorspronkelijk een bezitloos pandrecht had op de inventaris van Sandwich III. Bij brief van 25 januari 2023 heeft WomFam aangegeven dat indien Sandwich III niet aan haar verplichtingen voldoet, WomFam haar pandrecht op onder meer de inventaris zou uitoefenen en in vuistpand zou nemen. Op 10 februari 2023 heeft WomFam de aan haar verpande goederen daadwerkelijk opgeëist. Het faillissement van Sandwich III dateert van 14 februari 2023. Dat betekent dat de pandhouder voor datum faillissement de verpande inventaris heeft opgeëist, voordat sprake was van een bodemrecht van de Belastingdienst, waardoor WomFam als pandhouder zich rechtstreeks kan verhalen op de opbrengst en niet hoeft mee te delen in de algemene faillissementskosten, aldus WomFam.
5.89.
De curator betwist dit en voert als verweer aan dat zo WomFam al een bezitloos pandrecht op de inventaris zou hebben gehad, zij daarvan geen melding aan de Ontvanger heeft gedaan als bedoeld in artikel 22bis lid 2 van de Invorderingswet 1990 (IW 1990). De Belastingdienst heeft ook zonder bodembeslag een bodemvoorrecht op de opbrengst van bezitloos verpande inventariszaken voor onder meer haar vordering van ruim € 3.000.000,00 uit hoofde van de onbetaald gebleven loon- en omzetbelasting, aldus de curator.
5.90.
Het bodemrecht van de fiscus, dat is neergelegd in artikel 22 lid 3 IW 1990, geeft de Ontvanger een verhaalsrecht op bepaalde roerende zaken die zich op de bodem van de belastingschuldige bevinden, ongeacht wie de eigenaar is. Ter uitoefening van dit recht kan de Belastingdienst op deze roerende zaken beslag leggen. De Ontvanger heeft ook een bodemvoorrecht, neergelegd in artikel 21 IW 1990, op grond waarvan de Belastingdienst voorrang heeft op de opbrengst van bodemzaken. Dit voorrecht gaat boven het bezitloos pandrecht van de pandhouder op bodemzaken. De Belastingdienst hoeft in geval van faillissement van de belastingschuldige geen bodembeslag te leggen om voorrang te hebben boven de pandhouder bij de verdeling van de executie-opbrengst van de bezitloos verpande zaken, zoals de curator terecht stelt. De Belastingdienst heeft echter pas recht op deze executie-opbrengst voor zover de Belastingdienst niet uit het vrije actief kan worden voldaan. De rechten van de Belastingdienst worden op grond van artikel 57 lid 3 Fw door de curator uitgeoefend. Van belang is echter dat dit bodemvoorrecht alleen geldt voor roerende zaken die aan de belastingschuldige in eigendom toebehoren.
5.91.
Uit de standpunten van partijen begrijpt de rechtbank dat zowel WomFam als de curator ervan uitgaat dat als FEWCH geen eigenaar is, Sandwich III eigenaar is van de inventaris. De curator heeft ter zitting een beroep gedaan op artikel 3:119 BW en gesteld dat Sandwich III als bezitter van de inventaris wordt vermoed rechthebbende te zijn.
5.92.
Om een beroep te kunnen doen op het wettelijk vermoeden van artikel 3:119 BW, moet Sandwich III kunnen worden aangemerkt als bezitter van de inventaris. Uit artikel 3:107 BW volgt dat voor bezit nodig is dat Sandwich III de inventaris voor zichzelf houdt. Weliswaar geeft artikel 3:109 BW een wettelijk vermoeden dat degene die een goed houdt, vermoed wordt dit voor zichzelf te houden, maar uit artikel 3:108 BW vloeit voort dat alle omstandigheden van het geval hierbij in aanmerking moeten worden genomen.
5.93.
In het onderhavige geval is van belang dat Sandwich III na de verkoop van de inventaris een gebruiksovereenkomst heeft gesloten. Daaruit volgt dat Sandwich III de inventaris niet voor zichzelf hield. Dat die overeenkomst is gesloten met FEWCH en niet met FSCP, doet daar niet aan af.
5.94.
Aangezien FSCP haar eigendomsrechten niet heeft overgedragen, is zij eigenaar gebleven van de inventaris. De curator heeft onvoldoende onderbouwd dat de koopovereenkomst van 3 januari 2021 moet worden aangemerkt als een overdracht tot zekerheid. FSCP had al een pandrecht op deze inventaris, zodat zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet duidelijk is waarom daarop nog een zekerheid zou moeten worden verkregen. Het beroep van de curator op vernietiging van de koopovereenkomst kan evenmin slagen, omdat een actio pauliana moet worden ingesteld tegen alle bij de rechtshandeling betrokken partijen en FSCP niet in deze procedure is betrokken.
5.95.
FSCP is op 1 december 2021 ontbonden. Ingevolge artikel 2:19 lid 5 BW blijft een rechtspersoon na ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is. Uit het uittrekstel uit het handelsregister blijkt dat de FSCP is opgehouden te bestaan bij gebrek aan baten als bedoeld in artikel 2:19 lid 4 BW. Nu gebleken is dat FSCP ten tijde van haar ontbinding en uitschrijving uit het handelsregister nog een bate had die op grond van art. 2:19 lid 5 BW vereffend had moeten worden, is zij blijven voortbestaan.
5.96.
Door verkoop van de inventaris aan FSCP, is het pandrecht van FSCP daarop niet komen te vervallen, omdat de op 29 april 2020 overeengekomen vergoeding voor de verpande activa nog niet volledig was betaald. Het pandrecht op de inventaris is verbonden aan de vordering uit hoofde van de groepsfinanciering. Door de diverse contractsovernemingen is uiteindelijk WomFam pandhouder geworden van de inventaris. Hoewel de inventaris op de bodem van Sandwich III rustte, heeft de Belastingdienst daarop geen bodemvoorrecht, omdat de inventaris niet aan Sandwich III in eigendom toebehoort. De Belastingdienst had wel een bodemrecht op de inventaris, maar heeft dat bodemrecht niet uitgeoefend door beslag te leggen. De inventaris is door de curator verkocht. WomFam is op grond van haar pandrecht gerechtigd tot de executie-opbrengst.
5.97.
Dit leidt tot de slotsom dat WomFam aanspraak kan maken op de gesepareerde executieopbrengst van de verkochte inventaris, wanneer komt vast te staan dat WomFam (nog) een vordering heeft op Sandwich III. In afwachting van de daarover nog door partijen te nemen (antwoord)aktes, houdt de rechtbank iedere verdere beslissing over deze aanspraak van WomFam aan. Dat betekent dat de vordering van de curator onder 4) en de vordering van WomFam in voorwaardelijke reconventie ten aanzien van de opbrengst van de inventaris worden aangehouden.
De aanspraak van WomFam op de gesepareerde opbrengst van € 756.000,00
5.98.
Zoals hiervoor is overwogen, heeft WomFam een geldig pandrecht verkregen op de voorraden van Sandwich III. Zij kan dan ook aanspraak maken op de gesepareerde executie-opbrengst van de verkochte voorraden, wanneer komt vast te staan dat WomFam (nog) een vordering heeft op Sandwich III. In afwachting van de daarover nog door partijen te nemen (antwoord)aktes, houdt de rechtbank iedere verdere beslissing over deze aanspraak van WomFam aan. Dat betekent dat de vordering van de curator onder 4) en de vordering van WomFam in voorwaardelijke reconventie ten aanzien van de opbrengst van de voorraden worden aangehouden.
De vordering op SF Group
5.99.
De curator stelt dat uit interne administratie van Sandwich III volgt dat Sandwich III een aanzienlijke rekening-courantvordering op SF Group heeft van € 1.896.500,00. [partijen 1 en 2] en WomFam c.s. betwisten dit. Zij voeren daartoe aan dat Sandwich III de betalingen aan de financier uit hoofde van de overeengekomen vergoeding verrichtte op de bankrekening van SF Group, zodat Sandwich III deze bedragen weer kon gebruiken als werkkapitaal. Partijen zijn overeengekomen dat op deze wijze krediet aan Sandwich III werd verleend. Voor dit krediet heeft Sandwich III pandrechten aan FSCP, en later – via [vader] en FEWCH – WomFam verleend.
5.100. De curator heeft deze door [partijen 1 en 2] en WomFam c.s. gestelde rechtsgrond voor de betalingen aan SF Group onvoldoende betwist, zodat de rechtbank van de juistheid daarvan uitgaat. Dat betekent dat de vordering van de curator onder 5) zal worden afgewezen.
De vordering op PTG Companies
5.101. De curator stelt dat Sandwich III in de aanloop naar het faillissement aan verschillende gelieerde vennootschappen betalingen heeft verricht, waaronder op 8 februari 2023 een bedrag van € 79.343,85 aan PTG Companies. Bij dagvaarding heeft de curator deze betaling primair vernietigd op grond van artikel 42 Fw en subsidiair op grond van artikel 47 Fw. Volgens de curator is uit de administratie van Sandwich III niet gebleken dat zij enige schuld had aan PTG Companies. Ook uit de bij het faillissementsrekest gevoegde crediteurenlijst volgt dat er tot die datum, 8 februari 2023, geen vordering van PTG Companies op Sandwich III in de administratie stond. De curator stelt zich dan ook op het standpunt dat deze betaling onverplicht en om niet is verricht door Sandwich III. Door deze betaling zijn de overige crediteuren benadeeld. Bovendien is [persoon 1] zowel (indirect) bestuurder van Sandwich III als van PTG Companies, zodat wetenschap van benadeling gegeven is op grond van artikel 45 Fw, aldus de curator.
5.102. PTG Companies betwist dat het bedrag van € 79.343,85 onverschuldigd is betaald. Met deze betaling is de factuur voldaan van 26 januari 2023. Deze factuur ziet op het importeren van een partij kleding ten behoeve van Sandwich III in april 2020. Daar heeft PTG Companies destijds geen factuur voor gestuurd. In 2022 heeft de Belastingdienst het standpunt ingenomen dat de manier waarop de importdiensten in de btw-aangifte van PTG Companies waren verwerkt niet juist was. Na een lange correspondentie hierover met de Belastingdienst, heeft de heer [persoon 5] op 23 januari 2023 telefonisch met mevrouw [persoon 6] van de Belastingdienst besproken dat er alsnog voor het importeren gefactureerd zou worden. Ondanks de betalingstermijn op deze factuur van 30 dagen was deze al opeisbaar, aangezien de kleding al bijna drie jaar daarvoor was geïmporteerd, aldus PTG Companies.
5.103. Als onvoldoende weersproken staat vast dat PTG Companies bij de start van Sandwich III de zogenaamde ‘varende voorraad’ voor Sandwich III heeft ingevoerd. Uit de door PTG Companies overgelegde correspondentie blijkt dat PTG Companies in 2020 per abuis hiervoor geen factuur aan Sandwich III heeft gestuurd. Deze omissie is in overleg met de Belastingdienst in 2023 hersteld. Nu de betaling van € 79.343,85 ziet op de voldoening van de alsnog door PTG Companies aan Sandwich III toegestuurde factuur is er geen sprake van een onverplichte rechtshandeling, zodat een beroep op artikel 42 Fw niet kan slagen. Voor wat betreft het beroep op artikel 47 Fw geldt dat op 8 februari 2023, de dag van betaling, het faillissement van Sandwich III nog niet was aangevraagd. In dit verband verwijst de rechtbank naar hetgeen in rechtsoverweging 5.71 over de datum van het AVA-besluit is overwogen. Vernietiging op grond van artikel 47 Fw is dan ook alleen mogelijk als er sprake is geweest van samenspanning. In dit verband heeft de curator aangevoerd dat [persoon 1] zowel de bestuurder was van Sandwich III als van PTG Companies. De rechtbank is van oordeel dat hoewel voor toerekening van het oogmerk meer aanleiding bestaat indien beide partijen worden vertegenwoordigd door dezelfde natuurlijke persoon, ook naar de andere omstandigheden van het geval moet worden gekeken. Zoals in rechtsoverweging 5.72 al is overwogen, heeft Sandwich III in deze periode ook nog andere schuldeisers betaald en was haar handelen gericht op continuïteit van de onderneming. Onder deze omstandigheden is er geen reden om aan te nemen dat er sprake is geweest van overleg tussen Sandwich III en PTG Companies met het oogmerk om PTG Companies boven andere schuldeisers te bevoordelen.
5.104. Het voorgaande betekent dat de vordering van de curator onder 6.2 tot betaling van het bedrag van € 79.343,85 zal worden afgewezen als ook de vordering onder 3a) onder v tot vernietiging van de betaling op grond van de pauliana.
Tegenstrijdig belang
5.105. Zoals hiervoor is overwogen, zijn de diverse door [persoon 1] namens Sandwich III verrichte rechtshandelingen niet vernietigbaar op grond van de pauliana. Naast de artikelen 42 en 47 Fw heeft de curator nog een derde grondslag aangevoerd om tot nietigheid dan wel vernietigbaarheid van de rechtshandelingen te komen. Zo stelt zij dat [persoon 1] in verschillende hoedanigheden is opgetreden en dat voor hem kenbaar was dat er een tegenstrijdig belang bestond. Volgens de statuten van Sandwich III had hij niet mogen deelnemen aan de beraadslaging en besluitvorming. Er was steeds een besluit van de AVA van Sandwich III vereist. Het bestaan van dergelijke besluiten is niet gebleken. Daardoor zijn er volgens de curator, gelet op de artikelen 2:14 en 2:15 BW, geen rechtsgeldige besluiten genomen om Sandwich III te binden aan de betreffende overeenkomsten.
5.106. [persoon 1] betwist dat er sprake is geweest van tegenstrijdig belang. Hij voert daartoe aan dat [persoon 2] tot en met de ontbinding van FSCP 100% UBO is geweest van FSCP. In de periode dat Sandwich III contracteerde met FSCP in het kader van de financiering was [persoon 1] alleen bestuurder van FSCP. Hij had daarin geen financieel belang. Bij de onderhandelingen en gesprekken met FSCP zat [persoon 1] aan tafel met [persoon 2] en bij de besluitvorming over de financiering van Sandwich III heeft [persoon 1] zich als bestuurder van FSCP verschoond, vanwege zijn financiële belang in Sandwich III. Bij het aangaan van de financieringsovereenkomsten heeft [persoon 1] voor FSCP alleen de externe vertegenwoordigingshandelingen bij het ondertekenen van de akte vervuld. De onderhandeling en besluitvorming zijdens FSCP gebeurde door haar (middellijk) aandeelhouder [persoon 2] . FSCP heeft haar financiële belangen ten aanzien van de financiering van Sandwich III op enig moment verkocht en overgedragen aan [vader] Dat is de aanleiding geweest tot verschillende contractovernames c.q. cessies van vorderingen naar [vader] in privé dan wel vennootschappen waarvan hij UBO was. Bij geen van de overeenkomsten van Sandwich III die de curator vernietigd wil zien had [persoon 1] een financieel belang in de wederpartij van Sandwich III. [persoon 1] voert verder aan dat voor zover er al een tegenstrijdig belang zou zijn, dit niet de nietigheid van de verrichte (externe) rechtshandeling tot gevolg heeft.
5.107. Artikel 2:239 lid 6 BW bepaalt dat een bestuurder niet deelneemt aan de beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Volgens jurisprudentie van de Hoge Raad kan de vraag of een tegenstrijdig belang bestaat slechts worden beantwoord met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval. Niet volstaan kan worden met het aanvoeren van de enkele mogelijkheid van een tegenstrijdig belang. Aangetoond moet worden dat daadwerkelijk sprake is van zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of de bestuurder zich bij zijn handelen uitsluitend heeft laten leiden door het belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming.
5.108. In het licht van het verweer van [persoon 1] , is de rechtbank van oordeel dat de curator onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van tegenstrijdig belang. Zo heeft de curator niet per rechtshandeling toegelicht of [persoon 1] een direct of indirect persoonlijk belang heeft bij het besluit en evenmin op grond waarvan moet worden vastgesteld dat dat persoonlijk belang zodanig tegenstrijdig is met het belang van Sandwich III dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of [persoon 1] zich bij zijn handelen uitsluitend heeft laten leiden door het belang van Sandwich III. Maar ook indien sprake zou zijn geweest van tegenstrijdig belang, dan stelt [persoon 1] zich terecht op het standpunt dat dit geen gevolgen heeft voor de door hem als bestuurder van Sandwich III verrichte rechtshandelingen. Artikel 2:239 lid 6 BW is immers een besluitvormingsregel en geen vertegenwoordigingsregel. Dat betekent dat deze bepaling alleen interne werking heeft en kan leiden tot nietigheid of vernietiging van besluiten die genomen zijn in strijd met deze bepaling, en geen externe werking, zodat aantasting van het besluit geen gevolgen heeft voor de op dat besluit gebaseerde rechtshandeling met derden. Dat er geen rechtsgeldig besluit van Sandwich III ten grondslag ligt aan de rechtshandelingen die [persoon 1] namens Sandwich III heeft verricht, kan dan ook niet tot nietigheid of vernietigbaarheid van deze rechtshandelingen leiden.
5.109. De conclusie is dan ook dat de vordering van de curator onder 3a) ook op de derde grond zal worden afgewezen.
Onrechtmatig handelen
5.110. Voor het eerst bij conclusie van repliek noemt de curator de in de dagvaarding genoemde transacties tussen [partijen 1 en 2] en WomFam c.s. schijnhandelingen. Volgens de curator leiden deze schijnhandelingen, althans het samenstel van deze rechtshandelingen tussen de gelieerde vennootschappen, al dan niet in combinatie met selectieve betalingen aan gelieerde vennootschappen, tot het stelselmatig leeghalen van Sandwich III ten koste van externe schuldeisers. Dit kwalificeert als onrechtmatig handelen. Alle betrokken gedaagden zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die Sandwich III daardoor heeft geleden, omdat alle betrokken gedaagden wisten of behoorden te begrijpen dat het bedoelde samenstel van rechtshandelingen zou leiden tot c.q. het gevaar schiep van benadeling van (externe crediteuren van) Sandwich III. Deze schade bestaat enerzijds uit de bedragen die ten onrechte aan gedaagden ten goede zijn gekomen en in het vermogen van Sandwich III thuishoren en anderzijds uit bedragen die nog aan Sandwich III ten goede behoren te komen, waaronder de gesepareerde bedragen van in totaal € 810.000,00, de (voorschot)betaling van Otrium van € 150.000,00, en de betaling van Pay.nl van
€ 175.185,93. In totaal is dat een bedrag van € 1.135.185,93, aldus de curator.
5.111. [partijen 1 en 2] en WomFam c.s. hebben de stellingen van de curator gemotiveerd betwist. Deze betwisting komt er – kort gezegd – op neer dat de curator haar vordering onvoldoende heeft onderbouwd.
5.112. De rechtbank kan de curator niet volgen in haar redenering dat het geheel van transacties ‘dusdanig vreemd [is] in het kader van een normale bedrijfsuitoefening dat geoordeeld moet worden dat sprake is van schijnhandelingen’. Het is niet ongebruikelijk om een onderneming vanuit een faillissement door te starten door de activa uit dat faillissement te kopen. Evenmin is het ongebruikelijk om daarbij de rechten van derden op die activa te respecteren en daarover afspraken te maken. Ook is het niet ongebruikelijk om met dezelfde financier/pandhouder afspraken te maken over verdere financiering van de onderneming en daarvoor pandrechten te verlenen. Dat de bij Sandwich III betrokken natuurlijke personen dezelfde personen zijn die ook bij de eerdere ondernemingen van Sandwich betrokken zijn geweest, maken de transacties nog geen verdachte transacties. Van het stelselmatig leeghalen van failliet ten koste van externe schuldeisers, zoals de curator stelt, is de rechtbank niet gebleken.
5.113. De rechtbank heeft daarnaast het beroep van de curator op vernietiging van een groot aantal rechtshandelingen afgewezen. Hieruit volgt al dat deze rechtshandelingen niet kunnen worden aangemerkt als schijnhandelingen. Daarvan uitgaande, heeft de curator onvoldoende onderbouwd op grond waarvan het samenstel van deze rechtshandelingen zou moeten kwalificeren als onrechtmatig handelen. De curator heeft verder niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat aan de vereisten voor een beroep op onrechtmatige daad is voldaan.
5.114. Gelet op het voorgaande is de rechtbank met gedaagden van oordeel dat de curator haar vordering onder 3b) onvoldoende heeft onderbouwd. Deze vordering wordt dan ook afgewezen.
Onbehoorlijk bestuur en het bestuursverbod
5.115. In afwachting van de door partijen nog te nemen (antwoord)aktes houdt de rechtbank ook de beslissing aan op de vorderingen van de curator uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid, zoals is gevorderd onder 1) en 2).
Artikel 21 Rv
5.116. [partijen 1 en 2] , SF Group en PTG Companies doen een beroep op artikel 21 Rv. Zij voeren daartoe aan dat de processtukken van de curator vele feitelijke onjuistheden bevatten waarvan de curator bij het opstellen van de processtukken wist, of behoorde te weten, dat deze onjuist zijn. Daar komt bij dat de curator in sommige producties in strijd met het procesreglement markeringen heeft aangebracht die erop gericht zijn om de aandacht af te leiden van relevante – voor [persoon 1] ontlastende – andere passages. Daarnaast bevatten de processtukken diverse juridische onvolkomenheden, waardoor het lastig is om een gestructureerd verweer te voeren. Zo maakt de curator in haar processtukken niet duidelijk welke delen van haar processtukken betrekking hebben op welke vorderingen tegenover welke gedaagden, zodat zij op zoek moeten gaan naar stellingen die mogelijk van belang zouden kunnen zijn voor de vorderingen die jegens hen zijn ingesteld. Verder vragen zij aandacht voor de lichtvaardigheid waarmee de curator in haar processtukken beschuldigingen uit van vervalsing en antedatering van documenten door gedaagden. Door de onoverzichtelijke structuur van de vorderingen en processtukken en het naar voren brengen van talrijke feitelijke onwaarheden worden gedaagden geschaad in hun verweer en op hoge onnodige kosten gejaagd. Om die reden verzoeken gedaagden de rechtbank om de vorderingen van de curator zonder verdere gelegenheid tot aanvulling of bewijslevering af te wijzen en om de curator in de volledige proceskosten van gedaagden te veroordelen.
5.117. De curator heeft op dit beroep van [partijen 1 en 2] , SF Group en PTG Companies op artikel 21 Rv nog niet kunnen reageren. De curator zal in het kader van hoor en wederhoor in de gelegenheid wordt gesteld om hierop te reageren in de door haar nog te nemen akte. In de tussentijd zal iedere verdere beslissing hierover worden aangehouden.
Samenvatting
5.118. Het vorenoverwogene leidt met betrekking tot de vorderingen over en weer tot de volgende stand van zaken:
– in conventie zullen de vorderingen onder 3a), 3b), 5), 6.2) en 6.4) worden afgewezen en de vorderingen onder 1), 2), 4), 6.1) en 6.3) worden aangehouden;
– in het incident van WomFam wordt de vordering toegewezen;
– in voorwaardelijke reconventie van WomFam c.s. zullen de vorderingen worden aangehouden;
– in het incident ex artikel 223 Rv van WomFam wordt de vordering afgewezen.
5.119. De curator zal als de in het incident van WomFam in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van WomFam in het incident. De kosten van WomFam worden begroot op:
- salaris advocaat € 653,00 (1 punt × tarief II)
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 842,00
5.120. WomFam zal als de in het incident ex artikel 223 Rv in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de curator in het incident. De kosten van de curator worden begroot op:
- salaris advocaat € 653,00 (1 punt × tarief II)
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 842,00
De kosten van [partijen 1 en 2] worden begroot op nihil, aangezien de door [partijen 1 en 2] genomen akte niet meer dan een referte inhoudt.
5.121. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden in afwachting van het resultaat van de door partijen nog te nemen (antwoord)aktes.
6De beslissing
De rechtbank
in conventie
6.1.
verwijst de zaak naar de rol van 15 april 2026 voor akte uitlating aan de zijde van WomFam als bedoeld in rechtsoverweging 5.62,
6.2.
houdt iedere verdere beslissing aan,
in het incident van WomFam
6.3.
veroordeelt de curator tot openlegging van de administratie van Sandwich Fashion Company B.V. zoals deze werd gehouden in Vertilinq, binnen twee weken na datum vonnis,
6.4.
veroordeelt de curator in de proceskosten van WomFam van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de curator niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
6.5.
verklaart dit vonnis in het incident uitvoerbaar bij voorraad,
in voorwaardelijke reconventie
6.6.
houdt iedere verdere beslissing aan,
in het incident ex artikel 223 Rv
6.7.
wijst de vordering af,
6.8.
veroordeelt WomFam in de proceskosten van de curator van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als WomFam niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
6.9.
verklaart de kostenveroordeling in dit incident uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Hermans, mr. Goedegebuur en mr. Vogelzang en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.
productie 33 dagvaarding
productie 9 dagvaarding
productie 11 dagvaarding
productie 44 dagvaarding
productie 45 dagvaarding
productie 7 conclusie van antwoord WomFam c.s.
productie 25 conclusie van dupliek WomFam c.s.
productie 55 dagvaarding
productie 56 dagvaarding
productie 73 dagvaarding
productie 60 dagvaarding
productie 97 dagvaarding
productie 102 dagvaarding
productie 62 dagvaarding
productie 63 dagvaarding
productie 74 dagvaarding
productie 61 dagvaarding
productie 81 dagvaarding
productie 46 dagvaarding
productie 11 conclusie van antwoord WomFam c.s.
productie 68 dagvaarding
productie 51 dagvaarding
productie 69 dagvaarding
productie 52 dagvaarding
producties 50 en 75 dagvaarding
productie 57 dagvaarding
productie 77 dagvaarding
productie 18 conclusie van antwoord WomFam c.s.
Productie 79 dagvaarding
productie 81 dagvaarding
Productie 80 dagvaarding
productie 53 dagvaarding
productie 70 dagvaarding
Productie 71 dagvaarding
productie 47 dagvaarding
productie 27 dagvaarding
productie 29 dagvaarding
productie 90 dagvaarding
productie 91 dagvaarding
productie 93 dagvaarding
productie 92 dagvaarding
productie 55 dagvaarding
productie 56 dagvaarding
productie 73 dagvaarding
productie 60 dagvaarding
productie 97 dagvaarding en productie 101 conclusie van repliek
productie 74 dagvaarding
productie 61 dagvaarding
productie 102 conclusie van repliek in conventie
productie 46 dagvaarding
productie 68 dagvaarding
productie 69 dagvaarding
productie 52 dagvaarding
productie 50 en 75 dagvaarding
productie 79 dagvaarding
productie 77 dagvaarding
productie 79 dagvaarding
productie 79 dagvaarding
productie 79 dagvaarding
producties 80 en 81 dagvaarding
productie 102 conclusie van repliek in conventie
randnummer 15 conclusie van repliek in conventie en randnummer 66 conclusie van dupliek WomFam c.s.
productie 25 conclusie van dupliek WomFam c.s.
productie 72 dagvaarding
productie 45 dagvaarding
pagina 48 conclusie van repliek in conventie
productie 55 dagvaarding
vgl. Hoge Raad 24 maart 1995, NJ 1995/628, m.nt. [naam 1] ( [naam 2] q.q./IFN); Hoge Raad 20 november 1998, «JOR» 1999/19, m.nt. [persoon 3] ( [naam 3] q.q.).
randnummer 41 conclusie van dupliek WomFam c.s.
productie 46 dagvaarding
productie 64 dagvaarding
randnummer 5.32 dagvaarding
productie 67 dagvaarding
productie 56 dagvaarding
zie pagina 4 van zijn relaas, productie 1 conclusie van antwoord [partijen 1 en 2]
productie 59 dagvaarding
randnummer 5.14 dagvaarding
productie 47 dagvaarding
randnummer 10.3 conclusie van repliek
productie 60 dagvaarding
productie 61 dagvaarding
randnummer 5.24 dagvaarding
productie 73 dagvaarding
artikel 6:159 BW jo artikel 6:157 BW
productie 74 dagvaarding
productie 52 dagvaarding
productie 25 conclusie van dupliek WomFam c.s.
randnummer 36 conclusie van dupliek WomFam c.s.
Rechtbank [plaats] , 26 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3796
Hoge Raad 12 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1897
productie 162 akte in het geding brengen nadere producties curator
Hoge Raad 12 juni 2002, JOR 2002, 180 Rabobank/mr. Knol q.q.
randnummer 116 conclusie van antwoord WomFam c.s.
zie productie 9 conclusie van antwoord [partijen 1 en 2]
productie 77 dagvaarding
productie 80 dagvaarding
productie 81 dagvaarding
productie 23 conclusie van antwoord WomFam c.s.
producties 27 en 29 conclusie van dupliek WomFam c.s.
productie 28 conclusie van dupliek WomFam c.s.
randnummer 50 conclusie van dupliek WomFam c.s. en pagina 4 van de toelichting van [persoon 1] , productie 28 conclusie van dupliek WomFam c.s.
randnummer 53 conclusie van dupliek WomFam c.s.
productie 72 dagvaarding
bijlage 7 bij het relaas van [persoon 1] , productie 1 conclusie van antwoord [partijen 1 en 2]
productie 1 conclusie van antwoord [partijen 1 en 2]
productie 18 conclusie van antwoord [partijen 1 en 2]
productie 57 dagvaarding
productie 123 conclusie van repliek in conventie
Hoge Raad 7 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF1881
productie 72 dagvaarding
productie 52 dagvaarding
productie 24 conclusie van dupliek WomFam c.s.
productie 106 conclusie van repliek in conventie
productie 21 conclusie van antwoord WomFam c.s.
productie 23 conclusie van antwoord WomFam c.s.
productie 16 dagvaarding
randnummer 4.65 en 4.66 dagvaarding
productie 33 dagvaarding
productie 20 conclusie van antwoord [partijen 1 en 2]
productie 19 conclusie van antwoord [partijen 1 en 2]
Hoge Raad 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0033 ( [naam 4] )
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/416590 / HA ZA 23-632
Vonnis van 18 februari 2026
in de zaak van
MR. MARIA CORNELIA JOHANNA OONK-PALLANDT in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van SANDWICH FASHION COMPANY B.V.,
te Breda,
eisende partij in conventie,
gedaagde partij in voorwaardelijke reconventie,
gedaagde partij in de (voorwaardelijke) incidenten,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. S.E.L. van Kerkhof,
tegen
1 [persoon 1] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [persoon 1] ,
advocaat: mr. I.F.M. Lakwijk,2. MANFORT B.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Manfort,
advocaat: mr. I.F.M. Lakwijk,3. WOMFAM B.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in voorwaardelijke reconventie,
eisende partij in de (voorwaardelijke) incidenten,
hierna te noemen: WomFam,
advocaat: mr. J.A. van der Meer,4. FEWCH B.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in voorwaardelijke reconventie,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: FEWCH,
advocaat: mr. J.A. van der Meer,5. SF GROUP B.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: SF Group,
advocaat: mr. I.F.M. Lakwijk,6. PTG COMPANIES B.V.,
te Breda,
gedaagde partij,
hierna te noemen: PTG Companies,
advocaat: mr. I.F.M. Lakwijk,
partijen 1 en 2 hierna samen te noemen: [partijen 1 en 2] ,
partijen 3 en 4 hierna samen te noemen: WomFam c.s.
1De zaak in het kort
1.1.
Sandwich Fashion Company B.V. is de derde doorstart van de Nederlandse tak van het Sandwich Concern. In de kern gaat het in deze zaak om de vraag (1) of [partijen 1 en 2] aansprakelijk is wegens onbehoorlijk bestuur, (2) of Sandwich Fashion Company B.V. betalingen heeft verricht aan WomFam en PTG Companies die vernietigd kunnen worden en terugvloeien in de boedel, (3) of Sandwich Fashion Company B.V. een vordering heeft op SF Group en (4) of WomFam en FEWCH aanspraak kunnen maken op de executie-opbrengst van de voorraden en inventaris. Deze opbrengst staat geparkeerd op de derdengeldrekening van het advocatenkantoor van de curator (de gesepareerde opbrengst). Met betrekking tot de vorderingen jegens WomFam speelt de vraag of WomFam ten tijde van het faillissement een vordering had op Sandwich III en of daarvoor pandrechten zijn verleend, zodat WomFam ook aanspraak kan maken op de na datum faillissement geïnde en nog te innen debiteuren van Sandwich Fashion Company B.V.
1.2.
De rechtbank is van oordeel dat de betaling aan PTG Companies niet vernietigd kan worden en niet terugvloeit in de boedel, (3) dat Sandwich Fashion Company B.V. geen vordering heeft op SF Group en (4) dat FEWCH geen aanspraak kan maken op de executie-opbrengst van de inventaris. De beslissing over (1) de bestuurdersaansprakelijkheid van [persoon 1] (2) de vernietigbaarheid van de betalingen aan WomFam en (4) de aanspraak van WomFam op de executie-opbrengst van de voorraden en inventaris wordt aangehouden. Daarvoor is nadere informatie van partijen nodig.
1.3.
De beslissing van de rechtbank wordt hierna onder ‘De beoordeling’ uitgelegd. Eerst worden het verloop van de procedure, de feiten, de vorderingen en de verweren daartegen, geschetst. Onder het laatste kopje is de beslissing van de rechtbank te lezen.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het tussenvonnis van 26 maart 2025 en de daarin genoemde stukken, waarbij wordt opgemerkt dat van de conclusie van dupliek in (voorwaardelijke) reconventie van de curator de delen 1, 2, 3 en 5 door de rechtbank zijn geweigerd en geen onderdeel uitmaken van het procesdossier;
– de akte in het geding brengen van nadere producties van de curator met producties 150 tot en met 165;
– de akte overleggen producties van [partijen 1 en 2] , SF Group en PTG Companies met producties 43 tot en met 44b,
– het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 13 november 2025, met daaraan gehecht de brieven van mr. Lakwijk en mr. Oonk-Pallandt.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
3.1.
Bij vonnis van 14 februari 2023 is Sandwich Fashion Company B.V. (hierna: Sandwich III) op eigen aangifte failliet verklaard met benoeming van mr. Oonk-Pallandt tot curator.
3.2.
Manfort is sinds 13 november 2020 enig bestuurder van Sandwich III. [persoon 1] is sinds 31 augustus 2020 enig bestuurder van Manfort. Daarnaast is [persoon 1] ook bestuurder van de zustervennootschap van Sandwich III, PTG Companies. [persoon 1] (die 1% van de aandelen houdt in SF Group) is via STAK SMJDK (die 99% van de aandelen houdt in SF Group), SF Group, Stichting FFN (die de aandelen houdt in FF10 B.V.) en FF10 B.V. de economisch gerechtigde van Sandwich III en PTG Companies.
3.3.
Sandwich III exploiteerde het damesmodemerk Sandwich via 16 fysieke winkels verspreid over Nederland, haar eigen online webshop en via de online outletwinkel van Otrium B.V. Het merk Sandwich is begin jaren ’80 opgericht door [vader] (hierna: [vader] ) en zijn zoon [zoon] . Het merk Sandwich was onderdeel van de [groep] dat bestond uit een wereldwijde groep van vennootschappen met productielocaties in China, de inkoopkantoren in Hongkong Woclo Trading Hong Kong Ltd. (hierna: Woclo) en Perfaso Hong Kong Ltd. (hierna: Perfaso) en diverse verkoopvennootschappen, waaronder [bedrijf 1] Ltd. (hierna: [bedrijf 1] ) in Engeland en [bedrijf 2] N.V. (hierna: [bedrijf 2] ) in België. De activiteiten van Sandwich omvatten het hele proces van het eerste ontwerp van een kledingstuk, de productie, de export en import, opslag en logistiek, tot en met de marketing en de verkoop in de winkels. Verschillende onderdelen van de bedrijfsactiviteiten zijn in verschillende concernvennootschappen ondergebracht. De onderlinge entiteiten zijn als groep afhankelijk van elkaar vanwege de onderlinge verbondenheid door middel van de inkoop- en verkoopkantoren en vanwege de merkrechten waarvan de Sandwich-entiteiten op grond van licentieovereenkomsten gebruik mogen maken. Het geheel aan entiteiten wordt hierna het Sandwich Concern genoemd.
3.4.
De merkrechten waren in handen van FEWCH. [persoon 1] was tot 18 juli 2022 bestuurder van deze vennootschap. Die functie is daarna vervuld door [vader]
3.5.
Sandwich III is de tweede doorstart van de Nederlandse tak van het Sandwich Concern (hierna: Sandwich I), die op 26 november 2019 failliet is verklaard. Het Sandwich Concern werd gefinancierd via een groepsfinanciering die oorspronkelijk dateert uit mei 2009. In 2015 zijn FinFort Succes B.V. (hierna: FinFort) en FSCP B.V. (hierna: FSCP) toegetreden tot deze groepsfinanciering. [persoon 1] en de heer [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ) waren via FinFort en FSCP bij het Sandwich Concern betrokken. [persoon 1] is vanaf 30 december 2015 bestuurder geweest van FSCP.
3.6.
Na bestudering van de door de financiers aangeleverde informatie zijn de curatoren van Sandwich I in hun faillissementsverslag van 3 oktober 2022 tot de conclusie gekomen dat ten tijde van het faillissement van Sandwich I de vordering van FinFort uit hoofde van de groepsfinanciering meer van € 5.000.000,00 beliep en de vordering van FSCP meer dan € 300.000,00. Naast deze financiering had FinFort in december 2018 nog een herfinanciering verstrekt van € 2.375.000,00. Voor beide financieringen zijn door Sandwich I zekerheden verstrekt, waaronder pandrechten op voorraden en vorderingen. Volgens het faillissementsverslag zijn met name de zekerheden verstrekt door Sandwich I voor de geldlening uit mei 2009 niet aan te tasten, waarmee vooralsnog vaststaat dat de zekerheden rechtsgeldig tot stand zijn gekomen. Voor zover bekend heeft Sandwich I niet direct getrokken onder deze werkkapitaalfinanciering uit (oorspronkelijk) mei 2009, aldus de curatoren van Sandwich I.
3.7.
[persoon 1] heeft via SF Group op 8 december 2019 de activa van Sandwich I gekocht voor een koopsom van in totaal € 1.870.000,00 en de onderneming van Sandwich I doorgestart, maar heeft al kort daarna het faillissement van Sandwich II moeten aanvragen. Sandwich II is op 7 april 2020 failliet verklaard.
3.8.
De curator van Sandwich II heeft in het faillissementsverslag van 6 juli 2023 onder 5.4 opgenomen dat er geen indicaties zijn dat de pandrechten op de voorraden, inventaris en (externe) debiteuren niet rechtsgeldig tot stand zouden zijn gekomen of paulianeus zijn gevestigd. De curator stelt zich vooralsnog op het standpunt dat de verpanding van de bankrekeningen en intercompany-vorderingen niet rechtsgeldig tot stand is gekomen.
3.9.
Bij koopovereenkomst van 22 april 2020 heeft [persoon 1] via zijn vennootschap PTG Consultancy B.V. (later genaamd Sandwich Fashion Company B.V.) de activa uit de boedel van Sandwich II gekocht voor een tweede doorstart van de onderneming. Sandwich III heeft een koopsom van in totaal € 100.000,00 betaald, waarvan € 65.000,00 voor de voorraden, inventaris en vorderingen. In de considerans van de koopovereenkomst is onder I. opgenomen dat een deel van de activa van Sandwich II, waaronder de voorraad, inventaris en vorderingen, is verpand aan FSCP in verband met de door FSCP en FinFort verstrekte leningen. Verder staat er dat alle overeenkomsten tussen FinFort en Sandwich II op 2 april 2020 zijn overgedragen aan FSCP, waarbij ook alle vorderingen van FinFort op Sandwich II aan FSCP zijn gecedeerd. De curator heeft onder J. in de considerans erkend dat het pandrecht rechtsgeldig is gevestigd en strekt tot zekerheid van de vorderingen die FSCP heeft op Sandwich II “als gesteld in de door de Pandhouder aangeleverde documentatie” en dat de vestiging van de betreffende pandrechten niet door hem kan worden vernietigd met een beroep op de pauliana. In de overeenkomst is ook opgenomen: “Deze erkenning en bevestiging omvat uitdrukkelijk niet een (vermeend) pandrecht op bankrekeningen en intercompany vorderingen van de Vennootschap op een andere Vennootschap.”In artikel 3.3.1 van de koopovereenkomst is vastgelegd dat partijen in een separate overeenkomst afspraken maken over de afwikkeling van de pandrechten van FSCP op de door Sandwich III overgenomen activa.
3.10.
Op 20 april 2020, twee dagen voor de tweede doorstart, heeft Sandwich III zich onder haar oude naam PTG Consultancy B.V. hoofdelijk verbonden voor de groepsfinanciering uit (oorspronkelijk) mei 2009.
3.11.
Op 20 april 2020 heeft FSCP aan PTG Consultancy B.V. en PTG Companies een kortlopende geldlening verstrekt van € 1.100.000,00 ter financiering van de overname van de activa uit het faillissement van Sandwich II, met een looptijd tot 31 december 2021.
3.12.
Bij Omnibus Deed of Pledge d.d. 20 april 2020 hebben PTG Consultancy B.V. en PTG Companies aan FSCP een pandrecht verleend, onder meer ter zekerheid voor de terugbetaling van het door FSCP verleende krediet van € 1.100.000,00.
3.13.
Op 29 april 2020 hebben FSCP als pandhouder van de verkochte activa en Sandwich III als koper van die activa een overeenkomst gesloten, waarin partijen afspraken hebben gemaakt over de afwikkeling van de pandrechten van FSCP, zoals bedoeld in de koopovereenkomst van 22 april 2020. [persoon 1] heeft de overeenkomst namens beide partijen getekend. Partijen zijn overeengekomen dat de pandhouder afstand doet van haar zekerheidsrechten op de activa onder de opschortende voorwaarde van volledige betaling van de vergoeding als bepaald in artikel 1.2. Deze vergoeding bestaat uit de opbrengst onder aftrek van gemaakte kosten tot en met 31 december 2022. In artikel 1.2. zijn partijen overeengekomen dat FSCP zich het recht voorbehoudt om de definitie van de vergoeding en de procedure voor controle van de juistheid van de vergoeding zes weken na dagtekening van deze overeenkomst nader te duiden. In artikel 1.3. zijn partijen overeengekomen dat voor zover Sandwich III financiering heeft gekregen van FSCP voor haar bedrijfsvoering, de vergoeding zal worden verrekend met de verplichting van FSCP om gelden beschikbaar te stellen op grond van een dergelijke financiering.
3.14.
Op 18 mei 2020 hebben FSCP en Sandwich III een aanvullende overeenkomst gesloten waarin artikel 1.2 van de overeenkomst van 29 april 2020 is vervangen. Ook deze overeenkomst is door [persoon 1] namens beide partijen getekend. Volgens het nieuwe artikel 1.2 betaalt Sandwich III uiterlijk op de laatste werkdag van iedere maand aan FSCP de opbrengst, onder aftrek van gemaakte kosten tot en met 31 december 2022. Onder ‘opbrengst onder aftrek van gemaakte kosten’ wordt door partijen verstaan: de ontvangen gelden van (het incasseren van) bestaande debiteuren, de verkopen van inventaris, (varende) voorraden te vermeerderen met de opbrengst van (nieuw te ontwerpen) collecties, onder aftrek van in redelijkheid te maken kosten die Sandwich III hiervoor dient te maken. Ook dient Sandwich III verplicht gebruik te maken van alle mogelijke steunmaatregelen van de overheid in verband met Covid-19. Voor het overige blijft de overeenkomst van 29 april 2020 volledig in stand.
3.15.
Op 2 september 2020 heeft Sandwich III een Omnibus Deed of Pledge getekend, waarbij een aantal vennootschappen van het Sandwich Concern, waaronder Sandwich III, zich als pandgever heeft verbonden om aan FinFort en FSCP als pandhouder (bij voorbaat) pandrechten te verlenen op hun ‘Security Assets’, tot zekerheid voor de volledige betaling van de ‘Secured Obligations’ omschreven als “all present and future payment obligations and liabilities (…) of the Pledgor to the Pledgee under or in connection with the Credit Agreements or otherwise (uit welke hoofde dan ook) and all reasonable costs, charges and expenses (…)”.
3.16.
De vergoeding die Sandwich III op grond van de overeenkomst van 29 april 2020 verschuldigd is, is niet (volledig) betaald. Op 28 december 2020 heeft Sandwich III met FSCP een Credit Facility Agreement gesloten waarin partijen zijn overeengekomen dat – kort gezegd – Sandwich III deze vergoeding mag gebruiken als werkkapitaal tegen een jaarlijkse rente van 1%. De overeenkomst heeft een looptijd tot 31 december 2021. Als zekerheid voor de betaling van alles wat Sandwich III aan FSCP verschuldigd is krachtens deze overeenkomst, zijn partijen in artikel 16 overeengekomen dat Sandwich III op eerste verzoek van FSCP een pandrecht aan FSCP zal verlenen op haar activa.
3.17.
Bij koopovereenkomst van 31 januari 2021 heeft FSCP de inventaris van Sandwich III gekocht voor een koopsom van € 60.500,00. Partijen zijn daarbij overeengekomen dat Sandwich III de inventaris mag blijven gebruiken voor de uitoefening van de onderneming tegen een jaarlijks symbolisch bedrag van € 1,00. Deze afspraak is schriftelijk vastgelegd op 31 december 2021.
3.18.
De pandakte van 2 september 2020 (zie 3.15) is op 16 februari 2021 en 9 maart 2021 geregistreerd.
3.19.
Op 1 mei 2021 heeft FSCP (vertegenwoordigd door [persoon 1] ) al haar rechten en verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst met Sandwich III van 29 april 2020 en de daarbij horende Credit Facility Agreement van 28 december 2020 overgedragen aan [vader], die de overeenkomsten op 31 juli 2021 heeft overgedragen aan FEWCH (vertegenwoordigd door [persoon 1] ). Sandwich III heeft als wederpartij bij deze overgedragen overeenkomsten deze contractovernames voor akkoord getekend.
3.20.
Op 15 augustus 2021 heeft Sandwich III een Omnibus Deed of Pledge getekend, waarbij een aantal vennootschappen van het Sandwich Concern, waaronder Sandwich III, zich als pandgever verbindt om aan FEWCH als pandhouder (bij voorbaat) pandrechten te verlenen op hun ‘Security Assets’, tot zekerheid voor de volledige betaling van de ‘Secured Obligations’.
3.21.
Op 1 december 2021 is FSCP ontbonden.
3.22.
Op 28 december 2021 heeft Sandwich III een aanvullende Credit Facility Agreement gesloten met FEWCH waarbij de termijn van de Credit Facility Agreement van 28 december 2020 is verlengd met zes maanden tot 30 juni 2022. De overeenkomst is namens beide partijen getekend door [persoon 1] .
3.23.
Op 13 juli 2022 is de pandakte van 15 augustus 2021 door FEWCH ter registratie aan de belastingdienst aangeboden.
3.24.
Op 18 juli 2022 is [persoon 1] afgetreden als bestuurder van FEWCH en opgevolgd door [vader]
3.25.
Op 2 november 2022 heeft [persoon 1] een overzicht getekend waarin staat dat per 31 december 2021 volgens interne niet gecontroleerde cijfers Sandwich III een schuld heeft van in totaal € 23.438.275,30 aan groepsfinanciering, waarvan een bedrag van
€ 5.056.807,00 aan Nederland.
3.26.
Bij e-mail van 11 november 2022 heeft [persoon 1] aan [persoon 2] meegedeeld: “In Nederland staat er volgens onze interne cijfers, zoals ook eerder met je besproken, € 5.056.807,00 open op 31 december 2021.”
3.27.
Op 25 november 2022 heeft FEWCH al haar rechten en verplichtingen uit hoofde van de Credit Facility Agreement met einddatum 30 juni 2022 overgedragen aan WomFam, een vennootschap waarvan [vader] bestuurder is. [vader] heeft op 25 november 2022 aan [persoon 2] een volmacht verleend om namens WomFam haar vorderingen op diverse ondernemingen die het kledingmerk Sandwich exploiteren op te eisen, te innen, zekerheden uit te winnen en verder alle handelingen te verrichten die nodig zijn om de vorderingen te verhalen.
3.28.
Daarnaast heeft FEWCH met WomFam een ‘overeenkomst tot contractsovername per 25 november 2022’ gesloten, waarbij FEWCH al haar rechten en verplichtingen uit diverse overeenkomsten die zij als gevolg van contractsovername heeft verworven en/of heeft gesloten met een aantal vennootschappen van het Sandwich Concern, “waaronder, maar niet beperkt tot een overeenkomst van geldlening d.d. 9 december 2019, welke onder andere is gewijzigd op 17 december 2019; een overeenkomst van geldlening d.d. 17 december 2019; een overeenkomst pandhouder in verband met koop activa d.d. 29 april 2020” heeft overgedragen aan WomFam.
3.29.
Op 22 december 2022 heeft WomFam aan Sandwich III, SF Group, Manfort, WCH, [bedrijf 2] , [bedrijf 1] , Studio East Ltd. en Woclo meegedeeld dat alle vorderingen die genoemde vennootschappen op elkaar hebben zijn verpand aan WomFam, met het verzoek om de vorderingen te voldoen op de bankrekening van WomFam.
3.30.
Bij notariële akte van 29 december 2022 heeft Sandwich III haar vorderingen op – onder andere – de Rijksoverheid uit hoofde van de Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (hierna: NOW) en de Regeling Subsidie Vaste Lasten Financiering Covid-19 openbaar verpand aan WomFam. De NOW-vordering werd voorlopig begroot op € 95.000,00 en de vordering uit hoofde van de Tegemoetkoming Vaste Lasten (hierna: TVL) werd voorlopig begroot op € 1.740.000,00.
3.31.
Op 31 december 2022 heeft Sandwich III een bedrag van € 300.000,00 aan WomFam betaald.
3.32.
Begin januari 2023 heeft Sandwich III een voorraadtaxatie laten verrichten door taxatiebureau NTAB naar de stand per 31 december 2022.
3.33.
Op 14 januari 2023 heeft Sandwich III een Omnibus Deed of Pledge gesloten waarbij een aantal vennootschappen van het Sandwich Concern, waaronder Sandwich III, zich als pandgever heeft verbonden om aan WomFam als pandhouder (bij voorbaat) pandrechten te verlenen op hun ‘Security Assets’, tot zekerheid voor de volledige betaling van de ‘Secured Obligations’.
3.34.
Op 23 januari 2023 is de pandakte van 14 januari 2023 geregistreerd.
3.35.
Op 30 januari 2023 heeft WomFam aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) mededeling gedaan van haar pandrecht van 29 december 2022.
3.36.
Op 3 februari 2023 heeft WomFam een pandakte van 14 januari 2023 laten registreren die gelijk is aan de onder 3.33 genoemde pandakte, met dien verstande dat daaraan nog de partijen Manfort en SF Group zijn toegevoegd.
3.37.
Op 3 februari 2023 heeft Sandwich III een bedrag van € 20.000,00 aan WomFam betaald.
3.38.
Op 8 februari 2023 heeft Sandwich III een bedrag van € 952.000,00 ontvangen aan coronasteun in de vorm van TVL.
3.39.
Op 8 en 9 februari 2023 heeft Sandwich III de volgende bedragen uitgekeerd:
– € 330.000,00 aan WomFam;
– € 79.343,85 aan PTG Companies;
– € 202.946,30 aan Woclo;
– € 196.809,92 aan Perfaso.
3.40.
Op 13 februari 2023 heeft FEWCH de pandakte van 15 augustus 2021 nogmaals laten registeren.
3.41.
Op 13 februari 2023 heeft WomFam de onder 3.36 genoemde pandakte nogmaals laten registreren.
3.42.
Op 13 februari 2023 heeft Sandwich III haar faillissement aangevraagd. Bij de aangifte zijn de notulen gevoegd van de algemene vergadering van aandeelhouders van Sandwich III, waarin op de eerste pagina in de aanhef staat dat de vergadering gehouden is op 12 februari 2023. Op de tweede pagina staat dat de notulen ondertekend zijn op 29 januari 2023. Als oorzaak van het faillissement is aangevoerd:
“2.3. Als gevolg van volgende periodes van verhoogde Covid-besmettingen w.o. lockdowns maar zeker ook de gevolgen van de oorlog in Oekraïne, is de omzet van de onderneming behoorlijk achter gebleven ten opzichte van de begroting. In diezelfde periode stegen de kosten op bijna alle vlakken. Hierdoor ontstond er druk op de marge, het resultaat en de liquiditeit waardoor er een verlieslatende situatie ontstond. Daarnaast heeft de onderneming ondanks dat zij hier recht op had, zeer lang moeten wachten voordat RVO een belangrijk deel van de TVL heeft betaald. Daarnaast is de licentieovereenkomst met de merkhouder opgezegd.
2.4
Als gevolg van voorgaande verloor de financier van de vennootschap haar vertrouwen in de continuïteit en heeft de financier de aan haar verpande zekerheden opgeëist. Hierdoor is het onmogelijk om de onderneming voort te zetten en ontbreekt het aan middelen om aan de verplichtingen van de onderneming te kunnen (blijven) voldoen.”
3.43.
Bij e-mail van 18 februari 2023 heeft [persoon 1] op verzoek van de curator een overzicht toegestuurd van de betalingen tussen Sandwich III en een aantal vennootschappen. In reactie daarop heeft de curator aan [persoon 1] bericht:
“Het financiële overzicht begrijp ik aldus dat Sandwich van de door haar genoten ‘groepsfinanciering’ een bedrag van Euro 322.499,63 nog niet zou hebben terugbetaald. Ik begreep evenwel dat nadat het pandrecht op de vorderingen op Sandwich UK en Sandwich Belgium aan laatstgenoemde vennootschappen op 22 december 2022 openbaar is gemaakt, deze gelieerde entiteiten nog substantiële bedragen aan WomFam B.V. hebben betaald, die dan in mindering zouden moeten strekken op vorenbedoelde bedrag. Is het u bekend welke bedragen UK en Belgium uit hoofde van verpande vorderingen van Sandwich op hen aan WomFam B.V. (of haar rechtsvoorgangsters) hebben betaald?”
3.44.
Bij e-mail van 16 april 2023 heeft de curator een aantal rechtshandelingen vernietigd op grond van de artikelen 42 en 47 Fw (hierna ook: de pauliana).
3.45.
WomFam heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel verzocht om haar als pandhouder ex artikel 3:251 lid 1 BW verlof te verlenen om de aan haar verpande voorraden en handelsdebiteuren onderhands te verkopen aan Team SW. De voorzieningenrechter heeft bij beschikking van 26 april 2023 het verzoek afgewezen, onder meer omdat in die procedure niet kon worden vastgesteld dat WomFam een vordering heeft uit hoofde van de overeenkomst van 20 april 2020, waarbij Sandwich III zich hoofdelijk heeft verbonden voor de groepsfinanciering, en evenmin uit hoofde van de Credit Facility Agreement.
3.46.
De curator heeft FEWCH, WomFam en Team SW gedagvaard en onder meer gevorderd dat de merkhouder en WomFam medewerking verlenen aan de verkoop van de activa van Sandwich III aan één van de door curator voorgedragen retailpartijen. In de aanloop naar de mondelinge behandeling van dit kort geding hebben partijen overeenstemming bereikt over de verkoop van de activa aan Team SW, van welke vennootschap [persoon 1] bestuurder is.
3.47.
Bij koopovereenkomst van 22 mei 2023 heeft de curator de activa verkocht aan Team SW. Daarbij zijn partijen overeengekomen dat van de koopprijs een bedrag van € 810.000,00 (hierna: de gesepareerde opbrengst) op de derdengeldrekening van het kantoor van de curator zou worden gestort, totdat in rechte zou zijn vastgesteld wie gerechtigd is tot dit deel van opbrengst: de boedel of WomFam (die pandrechten claimt te hebben op onder andere de kledingvoorraad en inventaris van Sandwich III) c.q. FEWCH (die eigendomsrechten claimt te hebben op de aanwezige winkel- en bedrijfsinventaris van Sandwich III). In artikel 1.3 van deze overeenkomst zijn partijen overeengekomen dat de curator binnen zes maanden een procedure aanhangig moet maken tegen FEWCH en WomFam om duidelijkheid te verkrijgen wie gerechtigd is tot de gesepareerde opbrengst.
3.48.
Bij brief van 16 november 2023 heeft de curator Manfort en [persoon 1] als (indirect) bestuurder van Sandwich III aansprakelijk gesteld wegens onbehoorlijk bestuur.
3.49.
Bij brief van 16 november 2023 heeft de curator de betaling van 8 februari 2023 aan PTG Companies van € 79.343,85 vernietigd op grond van de artikelen 42 en 47 Fw en PTG Companies gesommeerd dit bedrag terug te betalen aan de boedel.
3.50.
Bij brief van 16 november 2023 heeft de curator de betalingen van 3 februari 2023 en 8 februari 2023 aan WomFam van respectievelijk € 20.000,00 en € 330.000,00 vernietigd op grond van de artikelen 42 en 47 Fw en WomFam gesommeerd dit bedrag terug te betalen aan de boedel.
3.51.
Bij brief van 16 november 2023 heeft de curator SF Group bericht dat Sandwich III volgens haar administratie een vordering in rekening-courant heeft op SF Group van € 1.847.771,18 en SF Group gesommeerd dit bedrag te betalen aan de boedel.
3.52.
Bij brief van 17 november 2023 heeft de curator de betalingen van 31 december 2022 aan WomFam van € 300.000,00 vernietigd op grond van de artikelen 42 en 47 Fw en WomFam gesommeerd dit bedrag terug te betalen aan de boedel.
3.53.
In april 2024 heeft de curator met WomFam afspraken gemaakt over de incasso van vorderingen op derden (zoals Otrium en Pay.nl) en handelsdebiteuren. Deze afspraken hielden in dat de door de debiteuren na faillissement betaalde bedragen op de derdengeldrekening van het kantoor van de curator worden gestort, totdat in deze procedure is vastgesteld aan wie – naast de gesepareerde opbrengst van € 810.000,00 – deze bedragen toekomen. Pay.nl heeft een bedrag van € 175.185,93 op de derdengeldrekening van het kantoor van de curator gestort en Otrium heeft een bedrag van € 150.000,00 gestort als voorschot op de eindafrekening.
4Het geschil
In conventie:
4.1.
De curator vordert, na wijziging eis, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – samengevat –:
1) ter zake de bestuurdersaansprakelijkheid
primair:
1) een verklaring voor recht dat [persoon 1] en Manfort hoofdelijk aansprakelijk zijn op grond van artikel 2:248 BW voor het boedeltekort;
2) hoofdelijke veroordeling van [persoon 1] en Manfort tot betaling van het volledige boedeltekort;
3) hoofdelijke veroordeling van [persoon 1] en Manfort tot betaling van een voorschot op het boedeltekort van € 5.000.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente en verminderd met het bedrag dat de curator ontvangt van WomFam, FEWCH, SF Group en PTG Companies;
subsidiair:
1) hoofdelijke veroordeling van [persoon 1] en Manfort tot vergoeding van de schade die is ontstaan als gevolg van hun onrechtmatig handelen als bedoeld in artikel 6:162 BW, althans op basis van hun interne aansprakelijkheid wegens schending van artikel 2:9 BW, nader op te maken bij staat;
2) hoofdelijke veroordeling van [persoon 1] en Manfort tot betaling van een voorschot op deze schadevergoeding van € 800.000,00 vermeerderd met de wettelijke rente;
2) ter zake het bestuursverbod:
1) een verklaring voor recht dat ten aanzien van [persoon 1] sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 106a lid 1 a en/of b en/of c Fw;
2) [persoon 1] een bestuursverbod op te leggen voor de duur van vijf jaar op straffe van een dwangsom;
3) de griffier op te dragen om op grond van artikel 106b lid 3 Fw het vonnis naar de Kamer van Koophandel te sturen zodra het vonnis onherroepelijk zal zijn geworden;
3a) ter zake de nietige, althans vernietigde/vernietigbare rechtshandelingen:
een verklaring voor recht dat gelet op het ontbreken van rechtsgeldige bestuursbesluiten gezien het tegenstrijdig belang, althans op grond van de pauliana, nietig zijn c.q. rechtsgeldig buitengerechtelijk vernietigd zijn, althans te vernietigen de navolgende rechtshandelingen (waarbij de rechtbank de opsomming aanhoudt van voor de eiswijziging):
b) de overeenkomst van 29 april 2020;
c) de aanvullende overeenkomst van 18 mei 2020;
d) de Omnibus Deed of Pledge van 2 september 2020;
e) de Credit Facility Agreement van 28 december 2020;
f) de koopovereenkomst inventaris van 31 januari 2021;
i. i) de Omnibus Deed of Pledge van 15 augustus 2021;
j) de verlenging van de Credit Facility Agreement van 28 december 2021;
k) de gebruiksovereenkomst inventaris van 31 december 2021;
l) de ‘schulderkenning’ van [persoon 1] van 2 november 2022;
m) de overeenkomst van 25 november 2022;
n) de overeenkomst van 25 november 2022;
o) de mededeling van verpanding door WomFam van 22 december 2022;
p) de verpanding van 29 december 2022;
q) de betaling aan WomFam van € 300.000,00 op 31 december 2022;
r) de Omnibus Deed of Pledge van 14 januari 2023 (23 januari 2023);
s) de registratie van de pandakte van 14 januari 2023 op 3 februari 2023;
t) de betaling aan WomFam van € 20.000,00 op 3 februari 2023;
u) de betaling aan WomFam van € 330.000,00 op 8 februari 2023;
v) de betaling aan PTG Companies van € 79.343,85 op 8 februari 2023;
y) de registratie van de pandaktes van 15 augustus 2021 en 14 januari 2023 op 13 februari 2023;
zz) de gebruiksovereenkomst inventaris van 31 december 2021,;
zzz) de volmacht verstrekking van 25 januari 2023;
zzzz) de Omnibus Deed of Pledge van 20 april 2020,
3b) ter zake onrechtmatig handelen:
een verklaring voor recht dat het samenstel van rechtshandelingen (a t/m zzzz), al dan niet tezamen met selectieve betalingen aan gelieerde vennootschappen, kwalificeert als onrechtmatig handelen en hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot vergoeding van de schade die uit dit onrechtmatig handelen voortvloeit, nader op te maken bij staat, en bij wijze van voorschot op de schadevergoeding te bepalen dat WomFam en FEWCH niets meer van failliet te vorderen hebben, althans bij wijze van voorschot gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een voorschot van € 1.135.185,93 vermeerderd met wettelijke rente;
4) ter zake artikel 1.3 en 2.3 van de koopovereenkomst van 22 mei 2023 en de debiteurenbetalingen:
1) een verklaring voor recht dat de boedel gerechtigd is tot de gesepareerde opbrengst van de voorraden (€ 756.000,00) en de inventaris (€ 54.000,00) en tot de opbrengst van de betalingen door debiteuren van failliet na datum faillissement;
2) te bepalen dat deze gesepareerde opbrengst en de opbrengst van de debiteurenbetalingen dienen te worden overgemaakt naar de boedelrekening zodra het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan;
5) ter zake de rekening-courantvordering:
SF Group te gebieden aan de boedel een bedrag te voldoen van € 1.896.500,00 vermeerderd met wettelijke rente;
6) ter zake onverschuldigde betalingen:
1) WomFam te gebieden aan de boedel een bedrag te voldoen van € 650.000,00, een bedrag van € 140.000,00 en een bedrag van € 31.768,20, vermeerderd met de wettelijke rente;
2) PTG Companies te gebieden om aan de boedel een bedrag te voldoen van € 79.343,85, vermeerderd met de wettelijke rente;
3) een verklaring voor recht dat ook voor het overige bedragen die Sandwich Fashion Company B.V. aan WomFam en FEWCH of haar rechtsvoorgangers heeft voldaan onverschuldigd zijn betaald, althans dat het in ontvangst nemen van deze betalingen onrechtmatig was, en dat WomFam en FEWCH daarnaast ongerechtvaardigd zijn verrijkt door (debiteuren)betalingen die aan Sandwich Fashion Company B.V. ten goede hadden behoren te komen maar die derden (externe debiteuren en gelieerde vennootschappen) rechtstreeks aan WomFam en FEWCH hebben gedaan ter aflossing van een vermeende schuld van Sandwich Fashion Company B.V. aan WomFam en FEWCH of aan rechtsvoorgangers, althans dat het in ontvangst nemen van deze betalingen van debiteuren onrechtmatig was, dit tenminste tot een bedrag van € 1.603.500,00, althans € 1.534.500,00, ter zake de rechtstreekse betalingen van Sandwich Fashion Company B.V. en tenminste een bedrag van € 330.721,00 ter zake de oude debiteuren en tenminste een bedrag van € 1.114.154,00 ter zake de nieuwe debiteuren, althans tot enig bedrag dat de rechtbank juist voorkomt en WomFam en/of FEWCH te veroordelen om het aldus vastgestelde bedrag aan de boedel van Sandwich Fashion Company B.V. te voldoen;
4) WomFam en FEWCH te veroordelen inzage te verstrekken in hun boekhouding en bankafschriften en afschriften te verstrekken van de relevante bescheiden, zodat de omvang kan worden vastgesteld van de aanspraken van de boedel zoals bedoeld onder 3);
7) ter zake de proceskosten en nakosten:
1) gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van de procedure, vermeerderd met de wettelijke renten;
2) gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Eiswijziging
4.2.
De curator heeft in de loop van de procedure haar eis meerdere keren gewijzigd. De laatste eiswijziging vond plaats tijdens de mondelinge behandeling. Partijen hebben tegen deze wijzigingen bezwaar gemaakt. Bij de beoordeling van deze bezwaren geldt als uitgangspunt dat ingevolge artikel 130 Rv een eiser bevoegd is zijn eis of de gronden daarvan schriftelijk te veranderen of vermeerderen zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen. Een eiswijziging kan worden geweigerd wanneer deze in strijd is met de eisen van goede procesorde. De rechtbank is van oordeel dat van strijd met de eisen van goede procesorde in het onderhavige geval geen sprake is. Mede door de gevoerde verweren en de extra schriftelijke ronde die partijen hebben gekregen, heeft het geschil zich zodanig ontwikkeld en verduidelijkt dat de curator daarin reden heeft gezien haar eis te wijzigen. De wijzigingen liggen in het verlengde van de door partijen gevoerde discussie. Om die reden zullen de bezwaren tegen de eiswijzingen worden afgewezen.
Standpunt van de curator
4.3.
De curator legt aan haar vorderingen tegen Manfort als bestuurder en [persoon 1] als indirect bestuurder van Sandwich III ten grondslag dat er sprake is van onbehoorlijk bestuur. Daardoor is het bestuur volgens de curator primair op grond van artikel 2:248 BW aansprakelijk voor het tekort van de boedel en subsidiair op grond van 6:162 BW aansprakelijk voor de door de gezamenlijke schuldeisers geleden schade, dan wel op grond van artikel 2:9 BW aansprakelijk voor de door Sandwich III geleden schade. Voor wat betreft de primaire grondslag doet de curator zowel een beroep op artikel 2:248 lid 2 BW vanwege schending van de publicatieplicht (artikel 2:394 BW) en boekhoudplicht (artikel 2:10 BW), als op artikel 2:248 lid 1 BW. De curator stelt dat de ernstige verwijten die [persoon 1] kunnen worden gemaakt een bestuursverbod rechtvaardigen.
4.4.
Aan de (buitengerechtelijke) vernietiging van een groot aantal rechtshandelingen legt de curator ten grondslag dat deze rechtshandelingen vernietigbaar zijn op grond van artikel 42 of 47 Fw dan wel (ver)nietig(baar) zijn, omdat [persoon 1] handelde in verschillende hoedanigheden terwijl er sprake was van tegenstrijdig belang, zodat er op grond van artikel 2:14 BW althans artikel 2:15 BW geen rechtsgeldige besluiten konden worden genomen om Sandwich III te binden aan de desbetreffende overeenkomsten.
4.5.
De (buitengerechtelijke) vernietiging van een aantal overeenkomsten en betalingen leidt tot vorderingen op WomFam en PTG Companies uit hoofde van onverschuldigde betaling van respectievelijk € 650.000,00 en € 79.343,85.
4.6.
Daarnaast vordert de curator uit hoofde van onverschuldigde betaling van WomFam nog een bedrag van € 140.000,00. Het betreft een bedrag dat [bedrijf 2] aan Sandwich III verschuldigd was maar op 9 februari 2023, enkele dagen voor het faillissement, aan WomFam heeft betaald. Volgens de curator komt dit bedrag aan de boedel toe.
4.7.
Aan haar vorderingen tegen WomFam legt de curator verder ten grondslag dat WomFam geen vordering heeft op Sandwich III, althans geen rechtsgeldig pandrecht heeft verkregen op de voorraden, debiteuren en inventaris van Sandwich III. Dit leidt er toe dat WomFam geen aanspraak kan maken op de opbrengst van de verkoop van de activa uit de boedel, waarvan een bedrag van € 810.000,00 gesepareerd staat op de derdengeldrekening van het kantoor van de curator, en geen aanspraak kan maken op de betalingen die de debiteuren van Sandwich III na datum faillissement hebben verricht. Deze debiteuren hebben tussen 13 februari 2023 (datum faillissement) en 24 februari 2023 een bedrag van
€ 31.768,20 aan WomFam betaald. De curator vordert dit bedrag op grond van onverschuldigde betaling van WomFam terug. De curator stelt met WomFam afspraken te hebben gemaakt over de incasso van vorderingen op derden, zoals Otrium en Pay.nl, en handelsdebiteuren, in het kader waarvan er bedragen op de derdengeldrekening van het kantoor van de curator worden ontvangen. Zo heeft de curator van Otrium een voorschotbetaling ontvangen van € 150.000,00 en van Pay.nl een bedrag van € 175.185,93. De curator stelt zich op het standpunt dat deze bedragen aan de boedel toekomen.
4.8.
De vordering tegen FEWCH ziet op de gesepareerde opbrengst van de inventaris. De curator betwist het eigendomsrecht van FEWCH op de inventaris en stelt dat FEWCH daarom geen aanspraak kan maken op het gesepareerde bedrag van € 54.000,00.
4.9.
Aan haar vordering tegen SF Group legt de curator ten grondslag dat er tussen Sandwich III en SF Group een rekening-courantverhouding bestond op grond waarvan de boedel nog een vordering op SF Group heeft van € 1.896.500,00.
4.10.
Aan haar vordering uit onrechtmatige daad tegen alle gedaagden legt de curator ten grondslag dat het geheel aan transacties, waarbij gedaagden als gelieerde partijen beweerdelijke vorderingen op Sandwich III van onduidelijke omvang en beweerdelijk daaraan verbonden pandrechten hebben verkregen en zonder duidelijke grondslag aan elkaar hebben overgedragen, dusdanig vreemd is in het kader van een normale bedrijfsuitoefening, dat er sprake moet zijn van schijnhandelingen. Deze schijnhandelingen, althans het samenstel van rechtshandeling tussen de gelieerde partijen, al dan niet in combinatie met selectieve betalingen aan gelieerde vennootschappen, leiden tot het stelselmatig leeghalen van Sandwich III ten koste van de externe schuldeisers en kwalificeren als onrechtmatig handelen, op grond waarvan de gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door Sandwich III geleden schade.
Verweer van gedaagden
4.11.
Manfort en [persoon 1] betwisten dat er sprake is van onbehoorlijk bestuur. SF Group betwist dat er sprake is van een vordering uit rekening-courant en PTG Companies betwist dat de betaling aan haar vernietigd kan worden op grond van de pauliana.
4.12.
WomFam voert als verweer aan dat zij een vordering heeft op Sandwich III die de gesepareerde opbrengst ver overschrijdt en waarvoor zij pandrechten heeft verkregen op de voorraad, vorderingen en inventaris van Sandwich III, zodat zij als pandhouder bevoegd is haar pandrechten uit te winnen en gerechtigd is tot de opbrengst van de verkoop van de aan haar verpande activa. WomFam betwist dat de aan haar verstrekte pandrechten vernietigbaar zijn op grond van de pauliana. Voor zover FEWCH geen aanspraak kan maken op de gesepareerde opbrengst van de inventaris, doet WomFam met betrekking tot de inventaris een beroep op haar pandrecht.
4.13.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
In voorwaardelijk incident:
4.14.
WomFam [zo begrijpt de rechtbank, en niet WomFam c.s.] vordert, na wijziging eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de curator te veroordelen tot openlegging van de administratie van Sandwich Fashion Company B.V. zoals deze werd gehouden in Vertilinq, voor zover zij zou volharden in haar betwisting van de vordering van WomFam op Sandwich Fashion Company B.V., op straffe van een dwangsom.
4.15.
WomFam legt aan haar vordering ten grondslag dat zij toegang tot de financiële administratie van Sandwich III nodig heeft om de exacte omvang van haar vordering op Sandwich III te kunnen bepalen. Zij baseert haar vordering tot openlegging op artikel 3:15j sub d BW. De vordering wordt ingesteld als een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv, onder de voorwaarde dat de curator volhardt in de betwisting van de vordering van WomFam.
4.16.
De curator voert als verweer aan dat het karakter van een incidentele vordering ex artikel 223 Rv zich niet laat rijmen met de aan de incidentele vordering verbonden voorwaarde. Gevorderd wordt een voorlopige voorziening voor de duur van het geding, terwijl niet duidelijk is wanneer vast staat dat de voorwaarde is vervuld. In ieder geval ontbreekt door het voorwaardelijk karakter van de incidentele vordering de voor een vordering ex artikel 223 Rv vereiste spoedeisendheid. Ook overigens ontbreekt het spoedeisend belang. Al vanaf het faillissement loopt de discussie of WomFam überhaupt een vordering heeft op Sandwich III en zo ja, tot welk bedrag. WomFam heeft niet eerder aanleiding gezien om inzage in de administratie af te dwingen. Pas als vaststaat dat WomFam een vordering heeft en die vordering groter is dan de gesepareerde opbrengst, kan er een belang ontstaan voor WomFam tot inzage in de administratie van failliet om de exacte hoogte van haar vordering vast te stellen. Dat belang is er nu nog niet.
4.17.
[partijen 1 en 2] refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
4.18.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
In voorwaardelijke reconventie:
4.19.
WomFam en FEWCH vorderen – samengevat – voor het geval de vordering van de curator onder 4 (deels) wordt afgewezen:
primair: te bepalen dat de gesepareerde opbrengst van in totaal € 810.000,00 binnen drie dagen na datum vonnis wordt overgemaakt naar de Stichting Derdengelden Turnaround Advocaten B.V. en te bepalen dat de uitspraak in reconventie dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte ex artikel 3:300 lid 1 BW;
subsidiair: de curator te veroordelen althans te hengen en gedogen dat de gesepareerd opbrengst wordt overgemaakt naar de Stichting Derdengelden Turnaround Advocaten B.V. op straffe van een dwangsom;
meer subsidiair: de curator te instrueren om de gesepareerd opbrengst binnen drie dagen na datum vonnis over te maken naar de Stichting Derdengelden Turnaround Advocaten B.V.;
primair, subsidiair en meer subsidiair te verklaren voor recht dat de executieopbrengst vanaf datum faillissement aan WomFam toekomen en de curator te veroordelen daarover rekening en verantwoording af te leggen en de executieopbrengst alsnog aan WomFam te voldoen op de derdengeldrekening van Turnaround Advocaten binnen drie dagen na datum vonnis, te vermeerderen met wettelijke rente;
primair, subsidiair en meer subsidiair te verklaren voor recht dat WomFam een vordering heeft op Sandwich Fashion Company B.V., dat WomFam pandrechten heeft op de vorderingen van Sandwich Fashion Company B.V. op derden, de voorraad en inventaris van Sandwich Fashion Company B.V., volgend uit (onder meer) de pandakten d.d. 2 september 2020, 15 augustus 2021 en 14 januari 2023 en te verklaren voor recht dat de opbrengsten daarvan toekomen aan WomFam en te bevelen dat de curator moet gehengen en gedogen dat de vorderingen van Sandwich Fashion Company B.V. op derden enkel bevrijdend aan WomFam kunnen worden betaald;
onder veroordeling van de curator in de kosten van de procedure.
4.20.
WomFam en FEWCH leggen aan hun vordering ten grondslag dat WomFam een vordering heeft op Sandwich III, waarvoor aan WomFam pandrechten zijn verstrekt op voorraden, inventaris en vorderingen. Om die reden maakt WomFam aanspraak op de gesepareerde opbrengst van de bij koopovereenkomst van 22 mei 2023 verkochte voorraad ad € 756.000,00. FEWCH stelt eigenaar te zijn van de verkochte inventaris en maakt dan ook aanspraak op de opbrengst daarvan ad € 54.000,00. Voor zover FEWCH geen eigenaar mocht zijn, maakt WomFam aanspraak op de opbrengst van de inventaris vanwege het daarop rustende pandrecht.
4.21.
De curator betwist zowel de pandrechten van WomFam als het eigendomsrecht van FEWCH.
4.22.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
In incident ex artikel 223 Rv:
4.23.
WomFam vordert – samengevat –:
a en b) een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv te treffen voor de duur van het geding tussen WomFam en de curator, inhoudende dat de curator het totaalbedrag aan NOW- en TVL-gelden, in hoofdsom groot € 302.169.00, of zoveel nog op de boedelrekening beschikbaar is, separeert op de derdengeldrekening van de Stichting Derdengelden Lawwise Advocaten;
c) te bepalen dat de curator dit bedrag uiterlijk zeven dagen na het treffen van de voorlopige voorziening overmaakt op de derdengeldrekening van de Stichting Derdengelden Lawwise Advocaten op straffe dat de uitspraak ex artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de instructie van de curator;
d) deze voorlopige voorziening uitvoerbaar bij voorraad te verklaren;
e) met veroordeling van de curator in de proceskosten van dit incident.
4.24.
WomFam legt aan haar vordering ten grondslag dat Sandwich III haar vorderingen uit hoofde van de NOW- en TVL-regeling aan WomFam openbaar heeft verpand bij notariële akte van 29 december 2022. WomFam heeft daarvan op 30 januari 2023 mededeling gedaan aan de RVO, die de ontvangst van de mededeling op 2 februari 2023 heeft bevestigd. Hangende de procedure heeft de curator de vorderingen geïncasseerd en de betalingen laten bijschrijven op haar boedelrekening. Vervolgens heeft de curator een aanzienlijke betaling uit hoofde van haar salaris ten laste van de boedelrekening gebracht. Na betaling van dit bedrag van € 133.000,00 resteert – naast het bedrag aan NOW- en TVL-gelden ad € 302.169,00 – nog slechts een bedrag van € 4.241,89 op de boedelrekening. WomFam vreest dat de curator het bedrag aan NOW en TVL zal aanwenden voor haar salaris en het voeren van procedures.
4.25.
De curator voert als verweer aan dat vorderingen uit hoofde van NOW en TVL niet verpandbaar zijn, zodat WomFam geen rechtsgeldig pandrecht op deze vorderingen heeft verkregen. Mochten de vorderingen wel verpandbaar zijn, dan heeft te gelden dat de na datum faillissement verrichte betalingen van in totaal € 302.169,00 op datum faillissement nog geen vastgestelde, bestaande aanspraken waren en dus nog geen vorderingen van failliet. Deze aanspraken zijn eerst ontstaan na datum faillissement, dankzij de inspanningen die de curator heeft verricht en aanzienlijke kosten die zij heeft moeten maken om aanvragen in te kunnen dienen om tot definitieve vaststelling van de tegemoetkomingen NOW en TVL te komen, zodat deze gelden aan de boedel toekomen.
4.26.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
5.1.
Bij de beoordeling van de diverse vorderingen gaat de rechtbank uit van het navolgende. Waar mogelijk, zal de rechtbank daarbij de vorderingen van partijen betrekken en daarover oordelen.
De verschillende (rechts)handelingen
5.2.
Voordat [persoon 1] de onderneming van Sandwich II doorstartte, heeft hij Sandwich III bij overeenkomst van 20 april 2020 hoofdelijk verbonden voor een schuld uit hoofde van de groepsfinanciering. De rechtbank is het niet eens met de curator dat Sandwich III daarmee onverplicht een schuld op zich heeft genomen waarmee zij de overige schuldeisers heeft benadeeld. Partijen hadden immers afgesproken, zo hebben WomFam en [persoon 1] onweersproken gesteld, dat Sandwich III slechts aansprakelijk zou zijn voor de schuld uit hoofde van de groepsfinanciering voor zover deze vordering op de verpande activa van Sandwich II kon worden verhaald. FSCP kon ook zonder deze hoofdelijke aansprakelijkheid van Sandwich III haar vordering uit hoofde van de groepsfinanciering verhalen op de activa die Sandwich II aan haar had verpand. Sandwich III had zich immers bij aankoop van deze verpande activa uit de boedel van Sandwich II verbonden om de pandrechten van FSCP te respecteren en met FSCP afspraken te maken over de afwikkeling van de verpande activa. Sandwich III heeft met de overeenkomst van 20 april 2020 dan ook geen schuld op zich genomen waartoe zij niet ook op grond van de koopovereenkomst van 22 april 2020 gehouden was.
De overeenkomst van 29 april 2020
5.3.
Met betrekking tot de afwikkeling van de pandrechten is FSCP met Sandwich III op 29 april 2020 overeengekomen dat FSCP afstand doet van haar zekerheidsrechten, onder de opschortende voorwaarde van volledige betaling aan FSCP van een vergoeding die bestaat uit de opbrengst van de verpande activa onder aftrek van de gemaakte kosten tot en met 31 december 2022. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze overeenkomst niet vernietigd worden met een beroep op artikel 42 Fw, aangezien Sandwich III op grond van de koopovereenkomst van 22 april 2020 gehouden was om met FSCP afspraken te maken over de afwikkeling van de pandrechten. Er is dan ook sprake van een verplichte rechtshandeling, zodat het beroep van de curator op artikel 42 Fw niet kan slagen. Om deze verplichte rechtshandeling te kunnen vernietigen op grond van artikel 47 Fw, moet de curator aantonen dat voldaan is aan het vereiste dat de overeenkomst het gevolg is geweest van overleg tussen Sandwich III en FSCP, met als doel FSCP boven andere schuldeisers te begunstigen. Van ‘overleg’ in de zin van deze bepaling is sprake indien Sandwich III en FSCP hebben samengespannen, in die zin dat zij bij de totstandkoming van de overeenkomst beiden het oogmerk hebben gehad FSCP daarmee te bevoordelen boven andere schuldeisers. Op de curator rust niet alleen de stelplicht, maar ook de bewijslast van dit begunstigingsoogmerk van Sandwich III. De rechtbank is van oordeel dat de curator niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Zo leidt de enkele omstandigheid dat partijen hebben afgesproken om aan FSCP een resultaatsafhankelijk vergoeding te betalen voor de verpande activa nog niet tot de conclusie dat er sprake is van benadeling van de overige schuldeisers, laat staan van wetenschap van benadeling. Maar ook als de benadeling en de wetenschap van benadeling wel voldoende zouden zijn onderbouwd, dan nog is dat onvoldoende voor het aannemen van samenspanning. Het beroep op artikel 47 Fw kan daarom niet slagen.
5.4.
Het voorgaande betekent dat de vordering van de curator onder 3a) onder b. zal worden afgewezen voor zover deze vordering op de pauliana is gebaseerd.
De ‘schulderkenning’ van 2 november 2022
5.5.
De op 29 april 2020 bereikte afspraak met de pandhouder hield volgens [persoon 1] in dat Sandwich III de verpande voorraad in de Sandwichwinkels zou verkopen en de netto-opbrengst van die voorraad gedurende een periode tot 31 december 2022 zou afdragen aan de pandhouder. Na afloop van de afgesproken periode zou de pandhouder afstand doen van eventueel nog resterende zekerheidsrechten. Als er na 31 december 2022 nog verpande voorraad over zou zijn, zou de pandhouder daar dus verder geen aanspraak meer op maken en ook anderszins geen aanspraken meer hebben tegenover Sandwich III, ongeacht of de schuld waarvoor het pandrecht tot zekerheid strekte helemaal gedelgd zou zijn of niet. Deze stelling van [persoon 1] sluit aan bij de stelling van WomFam, dat de verkoop van de verpande activa van Sandwich II door partijen werd beschouwd als een alternatieve wijze van executieverkoop ex artikel 3:251 BW.
5.6.
Hoewel noch in de koopovereenkomst van 22 april 2020, noch in de overeenkomst van 29 april 2020 is opgenomen hoe hoog de gesecureerde vordering van FSCP uit hoofde van de groepsfinanciering is, begrijpt de rechtbank uit de hiervoor aangehaalde stellingen van partijen dat partijen er kennelijk van uit zijn gegaan dat deze vordering gelijk aan of hoger is dan de opbrengst van de verpande activa. In dit verband acht de rechtbank van belang dat in de eerdere faillissementen is gesproken over een vordering uit hoofde van de groepsfinanciering van meer dan € 5.000.000,00. Dit sluit aan bij het door [persoon 1] op 2 november 2022 getekende overzicht, waarin hij een bedrag noemt van € 5.056.807,00, en bij de door de curator overgelegd ‘third amendment to the loan agreement may 5th 2009’ van 15 december 2013, waarbij door een aantal vennootschappen van de – toen nog geheten – [groep] een bedrag wordt geleend van € 5.000.000,00. Het is die oude groepsfinanciering van de [groep] , zo stelt de curator, waarop het document van 2 november 2022 lijkt te zien. Gelet op de stelling van de curator dat [persoon 1] Sandwich III een ‘molensteen om de nek heeft gehangen’ door Sandwich III hoofdelijk te verbinden voor de oude groepsfinanciering, heeft de discussie tussen partijen zich in deze procedure niet gericht op de vraag hoe hoog de gesecureerde vordering van FSCP precies was. [partijen 1 en 2] en WomFam c.s. hebben uit de stellingen van de curator begrepen, zo is de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling duidelijk geworden, dat de curator de vordering van FSCP– en na contractsovername van WomFam – niet betwist, voor zover het gaat om de gesecureerde vordering uit hoofde van de groepsfinanciering. De precieze hoogte van deze vordering is in het kader van deze procedure alleen van belang als de aanspraak van WomFam op de boedel hoger is dan haar resterende vordering uit hoofde van de groepsfinanciering. Dat daarvan sprake is, is in deze procedure gesteld noch gebleken.
5.7.
De curator stelt dat zij het door [persoon 1] getekende overzicht van 2 november 2022 heeft vernietigd bij e-mail van 16 april 2023. De rechtbank leest dat niet in die e-mail. In het petitum wordt deze door de curator genoemde ‘schulderkenning’ wel genoemd onder 3a) onder l. Voor zover dit als een beroep op vernietiging moet worden beschouwd, verwerpt de rechtbank dit beroep nu de curator onvoldoende heeft onderbouwd dat daar een rechtsgrond voor is.
5.8.
Het voorgaande betekent dat de vordering van de curator onder 3a) onder l. zal worden afgewezen voor zover deze vordering op de pauliana is gebaseerd.
De overeenkomst van 18 mei 2020
5.9.
Uit artikel 1.2. van de overeenkomst van 29 april 2020 vloeit voor de pandhouder het recht voort om de definitie van de vergoeding nader te duiden. De verplichting van Sandwich III om daaraan mee te werken vloeit ook uit deze overeenkomst voort, zodat de overeenkomst van 18 mei 2020, waarbij partijen gevolg hebben gegeven aan deze bepaling, niet als een onverplichte rechtshandeling kan worden beschouwd. Het beroep van de curator op artikel 42 Fw kan dan ook niet slagen.
5.10.
Partijen zijn op 18 mei 2020 niet alleen nader overeengekomen dat de op 29 april 2020 afgesproken vergoeding maandelijks zou worden betaald, maar ook dat deze zou worden betaald uit de verkoop van de nieuwe voorraad. De curator stelt dat de aan de verkoop van de verpande activa verbonden kosten pas aan het einde van het boekjaar kunnen worden vastgesteld, zodat niet maandelijks kon worden vastgesteld wat de hoogte van de af te dragen vergoeding is. [persoon 1] heeft hiertegen ingebracht dat partijen een rekenmethode hadden bedacht waarmee de maandelijks te betalen vergoeding kon worden berekend, de zogenoemde ‘sweep’. Ter zitting heeft [persoon 1] toegelicht dat deze afspraak inhield dat aan het einde van de maand de liquiditeiten die op de bankrekening stonden werden afgedragen ter aflossing van deze verplichting. Op enig moment bleef door omstandigheden de verkoop achter, waardoor er minder omzet werd gemaakt en er geen afdracht meer kon plaatsvinden. [persoon 1] stelt dit met [vader] – de financier – te hebben besproken, die daar begrip voor had. [persoon 1] zou met een voorstel komen dat meer op resultaat gebaseerd was. [vader] stond daar wel voor open, maar dit voorstel is nooit op papier gezet en nooit geformaliseerd. [persoon 1] heeft wel op het einde van ieder boekjaar berekend wat de opbrengsten van de activa waren. Dit bedrag verminderd met de redelijke kosten is in de interne – niet gepubliceerde – jaarrekeningen opgenomen als buitengewone last, aldus [persoon 1] .
5.11.
De curator stelt dat deze aanvullende afspraak van 18 mei 2020 met betrekking tot de te betalen vergoeding een paulianeus karakter heeft, omdat deze is gemaakt met als enig doel FSCP boven iedere toekomstige schuldeiser van Sandwich III te bevoordelen. Een toelichting op deze stelling ontbreekt. Voor zover de curator daarmee een beroep heeft willen doen op artikel 47 Fw, heeft zij dit beroep onvoldoende onderbouwd. Ook in haar e-mail van 16 april 2023, waar de curator naar verwijst, is geen onderbouwing te lezen voor een beroep op artikel 47 Fw.
5.12.
Voor zover de curator heeft willen stellen dat de aanvullende afspraak van 18 mei 2020 een verzwaring van de afspraak van 29 april 2020 is, is de rechtbank het met haar eens. Voor de betaling van de overeengekomen vergoeding zou volgens de aanvullende afspraak ook de opbrengst van de nieuwe voorraad moeten worden ingezet, terwijl volgens de oorspronkelijk afspraak de betaling van de overeengekomen vergoeding resultaatsafhankelijk was, in die zin dat, zo begrijpt de rechtbank, de vergoeding pas zou worden voldaan zodra de verpande voorraad was verkocht. Deze aanvullende afspraak rechtvaardigt echter niet de conclusie dat er sprake is van begunstiging van FSCP als pandhouder boven toekomstige schuldeisers, laat staan de conclusie dat partijen het oogmerk hebben gehad om FSCP boven andere schuldeisers te begunstigen. Sandwich III stond op 18 mei 2020 nog aan het begin van de doorstart en er was geen enkele reden om te veronderstellen dat de toekomstige schuldeisers niet zouden kunnen worden voldaan. Zoals de curator bij conclusie van repliek ook aangeeft, was Sandwich III in de kern een financieel gezonde onderneming, die in de Covid-jaren 2020 en 2021 mooie winsten heeft gerealiseerd. Dit volgt ook uit de interne jaarrekeningen van Sandwich III. Daar komt bij dat partijen hadden afgesproken dat Sandwich III de overeengekomen vergoeding aan FSCP verschuldigd mocht blijven, voor zover zij deze nodig had voor haar bedrijfsvoering. Partijen hebben dit op 28 december 2020 vastgelegd in de Credit Facility Agreement. Een beroep op vernietiging van de overeenkomst van 18 mei 2020 op grond van artikel 47 Fw kan dan ook niet slagen.
5.13.
Het voorgaande betekent dat de vordering van de curator onder 3a) onder c. zal worden afgewezen voor zover deze vordering op de pauliana is gebaseerd.
De Credit Facility Agreements van 28 december 2020 en 28 december 2021
5.14.
Sandwich III heeft de met FSCP afgesproken vergoeding niet (volledig) afgedragen, maar gebruikt als werkkapitaal, onder meer voor de aanschaf van nieuwe voorraden. Als zekerheid voor de terugbetaling van deze gelden heeft FSCP pandrechten verkregen op activa van Sandwich III. De niet afgedragen vergoeding wordt door Sandwich en FSCP aangemerkt als financiering, zo blijkt uit de Credit Facility Agreement van 28 december 2020, waarin “Facility Amount” wordt omschreven als “the total amounts made available to the Debtor by the Creditor from time to time, as a result of the agreement dated April 29th 2020 between Creditor and Debtor.” De rechtbank is het met WomFam eens dat hoewel er in deze overeenkomst alleen wordt verwezen naar de overeenkomst van 29 april 2020, daarmee ook de overeenkomst van 18 mei 2020 wordt bedoeld. De aanvullende overeenkomst van 18 mei 2020 is namelijk gesloten naar aanleiding van het in artikel 1.2 van de overeenkomst van 29 april 2020 opgenomen recht van de pandhouder om de definitie van vergoeding nader te duiden en kan daar niet los van worden gezien.
5.15.
In deze Credit Facility Agreement van 28 december 2020 zijn de voorwaarden voor de financiering vastgelegd, waaronder een rente van 1% per jaar. De Credit Facility Agreement van 28 december 2021 betreft een verlenging van de overeengekomen termijn van 31 december 2021 tot 30 juni 2022. De curator heeft ook deze twee rechtshandelingen van Sandwich III op 16 april 2023 buitengerechtelijk vernietigd. In haar dagvaarding heeft de curator niet nader uitgewerkt of de vernietiging plaatsvindt op grond van artikel 42 of 47 Fw. Dat kan ook niet uit haar e-mail van 16 april 2023 worden afgeleid. Uit de zinsnede ‘evenmin is gebleken van enige verplichting tot het tekenen van een overeenkomst van geldlening’ leidt de rechtbank af dat een beroep wordt gedaan op artikel 42 Fw. Dit beroep faalt, nu de curator onvoldoende heeft gesteld dat aan de vereisten voor het inroepen van deze pauliana is voldaan. Naast een onverplichte rechtshandeling en benadeling van schuldeisers, moet er voor een geslaagd beroep op artikel 42 Fw ook sprake zijn van wetenschap van benadeling bij – in ieder geval – Sandwich III. Daarvoor is nodig dat Sandwich III bij het aangaan van de Credit Facility Agreement op 28 december 2020 kon voorzien dat er een situatie zou ontstaan waarin zij niet al haar schuldeisers volledig zou kunnen voldoen. De curator heeft echter niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat ten tijde van het verrichten van deze rechtshandeling het faillissement van Sandwich III en het tekort daarin met een redelijke mate van waarschijnlijkheid waren te voorzien. Datzelfde geldt voor de rechtshandeling van 28 december 2021, waarbij de termijn van de Credit Facility Agreement is verlengd tot 30 juni 2022. Aangezien Sandwich III door deze beide overeenkomsten, waarbij haar een financiering werd verstrekt tegen een rente van 1% per jaar, in staat was haar schuldeisers te betalen, had het op de weg van de curator gelegen om haar beroep op de pauliana te onderbouwen met concrete stellingen. Nu de curator dat heeft nagelaten, kan een beroep op vernietiging van beide Credit Facility Agreements op grond van de pauliana niet slagen.
5.16.
Het voorgaande betekent dat de vorderingen van de curator onder 3a) onder e. en j. zullen worden afgewezen voor zover deze vorderingen op de pauliana zijn gebaseerd.
De Omnibus Deed of Pledge van 2 september 2020
5.17.
Op 2 september 2020 heeft Sandwich III aan FSCP pandrechten verleend op haar activa. In deze Omnibus Deed op Pledge wordt Sandwich III onder (I) genoemd als een van de partijen bij deze overeenkomst en aangeduid als ‘Pledgor’. Dat in de definitie van het begrip “Pledgor” op pagina 9 van deze pandakte de pandgevers worden omschreven als de partijen (A) tot en met (F) kan naar het oordeel van de rechtbank als een kennelijke verschrijving worden beschouwd. De rechtbank verwerpt dan ook het standpunt van de curator dat Sandwich III met deze Deed of Pledge geen rechtsgeldig pandrecht aan FSCP heeft verleend, omdat Sandwich III niet valt onder de definitie van ‘Pledgor’ zoals omschreven op pagina 9.
5.18.
Aangenomen dat het op 2 september 2020 verleende pandrecht een onverplichte rechtshandeling is geweest, zoals de curator stelt, dan kan deze enkele omstandigheid niet tot vernietiging op grond van artikel 42 Fw leiden, omdat de curator onvoldoende heeft onderbouwd dat ook aan de overige vereisten voor een geslaagd beroep op artikel 42 Fw is voldaan. De enkele verlening van een pandrecht voor een financiering leidt niet tot benadeling van schuldeisers. FSCP heeft van Sandwich III zekerheden verlangd voor de terugbetaling van de aan Sandwich III verstrekte financiering. Dat is niet ongebruikelijk. Ook voor een financiering door een derde had Sandwich III zekerheden moeten verstrekken. De curator heeft niet gesteld dat de voorwaarden waaronder FSCP de financiering aan Sandwich III heeft verstrekt ongunstiger zijn dan de voorwaarden waaronder Sandwich III de financiering van een derde had kunnen verkrijgen. Waarom de zekerheden die Sandwich III vervolgens op 2 september 2020 aan FSCP heeft verstrekt tot benadeling van de schuldeisers van Sandwich III zou leiden, zoals de curator stelt, is de rechtbank bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing dan ook niet duidelijk. Bovendien is ook met betrekking tot deze rechtshandeling niet onderbouwd dat er sprake is van wetenschap van benadeling. Dat betekent dat het beroep op vernietiging van deze pandakte op grond van de pauliana niet kan slagen.
5.19.
Het voorgaande betekent dat de vordering van de curator onder 3a) onder d. zal worden afgewezen voor zover deze vordering op de pauliana is gebaseerd.
5.20.
Op 1 mei 2021 heeft FSCP haar overeenkomst met Sandwich III van 29 april 2020 en de daarbij behorende Credit Facility Agreement van 31 december 2020 overgedragen aan [vader] , die deze overeenkomsten op 31 juli 2021 heeft overgedragen aan FEWCH.
5.21.
Contractoverneming heeft tot gevolg dat de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en alle daaraan verbonden nevenrechten worden overgedragen aan een derde. Tot deze nevenrechten behoren ook pandrechten. Dat betekent dat de door Sandwich III op 2 september 2020 aan FSCP verleende pandrechten voor de door FSCP aan Sandwich III verstrekte financiering na de contractsovername op 1 mei 2021 kunnen worden uitgeoefend door [vader] en, na de contractsovername op 31 juli 2021, door FEWCH.
De Omnibus Deed of Pledge van 15 augustus 2021
5.22.
Na de contractsovername op 31 juli 2021 heeft Sandwich III op 15 augustus 2021 een pandrecht verstrekt aan FEWCH. Deze Omnibus Deed of Pledge heeft dezelfde inhoud als de Omnibus Deed of Pledge van 2 september 2020. De curator acht ook deze rechtshandeling van 15 augustus 2021 paulianeus. Ook op dit punt mocht van de curator verwacht worden dat zij concreet zou stellen en onderbouwen waarom aan de vereisten voor dat beroep op de pauliana is voldaan. Dat geldt zeker nu voor de aan FEWCH overgedragen vordering op Sandwich III op 2 september 2020 al pandrechten waren verleend. Het is dus maar de vraag of de pandakte van 15 augustus 2021 nodig is geweest. Nu de onderbouwing van de curator ontbreekt, en ook niet duidelijk is op welke rechtsgrond zij vernietiging vordert, kan het beroep de pauliana niet slagen.
5.23.
Het voorgaande betekent dat de vordering van de curator onder 3a) onder i. zal worden afgewezen voor zover deze vordering op de pauliana is gebaseerd.
De contractsovernemingen van 25 november 2022
5.24.
Op 25 november 2022 heeft FEWCH de Credit Facility Agreement met einddatum van 30 juni 2022 overgedragen aan WomFam. Sandwich III heeft haar medewerking daaraan verleend door deze mee te tekenen. Gesteld noch gebleken is dat Sandwich III daartoe verplicht was, zodat er sprake is van een onverplichte rechtshandeling. Door deze contractovername is FEWCH als financier vervangen door WomFam. Gesteld noch gebleken is dat dit tot benadeling van schuldeisers heeft geleid, zodat het beroep van de curator op artikel 42 Fw niet kan slagen.
5.25.
Het voorgaande betekent dat de vordering van de curator onder 3a) onder m. zal worden afgewezen.
5.26.
Op 25 november 2022 is er nog een overeenkomst tot contractovername gesloten tussen WomFam als overnemer en een groot aantal vennootschappen, waaronder FEWCH, als overdrager. Bij deze overeenkomst draag FEWCH ‘diverse overeenkomsten’ die zij ‘als gevolg van contractovername heeft verworven’ over aan WomFam. De curator doet ook met betrekking tot deze overeenkomst een beroep op vernietiging op grond van pauliana. Het is de rechtbank niet duidelijk waarom deze overeenkomst is gesloten en welke – in het kader van deze procedure belangrijke – overeenkomsten FEWCH aan WomFam heeft overgedragen. Nu de curator niet heeft gesteld, laat staan onderbouwd, tot welke vordering de vernietiging van deze overeenkomst leidt, heeft de curator geen belang bij vernietiging van deze overeenkomst.
5.27.
Het voorgaande betekent dat de vordering van de curator onder 3a) onder n. zal worden afgewezen voor zover deze vordering op de pauliana is gebaseerd.
Mededeling pandrecht WomFam van 22 december 2022
5.28.
Op 22 december 2022 heeft WomFam aan Sandwich III, SF Group, Manfort, WCH B.V., [bedrijf 2] , [bedrijf 1] , Studio East Ltd. en Woclo meegedeeld dat alle vordering die deze vennootschappen op elkaar hebben zijn verpand aan WomFam en na deze mededeling aan WomFam moeten worden voldaan. Ook met betrekking tot deze rechtshandeling heeft de curator een beroep gedaan op vernietiging. Voor zover de curator bedoeld heeft een beroep te doen op de artikelen 42 en 47 Fw kan dit beroep niet slagen, aangezien de mededeling geen rechtshandeling is van Sandwich III.
5.29.
Het voorgaande betekent dat de vordering van de curator onder 3a) onder o. zal worden afgewezen voor zover deze vordering op de pauliana is gebaseerd.
De Omnibus Deed of Pledge van 20 april 2020
5.30.
Naast een vordering uit hoofde van de overeengekomen vergoeding voor de verpande activa, zoals omschreven in de overeenkomsten van 29 april 2020 en 18 mei 2020, had FSCP – zo stellen [partijen 1 en 2] en WomFam c.s. – nog een vordering op Sandwich III uit hoofde van verstrekte liquide middelen. Voor zover partijen daarmee de korte lopende geldlening hebben bedoeld die FSCP op 20 april 2020 aan Sandwich III heeft verstrekt ter dekking van de eerste kosten, geldt dat dit bedrag van € 400.000,00 door Sandwich III al in juni 2020 aan FSCP is terugbetaald. Dat betekent dat de curator geen belang meer heeft bij de door haar gevorderde vernietiging van het pandrecht, dat bij de Omnibus Deed of Pledge van 20 april 2020 voor de kortlopende geldlening is verleend. Voor zover dit pandrecht ook verleend mocht zijn voor andere, nog toekomstige, betalingsverplichtingen uit welke hoofde dan ook, zoals WomFam c.s. stelt, geldt dat de curator haar belang bij een beroep op vernietiging van de Omnibus Deed of Pledge voor deze betalingsverplichtingen onvoldoende heeft onderbouwd. Voor de betalingsverplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomsten van 29 april 2020 en 18 mei 2020 zijn namelijk bij de Omnibus Deed of Pledge van 1 september 2020 pandrechten verleend aan FSCP.
5.31.
Het voorgaande betekent dat de vordering onder 3a) onder zzzz zal worden afgewezen voor zover deze vordering op de pauliana is gebaseerd.
5.32.
Voor zover FSCP nog andere aanvullende financiering mocht hebben verstrekt, kunnen eventuele daaruit voortvloeiende vorderingen niet door WomFam te gelde worden gemaakt, omdat gesteld noch gebleken is dat deze vorderingen aan WomFam zijn overgedragen. Uit de opeenvolgende overeenkomsten van 1 mei 2021, 31 juli 2021 en 25 november 2022 blijkt dat FSCP – via [vader] en FEWCH – aan WomFam alleen de contracten heeft overgedragen die betrekking hebben op de door Sandwich III verschuldigde vergoeding voor de verpande activa.
5.33.
Het onderhavige geschil tussen de curator en WomFam betreft dan ook alleen de vordering uit hoofde van de op 29 april 2020 en 18 mei 2020 overeengekomen vergoeding voor de verpande activa en niet een eventuele vordering uit hoofde van aanvullende financiering.
5.34.
De curator betwist zowel de (hoogte van de) vordering van WomFam uit hoofde van de overeengekomen vergoeding als het door WomFam gestelde pandrecht dat daarvoor verleend is op de activa van Sandwich III.
5.35.
Voor zover de curator zich op het standpunt stelt dat WomFam geen pandrecht heeft op de door Sandwich III uit de faillissementsboedel van Sandwich II gekochte activa, verwerpt de rechtbank dit standpunt. De curator van Sandwich II heeft het pandrecht van FSCP op deze activa immers erkend. Het pandrecht was aan FSCP verleend voor haar vordering op Sandwich II uit hoofde van de groepsfinanciering. Sandwich III was op grond van de koopovereenkomst van 22 april 2020 gehouden het pandrecht van FSCP te respecteren.
5.36.
Sandwich III heeft een deel van de overeengekomen vergoeding voor de verpande activa aan FSCP betaald en een deel daarvan gebruikt als werkkapitaal. Voor de vordering uit hoofde van deze verschuldigd gebleven vergoeding heeft Sandwich III pandrechten verstrekt op haar activa. Zoals hiervoor is overwogen, zijn de verpandingen die vóór 25 november 2022 – de datum waarop de rechten en verplichtingen uit de Credit Facility Agreements door FEWCH aan WomFam zijn overgedragen en WomFam de positie van de financier/pandhouder heeft overgenomen – hebben plaatsgevonden via de Omnibus Deed of Pledge van 2 september 2020 en 15 augustus 2021 niet vernietigbaar op grond van de pauliana.
Het pandrecht van 29 december 2022
5.37.
Sandwich III heeft bij notariële akte van 29 december 2022 een openbaar pandrecht aan WomFam verstrekt op haar vorderingen terzake de NOW- en TVL-gelden.
5.38.
De curator betwist dat WomFam een rechtsgeldig pandrecht heeft verkregen op de vordering van Sandwich III uit hoofde van de NOW- en TVL-regeling. Volgens de curator zijn vorderingen uit hoofde van coronasteunregelingen niet verpandbaar. Ter onderbouwing van haar stelling dat deze vorderingen wel verpandbaar zijn, verwijst WomFam naar een recente uitspraak van de rechtbank [plaats] van 26 juni 2024 waarin is geoordeeld dat noch de wet, noch de aard van de vordering, zich tegen overdracht van een vordering uit hoofde van de NOW-regeling en TVL-regeling verzet als bedoeld in artikel 3:83 lid 1 BW, zodat deze subsidievorderingen op grond van artikel 3:228 BW verpandbaar zijn.
5.39.
De rechtbank ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank [plaats] . De Hoge Raad heeft inmiddels ook geoordeeld dat de NOW- en TVL-gelden overdraagbaar zijn en daarmee verpandbaar. Dat betekent dat deze subsidievorderingen verpandbaar zijn, in ieder geval voor zover deze vorderingen zijn ontstaan vóór datum faillissement.
5.40.
Voor wat betreft het na datum faillissement door de curator ontvangen bedrag van € 302.169,00 aan NOW- en TVL-gelden, verschillen partijen van mening over het antwoord op de vraag of de vordering tot nabetaling uit hoofde van de definitieve vaststelling van de NOW/TVL-gelden is ontstaan na datum faillissement. De curator verwijst in dit verband naar het advies van prof. mr. [persoon 3] van 10 december 2024. Volgens [persoon 3] zijn in het onderhavige geval de NOW- en TVL-vorderingen eerst na datum faillissement met de definitieve toekenning van de subsidie door het UWV respectievelijk RVO ontstaan en heeft WomFam geen pandrecht op de desbetreffende vorderingen verkregen. De curator heeft na datum faillissement de financiële gegevens en informatie verstrekt, waaronder accountants- en derdenverklaringen, die vereist zijn voor de definitieve toekenning van de subsidie. Zonder deze gegevens zouden de door Sandwich III aangevraagde NOW- en TVL-subsidies op nihil zijn gesteld. Niet alleen zou dan geen aanspraak zijn ontstaan op uitkering van het bedrag dat de eerder aan Sandwich III toegekende voorschotten te boven gaat (het meerdere), maar Sandwich III zou bovendien de verplichting hebben gehad tot terugbetaling van de eerder toegekende en ontvangen voorschotten. Deze aanspraak op het meerdere ontstaat volgens [persoon 3] pas nadat de voor de definitieve vaststelling vereiste gegevens zijn aangeleverd en op basis daarvan de subsidiebedragen zijn berekend en vastgesteld. Vóór dat moment kan de aanspraak op het meerdere niet worden gekwalificeerd als een reeds bestaande vordering onder de opschortende voorwaarde dat nadien tijdig aan alle vereisten voor de definitieve berekening en vaststelling van de subsidie zou worden voldaan, noch als een bestaande vordering waarvan slechts de omvang behoeft te worden bepaald of berekend. WomFam heeft hier onvoldoende tegenin gebracht, zodat de rechtbank met de curator van oordeel is dat WomFam geen pandrecht heeft verkregen op de NOW- en TVL-gelden die de curator in het kader van de definitieve vaststelling van de subsidie na datum faillissement heeft ontvangen.
5.41.
Het vorenoverwogene brengt mee dat de incidentele vordering van WomFam tot het separeren van de door de curator ontvangen NOW- en TVL-gelden wordt afgewezen.
5.42.
Voor wat betreft het door WomFam gestelde pandrecht op de subsidievorderingen die voor datum faillissement zijn ontstaan, geldt het volgende.
5.43.
Sandwich III heeft in de periode van 30 maart 2021 tot en met 25 april 2022 een voorschot op de NOW-gelden ontvangen van in totaal € 1.380.653,00 en op 8 februari 2023 een voorschot op de TVL-gelden van € 952.000,00. Met de incassering door Sandwich III van haar vordering uit hoofde van de NOW- en TVL-regeling zijn eventuele door WomFam verkregen stille pandrechten op deze – ten tijde van de verpanding nog toekomstige – vorderingen tenietgegaan. Het pandrecht komt niet op de geïnde bedragen te rusten en de pandhouder komt ter zake de geïnde bedragen geen voorrang toe. Om die reden behoeft de vraag of WomFam een stil pandrecht op deze vorderingen heeft verkregen door de registratie op 16 februari 2021 van de pandakte van 2 september 2020 en/of de registratie op 13 juli 2022 van de pandakte van 15 augustus 2021 geen bespreking meer. Voor wat betreft de openbare verpanding op 29 december 2022 geldt dat deze alleen betrekking kan hebben op (het voorschot op) de TVL-gelden die Sandwich III op 8 februari 2023 heeft ontvangen. Na ontvangst van dit bedrag van € 952.000,00 heeft Sandwich III dezelfde dag een bedrag van € 330.000,00 aan WomFam betaald. Op 12 februari 2023 heeft Sandwich III haar faillissement aangevraagd.
5.44.
WomFam stelt gerechtigd te zijn tot het bedrag van € 330.000,00, omdat zij een opeisbare vordering op Sandwich III had en op 29 december 2022 een openbaar pandrecht had verkregen op de vordering van Sandwich III uit hoofde van de NOW- en TVL-regeling. De curator betwist met een beroep op de artikelen 42 en 47 Fw de rechtsgeldigheid van het openbaar pandrecht van 29 december 2022. Bij conclusie van repliek voegt zij daaraan toe dat een eventueel pandrecht door de betaling van de TVL-gelden op de bankrekening van Sandwich III teniet is gegaan.
5.45.
Voor de beoordeling van de vraag of WomFam op grond van het openbaar pandrecht van 29 december 2022 gerechtigd is tot het bedrag van € 330.000,00, is van belang dat dit pandrecht tot stand is gekomen door mededeling daarvan aan de RVO op 30 januari 2023. Door deze mededeling was WomFam op grond van artikel 3:246 BW met uitsluiting van Sandwich III bevoegd tot inning van het voorschot op de TVL-gelden en kon er alleen nog maar aan WomFam bevrijdend worden betaald. De gelden zijn echter door Sandwich III geïncasseerd en niet door WomFam. Gesteld noch gebleken is dat Sandwich III de bedragen met toestemming van WomFam heeft geïncasseerd. WomFam stelt slechts dat partijen de afspraak hadden gemaakt dat Sandwich III de door haar ontvangen gelden aan WomFam zou afdragen ter aflossing van de vordering van WomFam uit hoofde van de financiering. Deze afspraak is Sandwich III niet (volledig) nagekomen. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat WomFam niet met een beroep op haar openbaar pandrecht van 29 december 2022 aanspraak kan maken op het aan haar uitgekeerde bedrag van € 330.000,00. De vraag of dit pandrecht vernietigbaar is op grond van de pauliana behoeft dan ook geen bespreking.
5.46.
Het voorgaande betekent dat bij gebrek aan enig belang bij de vernietiging van deze openbare verpanding van 29 december 2022 de vordering van de curator 3a) onder p. zal worden afgewezen voor zover deze vordering op de pauliana is gebaseerd.
De Omnibus Deed of Pledge van 14 januari 2023
5.47.
Na de contractsovername op 25 november 2022 heeft Sandwich III op 14 januari 2023 een pandrecht verstrekt aan WomFam. Deze Omnibus Deed of Pledge heeft dezelfde inhoud als de eerder aan FSCP en FEWCH verleende Omnibus Deed of Pledge van respectievelijk 2 september 2020 en 15 augustus 2022. Ook deze rechtshandeling acht de curator paulianeus. Gelet op de eerder verleende pandakten van 2 september 2020 en 15 augustus 2021, is zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet duidelijk waarom deze pandakte van 14 januari 2023 leidt tot benadeling van de schuldeisers van Sandwich III. De rechtbank verwijst verder naar hetgeen zij hiervoor in rechtsoverweging 5.22 heeft overwogen.
5.48.
Het voorgaande betekent dat de vordering van de curator onder 3a) onder r. zal worden afgewezen voor zover deze vordering op de pauliana is gebaseerd.
De registraties van de pandaktes op 3 februari 2023 en 13 februari 2023 en de volmacht van 25 januari 2023
5.49.
WomFam heeft de pandakte van 14 januari 2023 op 3 februari 2023 laten registeren en FEWCH heeft de pandakte van 15 augustus 2021 nog een keer op 13 februari 2023 laten registreren. De curator heeft met betrekking tot deze registraties een beroep gedaan op de pauliana. In het kader daarvan is tussen partijen de discussie ontstaan of de registratie van een pandakte een rechtshandeling of een feitelijke handeling is.
5.50.
Indien er sprake is van een onderhandse pandakte, zoals in het onderhavige geval, dan is de vestiging van een stil of bezitloos pandrecht pas voltooid door registratie van deze pandakte bij de Belastingdienst, zo volgt uit de artikelen 3:237 lid 1 BW en 3:239 lid 1 BW jo. art. 1 lid 2 sub b Registratiewet 1970. Het pandrecht komt tot stand op het tijdstip van aanbieding ter registratie (art. 5 Registratiewet). De rechtbank is van oordeel dat de registratie van de pandakte een feitelijke handeling is en geen rechtshandeling, zoals de curator stelt. Een rechtshandeling vereist een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard (artikel 3:33 BW). De wil om een pandrecht te vestigen wordt geopenbaard in de pandakte, waarmee partijen beogen een pandrecht tot stand te brengen. De pandakte bevat de wilsovereenstemming van partijen. Dat voor voltooiing van de vestiging van een stil of bezitloos pandrecht registratie van de pandakte nodig is, maakt de registratie nog geen rechtshandeling. De registratie is een administratieve handeling waartoe zowel de pandgever als de pandhouder bevoegd is en bevat geen wilsverklaring gericht op een ander rechtsgevolg dan al beoogd was met de pandakte.
5.51.
Maar ook al zou de registratie van de pandakte een rechtshandeling zijn, dan kan dit de curator niet baten. Uit de door de curator overgelegde producties 80 en 81 blijkt dat de registraties hebben plaatsgevonden door WomFam en FEWCH. Dat betekent dat de curator deze handelingen niet kan vernietigen op grond van de artikelen 42 en 47 Fw. Dat zou mogelijk anders zijn, als WomFam en FEWCH deze registraties zouden hebben verricht namens Sandwich III op basis van een daartoe verstrekte volmacht. De curator wijst in haar conclusie van repliek in conventie naar een ‘overeenkomst van beweerdelijk 25 januari 2023 waarin [persoon 1] namens Sandwich III WomFam een volmacht geeft’, om deze dan vervolgens te vernietigen op grond van de artikelen 42 en 47 Fw, maar legt deze volmacht niet over. WomFam neemt bij conclusie van dupliek aan dat de curator doelt op de door WomFam bij conclusie van antwoord overgelegde brief van 25 januari 2023. In deze brief leest de rechtbank niet dat er door Sandwich III een volmacht aan WomFam wordt verleend om de pandaktes te registreren. Bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing gaat de rechtbank er dan ook van uit dat de registraties niet hebben plaatsgevonden door of namens Sandwich III, zodat de curator, ook indien er sprake zou zijn geweest van een rechtshandeling, geen beroep had kunnen doen op de artikelen 42 of 47 Fw.
5.52.
Het voorgaande betekent dat de vorderingen van de curator onder 3a) onder s. en y. zullen worden afgewezen voor zover deze vorderingen zijn gebaseerd op de pauliana. Ook de vordering onder zzz, zal worden afgewezen, nu onvoldoende gesteld noch gebleken is dat er op 25 januari 2023 een volmacht is verleend aan WomFam, en voor zover deze al verleend, dat de curator een belang heeft bij de door haar gevorderde vernietiging.
5.53.
De rechtbank komt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen tot de conclusie dat WomFam een rechtsgeldig pandrecht heeft verkregen op de activa van Sandwich III.
Tussenconclusie
5.54.
Gelet op voormelde vaststellingen, zullen de vorderingen van de curator onder 3a) onder b., c., d., e., i., j., l., m., n., o., p., r., s., y., zzz. en zzzz. worden afgewezen voor zover deze op de pauliana zijn gegrond. Ook zal worden afgewezen de incidentele vordering van WomFam tot het separeren van de NOW- en TVL-gelden. De rechtbank zal hierna de (overige) vorderingen van partijen bespreken. Daarbij is het uitgangspunt, zoals hiervoor is vastgesteld, dat WomFam een rechtsgeldig pandrecht heeft verkregen op de activa van Sandwich III en dat het geschil tussen de curator en WomFam alleen de vordering uit hoofde van de op 29 april 2020 en 18 mei 2020 overeengekomen vergoeding voor de verpande activa betreft.
De rechten van WomFam
De vordering van WomFam
5.55.
De rechtbank moet beoordelen of Sandwich III betalingen aan WomFam heeft verricht die vernietigd kunnen worden en terugvloeien in de boedel. Daarvoor moet de vraag worden beantwoord of WomFam een vordering op Sandwich III heeft uit hoofde van de overeengekomen vergoeding en wat de hoogte van die vordering dan is. Bij conclusie van antwoord gaf WomFam aan inzage nodig te hebben in de administratie van Sandwich III om de hoogte van haar vordering te kunnen vaststellen. Naar aanleiding van de discussie daarover met de curator heeft WomFam van [persoon 1] de beschikking gekregen over dat deel van de administratie van Sandwich III en FSCP waarover [persoon 1] in zijn hoedanigheid van bestuurder van Sandwich III en bewaarder van de administratie van FSCP nog beschikt. WomFam stelt dat met deze administratieve stukken van Sandwich III en FSCP en de administratie en bankmutaties van WomFam, de hoogte van de vordering van WomFam nader kan worden onderbouwd. Onder verwijzing naar het door (de heer [persoon 4] , de consultant van) [persoon 1] gemaakte Excel-overzicht en de daarop gegeven toelichting van [persoon 1] stelt WomFam dat zij nog een vordering heeft van in ieder geval € 2.939.149,00. Het – alsnog – verkrijgen van een gedeelte van de administratie van Sandwich III is voor WomFam aanleiding om haar vordering in het incident te wijzigen en alleen nog inzage te vragen in Vertilinq, de voorraadadministratie van Sandwich III.
5.56.
De rechtbank stelt vast dat volgens de toelichting van [persoon 1] Sandwich III een bedrag van € 5.918.525,00 aan de financier zou hebben moeten betalen. Dit bedrag betreft de opbrengsten verminderd met de redelijke kosten en bestaat uit de posten ‘Cash geint op oude debiteuren’ en ‘Resultaat winst- en verliesrekening’. Deze laatste post is volgens de toelichting daarop het resultaat in het kader van de voorraad. Op dit bedrag moet in mindering worden gebracht het bedrag dat al aan de financier is betaald. Dit is een bedrag van € 2.979.375,00 en bestaat uit de posten ‘Ontvangen van / (betaald aan) financier’, ‘Cash geint op oude debiteuren door FSCP’ en ‘Cash geint op nieuwe debiteuren door Financier’. Het verschil tussen beide bedragen is € 2.939.150,00 (hierna: het saldo van de financiering). Op pagina 1 van de toelichting staan de uitgangspunten voor de berekening van het saldo van de financiering. WomFam stelt dat de berekening van de vordering zoals deze uit de toelichting en het Excel-overzicht volgt een juiste weergave is van de kredietafspraken tussen de financier en Sandwich III. Een nadere toelichting kan daarop volgens WomFam worden gegeven door de [persoon 1] , zijn consultant de heer [persoon 4] , [persoon 2] en – vanwege zijn leeftijd, schriftelijk – [vader]
5.57.
De post ‘resultaat winst- en verliesrekening’ wordt onderbouwd door de in de toelichting op pagina 5 opgenomen winst- en verliesrekening. De rechtbank begrijpt hieruit dat ook de opbrengst van de nieuwe voorraad is meegenomen in de berekening van het resultaat waarop de financier recht heeft. Partijen hebben echter op 29 april 2020 afgesproken dat de vergoeding bestaat uit de opbrengst van de oude verpande voorraad verminderd met de redelijke kosten. Op 18 mei 2020 hebben partijen voor het vaststellen van die vergoeding een rekenmethode bedacht. Het is die rekenmethode, zo begrijpt de rechtbank, die ten grondslag ligt aan de berekening van de post ‘Resultaat winst- en verliesrekening’. Die rekenmethode is de rechtbank echter niet duidelijk geworden, ook niet na de toelichting daarop, die tijdens de mondelinge behandeling is gevraagd en door [persoon 1] is gegeven. [persoon 1] en WomFam zullen daarom nog in de gelegenheid worden gesteld hierover bij akte duidelijkheid te verschaffen.
5.58.
De door Sandwich III op 22 april 2020 gekochte verpande activa bestond uit vorderingen, voorraad en inventaris. Het is de rechtbank niet duidelijk of de opbrengst van de inventaris, die door Sandwich III aan FSCP is verkocht, is meegenomen in de berekening van het bedrag waarop de financier recht heeft. Hiervoor is in ieder geval geen aparte post opgenomen. Ook hierover mogen [persoon 1] en WomFam zich nog bij akte uitlaten.
5.59.
Voor wat betreft het bedrag dat al aan de pandhouder is afgelost en in mindering strekt op het bedrag waarop de pandhouder recht heeft, is niet duidelijk:
– of in het bedrag dat door de pandhouder in 2023 is geïnd ook de bedragen zijn meegenomen die WomFam na datum faillissement heeft geïnd,
– of in het bedrag dat in 2022 en 2023 is geïnd ook de bedragen zijn meegenomen die door groepsvennootschappen aan WomFam zijn betaald na de mededeling verpanding van 22 december 2022 door WomFam, zoals het door [bedrijf 2] op 9 februari 2023 aan WomFam betaalde bedrag van € 140.000,00,
– of het bedrag van € 1.896.500,00 dat volgens [persoon 1] geparkeerd stond bij SF Group is meegenomen in het afgeloste bedrag,
– of rekening is gehouden met betalingen door Sandwich III aan andere vennootschappen op verzoek van de pandhouder, zoals bedoeld in de brief van mr. Froger van 13 april 2023.
[persoon 1] en WomFam zullen nog in de gelegenheid worden gesteld hierover bij akte duidelijkheid te verschaffen.
5.60.
WomFam heeft het Excel-overzicht en de daarop gegeven toelichting pas in het geding gebracht bij conclusie van dupliek. Daardoor heeft de curator daar nog niet op kunnen reageren. Gezien het belang van dit rapport zal de rechtbank de curator daartoe alsnog in de gelegenheid stellen. Voordat de rechtbank daartoe overgaat, zal de rechtbank eerst de vordering van WomFam in het voorwaardelijk incident behandelen.
Vordering in voorwaardelijk incident WomFam – inzage in Vertilinq
5.61.
WomFam heeft in het voorwaardelijk incident verzocht om de curator te veroordelen tot openlegging van de administratie van Sandwich III zoals deze werd gehouden in Vertilinq. Nu de curator in deze procedure de (hoogte van de) vordering van WomFam uit hoofde van de overeengekomen vergoeding is blijven betwisten, is voldaan aan de voorwaarde waaronder deze vordering is ingesteld. Aangezien inzage in Vertilinq nodig is om een deugdelijke berekening te kunnen maken van de hoogte van de vordering van WomFam, heeft WomFam een voldoende en rechtstreeks belang bij haar vordering. De rechtbank zal de vordering daarom toewijzen, evenals de gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring. Er is geen reden om aan te nemen dat de curator deze veroordeling niet zal nakomen, zodat de rechtbank geen dwangsom aan deze veroordeling zal verbinden.
5.62.
WomFam heeft zich niet uitgelaten op welke wijze openlegging van de voorraadadministratie dient plaats te vinden. De rechtbank zal de curator bevelen WomFam inzage te geven in de voorraadadministratie Vertilinq, en wel binnen twee weken na datum vonnis. Vervolgens heeft WomFam vier weken de tijd de administratie te bestuderen en eventueel een nieuwe berekening te laten maken. Na die vier weken dient zij binnen twee weken een akte te nemen, waarbij zij – indien nodig – een nieuwe berekening in het geding kan brengen en een nadere toelichting kan geven op de berekening, zoals bedoeld in rechtsoverwegingen 5.57, 5.58 en 5.59. Vervolgens mogen de curator en [persoon 1] binnen zes weken bij akte van maximaal 10 pagina’s op deze akte van WomFam reageren. De rechtbank benadrukt dat de akte alleen mag worden gebruikt door partijen om zich uit te laten over de hoogte van de vordering van WomFam uit hoofde van de overeengekomen vergoeding, en niet over andere onderwerpen. De akte is uitdrukkelijk niet bedoeld om discussies tussen partijen, waarover de rechtbank zich in dit tussenvonnis heeft uitgelaten, opnieuw te openen dan wel alsnog de onderbouwing te geven die in eerdere schriftelijke rondes had moeten worden gegeven.
De betalingen aan WomFam
De betalingen door Sandwich III aan WomFam van € 650.000,00
5.63.
Sandwich III heeft op 31 december 2022 een bedrag van € 300.000,00 aan WomFam betaald en op 3 februari 2023 een bedrag van € 20.000,00. Na ontvangst van de TVL-gelden heeft Sandwich III op 8 februari 2023 nog een bedrag van € 330.000,00 aan WomFam betaald. De curator stelt zich op het standpunt dat deze betalingen vernietigbaar zijn op grond van de pauliana. WomFam betwist dit en stelt gerechtigd te zijn tot deze bedragen van in totaal € 650.000,00, omdat zij een met zekerheden versterkte opeisbare vordering had op Sandwich III en daardoor gerechtigd was deze betalingen met voorrang boven andere schuldeisers te ontvangen.
5.64.
Bij de beoordeling van de vraag of de betalingen vernietigbaar zijn, neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat de vordering uit hoofde van de overeengekomen vergoeding opeisbaar was door het verstrijken van de looptijd van de Credit Facility Agreement op 30 juni 2022. Na de contractsovername op 25 november 2022 heeft [persoon 2] – daartoe gevolmachtigd door [vader] – namens WomFam aangedrongen op betaling van (een deel van) de opeisbare vordering. De door Sandwich III verrichte betalingen zijn dan ook aan te merken als verplichte rechtshandelingen, die alleen vernietigd kunnen worden met een beroep op artikel 47 Fw. In geschil is het antwoord op de vraag of er sprake is geweest van overleg tussen WomFam en Sandwich III, met als doel WomFam boven andere schuldeisers te begunstigen.
5.65.
Vast staat dat er vanaf 25 november 2022 tussen [persoon 2] en [persoon 1] overleg heeft plaatsgevonden over de (gedeeltelijke) aflossing van de financiering. WomFam stelt dat dit overleg zag op het feit dat WomFam het krediet zou opzeggen, indien Sandwich III niet zou overgaan tot betaling van de aan WomFam verpande NOW- en TVL-gelden als omvangrijke inlossing op de opeisbare schuld. [persoon 1] bevestigt dat de ontvangst van deze gelden een belangrijke rol heeft gespeeld in het overleg met [persoon 2] en stelt dat [persoon 2] verlangde dat Sandwich III de aanspraken op de NOW- en TVL-gelden tot zekerheid voor de aflossing van de Credit Facility aan WomFam zou verpanden. Sandwich III heeft daaraan meegewerkt. De toegezegde gelden bleven echter uit, waardoor de afspraak met WomFam niet tijdig kon worden nakomen. Uiteindelijk heeft Sandwich III de TVL-gelden pas op 8 februari 2023 ontvangen, aldus [persoon 1] .
5.66.
In afwachting van de TVL-gelden, zo begrijpt de rechtbank, heeft Sandwich III aan WomFam twee betalingen verricht ter aflossing van de opeisbare schuld, namelijk een bedrag van € 300.000,00 op 31 december 2022 en een bedrag van € 20.000,00 op 3 februari 2023. De rechtbank is van oordeel dat de curator het begunstigingsoogmerk met betrekking tot de betalingen van € 300.000,00 en € 20.000,00 onvoldoende heeft onderbouwd. Het enkele feit dat er tussen partijen overleg heeft plaatsgevonden over de aflossing van de financiering en WomFam Sandwich III daarbij onder druk heeft gezet, is onvoldoende om van samenspanning te kunnen spreken. De betalingen aan WomFam zijn dan ook niet vernietigbaar op grond van artikel 47 Fw.
5.67.
Het voorgaande betekent dat de vorderingen van de curator onder 3) onder q. en t. zullen worden afgewezen voor zover deze op de pauliana zijn gegrond.
5.68.
[persoon 1] stelt – onder meer in zijn relaas – dat de omzet in de weken voorafgaand aan de betaling van de TVL-gelden behoorlijk achterbleef, waardoor hij een belangrijk deel van de TVL-gelden nodig had om de onderneming te financieren. Daarom heeft hij de druk van WomFam weerstaan en niet het gehele bedrag aan WomFam afgedragen, maar slechts een bedrag van € 330.000,00. De rest van de ontvangen TVL-gelden heeft hij gebruikt om vennootschappen uit de Sandwich-groep te betalen, zoals PTG Companies, Woclo en Perfaso, en verder de Belastingdienst, het pensioenfonds, verhuurders en reguliere handelsdebiteuren. Ter rechtvaardiging van de betaling aan de groepsvennootschappen stelt [persoon 1] dat dit leveranciers waren van goederen en diensten met lang openstaande vorderingen, die meer dan 80% van de totale schuldenlast van Sandwich III vertegenwoordigden, en dat betaling van deze crediteuren nodig was om de onderneming overeind te houden. De betalingen aan WomFam en de overige crediteuren waren dan ook gericht op de continuïteit van de onderneming. Daarbij ging hij ervan uit dat hij met WomFam nieuwe afspraken kon maken over de aflossing van de financiering, omdat uit het taxatierapport van de NTAB bleek dat de voorraad de meeste waarde had als deze via Sandwich III kon worden verkocht, zodat WomFam gebaat was bij continuïteit van de onderneming. [persoon 2] bleek daartoe echter niet bereid te zijn en liet [persoon 1] weten dat hij van plan was om de voorraad in vuistpand te nemen en de winkels de voorraad ten behoeve van WomFam te laten uitverkopen. [persoon 1] stemde daar niet mee in. Na een laatste poging op zondagochtend om een op continuïteit van Sandwich III gerichte betalingsafspraak te maken, heeft hij op zondagmiddag 12 februari 2023 besloten om eigen aangifte te doen van het faillissement van Sandwich III, aldus [persoon 1] .
5.69.
De curator acht het relaas van [persoon 1] niet geloofwaardig. Onder verwijzing naar het rapport van NTBA, de in januari en februari geregistreerde pandaktes, de ‘focus’ op de TVL-gelden en het AVA-besluit dat ondertekend is op 29 januari 2023, stelt de curator zich bij conclusie van repliek op het standpunt dat het de bedoeling van partijen was om al twee weken eerder het faillissement aan te vragen. Verder betwist de curator onder verwijzing naar een brief van WomFam aan [persoon 1] van 10 februari 2023 dat [persoon 1] in de dagen van 8 tot en met 10 februari 2023 nog een reële verwachting had met betrekking tot de continuïteit van Sandwich III. Tot slot voert de curator aan dat het overleg tussen WomFam en Sandwich III vanwege hun zeer nauwe verbondenheid weldegelijk kwalificeert als samenspanning in de zin van artikel 47 Fw. In dit verband verwijst zij naar het arrest Cikam/Siemon, waarin vanwege de nauwe verbondenheid tussen de schuldeiser en schuldenaar voorshands, behoudends tegenbewijs, werd aangenomen dat zowel bij de schuldeiser als bij de schuldenaar de bedoeling heeft voorgezeten om de schuldeiser door de betaling aan haar ten nadele van de overige schuldeisers van de schuldenaar te bevoordelen.
5.70.
Dat er sprake is van zeer nauwe verbondenheid tussen schuldeiser en schuldenaar, zoals de curator stelt, is niet gebleken. Zowel WomFam als [persoon 1] betwist dat WomFam en Sandwich III aan elkaar gelieerd zijn. Zij stellen dat WomFam of haar aandeelhouder op geen enkele wijze, direct noch indirect, als aandeelhouder en/of bestuurder verbonden is aan Sandwich III. Ook de economisch belanghebbende (UBO) van WomFam is niet dezelfde als van Sandwich III. WomFam is een vennootschap van [vader] en [persoon 1] is nooit bestuurder van WomFam geweest. Gelet hierop is er naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen enkele reden om voorshands aan te nemen dat partijen het oogmerk hadden om WomFam boven de andere schuldeisers van Sandwich III te bevoordelen.
5.71.
Dat partijen de bedoeling hebben gehad om twee weken eerder het faillissement aan te vragen is evenmin gebleken. Dat kan in ieder geval niet worden afgeleid uit het feit dat [persoon 2] , naar de curator stelt, het NTAB opdracht heeft gegeven om de voorraad te taxeren. Het NTAB heeft de voorraad op 31 december 2022 immers niet alleen op liquidatiewaarde getaxeerd maar ook op onderhandse verkoopwaarde bij gelijkblijvende bestemming en gebruik. Gezien het grote verschil in waarde tussen beide scenario’s, is de stelling van [persoon 1] dat WomFam belang had bij continuïteit van de onderneming en [persoon 1] daardoor nog de verwachting had dat WomFam bereid was om aanvullende afspraken te maken, alleszins aannemelijk. Ook uit het AVA-besluit kan de bedoeling om het faillissement eerder aan te vragen niet worden afgeleid. [persoon 1] stelt dat de datum op de tweede pagina van dat besluit een verschrijving is en de datum op de eerste pagina (12 februari 2023) de werkelijke datum is waarop het besluit is genomen. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van deze verklaring van [persoon 1] , aangezien dit strookt met de brief van WomFam van 10 februari 2023, waarin WomFam aangeeft de voorraad in vuistpand te willen nemen vanwege het feit dat Sandwich III haar verplichtingen niet nakomt. Vanaf dat moment was volgens [persoon 1] het faillissement onvermijdelijk.
5.72.
De rechtbank is van oordeel dat het handelen van [persoon 1] niet wijst op samenspanning. Niet alleen is hij de afspraak met [persoon 2] om de ontvangen TVL-gelden volledig aan WomFam af te dragen niet nagekomen, maar hij heeft de TVL-gelden ook gebruikt om verschillende schuldeisers te voldoen. Dat laatste wijst erop dat het handelen van [persoon 1] gericht was op continuïteit van de onderneming. Gesteld noch gebleken is dat ook zonder het handelen van de pandhouder het faillissement onvermijdelijk was.
5.73.
Het voorgaande betekent dat de curator onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is geweest van het oogmerk tot begunstiging, zodat de betaling aan WomFam van
€ 330.000,00 niet vernietigbaar is op grond van artikel 47 Fw en de vordering van de curator onder 3a) onder u. op die grond zal worden afgewezen.
5.74.
Dat de curator ten aanzien van het bedrag van € 650.000,00 geen beroep toekomt op de pauliana betekent echter niet zonder meer dat WomFam recht had op deze betalingen. Of WomFam recht had op voornoemde betalingen van in totaal € 650.000,00 is afhankelijk van het antwoord op de vraag of WomFam ten tijde van die betalingen nog een vordering op Sandwich III had uit hoofde van de overeengekomen vergoeding. De beslissing op de vordering van de curator tot betaling van dit bedrag aan de boedel als bedoeld onder 6.1 zal daarom worden aangehouden in afwachting van de door partijen nog te nemen (antwoord)aktes.
De betaling door [bedrijf 2] aan WomFam van € 140.000,00
5.75.
De curator stelt dat [bedrijf 2] op 9 februari 2023 een schuld aan Sandwich III van € 140.000,00 aan WomFam heeft betaald. Deze betaling is verricht nadat WomFam op 22 december 2022 aan alle gelieerde vennootschappen mededeling heeft gedaan van haar pandrecht. WomFam voert als verweer aan dat deze betaling een zelfstandige betalingsverplichting van [bedrijf 2] is in verband met een aan [bedrijf 2] verrichte financiering. Voor zover de curator meent dat dit als een betaling aan Sandwich III heeft te gelden, komt deze betaling niet toe aan Sandwich III vanwege het aan [bedrijf 2] openbaar gemaakte pandrecht, aldus WomFam.
5.76.
WomFam heeft de door haar gestelde zelfstandige betalingsverplichting van [bedrijf 2] niet onderbouwd, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat het bedrag van
€ 140.000,00 ziet op een schuld van [bedrijf 2] aan Sandwich III. Gelet op het door Sandwich III aan WomFam verstrekte pandrecht op haar vorderingen op derden, waarvan WomFam op 22 december 2022 mededeling heeft gedaan aan [bedrijf 2] , was WomFam gerechtigd deze vordering van Sandwich III op [bedrijf 2] te innen en heeft [bedrijf 2] bevrijdend aan WomFam kunnen betalen. Van onverschuldigde betaling is dan ook geen sprake.
5.77.
Of WomFam recht heeft gehad op deze betaling van € 140.000,00 is eveneens afhankelijk van het antwoord op de vraag of WomFam ten tijde van die betaling nog een vordering op Sandwich III had uit hoofde van de overeengekomen vergoeding. De beslissing op de vordering van de curator tot betaling van dit bedrag aan de boedel als bedoeld onder 6.1 zal daarom worden aangehouden in afwachting van de door partijen nog te nemen (antwoord)aktes.
De debiteurenbetalingen aan WomFam van € 31.768,20
5.78.
De curator stelt verder dat debiteuren tussen datum faillissement en 24 februari 2023 een bedrag van in totaal € 31.768,20 aan WomFam hebben betaald. Dit bedrag hoort ten goede te komen aan de boedel van Sandwich III. Nu WomFam weigert opgaaf te doen van de door haar en de eerdere pandhouders ontvangen bedragen, heeft Sandwich III recht en belang bij een vordering ex artikel 843a Rv, nu uit de boekhouding van Sandwich III niet valt op te maken welke geldstromen vanuit haar debiteuren en gelieerde vennootschappen bij de opvolgend pandhouders terecht zijn gekomen.
5.79.
WomFam betwist dat dit bedrag aan de boedel toekomt. Zij stelt zich op het standpunt dat zij een rechtsgeldig pandrecht heeft verkregen op de debiteuren van Sandwich III, zodat het bedrag van € 31.768,20 niet onverschuldigd aan haar is betaald. Met betrekking tot de vordering op grond van artikel 843a Rv voert WomFam als verweer aan dat deze vordering door de curator niet wordt gemotiveerd en door haar niet wordt gespecificeerd welke bescheiden zij zou willen ontvangen.
5.80.
Zoals overwogen in rechtsoverweging 5.53, heeft WomFam een rechtsgeldig pandrecht verkregen. Dat betekent dat zij bevoegd is de vorderingen van Sandwich III op haar (handels)debiteuren te innen, voor zover dat nodig is voor het verhaal van haar vordering op Sandwich III. Of WomFam recht heeft op het door haar geïnde bedrag van
€ 31.768,20 is afhankelijk van het antwoord op de vraag of WomFam ten tijde van die betalingen nog een vordering op Sandwich III had uit hoofde van de overeengekomen vergoeding. De beslissing op de vordering van de curator tot betaling van dit bedrag aan de boedel als bedoeld onder 6.1 zal daarom worden aangehouden in afwachting van de door partijen nog te nemen (antwoord)aktes.
5.81.
In deze procedure zal nog moeten worden vastgesteld of WomFam een vordering heeft uit hoofde van de overeengekomen vergoeding en zo ja, hoe hoog deze vordering is. Bij de vaststelling daarvan spelen de over en weer tussen Sandwich III en de financier/pandhouder betaalde bedragen een belangrijke rol. Zoals hiervoor onder het kopje ‘de vordering van WomFam’ is overwogen, mogen partijen zich hierover nog uitlaten. De rechtbank gaat ervan uit dat de door WomFam onder haar pandrecht geïnde bedragen worden meegenomen in de berekening van de (nog resterende) vordering van WomFam.
Inzagevordering van de curator
5.82.
De vordering van de curator onder 6.4, om haar op grond van artikel 843a Rv inzage te verschaffen in de boekhouding, bankafschriften en relevante bescheiden van WomFam en FEWCH om de omvang van de aanspraken van de boedel van Sandwich III vast te kunnen stellen zoals bedoeld onder 6.3, zal worden afgewezen. De curator heeft onvoldoende onderbouwd dat aan de vereiste voor toewijzing van een dergelijk verzoek is voldaan. Zo heeft de curator onvoldoende gespecificeerd in welke bescheiden zij inzage wenst. Daar komt bij dat het inzagerecht alleen uitgeoefend kan worden met betrekking tot bescheiden waarover WomFam en FEWCH beschikken. Ter zitting heeft de curator haar eis gewijzigd, waardoor de vordering onder 6.3 nu ook ziet op de bedragen die aan de rechtsvoorgangers van WomFam en FEWCH zijn voldaan. De curator heeft echter niet gesteld dat WomFam en FEWCH beschikken over de bescheiden van hun rechtsvoorgangers.
Tussenconclusie
5.83.
In afwachting van de door partijen nog te nemen (antwoord)aktes, houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan op de vordering van de curator uit hoofde van onverschuldigde betaling zoals gevorderd onder 6.1 en 6.3. De vordering onder 6.4 zal worden afgewezen.
De aanspraak van FEWCH op de gesepareerde opbrengst van € 54.000,00
5.84.
Op 31 januari 2021 heeft Sandwich III haar inventaris aan FSCP verkocht voor een bedrag van € 60.500,00 inclusief btw. Dit bedrag is overgemaakt naar Sandwich III en de inventaris is geleverd op grond van artikel 3:115 sub a BW, zo stelt WomFam c.s., zodat Sandwich III over de inventaris kon blijven beschikken. WomFam c.s. stelt dat FSCP de aan haar verpande inventaris heeft gekocht omdat Sandwich III dringend liquide middelen nodig had.
5.85.
De curator stelt dat deze koopovereenkomst nietig is wegens strijd met het fiduciaverbod van artikel 3:84 lid 3 BW en dat zij de overeenkomst primair op die grond heeft vernietigd en subsidiair op grond van de pauliana, nu de koopprijs in geen enkele verhouding staat tot de waarde van de winkelinventaris. Zij voert verder aan dat niet is gebleken van een verkoop of eigendomsoverdracht van FSCP aan FEWCH.
5.86.
Op FEWCH rust de stelplicht en, zo nodig, de bewijslast van haar stelling dat zij eigenaar is van de inventaris die bij Sandwich III in gebruik is op grond van een tussen FEWCH en Sandwich III gesloten gebruiksovereenkomst. Uit het dossier blijkt echter niet dat FSCP haar eigendomsrechten aan FEWCH heeft overgedragen. Ook ter zitting heeft WomFam c.s. desgevraagd het eigendomsrecht van FEWCH niet kunnen onderbouwen. Dat betekent dat niet is komen vast te staan dat FEWCH eigenaar is geworden van de inventaris. Zij is dan ook niet gerechtigd tot de gesepareerde opbrengst van € 54.000,00.
5.87.
Het voorgaande betekent dat de curator geen belang heeft bij de gevorderde vernietiging van de tussen FEWCH en Sandwich III gesloten gebruiksovereenkomst van
31 december 2021, zodat de vorderingen van de curator onder 3a) onder k. en zz. zullen worden afgewezen. De vordering van de curator onder 3a) onder f. zal worden afgewezen omdat deze vordering niet is ingesteld tegen de koper van de inventaris, FSCP.
De aanspraak van WomFam op de gesepareerde opbrengst van € 54.000,00
5.88.
WomFam stelt dat indien niet FEWCH maar Sandwich III eigenaar is van de inventaris, de opbrengst toekomt aan WomFam. Ter onderbouwing van haar aanspraak op de opbrengst van de inventaris doet WomFam een beroep op haar pandrecht. Zij voert daartoe aan dat zij oorspronkelijk een bezitloos pandrecht had op de inventaris van Sandwich III. Bij brief van 25 januari 2023 heeft WomFam aangegeven dat indien Sandwich III niet aan haar verplichtingen voldoet, WomFam haar pandrecht op onder meer de inventaris zou uitoefenen en in vuistpand zou nemen. Op 10 februari 2023 heeft WomFam de aan haar verpande goederen daadwerkelijk opgeëist. Het faillissement van Sandwich III dateert van 14 februari 2023. Dat betekent dat de pandhouder voor datum faillissement de verpande inventaris heeft opgeëist, voordat sprake was van een bodemrecht van de Belastingdienst, waardoor WomFam als pandhouder zich rechtstreeks kan verhalen op de opbrengst en niet hoeft mee te delen in de algemene faillissementskosten, aldus WomFam.
5.89.
De curator betwist dit en voert als verweer aan dat zo WomFam al een bezitloos pandrecht op de inventaris zou hebben gehad, zij daarvan geen melding aan de Ontvanger heeft gedaan als bedoeld in artikel 22bis lid 2 van de Invorderingswet 1990 (IW 1990). De Belastingdienst heeft ook zonder bodembeslag een bodemvoorrecht op de opbrengst van bezitloos verpande inventariszaken voor onder meer haar vordering van ruim € 3.000.000,00 uit hoofde van de onbetaald gebleven loon- en omzetbelasting, aldus de curator.
5.90.
Het bodemrecht van de fiscus, dat is neergelegd in artikel 22 lid 3 IW 1990, geeft de Ontvanger een verhaalsrecht op bepaalde roerende zaken die zich op de bodem van de belastingschuldige bevinden, ongeacht wie de eigenaar is. Ter uitoefening van dit recht kan de Belastingdienst op deze roerende zaken beslag leggen. De Ontvanger heeft ook een bodemvoorrecht, neergelegd in artikel 21 IW 1990, op grond waarvan de Belastingdienst voorrang heeft op de opbrengst van bodemzaken. Dit voorrecht gaat boven het bezitloos pandrecht van de pandhouder op bodemzaken. De Belastingdienst hoeft in geval van faillissement van de belastingschuldige geen bodembeslag te leggen om voorrang te hebben boven de pandhouder bij de verdeling van de executie-opbrengst van de bezitloos verpande zaken, zoals de curator terecht stelt. De Belastingdienst heeft echter pas recht op deze executie-opbrengst voor zover de Belastingdienst niet uit het vrije actief kan worden voldaan. De rechten van de Belastingdienst worden op grond van artikel 57 lid 3 Fw door de curator uitgeoefend. Van belang is echter dat dit bodemvoorrecht alleen geldt voor roerende zaken die aan de belastingschuldige in eigendom toebehoren.
5.91.
Uit de standpunten van partijen begrijpt de rechtbank dat zowel WomFam als de curator ervan uitgaat dat als FEWCH geen eigenaar is, Sandwich III eigenaar is van de inventaris. De curator heeft ter zitting een beroep gedaan op artikel 3:119 BW en gesteld dat Sandwich III als bezitter van de inventaris wordt vermoed rechthebbende te zijn.
5.92.
Om een beroep te kunnen doen op het wettelijk vermoeden van artikel 3:119 BW, moet Sandwich III kunnen worden aangemerkt als bezitter van de inventaris. Uit artikel 3:107 BW volgt dat voor bezit nodig is dat Sandwich III de inventaris voor zichzelf houdt. Weliswaar geeft artikel 3:109 BW een wettelijk vermoeden dat degene die een goed houdt, vermoed wordt dit voor zichzelf te houden, maar uit artikel 3:108 BW vloeit voort dat alle omstandigheden van het geval hierbij in aanmerking moeten worden genomen.
5.93.
In het onderhavige geval is van belang dat Sandwich III na de verkoop van de inventaris een gebruiksovereenkomst heeft gesloten. Daaruit volgt dat Sandwich III de inventaris niet voor zichzelf hield. Dat die overeenkomst is gesloten met FEWCH en niet met FSCP, doet daar niet aan af.
5.94.
Aangezien FSCP haar eigendomsrechten niet heeft overgedragen, is zij eigenaar gebleven van de inventaris. De curator heeft onvoldoende onderbouwd dat de koopovereenkomst van 3 januari 2021 moet worden aangemerkt als een overdracht tot zekerheid. FSCP had al een pandrecht op deze inventaris, zodat zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet duidelijk is waarom daarop nog een zekerheid zou moeten worden verkregen. Het beroep van de curator op vernietiging van de koopovereenkomst kan evenmin slagen, omdat een actio pauliana moet worden ingesteld tegen alle bij de rechtshandeling betrokken partijen en FSCP niet in deze procedure is betrokken.
5.95.
FSCP is op 1 december 2021 ontbonden. Ingevolge artikel 2:19 lid 5 BW blijft een rechtspersoon na ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is. Uit het uittrekstel uit het handelsregister blijkt dat de FSCP is opgehouden te bestaan bij gebrek aan baten als bedoeld in artikel 2:19 lid 4 BW. Nu gebleken is dat FSCP ten tijde van haar ontbinding en uitschrijving uit het handelsregister nog een bate had die op grond van art. 2:19 lid 5 BW vereffend had moeten worden, is zij blijven voortbestaan.
5.96.
Door verkoop van de inventaris aan FSCP, is het pandrecht van FSCP daarop niet komen te vervallen, omdat de op 29 april 2020 overeengekomen vergoeding voor de verpande activa nog niet volledig was betaald. Het pandrecht op de inventaris is verbonden aan de vordering uit hoofde van de groepsfinanciering. Door de diverse contractsovernemingen is uiteindelijk WomFam pandhouder geworden van de inventaris. Hoewel de inventaris op de bodem van Sandwich III rustte, heeft de Belastingdienst daarop geen bodemvoorrecht, omdat de inventaris niet aan Sandwich III in eigendom toebehoort. De Belastingdienst had wel een bodemrecht op de inventaris, maar heeft dat bodemrecht niet uitgeoefend door beslag te leggen. De inventaris is door de curator verkocht. WomFam is op grond van haar pandrecht gerechtigd tot de executie-opbrengst.
5.97.
Dit leidt tot de slotsom dat WomFam aanspraak kan maken op de gesepareerde executieopbrengst van de verkochte inventaris, wanneer komt vast te staan dat WomFam (nog) een vordering heeft op Sandwich III. In afwachting van de daarover nog door partijen te nemen (antwoord)aktes, houdt de rechtbank iedere verdere beslissing over deze aanspraak van WomFam aan. Dat betekent dat de vordering van de curator onder 4) en de vordering van WomFam in voorwaardelijke reconventie ten aanzien van de opbrengst van de inventaris worden aangehouden.
De aanspraak van WomFam op de gesepareerde opbrengst van € 756.000,00
5.98.
Zoals hiervoor is overwogen, heeft WomFam een geldig pandrecht verkregen op de voorraden van Sandwich III. Zij kan dan ook aanspraak maken op de gesepareerde executie-opbrengst van de verkochte voorraden, wanneer komt vast te staan dat WomFam (nog) een vordering heeft op Sandwich III. In afwachting van de daarover nog door partijen te nemen (antwoord)aktes, houdt de rechtbank iedere verdere beslissing over deze aanspraak van WomFam aan. Dat betekent dat de vordering van de curator onder 4) en de vordering van WomFam in voorwaardelijke reconventie ten aanzien van de opbrengst van de voorraden worden aangehouden.
De vordering op SF Group
5.99.
De curator stelt dat uit interne administratie van Sandwich III volgt dat Sandwich III een aanzienlijke rekening-courantvordering op SF Group heeft van € 1.896.500,00. [partijen 1 en 2] en WomFam c.s. betwisten dit. Zij voeren daartoe aan dat Sandwich III de betalingen aan de financier uit hoofde van de overeengekomen vergoeding verrichtte op de bankrekening van SF Group, zodat Sandwich III deze bedragen weer kon gebruiken als werkkapitaal. Partijen zijn overeengekomen dat op deze wijze krediet aan Sandwich III werd verleend. Voor dit krediet heeft Sandwich III pandrechten aan FSCP, en later – via [vader] en FEWCH – WomFam verleend.
5.100. De curator heeft deze door [partijen 1 en 2] en WomFam c.s. gestelde rechtsgrond voor de betalingen aan SF Group onvoldoende betwist, zodat de rechtbank van de juistheid daarvan uitgaat. Dat betekent dat de vordering van de curator onder 5) zal worden afgewezen.
De vordering op PTG Companies
5.101. De curator stelt dat Sandwich III in de aanloop naar het faillissement aan verschillende gelieerde vennootschappen betalingen heeft verricht, waaronder op 8 februari 2023 een bedrag van € 79.343,85 aan PTG Companies. Bij dagvaarding heeft de curator deze betaling primair vernietigd op grond van artikel 42 Fw en subsidiair op grond van artikel 47 Fw. Volgens de curator is uit de administratie van Sandwich III niet gebleken dat zij enige schuld had aan PTG Companies. Ook uit de bij het faillissementsrekest gevoegde crediteurenlijst volgt dat er tot die datum, 8 februari 2023, geen vordering van PTG Companies op Sandwich III in de administratie stond. De curator stelt zich dan ook op het standpunt dat deze betaling onverplicht en om niet is verricht door Sandwich III. Door deze betaling zijn de overige crediteuren benadeeld. Bovendien is [persoon 1] zowel (indirect) bestuurder van Sandwich III als van PTG Companies, zodat wetenschap van benadeling gegeven is op grond van artikel 45 Fw, aldus de curator.
5.102. PTG Companies betwist dat het bedrag van € 79.343,85 onverschuldigd is betaald. Met deze betaling is de factuur voldaan van 26 januari 2023. Deze factuur ziet op het importeren van een partij kleding ten behoeve van Sandwich III in april 2020. Daar heeft PTG Companies destijds geen factuur voor gestuurd. In 2022 heeft de Belastingdienst het standpunt ingenomen dat de manier waarop de importdiensten in de btw-aangifte van PTG Companies waren verwerkt niet juist was. Na een lange correspondentie hierover met de Belastingdienst, heeft de heer [persoon 5] op 23 januari 2023 telefonisch met mevrouw [persoon 6] van de Belastingdienst besproken dat er alsnog voor het importeren gefactureerd zou worden. Ondanks de betalingstermijn op deze factuur van 30 dagen was deze al opeisbaar, aangezien de kleding al bijna drie jaar daarvoor was geïmporteerd, aldus PTG Companies.
5.103. Als onvoldoende weersproken staat vast dat PTG Companies bij de start van Sandwich III de zogenaamde ‘varende voorraad’ voor Sandwich III heeft ingevoerd. Uit de door PTG Companies overgelegde correspondentie blijkt dat PTG Companies in 2020 per abuis hiervoor geen factuur aan Sandwich III heeft gestuurd. Deze omissie is in overleg met de Belastingdienst in 2023 hersteld. Nu de betaling van € 79.343,85 ziet op de voldoening van de alsnog door PTG Companies aan Sandwich III toegestuurde factuur is er geen sprake van een onverplichte rechtshandeling, zodat een beroep op artikel 42 Fw niet kan slagen. Voor wat betreft het beroep op artikel 47 Fw geldt dat op 8 februari 2023, de dag van betaling, het faillissement van Sandwich III nog niet was aangevraagd. In dit verband verwijst de rechtbank naar hetgeen in rechtsoverweging 5.71 over de datum van het AVA-besluit is overwogen. Vernietiging op grond van artikel 47 Fw is dan ook alleen mogelijk als er sprake is geweest van samenspanning. In dit verband heeft de curator aangevoerd dat [persoon 1] zowel de bestuurder was van Sandwich III als van PTG Companies. De rechtbank is van oordeel dat hoewel voor toerekening van het oogmerk meer aanleiding bestaat indien beide partijen worden vertegenwoordigd door dezelfde natuurlijke persoon, ook naar de andere omstandigheden van het geval moet worden gekeken. Zoals in rechtsoverweging 5.72 al is overwogen, heeft Sandwich III in deze periode ook nog andere schuldeisers betaald en was haar handelen gericht op continuïteit van de onderneming. Onder deze omstandigheden is er geen reden om aan te nemen dat er sprake is geweest van overleg tussen Sandwich III en PTG Companies met het oogmerk om PTG Companies boven andere schuldeisers te bevoordelen.
5.104. Het voorgaande betekent dat de vordering van de curator onder 6.2 tot betaling van het bedrag van € 79.343,85 zal worden afgewezen als ook de vordering onder 3a) onder v tot vernietiging van de betaling op grond van de pauliana.
Tegenstrijdig belang
5.105. Zoals hiervoor is overwogen, zijn de diverse door [persoon 1] namens Sandwich III verrichte rechtshandelingen niet vernietigbaar op grond van de pauliana. Naast de artikelen 42 en 47 Fw heeft de curator nog een derde grondslag aangevoerd om tot nietigheid dan wel vernietigbaarheid van de rechtshandelingen te komen. Zo stelt zij dat [persoon 1] in verschillende hoedanigheden is opgetreden en dat voor hem kenbaar was dat er een tegenstrijdig belang bestond. Volgens de statuten van Sandwich III had hij niet mogen deelnemen aan de beraadslaging en besluitvorming. Er was steeds een besluit van de AVA van Sandwich III vereist. Het bestaan van dergelijke besluiten is niet gebleken. Daardoor zijn er volgens de curator, gelet op de artikelen 2:14 en 2:15 BW, geen rechtsgeldige besluiten genomen om Sandwich III te binden aan de betreffende overeenkomsten.
5.106. [persoon 1] betwist dat er sprake is geweest van tegenstrijdig belang. Hij voert daartoe aan dat [persoon 2] tot en met de ontbinding van FSCP 100% UBO is geweest van FSCP. In de periode dat Sandwich III contracteerde met FSCP in het kader van de financiering was [persoon 1] alleen bestuurder van FSCP. Hij had daarin geen financieel belang. Bij de onderhandelingen en gesprekken met FSCP zat [persoon 1] aan tafel met [persoon 2] en bij de besluitvorming over de financiering van Sandwich III heeft [persoon 1] zich als bestuurder van FSCP verschoond, vanwege zijn financiële belang in Sandwich III. Bij het aangaan van de financieringsovereenkomsten heeft [persoon 1] voor FSCP alleen de externe vertegenwoordigingshandelingen bij het ondertekenen van de akte vervuld. De onderhandeling en besluitvorming zijdens FSCP gebeurde door haar (middellijk) aandeelhouder [persoon 2] . FSCP heeft haar financiële belangen ten aanzien van de financiering van Sandwich III op enig moment verkocht en overgedragen aan [vader] Dat is de aanleiding geweest tot verschillende contractovernames c.q. cessies van vorderingen naar [vader] in privé dan wel vennootschappen waarvan hij UBO was. Bij geen van de overeenkomsten van Sandwich III die de curator vernietigd wil zien had [persoon 1] een financieel belang in de wederpartij van Sandwich III. [persoon 1] voert verder aan dat voor zover er al een tegenstrijdig belang zou zijn, dit niet de nietigheid van de verrichte (externe) rechtshandeling tot gevolg heeft.
5.107. Artikel 2:239 lid 6 BW bepaalt dat een bestuurder niet deelneemt aan de beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Volgens jurisprudentie van de Hoge Raad kan de vraag of een tegenstrijdig belang bestaat slechts worden beantwoord met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval. Niet volstaan kan worden met het aanvoeren van de enkele mogelijkheid van een tegenstrijdig belang. Aangetoond moet worden dat daadwerkelijk sprake is van zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of de bestuurder zich bij zijn handelen uitsluitend heeft laten leiden door het belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming.
5.108. In het licht van het verweer van [persoon 1] , is de rechtbank van oordeel dat de curator onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van tegenstrijdig belang. Zo heeft de curator niet per rechtshandeling toegelicht of [persoon 1] een direct of indirect persoonlijk belang heeft bij het besluit en evenmin op grond waarvan moet worden vastgesteld dat dat persoonlijk belang zodanig tegenstrijdig is met het belang van Sandwich III dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of [persoon 1] zich bij zijn handelen uitsluitend heeft laten leiden door het belang van Sandwich III. Maar ook indien sprake zou zijn geweest van tegenstrijdig belang, dan stelt [persoon 1] zich terecht op het standpunt dat dit geen gevolgen heeft voor de door hem als bestuurder van Sandwich III verrichte rechtshandelingen. Artikel 2:239 lid 6 BW is immers een besluitvormingsregel en geen vertegenwoordigingsregel. Dat betekent dat deze bepaling alleen interne werking heeft en kan leiden tot nietigheid of vernietiging van besluiten die genomen zijn in strijd met deze bepaling, en geen externe werking, zodat aantasting van het besluit geen gevolgen heeft voor de op dat besluit gebaseerde rechtshandeling met derden. Dat er geen rechtsgeldig besluit van Sandwich III ten grondslag ligt aan de rechtshandelingen die [persoon 1] namens Sandwich III heeft verricht, kan dan ook niet tot nietigheid of vernietigbaarheid van deze rechtshandelingen leiden.
5.109. De conclusie is dan ook dat de vordering van de curator onder 3a) ook op de derde grond zal worden afgewezen.
Onrechtmatig handelen
5.110. Voor het eerst bij conclusie van repliek noemt de curator de in de dagvaarding genoemde transacties tussen [partijen 1 en 2] en WomFam c.s. schijnhandelingen. Volgens de curator leiden deze schijnhandelingen, althans het samenstel van deze rechtshandelingen tussen de gelieerde vennootschappen, al dan niet in combinatie met selectieve betalingen aan gelieerde vennootschappen, tot het stelselmatig leeghalen van Sandwich III ten koste van externe schuldeisers. Dit kwalificeert als onrechtmatig handelen. Alle betrokken gedaagden zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die Sandwich III daardoor heeft geleden, omdat alle betrokken gedaagden wisten of behoorden te begrijpen dat het bedoelde samenstel van rechtshandelingen zou leiden tot c.q. het gevaar schiep van benadeling van (externe crediteuren van) Sandwich III. Deze schade bestaat enerzijds uit de bedragen die ten onrechte aan gedaagden ten goede zijn gekomen en in het vermogen van Sandwich III thuishoren en anderzijds uit bedragen die nog aan Sandwich III ten goede behoren te komen, waaronder de gesepareerde bedragen van in totaal € 810.000,00, de (voorschot)betaling van Otrium van € 150.000,00, en de betaling van Pay.nl van
€ 175.185,93. In totaal is dat een bedrag van € 1.135.185,93, aldus de curator.
5.111. [partijen 1 en 2] en WomFam c.s. hebben de stellingen van de curator gemotiveerd betwist. Deze betwisting komt er – kort gezegd – op neer dat de curator haar vordering onvoldoende heeft onderbouwd.
5.112. De rechtbank kan de curator niet volgen in haar redenering dat het geheel van transacties ‘dusdanig vreemd [is] in het kader van een normale bedrijfsuitoefening dat geoordeeld moet worden dat sprake is van schijnhandelingen’. Het is niet ongebruikelijk om een onderneming vanuit een faillissement door te starten door de activa uit dat faillissement te kopen. Evenmin is het ongebruikelijk om daarbij de rechten van derden op die activa te respecteren en daarover afspraken te maken. Ook is het niet ongebruikelijk om met dezelfde financier/pandhouder afspraken te maken over verdere financiering van de onderneming en daarvoor pandrechten te verlenen. Dat de bij Sandwich III betrokken natuurlijke personen dezelfde personen zijn die ook bij de eerdere ondernemingen van Sandwich betrokken zijn geweest, maken de transacties nog geen verdachte transacties. Van het stelselmatig leeghalen van failliet ten koste van externe schuldeisers, zoals de curator stelt, is de rechtbank niet gebleken.
5.113. De rechtbank heeft daarnaast het beroep van de curator op vernietiging van een groot aantal rechtshandelingen afgewezen. Hieruit volgt al dat deze rechtshandelingen niet kunnen worden aangemerkt als schijnhandelingen. Daarvan uitgaande, heeft de curator onvoldoende onderbouwd op grond waarvan het samenstel van deze rechtshandelingen zou moeten kwalificeren als onrechtmatig handelen. De curator heeft verder niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat aan de vereisten voor een beroep op onrechtmatige daad is voldaan.
5.114. Gelet op het voorgaande is de rechtbank met gedaagden van oordeel dat de curator haar vordering onder 3b) onvoldoende heeft onderbouwd. Deze vordering wordt dan ook afgewezen.
Onbehoorlijk bestuur en het bestuursverbod
5.115. In afwachting van de door partijen nog te nemen (antwoord)aktes houdt de rechtbank ook de beslissing aan op de vorderingen van de curator uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid, zoals is gevorderd onder 1) en 2).
Artikel 21 Rv
5.116. [partijen 1 en 2] , SF Group en PTG Companies doen een beroep op artikel 21 Rv. Zij voeren daartoe aan dat de processtukken van de curator vele feitelijke onjuistheden bevatten waarvan de curator bij het opstellen van de processtukken wist, of behoorde te weten, dat deze onjuist zijn. Daar komt bij dat de curator in sommige producties in strijd met het procesreglement markeringen heeft aangebracht die erop gericht zijn om de aandacht af te leiden van relevante – voor [persoon 1] ontlastende – andere passages. Daarnaast bevatten de processtukken diverse juridische onvolkomenheden, waardoor het lastig is om een gestructureerd verweer te voeren. Zo maakt de curator in haar processtukken niet duidelijk welke delen van haar processtukken betrekking hebben op welke vorderingen tegenover welke gedaagden, zodat zij op zoek moeten gaan naar stellingen die mogelijk van belang zouden kunnen zijn voor de vorderingen die jegens hen zijn ingesteld. Verder vragen zij aandacht voor de lichtvaardigheid waarmee de curator in haar processtukken beschuldigingen uit van vervalsing en antedatering van documenten door gedaagden. Door de onoverzichtelijke structuur van de vorderingen en processtukken en het naar voren brengen van talrijke feitelijke onwaarheden worden gedaagden geschaad in hun verweer en op hoge onnodige kosten gejaagd. Om die reden verzoeken gedaagden de rechtbank om de vorderingen van de curator zonder verdere gelegenheid tot aanvulling of bewijslevering af te wijzen en om de curator in de volledige proceskosten van gedaagden te veroordelen.
5.117. De curator heeft op dit beroep van [partijen 1 en 2] , SF Group en PTG Companies op artikel 21 Rv nog niet kunnen reageren. De curator zal in het kader van hoor en wederhoor in de gelegenheid wordt gesteld om hierop te reageren in de door haar nog te nemen akte. In de tussentijd zal iedere verdere beslissing hierover worden aangehouden.
Samenvatting
5.118. Het vorenoverwogene leidt met betrekking tot de vorderingen over en weer tot de volgende stand van zaken:
– in conventie zullen de vorderingen onder 3a), 3b), 5), 6.2) en 6.4) worden afgewezen en de vorderingen onder 1), 2), 4), 6.1) en 6.3) worden aangehouden;
– in het incident van WomFam wordt de vordering toegewezen;
– in voorwaardelijke reconventie van WomFam c.s. zullen de vorderingen worden aangehouden;
– in het incident ex artikel 223 Rv van WomFam wordt de vordering afgewezen.
5.119. De curator zal als de in het incident van WomFam in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van WomFam in het incident. De kosten van WomFam worden begroot op:
- salaris advocaat € 653,00 (1 punt × tarief II)
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 842,00
5.120. WomFam zal als de in het incident ex artikel 223 Rv in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de curator in het incident. De kosten van de curator worden begroot op:
- salaris advocaat € 653,00 (1 punt × tarief II)
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 842,00
De kosten van [partijen 1 en 2] worden begroot op nihil, aangezien de door [partijen 1 en 2] genomen akte niet meer dan een referte inhoudt.
5.121. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden in afwachting van het resultaat van de door partijen nog te nemen (antwoord)aktes.
6De beslissing
De rechtbank
in conventie
6.1.
verwijst de zaak naar de rol van 15 april 2026 voor akte uitlating aan de zijde van WomFam als bedoeld in rechtsoverweging 5.62,
6.2.
houdt iedere verdere beslissing aan,
in het incident van WomFam
6.3.
veroordeelt de curator tot openlegging van de administratie van Sandwich Fashion Company B.V. zoals deze werd gehouden in Vertilinq, binnen twee weken na datum vonnis,
6.4.
veroordeelt de curator in de proceskosten van WomFam van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de curator niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
6.5.
verklaart dit vonnis in het incident uitvoerbaar bij voorraad,
in voorwaardelijke reconventie
6.6.
houdt iedere verdere beslissing aan,
in het incident ex artikel 223 Rv
6.7.
wijst de vordering af,
6.8.
veroordeelt WomFam in de proceskosten van de curator van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als WomFam niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
6.9.
verklaart de kostenveroordeling in dit incident uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Hermans, mr. Goedegebuur en mr. Vogelzang en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.
productie 33 dagvaarding
productie 9 dagvaarding
productie 11 dagvaarding
productie 44 dagvaarding
productie 45 dagvaarding
productie 7 conclusie van antwoord WomFam c.s.
productie 25 conclusie van dupliek WomFam c.s.
productie 55 dagvaarding
productie 56 dagvaarding
productie 73 dagvaarding
productie 60 dagvaarding
productie 97 dagvaarding
productie 102 dagvaarding
productie 62 dagvaarding
productie 63 dagvaarding
productie 74 dagvaarding
productie 61 dagvaarding
productie 81 dagvaarding
productie 46 dagvaarding
productie 11 conclusie van antwoord WomFam c.s.
productie 68 dagvaarding
productie 51 dagvaarding
productie 69 dagvaarding
productie 52 dagvaarding
producties 50 en 75 dagvaarding
productie 57 dagvaarding
productie 77 dagvaarding
productie 18 conclusie van antwoord WomFam c.s.
Productie 79 dagvaarding
productie 81 dagvaarding
Productie 80 dagvaarding
productie 53 dagvaarding
productie 70 dagvaarding
Productie 71 dagvaarding
productie 47 dagvaarding
productie 27 dagvaarding
productie 29 dagvaarding
productie 90 dagvaarding
productie 91 dagvaarding
productie 93 dagvaarding
productie 92 dagvaarding
productie 55 dagvaarding
productie 56 dagvaarding
productie 73 dagvaarding
productie 60 dagvaarding
productie 97 dagvaarding en productie 101 conclusie van repliek
productie 74 dagvaarding
productie 61 dagvaarding
productie 102 conclusie van repliek in conventie
productie 46 dagvaarding
productie 68 dagvaarding
productie 69 dagvaarding
productie 52 dagvaarding
productie 50 en 75 dagvaarding
productie 79 dagvaarding
productie 77 dagvaarding
productie 79 dagvaarding
productie 79 dagvaarding
productie 79 dagvaarding
producties 80 en 81 dagvaarding
productie 102 conclusie van repliek in conventie
randnummer 15 conclusie van repliek in conventie en randnummer 66 conclusie van dupliek WomFam c.s.
productie 25 conclusie van dupliek WomFam c.s.
productie 72 dagvaarding
productie 45 dagvaarding
pagina 48 conclusie van repliek in conventie
productie 55 dagvaarding
vgl. Hoge Raad 24 maart 1995, NJ 1995/628, m.nt. [naam 1] ( [naam 2] q.q./IFN); Hoge Raad 20 november 1998, «JOR» 1999/19, m.nt. [persoon 3] ( [naam 3] q.q.).
randnummer 41 conclusie van dupliek WomFam c.s.
productie 46 dagvaarding
productie 64 dagvaarding
randnummer 5.32 dagvaarding
productie 67 dagvaarding
productie 56 dagvaarding
zie pagina 4 van zijn relaas, productie 1 conclusie van antwoord [partijen 1 en 2]
productie 59 dagvaarding
randnummer 5.14 dagvaarding
productie 47 dagvaarding
randnummer 10.3 conclusie van repliek
productie 60 dagvaarding
productie 61 dagvaarding
randnummer 5.24 dagvaarding
productie 73 dagvaarding
artikel 6:159 BW jo artikel 6:157 BW
productie 74 dagvaarding
productie 52 dagvaarding
productie 25 conclusie van dupliek WomFam c.s.
randnummer 36 conclusie van dupliek WomFam c.s.
Rechtbank [plaats] , 26 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3796
Hoge Raad 12 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1897
productie 162 akte in het geding brengen nadere producties curator
Hoge Raad 12 juni 2002, JOR 2002, 180 Rabobank/mr. Knol q.q.
randnummer 116 conclusie van antwoord WomFam c.s.
zie productie 9 conclusie van antwoord [partijen 1 en 2]
productie 77 dagvaarding
productie 80 dagvaarding
productie 81 dagvaarding
productie 23 conclusie van antwoord WomFam c.s.
producties 27 en 29 conclusie van dupliek WomFam c.s.
productie 28 conclusie van dupliek WomFam c.s.
randnummer 50 conclusie van dupliek WomFam c.s. en pagina 4 van de toelichting van [persoon 1] , productie 28 conclusie van dupliek WomFam c.s.
randnummer 53 conclusie van dupliek WomFam c.s.
productie 72 dagvaarding
bijlage 7 bij het relaas van [persoon 1] , productie 1 conclusie van antwoord [partijen 1 en 2]
productie 1 conclusie van antwoord [partijen 1 en 2]
productie 18 conclusie van antwoord [partijen 1 en 2]
productie 57 dagvaarding
productie 123 conclusie van repliek in conventie
Hoge Raad 7 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF1881
productie 72 dagvaarding
productie 52 dagvaarding
productie 24 conclusie van dupliek WomFam c.s.
productie 106 conclusie van repliek in conventie
productie 21 conclusie van antwoord WomFam c.s.
productie 23 conclusie van antwoord WomFam c.s.
productie 16 dagvaarding
randnummer 4.65 en 4.66 dagvaarding
productie 33 dagvaarding
productie 20 conclusie van antwoord [partijen 1 en 2]
productie 19 conclusie van antwoord [partijen 1 en 2]
Hoge Raad 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0033 ( [naam 4] )