Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2009:BG4258
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2009:BG4258 → ECLI:NL:PHR:2009:BG4258
Inhoudsindicatie
OM-cassatie. Profijtontneming. Art. 36e.1 Sr houdt in dat op vordering van het OM bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit, de verplichting kan worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Uit het wettelijk systeem, meer in het bijzonder uit art. 511e.1 jo. 348 Sv moet worden afgeleid dat het ontbreken van een veroordeling wegens een strafbaar feit aan de ontvankelijkheid van een ontnemingsvordering in de weg staat. De beslissing van het Hof dat de vordering wegens het ontbreken van een veroordeling diende te worden afgewezen, is dan ook onjuist. Opmerking verdient nog dat in een geval als i.c. waarin de ontnemingsvordering is afgedaan zonder dat ten gronde over de vordering is beslist, art. 68 Sr niet eraan in de weg staat dat de vordering – binnen de in art. 511b.1 Sv bedoelde termijn – opnieuw wordt ingediend nu art. 68 Sr alleen betrekking heeft op onherroepelijke rechterlijke beslissingen waarbij d.m.v. een einduitspraak i.d.z.v. art. 350-352 Sv over de vervolging in de hoofdzaak is beslist en de ontnemingsprocedure als een onderdeel van die vervolging moet worden gezien.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (52)
- ECLI:NL:PHR:2026:810 Parket bij de Hoge Raad 08-09-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1827 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 09-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20285 Rechtbank Den Haag 17-06-2026
- ECLI:NL:RBROT:2025:14898 Rechtbank Rotterdam 03-12-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:11809 Rechtbank Gelderland 29-10-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:10615 Rechtbank Gelderland 08-08-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:4254 Rechtbank Gelderland 09-05-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2024:7021 Rechtbank Noord-Holland 12-07-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:1879 Rechtbank Rotterdam 29-02-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:1467 Rechtbank Rotterdam 13-02-2024
- ECLI:NL:RBROT:2023:12707 Rechtbank Rotterdam 14-11-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:10351 Rechtbank Noord-Holland 20-10-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:10438 Rechtbank Noord-Holland 20-10-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:10404 Rechtbank Noord-Holland 20-10-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:9970 Rechtbank Noord-Holland 15-08-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2022:12708 Rechtbank Den Haag 29-11-2022
- ECLI:NL:RBROT:2022:9269 Rechtbank Rotterdam 02-11-2022
- ECLI:NL:RBROT:2022:7401 Rechtbank Rotterdam 29-08-2022
- ECLI:NL:RBROT:2022:11528 Rechtbank Rotterdam 18-08-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:363 Parket bij de Hoge Raad 19-04-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:1654 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 05-04-2022
- ECLI:NL:RBROT:2021:13673 Rechtbank Rotterdam 14-10-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:963 Parket bij de Hoge Raad 12-10-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:963 Parket bij de Hoge Raad 12-10-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:965 Parket bij de Hoge Raad 12-10-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:965 Parket bij de Hoge Raad 12-10-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:976 Parket bij de Hoge Raad 12-10-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:976 Parket bij de Hoge Raad 12-10-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:975 Parket bij de Hoge Raad 12-10-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:975 Parket bij de Hoge Raad 12-10-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2021:8530 Rechtbank Noord-Holland 05-10-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:962 Parket bij de Hoge Raad 31-08-2021
- ECLI:NL:GHARL:2020:7371 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 02-09-2020
- ECLI:NL:RBNNE:2020:2536 Rechtbank Noord-Nederland 14-07-2020
- ECLI:NL:RBNNE:2020:2166 Rechtbank Noord-Nederland 16-06-2020
- ECLI:NL:RBMNE:2020:1549 Rechtbank Midden-Nederland 23-03-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:255 Parket bij de Hoge Raad 17-03-2020
- ECLI:NL:GHDHA:2020:2898 Gerechtshof Den Haag 13-03-2020
- ECLI:NL:PHR:2019:833 Parket bij de Hoge Raad 27-08-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:833 Parket bij de Hoge Raad 27-08-2019
- ECLI:NL:RBOVE:2018:2571 Rechtbank Overijssel 23-07-2018
- ECLI:NL:RBOVE:2018:2572 Rechtbank Overijssel 23-07-2018
- ECLI:NL:RBROT:2018:2831 Rechtbank Rotterdam 22-02-2018
- ECLI:NL:RBROT:2018:2833 Rechtbank Rotterdam 22-02-2018
- ECLI:NL:RBGEL:2017:2171 Rechtbank Gelderland 30-03-2017
- ECLI:NL:RBAMS:2017:1059 Rechtbank Amsterdam 09-02-2017
- ECLI:NL:RBMNE:2015:6457 Rechtbank Midden-Nederland 24-08-2015
- ECLI:NL:RBMNE:2015:9580 Rechtbank Midden-Nederland 09-06-2015
- ECLI:NL:PHR:2014:2261 Parket bij de Hoge Raad 14-10-2014
- ECLI:NL:PHR:2014:2261 Parket bij de Hoge Raad 14-10-2014
- ECLI:NL:PHR:2014:2261 Parket bij de Hoge Raad 14-10-2014
- ECLI:NL:PHR:2014:2261 Parket bij de Hoge Raad 14-10-2014
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.047 tekens)
Strafkamer
nr. 07/11793 P
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem, zitting houdende te Leeuwarden, van 14 juni 2007, nummer 24/001173-06, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[Betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De raadsman van de betrokkene, mr. A.C. Huisman, advocaat te Deventer, heeft het beroep tegengesproken.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep en subsidiair tot vernietiging van de bestreden uitspraak met niet-ontvankelijkverklaring van de Officier van Justitie in de ontnemingsvordering.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen.
2.2. Het Hof heeft de vordering afgewezen. De bestreden uitspraak houdt dienaangaande het volgende in:
"Beoordeling van de vordering van het openbaar ministerie
De inleidende dagvaarding in de strafzaak met parketnummer 24-001138-06 is bij arrest van dit hof d.d. 14 juni 2007 nietig verklaard. Het hof is van oordeel dat de vordering dient te worden afgewezen, nu er geen sprake is van een rechterlijke uitspraak, waarbij veroordeelde wegens een strafbaar feit is veroordeeld."
2.3. Art. 36e, eerste lid, Sr houdt in dat op vordering van het openbaar ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit, de verplichting kan worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Uit het wettelijk systeem, meer in het bijzonder uit art. 511e, eerste lid, in verbinding met art. 348 Sv, moet worden afgeleid dat het ontbreken van een veroordeling wegens een strafbaar feit aan de ontvankelijkheid van een ontnemingsvordering in de weg staat.
De beslissing van het Hof dat de vordering wegens het ontbreken van een veroordeling diende te worden afgewezen, is dan ook onjuist.
2.4. Het middel is terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal de zaak om doelmatigheidsredenen zelf afdoen en het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de ontnemingsvordering.
2.5. Opmerking verdient nog dat in een geval als het onderhavige waarin de ontnemingsvordering is afgedaan zonder dat ten gronde over de vordering is beslist, art. 68 Sr niet eraan in de weg staat dat de vordering - binnen de in art. 511b, eerste lid, Sv bedoelde termijn - opnieuw wordt ingediend nu art. 68 Sr alleen betrekking heeft op onherroepelijke rechterlijke beslissingen waarbij door middel van een einduitspraak in de zin van art. 350-352 Sv over de vervolging in de hoofdzaak is beslist en de ontnemingsprocedure als een onderdeel van die vervolging moet worden gezien.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, behoudens voor zover daarbij de uitspraak van de Politierechter is vernietigd;
verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, B.C. de Savornin Lohman, J. de Hullu en W.F. Groos, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 17 februari 2009.