Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2021:13673

2021-10-14 Strafrecht 10/680422-13 (ontneming)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2021-10-14
Publicatiedatum
2022-11-18
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
10/680422-13 (ontneming)
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in ontnemingsvordering, in lijn met HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4258, gelet op vrijspraak in de strafzaak.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (3.011 tekens)
Rechtbank Rotterdam




Team straf 2





Parketnummer: 10/680422-13 (ontneming)


Datum uitspraak: 14 oktober 2021


Tegenspraak






VONNIS






van de Rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in de zaak tegen:






[naam01] ,



geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 1963,


ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:


[adres01] [postcode01] [plaats01] ,


raadsman mr. R. van ‘t Land, advocaat te Breda.








1.

Onderzoek ter terechtzitting




Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van (laatstelijk) 14 oktober 2021.








2.

Vonnis strafzaak




Bij vonnis van deze rechtbank van 29 juni 2021 is [naam01] vrijgesproken van witwassen.








3.

Vordering




De vordering van de officieren van justitie, mr. S. Sondermeijer en M.L.B. Wille (hierna: de officier van justitie) strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter ontneming van dat geschatte voordeel tot een maximum van € 7.184.316,73.


De vordering van de officier van justitie is gebaseerd op artikel 36e lid 1, lid 2 en lid 3 van het Wetboek van Strafrecht.








4.

Beoordeling




[naam01] is in de onderliggende strafzaak vrijgesproken van het feit waarop de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ziet.






De Hoge Raad heeft eerder geoordeeld dat uit het wettelijk systeem, meer in het bijzonder uit artikel 511e, eerste lid, in verbinding met artikel 348 van het Wetboek van Strafvordering, moet worden afgeleid dat het ontbreken van een veroordeling wegens een strafbaar feit aan de ontvankelijkheid van een ontnemingsvordering in de weg staat (zie HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4258). De rechtbank volgt deze lijn. Hoewel de vordering op het moment van indiening voldeed aan de toen daaraan te stellen eisen, staat de daarop volgende vrijspraak aan ontvankelijkheid van de vordering in de weg.


Dit wordt niet anders door de omstandigheid dat de officier van justitie hoger beroep heeft ingesteld tegen de vrijspraak in de strafzaak.


Omdat er nu geen grondslag voor de vordering bestaat, dient het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard in de ontnemingsvordering.








5.

Beslissing




De rechtbank:





verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.






Dit vonnis is gewezen door:


mr. R.J.A.M. Cooijmans, voorzitter,


en mrs. L.J.M. Janssen en A. Greve-Kortrijk, rechters,


in tegenwoordigheid van mr. I.V. Wagener, griffier,


en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 oktober 2021.





De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.