Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2025:11809
2025-10-29
Strafrecht
05/296552-24 ont.
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel wegens integrale vrijspraak in de hoofdzaak.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2009:BG4258 Hoge Raad 17-02-2009
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.697 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Tegenspraak
Parketnummer: 05/296552-24
Datum uitspraak : 29 september 2025
uitspraak van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[veroordeelde]
,
geboren op [geboortedatum] 1969 in [geboorteplaats] (Suriname),
wonende aan [adres] .
Raadsvrouw: mr. E.E.M. Messink, advocaat in Wijchen.
1De inhoud van de vordering
De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en dat de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is geschat op € 31.604,18.
2De procedure
De zaak is op een openbare terechtzitting onderzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering aangepast en het voordeel geschat op € 24.710,55, de opbrengst zoals door medeverdachte [medeverdachte] uiteen is gezet, verminderd met de door de politie vastgestelde kosten.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de ontnemingsvordering moet worden afgewezen, gelet op de door haar bepleite integrale vrijspraak in de hoofdzaak.
3De beoordeling van de vordering
Bij de beoordeling van de vordering zoekt de rechtbank aansluiting bij haar op 29 september 2025 tegen betrokkene gewezen vonnis, waarbij betrokkene integraal is vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten waarop de ontnemingsvordering is gegrond.
Uit het wettelijk systeem, meer in het bijzonder uit de artikelen 511e, eerste lid, en 348 van het Wetboek van Strafvordering, moet worden afgeleid dat het ontbreken van een veroordeling wegens een strafbaar feit aan de ontvankelijkheid van een ontnemingsvordering in de weg staat (zie HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4258). Door de vrijspraak van de (voor de ontneming relevante) ten laste gelegde feiten in de hoofdzaak is de grondslag voor de oplegging van een verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat der Nederlanden ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel komen te ontvallen.
De rechtbank zal het Openbaar Ministerie daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
4De toegepaste wettelijke bepalingen
De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
5De beslissing
De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Aldus gegeven door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin (voorzitter), mr. J.M. Klep en
mr. M. Hoedeman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Aalbers, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 september 2025.
mr. Van Breevoort-de Bruin en mr. Aalbers zijn buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Tegenspraak
Parketnummer: 05/296552-24
Datum uitspraak : 29 september 2025
uitspraak van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[veroordeelde]
,
geboren op [geboortedatum] 1969 in [geboorteplaats] (Suriname),
wonende aan [adres] .
Raadsvrouw: mr. E.E.M. Messink, advocaat in Wijchen.
1De inhoud van de vordering
De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en dat de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is geschat op € 31.604,18.
2De procedure
De zaak is op een openbare terechtzitting onderzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering aangepast en het voordeel geschat op € 24.710,55, de opbrengst zoals door medeverdachte [medeverdachte] uiteen is gezet, verminderd met de door de politie vastgestelde kosten.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de ontnemingsvordering moet worden afgewezen, gelet op de door haar bepleite integrale vrijspraak in de hoofdzaak.
3De beoordeling van de vordering
Bij de beoordeling van de vordering zoekt de rechtbank aansluiting bij haar op 29 september 2025 tegen betrokkene gewezen vonnis, waarbij betrokkene integraal is vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten waarop de ontnemingsvordering is gegrond.
Uit het wettelijk systeem, meer in het bijzonder uit de artikelen 511e, eerste lid, en 348 van het Wetboek van Strafvordering, moet worden afgeleid dat het ontbreken van een veroordeling wegens een strafbaar feit aan de ontvankelijkheid van een ontnemingsvordering in de weg staat (zie HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4258). Door de vrijspraak van de (voor de ontneming relevante) ten laste gelegde feiten in de hoofdzaak is de grondslag voor de oplegging van een verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat der Nederlanden ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel komen te ontvallen.
De rechtbank zal het Openbaar Ministerie daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
4De toegepaste wettelijke bepalingen
De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
5De beslissing
De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Aldus gegeven door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin (voorzitter), mr. J.M. Klep en
mr. M. Hoedeman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Aalbers, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 september 2025.
mr. Van Breevoort-de Bruin en mr. Aalbers zijn buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.