Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:20285
2026-06-17
Strafrecht
09.049252.22
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Ontneming. Niet-ontvankelijkheid OM vanwege vrijspraak in de strafzaak. Geen grondslag voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2009:BG4258 Hoge Raad 17-02-2009
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.216 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/049252-22 (ontneming)
Datum uitspraak: 17 juni 2026
Vonnis ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
De rechtbank Den Haag heeft op de vordering van het openbaar ministerie en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak ten aanzien van de betrokkene:
[betrokkene]
,
geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .
1Het onderzoek op de terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 20 mei 2026 (inhoudelijk).
Er heeft een schriftelijke voorbereiding plaatsgevonden met een conclusiewisseling tussen de officier van justitie en de raadsman van de betrokkene. De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud daarvan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt dat de officier van justitie mr. F. de Vries op de terechtzitting heeft ingenomen en van hetgeen door de betrokkene en zijn raadsman mr. M.G. Cantarella op de terechtzitting naar voren is gebracht.
2De inhoud van de vordering
De inleidende schriftelijke vordering van het openbaar ministerie strekt ertoe dat de rechtbank het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten en vaststellen op een bedrag van € 82.793,98 en aan de betrokkene de verplichting oplegt tot betaling aan de staat van dat bedrag.
3De grondslag voor ontneming
3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, omdat de betrokkene bij vonnis van 26 juni 2024 is vrijgesproken van het strafbare feit waarop de vordering betrekking heeft.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, omdat de betrokkene bij vonnis van 26 juni 2024 is vrijgesproken van het strafbare feit waarop de vordering betrekking heeft.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
Artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) houdt in dat op vordering van het openbaar ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit, de verplichting kan worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Uit het wettelijk systeem, meer in het bijzonder uit artikel 511e, eerste lid, in verbinding met artikel 348, van het Wetboek van Strafvordering, moet naar het oordeel van de Hoge Raad worden afgeleid dat het ontbreken van een veroordeling wegens een strafbaar feit aan de ontvankelijkheid van een ontnemingsvordering in de weg staat (HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4258).
De betrokkene is in de strafzaak vrijgesproken van het strafbare feit waarop de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel betrekking heeft. Daarmee is er naar het oordeel van de rechtbank geen grondslag voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het openbaar ministerie zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.
7De beslissing
De rechtbank:
verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.G. Bruinsma, voorzitter,
mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, rechter,
mr. J.L.E. Bakels, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs. A.V. Sagarajah en V.J.J. van Mierlo, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 juni 2026.
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/049252-22 (ontneming)
Datum uitspraak: 17 juni 2026
Vonnis ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
De rechtbank Den Haag heeft op de vordering van het openbaar ministerie en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak ten aanzien van de betrokkene:
[betrokkene]
,
geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .
1Het onderzoek op de terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 20 mei 2026 (inhoudelijk).
Er heeft een schriftelijke voorbereiding plaatsgevonden met een conclusiewisseling tussen de officier van justitie en de raadsman van de betrokkene. De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud daarvan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt dat de officier van justitie mr. F. de Vries op de terechtzitting heeft ingenomen en van hetgeen door de betrokkene en zijn raadsman mr. M.G. Cantarella op de terechtzitting naar voren is gebracht.
2De inhoud van de vordering
De inleidende schriftelijke vordering van het openbaar ministerie strekt ertoe dat de rechtbank het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten en vaststellen op een bedrag van € 82.793,98 en aan de betrokkene de verplichting oplegt tot betaling aan de staat van dat bedrag.
3De grondslag voor ontneming
3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, omdat de betrokkene bij vonnis van 26 juni 2024 is vrijgesproken van het strafbare feit waarop de vordering betrekking heeft.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, omdat de betrokkene bij vonnis van 26 juni 2024 is vrijgesproken van het strafbare feit waarop de vordering betrekking heeft.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
Artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) houdt in dat op vordering van het openbaar ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit, de verplichting kan worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Uit het wettelijk systeem, meer in het bijzonder uit artikel 511e, eerste lid, in verbinding met artikel 348, van het Wetboek van Strafvordering, moet naar het oordeel van de Hoge Raad worden afgeleid dat het ontbreken van een veroordeling wegens een strafbaar feit aan de ontvankelijkheid van een ontnemingsvordering in de weg staat (HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4258).
De betrokkene is in de strafzaak vrijgesproken van het strafbare feit waarop de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel betrekking heeft. Daarmee is er naar het oordeel van de rechtbank geen grondslag voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het openbaar ministerie zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.
7De beslissing
De rechtbank:
verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.G. Bruinsma, voorzitter,
mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, rechter,
mr. J.L.E. Bakels, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs. A.V. Sagarajah en V.J.J. van Mierlo, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 juni 2026.