Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2008:BC5901
2008-04-25
Civiel recht; Personen- en familierecht
07/13231HR
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2008:BC5901 → ECLI:NL:GHSHE:2007:BB6006 (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- conclusie ECLI:NL:HR:2008:BC5901 → ECLI:NL:PHR:2008:BC5901
Inhoudsindicatie
Familierecht; ouderlijk gezag; verzoek van de moeder om te bepalen dat zij gerechtigd zal zijn om zich samen met de kinderen in Zwitserland te vestigen; mee te wegen omstandigheden; belang van het kind.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (261)
- ECLI:NL:RBGEL:2026:7156 Rechtbank Gelderland 15-09-2026
- ECLI:NL:RBROT:2026:12339 Rechtbank Rotterdam 21-08-2026
- ECLI:NL:RBOVE:2026:5105 Rechtbank Overijssel 18-08-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2652 Gerechtshof Den Haag 12-08-2026
- ECLI:NL:RBROT:2026:10439 Rechtbank Rotterdam 23-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:23710 Rechtbank Den Haag 23-07-2026
- ECLI:NL:RBROT:2026:10127 Rechtbank Rotterdam 15-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22739 Rechtbank Den Haag 14-07-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:9636 Rechtbank Noord-Holland 03-07-2026
- ECLI:NL:RBROT:2026:8470 Rechtbank Rotterdam 25-06-2026
- ECLI:NL:RBROT:2026:6865 Rechtbank Rotterdam 05-06-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:5944 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 02-06-2026
- ECLI:NL:RBROT:2026:5987 Rechtbank Rotterdam 22-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:15169 Rechtbank Den Haag 06-05-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:3438 Rechtbank Gelderland 01-05-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:4781 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:14048 Rechtbank Den Haag 28-04-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:4696 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:12079 Rechtbank Den Haag 16-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:11829 Rechtbank Den Haag 14-04-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:3924 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-04-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:3910 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-04-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:1452 Rechtbank Midden-Nederland 19-03-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:3626 Rechtbank Gelderland 19-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9739 Rechtbank Den Haag 17-03-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:2823 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-03-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:2343 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27-02-2026
- ECLI:NL:RBROT:2026:2018 Rechtbank Rotterdam 25-02-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:1250 Rechtbank Gelderland 19-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:6103 Rechtbank Den Haag 19-02-2026
- ECLI:NL:RBROT:2026:4735 Rechtbank Rotterdam 17-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:5146 Rechtbank Den Haag 10-02-2026
- ECLI:NL:RBROT:2026:2932 Rechtbank Rotterdam 03-02-2026
- ECLI:NL:RBAMS:2026:577 Rechtbank Amsterdam 20-01-2026
- ECLI:NL:RBAMS:2026:571 Rechtbank Amsterdam 20-01-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:49 Parket bij de Hoge Raad 09-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:26464 Rechtbank Den Haag 15-12-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2913 Gerechtshof Den Haag 10-12-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:10312 Rechtbank Gelderland 02-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:25338 Rechtbank Den Haag 27-11-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2025:6472 Rechtbank Midden-Nederland 21-11-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1251 Parket bij de Hoge Raad 14-11-2025
- ECLI:NL:RBNNE:2025:4843 Rechtbank Noord-Nederland 07-11-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:9453 Rechtbank Gelderland 06-11-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:7652 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 31-10-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:7654 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 31-10-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:12616 Rechtbank Rotterdam 21-10-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:12614 Rechtbank Rotterdam 21-10-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:7873 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-10-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1046 Parket bij de Hoge Raad 26-09-2025
- ECLI:NL:HR:2025:1322 Hoge Raad 19-09-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2025:7175 Rechtbank Midden-Nederland 27-08-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:15902 Rechtbank Den Haag 22-08-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:20217 Rechtbank Den Haag 18-08-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:5382 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12-08-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:14852 Rechtbank Den Haag 08-08-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:5356 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-07-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:15779 Rechtbank Rotterdam 28-07-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:9308 Rechtbank Rotterdam 11-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:15222 Rechtbank Den Haag 30-06-2025
Volledige tekst
Volledige tekst (5.774 tekens)
25 april 2008
Eerste Kamer
Nr. 07/13231HR
RM/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De moeder],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand,
t e g e n
[De vader],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de moeder en de vader.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 30 november 2006 ter griffie van de rechtbank 's-Hertogenbosch ingediend verzoekschrift heeft de moeder zich gewend tot die rechtbank en verzocht, kort gezegd, te bepalen dat zij gerechtigd is zich met haar beide minderjarige kinderen [kind 1] en [kind 2], beide geboren uit het thans tussen partijen ontbonden huwelijk, in Zwitserland te vestigen.
De vader heeft het verzoek bestreden en zijnerzijds een tegenverzoek gedaan.
De rechtbank (sector civiel) heeft bij beschikking van 13 april 2007 beide verzoeken afgewezen, nu deze verzoeken niet in het belang van voornoemde minderjarigen zouden zijn.
Tegen deze beschikking heeft de moeder hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij beschikking van 21 augustus 2007 heeft het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vader is niet verschenen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof.
De advocaat van de moeder heeft bij brief van 14 maart 2008 op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1 Tegen de hiervoor onder 1 vermelde beschikking, waarin de rechtbank het op art. 1:253a BW gebaseerde verzoek van de moeder om te bepalen dat zij gerechtigd zal zijn om zich samen met de kinderen in Zwitserland te vestigen heeft afgewezen, heeft de moeder hoger beroep ingesteld. Het hof heeft geoordeeld dat het belang van beide kinderen niet is gediend met een verhuizing naar Zwitserland en heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Daartoe heeft het hof - kort samengevat - het volgende overwogen.
(i) Het verzoek van de moeder dient te worden getoetst aan de maatstaf of verhuizing naar Zwitserland in het belang van de kinderen is. (rov. 4.6.1.)
(ii) Gelet op de relatief nog jonge leeftijd van de kinderen en de meer dan gemiddelde frequentie waarin zij thans contact met de vader hebben, acht het hof het niet juist, want emotioneel te belastend voor de kinderen, om aan de moeder vervangende toestemming te verlenen om het hoofdverblijf van de kinderen te wijzigen van Nederland naar Zwitserland. Een verhuizing naar Zwitserland betekent dat er niet alleen minder frequent, maar ook minder intensief contact zal plaatsvinden tussen de vader en de kinderen. Daarbij komt dat de communicatie tussen de ouders niet optimaal verloopt. (rov. 4.6.2.)
3.2 Het middel strekt ten betoge, dat het hof door bij de toepassing van art. 1:253a BW uitsluitend te onderzoeken of de voorgenomen verhuizing naar Zwitserland in het belang van de kinderen is, zonder in die toetsing het nieuwe huwelijk van de moeder met een in Zwitserland wonende man, haar zwangerschap en de gevolgen van die beide omstandigheden voor de tot dan toe bestaande gezinssituatie te betrekken, een verkeerde maatstaf heeft gehanteerd dan wel zijn beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd, nu het hof alle bij de verhuizing betrokken belangen, die van de beide ouders (en de overige gezinsleden) daaronder begrepen, in aanmerking had behoren te nemen.
3.3 Vooropgesteld dient te worden, dat uit de omstandigheid dat in art. 1:253a BW is bepaald dat de rechtbank zodanige beslissing neemt als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt, niet mag worden afgeleid, dat het belang van het kind bij geschillen over gezamenlijke gezagsuitoefening altijd zwaarder weegt dan andere belangen. De rechter zal bij zijn beslissing over dergelijke geschillen alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen, wat er in voorkomend geval ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen. Het hof heeft door in zijn beslissing niet uitdrukkelijk het nieuwe huwelijk van de moeder met haar in Zwitserland wonende echtgenoot, haar zwangerschap en de gevolgen van die beide omstandigheden voor de bestaande gezinssituatie in zijn afweging te betrekken, deze maatstaf miskend, dan wel zijn beslissing onvoldoende gemotiveerd, zodat de hierop gerichte klachten van het middel doel treffen. De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling. De aard van het geding brengt mee dat de zaak na verwijzing opnieuw in volle omvang moet worden onderzocht en beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 21 augustus 2007;
verwijst het geding naar het gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren P.C. Kop, E.J. Numann, J.C. van Oven en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.D.H. Asser op 25 april 2008.
Eerste Kamer
Nr. 07/13231HR
RM/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De moeder],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand,
t e g e n
[De vader],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de moeder en de vader.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 30 november 2006 ter griffie van de rechtbank 's-Hertogenbosch ingediend verzoekschrift heeft de moeder zich gewend tot die rechtbank en verzocht, kort gezegd, te bepalen dat zij gerechtigd is zich met haar beide minderjarige kinderen [kind 1] en [kind 2], beide geboren uit het thans tussen partijen ontbonden huwelijk, in Zwitserland te vestigen.
De vader heeft het verzoek bestreden en zijnerzijds een tegenverzoek gedaan.
De rechtbank (sector civiel) heeft bij beschikking van 13 april 2007 beide verzoeken afgewezen, nu deze verzoeken niet in het belang van voornoemde minderjarigen zouden zijn.
Tegen deze beschikking heeft de moeder hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij beschikking van 21 augustus 2007 heeft het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vader is niet verschenen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof.
De advocaat van de moeder heeft bij brief van 14 maart 2008 op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1 Tegen de hiervoor onder 1 vermelde beschikking, waarin de rechtbank het op art. 1:253a BW gebaseerde verzoek van de moeder om te bepalen dat zij gerechtigd zal zijn om zich samen met de kinderen in Zwitserland te vestigen heeft afgewezen, heeft de moeder hoger beroep ingesteld. Het hof heeft geoordeeld dat het belang van beide kinderen niet is gediend met een verhuizing naar Zwitserland en heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Daartoe heeft het hof - kort samengevat - het volgende overwogen.
(i) Het verzoek van de moeder dient te worden getoetst aan de maatstaf of verhuizing naar Zwitserland in het belang van de kinderen is. (rov. 4.6.1.)
(ii) Gelet op de relatief nog jonge leeftijd van de kinderen en de meer dan gemiddelde frequentie waarin zij thans contact met de vader hebben, acht het hof het niet juist, want emotioneel te belastend voor de kinderen, om aan de moeder vervangende toestemming te verlenen om het hoofdverblijf van de kinderen te wijzigen van Nederland naar Zwitserland. Een verhuizing naar Zwitserland betekent dat er niet alleen minder frequent, maar ook minder intensief contact zal plaatsvinden tussen de vader en de kinderen. Daarbij komt dat de communicatie tussen de ouders niet optimaal verloopt. (rov. 4.6.2.)
3.2 Het middel strekt ten betoge, dat het hof door bij de toepassing van art. 1:253a BW uitsluitend te onderzoeken of de voorgenomen verhuizing naar Zwitserland in het belang van de kinderen is, zonder in die toetsing het nieuwe huwelijk van de moeder met een in Zwitserland wonende man, haar zwangerschap en de gevolgen van die beide omstandigheden voor de tot dan toe bestaande gezinssituatie te betrekken, een verkeerde maatstaf heeft gehanteerd dan wel zijn beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd, nu het hof alle bij de verhuizing betrokken belangen, die van de beide ouders (en de overige gezinsleden) daaronder begrepen, in aanmerking had behoren te nemen.
3.3 Vooropgesteld dient te worden, dat uit de omstandigheid dat in art. 1:253a BW is bepaald dat de rechtbank zodanige beslissing neemt als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt, niet mag worden afgeleid, dat het belang van het kind bij geschillen over gezamenlijke gezagsuitoefening altijd zwaarder weegt dan andere belangen. De rechter zal bij zijn beslissing over dergelijke geschillen alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen, wat er in voorkomend geval ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen. Het hof heeft door in zijn beslissing niet uitdrukkelijk het nieuwe huwelijk van de moeder met haar in Zwitserland wonende echtgenoot, haar zwangerschap en de gevolgen van die beide omstandigheden voor de bestaande gezinssituatie in zijn afweging te betrekken, deze maatstaf miskend, dan wel zijn beslissing onvoldoende gemotiveerd, zodat de hierop gerichte klachten van het middel doel treffen. De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling. De aard van het geding brengt mee dat de zaak na verwijzing opnieuw in volle omvang moet worden onderzocht en beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 21 augustus 2007;
verwijst het geding naar het gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren P.C. Kop, E.J. Numann, J.C. van Oven en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.D.H. Asser op 25 april 2008.