Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:10127
2026-07-15
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/10/643216 / FA RK 22-5735
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Geen vervangende toestemming verhuizing en bevel terugverhuizing gelet op belang minderjarige bij ingezette hulpverlening in Nederland
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2008:BC5901 Hoge Raad 25-04-2008
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (32.383 tekens)
Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/643216 / FA RK 22-5735
Beschikking van 15 juli 2026 over de vervangende toestemming verhuizing, het bevel tot terugverhuizing, de hoofdverblijfplaats van de minderjarige en de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van:
[man]
, hierna: de man,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat mr. V.K.S. Deetman te Dordrecht ,
t e g e n
[vrouw]
, hierna: de vrouw,
wonende op een onbekend adres op [plaats 2] ,
advocaat mr. W. de Deugd te Dordrecht .
Deze zaak gaat over de minderjarige:
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2020 te [plaats 3] .
De rechtbank merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, gevestigd in Dordrecht (hierna: de GI).
1De verdere procedure
1.1
Het verloop van de verdere procedure blijkt uit:
de tussenbeschikking van 15 april 2026;
het verweerschrift met bijlagen van de man tegen het aanvullend verzoek van de vrouw van 19 mei 2026;
het rapport van de raad voor de kinderbescherming Rotterdam- Dordrecht (hierna: de raad) van 21 mei 2026;
het bericht van de man met bijlage van 28 mei 2026.
1.2
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 3 juni 2026. Daarbij zijn verschenen:
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de vrouw, via beeld- en geluidsverbinding;
de advocaat van de vrouw;
de raad, als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
2De verdere vaststaande feiten
2.1
Bij tussenbeschikking van deze rechtbank van 15 april 2026 is het verzoek van de man om de minderjarige voorlopig aan hem toe te vertrouwen afgewezen. De behandeling van de zaak is ten aanzien van de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling en de vervangende toestemming voor verhuizing verwezen naar de meervoudige kamer en aangehouden tot de mondelinge behandeling op 3 juni 2026. De rechtbank heeft partijen daarbij verzocht om het rapport van Yulius uit 2025 – een verslag met betrekking tot uitgevoerde diagnostiek bij de minderjarige – uiterlijk op 29 mei 2026 aan de rechtbank toe te sturen en de raad om uiterlijk een week voor de volgende zitting het rapport te overleggen.
2.2
Op 22 mei 2026 heeft de raad verzocht de minderjarige onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Dit verzoek onder zaak- en rekestnummer C/10/720211 / JE RK 26-999 is gelijktijdig behandeld met deze zaak. Op het verzoek tot ondertoezichtstelling zal eveneens op 15 juli 2026 bij afzonderlijke beschikking worden beslist.
3De verdere beoordeling
3.1
Termijn indienen van stukken
3.1.1
De vrouw heeft op 29 mei 2026 om 19:35 uur een brief met bijlagen ingediend. De rechtbank heeft aan het begin van de mondelinge behandeling, na partijen te hebben gehoord, beslist dat deze stukken zijn ingediend buiten de toegestane termijn omdat er tussen het moment van indienen en de mondelinge behandeling effectief maar twee werkdagen zaten.
3.2
Vervangende toestemming voor verhuizing
3.2.1
De vrouw verzoekt bij verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van 31 maart 2026 vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarige naar [plaats 2] te verhuizen.
3.2.2
De man voert gemotiveerd verweer.
3.2.3
Vooropgesteld wordt dat de vrouw in beginsel het recht heeft om haar persoonlijke omstandigheden te wijzigen en te wonen waar zij wil. De vrijheid van de vrouw vindt haar beperking in het feit dat zij samen met de man het ouderlijk gezag over de minderjarige uitoefent. Dat betekent dat de vrouw vooraf toestemming nodig heeft van de man om met de minderjarige te verhuizen.
3.2.4
Op grond van artikel 1:253a BW kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent, zoals de verhuizing van de minderjarige naar een andere plaats, aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de betreffende minderjarige wenselijk voorkomt. Bij de beantwoording van de vraag of een ouder vervangende toestemming moet krijgen om met een minderjarige te verhuizen, staan de belangen van de minderjarige weliswaar voorop, maar, naar vaste rechtspraak moet de rechter bij de beslissing in een geschil als dit alle omstandigheden van het geval in acht nemen en alle betrokken belangen afwegen (zie ook HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901).
3.2.5
Tegenover het belang van een ouder bij wie de minderjarige hoofdverblijfplaats heeft om de gelegenheid te krijgen om met de minderjarige elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen, kunnen andere belangen van de minderjarige of van de andere ouder staan. In de afweging van alle belangen kunnen onder meer de volgende omstandigheden betrokken worden:
de noodzaak om te verhuizen;
een goede voorbereiding van de verhuizing;
de leeftijd van de minderjarige, zijn mening en de mate waarin de minderjarige geworteld is in zijn omgeving of juist extra gewend is aan verhuizingen.
3.2.6
Alle belangen tegen elkaar afwegend zal de rechtbank beslissen dat aan de vrouw geen vervangende toestemming wordt verleend om met de minderjarige naar [plaats 2] te verhuizen. De rechtbank legt hierna uit waarom.
Toestemming
3.2.7
Vast staat dat de vrouw in december 2025 al met de minderjarige is verhuisd naar een bij de rechtbank en voor de man onbekend adres op [plaats 2] , zonder toestemming en wetenschap van de man. De rechtbank constateert dat dit in strijd is met het gezagsrecht. Immers is – al dan niet vervangende – toestemming vereist vóórdat de verhuizing daadwerkelijk plaatsvindt. De rechtbank benadrukt dat het algemeen belang zich er in beginsel tegen verzet dat de rechtbank vervangende toestemming verleent op het moment dat iemand al is verhuisd, alleen omdat de situatie moeilijk omkeerbaar is. Anders gezegd: het algemeen belang verzet zich ertegen dat iemand een verhuizing forceert.
3.2.8
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw in eerste instantie verklaard dat zij in de veronderstelling was dat zij mocht verhuizen zonder toestemming van de man, omdat in het ouderschapsplan niets specifieks over verhuizen zou zijn opgenomen. De rechtbank heeft de vrouw tijdens de mondelinge behandeling gewezen op artikel 2.2. uit het ouderschapsplan, waarin staat:
‘Bij een voorgenomen verhuizing zullen de ouders vooraf met elkaar in overleg treden’.
Daarop heeft de vrouw verklaard dat zij daarover wel heeft nagedacht, maar vooraf in overleg treden haar niet de makkelijkste manier leek. Volgens de vrouw was namelijk nergens overleg over mogelijk tussen haar en de man. Daarop heeft de vrouw besloten de man over de verhuizing in te lichten zodra de verhuizing rond zou zijn en de minderjarige zou zijn gesetteld. Volgens de man heeft de vrouw eerder wel meermaals vervangende toestemming aan de man gevraagd voor een vakantie. De vrouw heeft dat niet betwist. Het komt de rechtbank niet geloofwaardig voor dat de vrouw heeft gedacht dat een verhuizing naar het buitenland zonder toestemming is toegestaan, terwijl voor een vakantie naar het buitenland (vervangende) toestemming nodig is.
3.2.9
Gezien het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de vrouw bewust voorbij is gegaan aan de afspraak uit het ouderschapsplan en daarmee aan het gezagsrecht. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling ook erkend dat zij de man om toestemming had moeten vragen.
De noodzaak om te verhuizen, de voorbereiding van de verhuizing en de leeftijd en de mate waarin de minderjarige geworteld is in zijn omgeving
3.2.10
Niet in geschil is dat er al meer dan drie jaar geen contact is tussen de man en de minderjarige. De vrouw woont sinds december 2025 met de minderjarige en zijn halfbroer [naam halfbroer] op [plaats 2] en heeft geen woning meer in Nederland. Uit de concept diagnose- en adviesbrief van Yulius van 14 januari 2025 blijkt dat, alle onderzoeksgegevens in acht nemend, er bij de minderjarige [voornaam minderjarige] sprake is van een autismespectrumstoornis. De daarbij passende gedragingen worden versterkt door vroegkinderlijke ervaringen waarbij de minderjarige vanaf de zwangerschap in aanraking is geweest met spanningsvolle situaties. Tevens is sprake van achtstanden in de taalontwikkeling, een disharmonisch intelligentieprofiel en bijzonderheden op het gebied van eten, slapen, zintuigelijke prikkelverwerking en zindelijkheid.
3.2.11
De vrouw stelt dat sinds de verhuizing naar [plaats 2] sprake is van zichtbare stabilisering en verbetering bij de minderjarige, waarbij negatieve patronen zijn doorbroken. De noodzaak voor verhuizing is er volgens de vrouw in gelegen dat er op [plaats 2] geen wachtlijsten voor hulpverlening zijn en bovendien heeft de minderjarige zijn draai gevonden. De minderjarige gaat op [plaats 2] ook weer naar school en dat gaat volgens de vrouw goed. Naar eigen zeggen lukt het de vrouw om de minderjarige structuur en continuïteit te bieden, waarbij zij passende begeleiding heeft voortgezet. De vrouw stelt dat geen sprake is van een impulsieve vlucht, maar van een mogelijkheid die zich aandiende, ook in financieel-economisch opzicht, na een verleden waarin zij voor de minderjarige heeft gevochten en moeite heeft gehad met de Nederlandse hulpverlening. Die hulpverlening kwam maar niet op gang, zo stelt de vrouw. Volgens de vrouw heeft zij de verhuizing doordacht en goed voorbereid. Zij is namelijk vóór de verhuizing al eerder met de minderjarige en zijn halfbroer naar [plaats 2] geweest, heeft aandacht besteed aan de [lokale cultuur] en is in contact getreden met een school op [plaats 2] om te bezien welke voorzieningen er zijn. Het is niet de intentie van de vrouw geweest om de minderjarige te verwijderen uit het leven van de man.
3.2.12
De man stelt daarentegen dat de verhuizing van de vrouw met de minderjarige naar [plaats 2] ondoordacht, onvoorbereid en niet noodzakelijk is geweest. De nu noodzakelijke hulpverlening was in Nederland uitgerold en lag klaar om van start te gaan. Volgens de man is dit door de verhuizing niet van de grond gekomen. Het onttrekken aan hulpverlening past volgens de man niet bij een doordachte, goede voorbereiding. De vrouw stelt dat zij passende begeleiding heeft voortgezet. De man constateert dat de minderjarige nu geen hulpverlening ontvangt en het vooralsnog niet is gelukt de minderjarige in te schrijven voor het speciaal onderwijs. Ook is specialistische hulpverlening volgens de man in Nederland beter geregeld dan op [plaats 2] .
3.2.13
De raad heeft grote zorgen over de minderjarige op [plaats 2] en daar ook melding van gemaakt bij de Centrale Autoriteit. Dat de vrouw met de minderjarige naar [plaats 2] is vertrokken, heeft heel veel veranderingen voor de minderjarige teweeggebracht. Deze omstandigheid omschrijft de raad als een ‘zeer ingrijpende gebeurtenis’, die volgens de raad ondoordacht en onvoorbereid is. De minderjarige heeft met zijn problematiek veel baat bij duidelijkheid, voorspelbaarheid, structuur en vaste routines. Een verhuizing maakt niet alleen dat de woon- en leefomgeving van de minderjarige is veranderd, maar heeft ook grote gevolgen voor zijn dagelijkse ritme, routine en gevoelens van veiligheid en vertrouwen, aldus de raad. Uit het raadsonderzoek blijkt daarnaast dat de vrouw geen voorbereidingen heeft getroffen met het oog op de vraag welke passende hulpverlening de minderjarige nodig zou hebben bij een ingrijpende verhuizing naar [plaats 2] . Daarbij is tot op heden onzeker of passende scholing in de zin van speciaal onderwijs voor komend schooljaar gaat lukken. Bovendien acht de raad inzet van intensieve en specialistische hulpverlening noodzakelijk, wat tot op heden op [plaats 2] niet van de grond is gekomen. Gezien de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige, het gegeven dat het hem aan noodzakelijke hulpverlening ontbreekt en het gegeven dat hulpverlening op [plaats 2] op een andere wijze wordt georganiseerd dan in Nederland en tot op heden nog niet is gestart, acht de raad de kans zeer aannemelijk dat de minderjarige hierdoor niet de hulp krijgt die hij nodig heeft. De raad acht een (definitieve) verhuizing van de minderjarige naar [plaats 2] daarom niet in zijn belang.
3.2.14
Naar het oordeel van de rechtbank is een verhuizing naar [plaats 2] , op de wijze waarop het nu is gegaan, niet in het belang van de minderjarige. Emigratie is voor alle kinderen een ingrijpende gebeurtenis, zeker als er sprake is van een andere taal en/of cultuur. Dat is voor de minderjarige [voornaam minderjarige] niet anders. Sterker nog, bij [voornaam minderjarige] is sprake van een autismespectrumstoornis en, in algemene termen, een ontwikkelingsachterstand. Tijdens de mondelinge behandeling is ter sprake gekomen dat de minderjarige niet alle talen die op [plaats 2] worden gesproken, spreekt, dat er sprake is van pesten op school en dat de cultuur op [plaats 2] zo is dat van minderjarigen geen weerwoord wordt verwacht. De vrouw heeft de rechtbank er niet van kunnen overtuigen, en evenmin kunnen informeren, dat de voor de minderjarige zo benodigde hulpverlening daadwerkelijk op korte termijn beschikbaar is. De informatie van de vrouw op dit punt strookt niet met de informatie van de raad. Bovendien heeft de vrouw bij de rechtbank de indruk gewekt dat alles met de scholen en de hulpverlening ‘gisteren of volgende week’ besproken is of wordt. In verband met de serieuze problematiek van de minderjarige had de vrouw vanuit Nederland moeten uitzoeken wat voor voorzieningen en hulpverlening [plaats 2] daadwerkelijk op korte termijn biedt, in plaats van ‘op stel en sprong’ te emigreren. De vrouw heeft de nieuwe school van de minderjarige op [plaats 2] weliswaar op de hoogte gebracht van een deel van de problematiek waar de minderjarige mee kampt, maar heeft hierbij zoals onderbouwd door de raad, niet direct volledige openheid van zaken gegeven. De huidige school heeft aangegeven minder passend te zijn. De rechtbank constateert dat tot op heden geen specialistische hulpverlening voor de minderjarige is ingezet op [plaats 2] , terwijl specialistische hulpverlening, waaronder Horses & Co, in Nederland klaarstond om te starten en de traumabehandeling nog niet was afgerond. Ook de inschrijving voor speciaal onderwijs op [plaats 2] is tot op heden niet gelukt, al ziet de rechtbank dat de vrouw daar wel mee bezig is. De rechtbank sluit aan bij de zorgen van de raad en is van oordeel dat de minderjarige op [plaats 2] niet de hulp krijgt die hij volgens de raad nodig heeft. Dat er sprake was van een noodzaak tot verhuizing is niet gebleken. De stelling van de vrouw dat het op [plaats 2] beter gaat met de minderjarige is daarvoor niet genoeg. De man betwist dat overigens. Het komt op de rechtbank over alsof zich een (investerings)kans heeft voorgedaan met de mogelijkheid om een wens in vervulling te laten gaan, een ‘nieuwe start’ in de woorden van de vrouw, maar dat creëert nog geen noodzaak. Daarnaast houdt de emigratie mogelijk verband met de stand van de hulpverlening in Nederland. Uit het rapport van de raad blijkt dat het voor deel twee van de traumabehandeling nodig is dat de behandelaar samen met de vrouw een verhaal gaat maken over ervaringen in de thuissituatie met ouders om dat vervolgens met de minderjarige te kunnen bespreken. De vrouw heeft zich vervolgens teruggetrokken. Op deze manier stagneert ook het langzaam toewerken naar statusvoorlichting en contactherstel tussen de minderjarige en de man.
3.2.15
Gezien het voorgaande acht de rechtbank het niet in het belang van de minderjarige om te verhuizen naar [plaats 2] . De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom afwijzen en komt niet toe aan het voorwaardelijke verzoek van de man om de hoofdverblijfplaats van de minderjarige te wijzigen.
3.3
Bevel tot terugverhuizing
3.3.1
De man verzoekt bij aanvullend verzoek de vrouw te gelasten om binnen een week na de beschikkingsdatum met de minderjarige terug te verhuizen naar (de omgeving van) [plaats 3] onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel dat de vrouw niet aan het gevorderde bevel voldoet, met een maximum van € 25.000,-.
3.3.2
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
3.3.3
Onder verwijzing naar wat hierboven is geoordeeld over het belang van de minderjarige, wordt het bevel tot terugverhuizing toegewezen zoals hierna in de beslissing vermeld en wordt aan dit bevel een dwangsom verbonden zoals hierna in de beslissing is opgenomen.
3.3.4
De rechtbank is zich ervan bewust dat een terugverhuizing veel impact zal hebben op de minderjarige als ook op de vrouw en de halfbroer van de minderjarige. De vrouw stelt dat zij geen woning meer heeft in Nederland en een gedwongen terugverhuizing de opgebouwde structuur zou teneerslaan. Zoals eerder overwogen maakt dat echter niet dat een verhuizing naar het buitenland niet kan worden teruggedraaid. De rechtbank is van oordeel dat de terugverhuizing met de minderjarige naar (de omgeving van) [plaats 3] noodzakelijk is. De rechtbank zal niet oordelen, zoals door de man verzocht, dat de verhuizing binnen een week na deze beschikking dient plaats te vinden. De rechtbank ziet praktisch niet in hoe dat mogelijk is en de man heeft ook niet onderbouwd waarom terugverhuizing binnen een week noodzakelijk is. Niet te verwachten is dat de hulpverlening binnen die week weer hervat kan worden. De rechtbank heeft afgewogen of het in het belang van de minderjarige is om na de zomer nog even op [plaats 2] naar school te gaan en daarna te verhuizen of dat het in belang van de minderjarige is om al eerder terug te verhuizen, ook als hier in Nederland nog geen plek beschikbaar is. De rechtbank zal beslissen dat de verhuizing moet plaatsvinden voor het einde van de zomervakantie in Nederland, oftewel uiterlijk op 30 augustus 2026. Voor de minderjarige is dit een min of meer natuurlijk moment en de vrouw dient alles in het werk te stellen om te zorgen dat de minderjarige bij de start van het nieuwe schooljaar in Nederland naar school of dagbesteding kan en dat de hulpverlening kan worden hervat. Het is niet in het belang van de minderjarige om geen passende hulp en dagbesteding te hebben. Omdat de rechtbank niet gebleken is dat dit op korte termijn te realiseren is op [plaats 2] , dient met terugverhuizen niet te lang te worden gewacht.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
3.3.5
De rechtbank zal het bevel tot terugverhuizing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit is een zaak waarin de vrouw zonder toestemming van de man en vooruitlopend op eventueel vervangende toestemming van de rechtbank voor verhuizing, ervoor heeft gekozen om toch te verhuizen naar een nieuwe woonplaats op [plaats 2] . Die keuze komt voor háár rekening en risico. Dat vertaalt zich in stopgezette hulpverlening van de minderjarige in Nederland en daarmee ook het stagneren van het verzoek van de man om toe te werken naar contact met de minderjarige in de vorm van een zorgregeling. Het bevel tot terugverhuizing moet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, omdat het in het belang van de minderjarige is dat hij voor (speciale) scholing en hulpverlening in Nederland kan worden ingeschreven, zonder een eventueel hoger beroep af te wachten. Naar alle waarschijnlijkheid zal een eventuele hoger beroepsprocedure namelijk niet zijn afgrond voordat het nieuwe schooljaar begint. Daarbij acht de rechtbank van groot belang dat de specialistische hulpverlening zo snel mogelijk tot stand komt.
Dwangsom
3.3.6
Het is de rechtbank duidelijk geworden dat de vrouw heel veel obstakels ziet als het gaat om een terugverhuizing naar Nederland. Daaruit leidt de rechtbank af dat de kans bestaat dat de vrouw niet zal voldoen aan een bevel om terug te verhuizen. De rechtbank is daarom van oordeel dat een financiële prikkel in de vorm van een dwangsom aan het bevel tot terugverhuizing moet worden verbonden. De rechtbank ziet geen reden om die dwangsom te matigen, nu de vrouw geld had om met twee minderjarigen naar [plaats 2] op en neer te reizen en daar vervolgens ook te investeren in een onroerend goed project. Het spreekt voor zich dat geen dwangsom wordt verbeurd wanneer de vrouw tijdig aan het bevel voldoet.
3.4
Zorgregeling
3.4.1
De man verzoekt bij aanvullend voorwaardelijk verzoek, indien het verzoek tot terugverhuizing wordt toegewezen, wijziging van de tussen partijen in het ouderschapsplan overeengekomen regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedings-taken (hierna: zorgregeling), zodat de volgende regeling zal gelden tussen de man en de minderjarige:
de minderjarige verblijft eens per week een gehele dag (van 10:00 uur tot 18:00 uur, met avondeten) bij de man, waarbij partijen onderling overleggen welke dag dit zal zijn en waarbij toegewerkt gaat worden naar eens in de twee weken een heel weekend.
3.4.2
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
3.4.3
De rechtbank kan op verzoek van de gezaghebbende ouders of van een van hen op grond van artikel 1:253a in verbinding met artikel 1:377e BW een beslissing over een zorgregeling of een door ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
3.4.4
Voor de beoordeling van het verzoek de overeengekomen zorgregeling te wijzigen, gaat de rechtbank ervan uit dat de vrouw uiterlijk op 1 september 2026 met de minderjarige is terugverhuisd naar (de omgeving) van [plaats 3] , zoals hiervoor is bepaald.
3.4.5
De man stelt dat sprake is van gewijzigde omstandigheden nadat de getroffen zorgregeling door partijen werd opgenomen in het ouderschapsplan van 6 maart 2021. De man is namelijk al een tijd clean, zijn behandeltraject is afgerond en het gaat goed met hem. Bovendien is de getroffen regeling volgens de man geëindigd. De vrouw heeft dat niet weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank is de wijziging van omstandigheden daarin gelegen.
3.4.6
Vast staat dat de man al meer dan drie jaar geen contact heeft met de minderjarige. De raad is van mening dat de vrouw de minderjarige door de verhuizing naar [plaats 2] de mogelijkheid ontneemt om (op termijn) toe te kunnen werken naar contactherstel met de man. De raad benadrukt dat het in het belang van de minderjarige is dat hij weet waar zijn afkomst ligt en daarbij heeft de minderjarige recht op contact met beide ouders. Volgens de raad is het niet mogelijk om direct weer contact tussen de minderjarige en de man tot stand te brengen, maar is eerst statusvoorlichting van belang. Voor de hechting en voor het vormen van een identiteit is het belangrijk dat de minderjarige weet dat hij twee ouders heeft. Zeker voor deze minderjarige, voor wie de wereld wegens zijn problematiek onveiliger en onduidelijker is dan voor andere kinderen van zijn leeftijd. De raad adviseert de rechtbank om de behandeling voor het vaststellen van een zorgregeling aan te houden in afwachting van de resultaten van hulpverlening met betrekking tot statusvoorlichting en contactherstel.
3.4.7
De vrouw stelt dat zij de man niet wil uitsluiten van contact met de minderjarige. Daarbij stelt zij dat de minderjarige mag weten wie zijn vader is, indien de minderjarige daar gerichte vragen over heeft. Volgens de vrouw is dat niet aan de orde, omdat de minderjarige nooit naar de man vraagt, ook al draagt hij wel zijn achternaam, die ook elke schooldag wordt genoemd. De vrouw wil dit onderwerp niet bij de minderjarige forceren, omdat zij eerder heeft gezien dat de minderjarige hier heftig op reageert. Bijvoorbeeld door een bladzijde uit een boek te scheuren toen het verhaal over een vader ging.
3.4.8
Volgens de man staat de vrouw contact tussen hem en de minderjarige in de weg. Ook wat betreft de statusvoorlichting, wijst de man op het raadsrapport waarin is opgenomen dat de minderjarige daar volgens de vrouw nog niet aan toe is. De man acht het in het belang van de minderjarige dat contact tussen hem en de minderjarige wordt opgebouwd op een rustige en goede manier en sluit zich aan bij het raadsadvies.
3.4.9
De rechtbank zal beslissen dat de behandeling van de zaak ten aanzien van de zorgregeling in lijn met het advies van de raad wordt aangehouden, in afwachting van de resultaten van hulpverlening met betrekking tot statusvoorlichting en contactherstel en overweegt als volgt.
3.4.10
De rechtbank realiseert zich dat het dossier in deze zaak dikker en dikker wordt, waardoor een eindbeslissing over de zorgregeling misschien wenselijk zou zijn. Nu de rechtbank met de raad van oordeel is dat één op één contact tussen de man en de minderjarige op dit moment nog niet mogelijk is, zou het nemen van een definitieve beslissing, leiden tot een afwijzing van het initiële verzoek van de man van 18 augustus 2022. De rechtbank acht dit niet passend en gunt de man een stip op de horizon ten aanzien van het contact met de minderjarige, waar de man zich al geruime tijd voor inzet. Met de raad is de rechtbank van oordeel dat het van belang is om eerst te starten met statusvoorlichting, waarna mogelijk contactherstel tot stand kan komen. De man heeft ingestemd met het gehele raadsadvies en de vrouw heeft toegezegd mee te willen werken aan statusvoorlichting. Hoe dit precies gaat is afhankelijk van de vraag in hoeverre de minderjarige dit – na de terugverhuizing naar Nederland – kan behappen. Door de behandeling pro forma aan te houden, houdt de rechtbank voorlopig nog vinger aan de pols waarbij zij de hoop uitspreekt dat tegen die tijd een betere en concretere beslissing genomen kan worden. De rechtbank geeft de GI, nu deze instelling bij afzonderlijke beslissing met de uitvoering van de ondertoezichtstelling over de minderjarige wordt belast, hierbij de opdracht om de statusvoorlichting, het contactherstel en alles wat (verder) mogelijk is te begeleiden en te bevorderen. Daarbij worden partijen en de GI verzocht om uiterlijk een week voor de pro forma datum, de rechtbank te informeren over de stand van zaken met betrekking tot de statusvoorlichting en het contactherstel en daarbij eventuele nadere proceswensen kenbaar te maken. In dit kader geeft de rechtbank de vrouw nog mee dat de afspraak over de informatieregeling, opgenomen in artikel 3 van het ouderschapsplan, nog altijd geldt en dat het ook in verband met het contactherstel van groot belang is dat de man over de minderjarige wordt geïnformeerd zodat hij bij hem kan aansluiten.
3.5
Proceskosten
3.5.1
Omdat ten aanzien van de zorgregeling nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.
4De beslissing
De rechtbank:
4.1
wijst af het verzoek van de vrouw om vervangende toestemming te verlenen voor verhuizing met de minderjarige naar [plaats 2] ;
4.2
beveelt de vrouw uiterlijk op 30 augustus 2026 terug te verhuizen naar (de omgeving van) [plaats 3] , op verbeurte van een dwangsom aan de man te voldoen van € 500,- per dag(deel) dat de vrouw daar niet aan voldoet, met een maximum van € 25.000,-;
4.3
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
en voordat verder wordt beslist:
4.4
bepaalt dat de behandeling van de zaak ten aanzien van de zorgregeling wordt aangehouden tot 1 juni 2027 PRO FORMA;
4.5
verzoekt partijen en de GI om uiterlijk een week voor de pro forma datum de rechtbank te informeren over het verloop van de statusvoorlichting en het eventuele contactherstel en daarbij eventuele nadere proceswensen kenbaar te maken waarna een eventuele mondelinge behandeling enkelvoudig zal plaatsvinden, bij voorkeur bij mr. A.C. Siemons of mr. S.L. Raphael en zo mogelijk tegelijk met een eventueel verzoek (verlenging) ondertoezichtstelling;
4.6
verzoekt de griffie, gelet op het onder 4.5. bepaalde, een afschrift van deze beschikking de zenden aan de GI.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. van Driel, voorzitter en (kinder)rechter, mr. A.C. Siemons en mr. S.L. Raphael, (kinder)rechters, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. E.J. den Hollander, griffier, op 15 juli 2026.
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/643216 / FA RK 22-5735
Beschikking van 15 juli 2026 over de vervangende toestemming verhuizing, het bevel tot terugverhuizing, de hoofdverblijfplaats van de minderjarige en de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van:
[man]
, hierna: de man,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat mr. V.K.S. Deetman te Dordrecht ,
t e g e n
[vrouw]
, hierna: de vrouw,
wonende op een onbekend adres op [plaats 2] ,
advocaat mr. W. de Deugd te Dordrecht .
Deze zaak gaat over de minderjarige:
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2020 te [plaats 3] .
De rechtbank merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, gevestigd in Dordrecht (hierna: de GI).
1De verdere procedure
1.1
Het verloop van de verdere procedure blijkt uit:
de tussenbeschikking van 15 april 2026;
het verweerschrift met bijlagen van de man tegen het aanvullend verzoek van de vrouw van 19 mei 2026;
het rapport van de raad voor de kinderbescherming Rotterdam- Dordrecht (hierna: de raad) van 21 mei 2026;
het bericht van de man met bijlage van 28 mei 2026.
1.2
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 3 juni 2026. Daarbij zijn verschenen:
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de vrouw, via beeld- en geluidsverbinding;
de advocaat van de vrouw;
de raad, als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
2De verdere vaststaande feiten
2.1
Bij tussenbeschikking van deze rechtbank van 15 april 2026 is het verzoek van de man om de minderjarige voorlopig aan hem toe te vertrouwen afgewezen. De behandeling van de zaak is ten aanzien van de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling en de vervangende toestemming voor verhuizing verwezen naar de meervoudige kamer en aangehouden tot de mondelinge behandeling op 3 juni 2026. De rechtbank heeft partijen daarbij verzocht om het rapport van Yulius uit 2025 – een verslag met betrekking tot uitgevoerde diagnostiek bij de minderjarige – uiterlijk op 29 mei 2026 aan de rechtbank toe te sturen en de raad om uiterlijk een week voor de volgende zitting het rapport te overleggen.
2.2
Op 22 mei 2026 heeft de raad verzocht de minderjarige onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Dit verzoek onder zaak- en rekestnummer C/10/720211 / JE RK 26-999 is gelijktijdig behandeld met deze zaak. Op het verzoek tot ondertoezichtstelling zal eveneens op 15 juli 2026 bij afzonderlijke beschikking worden beslist.
3De verdere beoordeling
3.1
Termijn indienen van stukken
3.1.1
De vrouw heeft op 29 mei 2026 om 19:35 uur een brief met bijlagen ingediend. De rechtbank heeft aan het begin van de mondelinge behandeling, na partijen te hebben gehoord, beslist dat deze stukken zijn ingediend buiten de toegestane termijn omdat er tussen het moment van indienen en de mondelinge behandeling effectief maar twee werkdagen zaten.
3.2
Vervangende toestemming voor verhuizing
3.2.1
De vrouw verzoekt bij verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van 31 maart 2026 vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarige naar [plaats 2] te verhuizen.
3.2.2
De man voert gemotiveerd verweer.
3.2.3
Vooropgesteld wordt dat de vrouw in beginsel het recht heeft om haar persoonlijke omstandigheden te wijzigen en te wonen waar zij wil. De vrijheid van de vrouw vindt haar beperking in het feit dat zij samen met de man het ouderlijk gezag over de minderjarige uitoefent. Dat betekent dat de vrouw vooraf toestemming nodig heeft van de man om met de minderjarige te verhuizen.
3.2.4
Op grond van artikel 1:253a BW kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent, zoals de verhuizing van de minderjarige naar een andere plaats, aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de betreffende minderjarige wenselijk voorkomt. Bij de beantwoording van de vraag of een ouder vervangende toestemming moet krijgen om met een minderjarige te verhuizen, staan de belangen van de minderjarige weliswaar voorop, maar, naar vaste rechtspraak moet de rechter bij de beslissing in een geschil als dit alle omstandigheden van het geval in acht nemen en alle betrokken belangen afwegen (zie ook HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901).
3.2.5
Tegenover het belang van een ouder bij wie de minderjarige hoofdverblijfplaats heeft om de gelegenheid te krijgen om met de minderjarige elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen, kunnen andere belangen van de minderjarige of van de andere ouder staan. In de afweging van alle belangen kunnen onder meer de volgende omstandigheden betrokken worden:
de noodzaak om te verhuizen;
een goede voorbereiding van de verhuizing;
de leeftijd van de minderjarige, zijn mening en de mate waarin de minderjarige geworteld is in zijn omgeving of juist extra gewend is aan verhuizingen.
3.2.6
Alle belangen tegen elkaar afwegend zal de rechtbank beslissen dat aan de vrouw geen vervangende toestemming wordt verleend om met de minderjarige naar [plaats 2] te verhuizen. De rechtbank legt hierna uit waarom.
Toestemming
3.2.7
Vast staat dat de vrouw in december 2025 al met de minderjarige is verhuisd naar een bij de rechtbank en voor de man onbekend adres op [plaats 2] , zonder toestemming en wetenschap van de man. De rechtbank constateert dat dit in strijd is met het gezagsrecht. Immers is – al dan niet vervangende – toestemming vereist vóórdat de verhuizing daadwerkelijk plaatsvindt. De rechtbank benadrukt dat het algemeen belang zich er in beginsel tegen verzet dat de rechtbank vervangende toestemming verleent op het moment dat iemand al is verhuisd, alleen omdat de situatie moeilijk omkeerbaar is. Anders gezegd: het algemeen belang verzet zich ertegen dat iemand een verhuizing forceert.
3.2.8
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw in eerste instantie verklaard dat zij in de veronderstelling was dat zij mocht verhuizen zonder toestemming van de man, omdat in het ouderschapsplan niets specifieks over verhuizen zou zijn opgenomen. De rechtbank heeft de vrouw tijdens de mondelinge behandeling gewezen op artikel 2.2. uit het ouderschapsplan, waarin staat:
‘Bij een voorgenomen verhuizing zullen de ouders vooraf met elkaar in overleg treden’.
Daarop heeft de vrouw verklaard dat zij daarover wel heeft nagedacht, maar vooraf in overleg treden haar niet de makkelijkste manier leek. Volgens de vrouw was namelijk nergens overleg over mogelijk tussen haar en de man. Daarop heeft de vrouw besloten de man over de verhuizing in te lichten zodra de verhuizing rond zou zijn en de minderjarige zou zijn gesetteld. Volgens de man heeft de vrouw eerder wel meermaals vervangende toestemming aan de man gevraagd voor een vakantie. De vrouw heeft dat niet betwist. Het komt de rechtbank niet geloofwaardig voor dat de vrouw heeft gedacht dat een verhuizing naar het buitenland zonder toestemming is toegestaan, terwijl voor een vakantie naar het buitenland (vervangende) toestemming nodig is.
3.2.9
Gezien het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de vrouw bewust voorbij is gegaan aan de afspraak uit het ouderschapsplan en daarmee aan het gezagsrecht. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling ook erkend dat zij de man om toestemming had moeten vragen.
De noodzaak om te verhuizen, de voorbereiding van de verhuizing en de leeftijd en de mate waarin de minderjarige geworteld is in zijn omgeving
3.2.10
Niet in geschil is dat er al meer dan drie jaar geen contact is tussen de man en de minderjarige. De vrouw woont sinds december 2025 met de minderjarige en zijn halfbroer [naam halfbroer] op [plaats 2] en heeft geen woning meer in Nederland. Uit de concept diagnose- en adviesbrief van Yulius van 14 januari 2025 blijkt dat, alle onderzoeksgegevens in acht nemend, er bij de minderjarige [voornaam minderjarige] sprake is van een autismespectrumstoornis. De daarbij passende gedragingen worden versterkt door vroegkinderlijke ervaringen waarbij de minderjarige vanaf de zwangerschap in aanraking is geweest met spanningsvolle situaties. Tevens is sprake van achtstanden in de taalontwikkeling, een disharmonisch intelligentieprofiel en bijzonderheden op het gebied van eten, slapen, zintuigelijke prikkelverwerking en zindelijkheid.
3.2.11
De vrouw stelt dat sinds de verhuizing naar [plaats 2] sprake is van zichtbare stabilisering en verbetering bij de minderjarige, waarbij negatieve patronen zijn doorbroken. De noodzaak voor verhuizing is er volgens de vrouw in gelegen dat er op [plaats 2] geen wachtlijsten voor hulpverlening zijn en bovendien heeft de minderjarige zijn draai gevonden. De minderjarige gaat op [plaats 2] ook weer naar school en dat gaat volgens de vrouw goed. Naar eigen zeggen lukt het de vrouw om de minderjarige structuur en continuïteit te bieden, waarbij zij passende begeleiding heeft voortgezet. De vrouw stelt dat geen sprake is van een impulsieve vlucht, maar van een mogelijkheid die zich aandiende, ook in financieel-economisch opzicht, na een verleden waarin zij voor de minderjarige heeft gevochten en moeite heeft gehad met de Nederlandse hulpverlening. Die hulpverlening kwam maar niet op gang, zo stelt de vrouw. Volgens de vrouw heeft zij de verhuizing doordacht en goed voorbereid. Zij is namelijk vóór de verhuizing al eerder met de minderjarige en zijn halfbroer naar [plaats 2] geweest, heeft aandacht besteed aan de [lokale cultuur] en is in contact getreden met een school op [plaats 2] om te bezien welke voorzieningen er zijn. Het is niet de intentie van de vrouw geweest om de minderjarige te verwijderen uit het leven van de man.
3.2.12
De man stelt daarentegen dat de verhuizing van de vrouw met de minderjarige naar [plaats 2] ondoordacht, onvoorbereid en niet noodzakelijk is geweest. De nu noodzakelijke hulpverlening was in Nederland uitgerold en lag klaar om van start te gaan. Volgens de man is dit door de verhuizing niet van de grond gekomen. Het onttrekken aan hulpverlening past volgens de man niet bij een doordachte, goede voorbereiding. De vrouw stelt dat zij passende begeleiding heeft voortgezet. De man constateert dat de minderjarige nu geen hulpverlening ontvangt en het vooralsnog niet is gelukt de minderjarige in te schrijven voor het speciaal onderwijs. Ook is specialistische hulpverlening volgens de man in Nederland beter geregeld dan op [plaats 2] .
3.2.13
De raad heeft grote zorgen over de minderjarige op [plaats 2] en daar ook melding van gemaakt bij de Centrale Autoriteit. Dat de vrouw met de minderjarige naar [plaats 2] is vertrokken, heeft heel veel veranderingen voor de minderjarige teweeggebracht. Deze omstandigheid omschrijft de raad als een ‘zeer ingrijpende gebeurtenis’, die volgens de raad ondoordacht en onvoorbereid is. De minderjarige heeft met zijn problematiek veel baat bij duidelijkheid, voorspelbaarheid, structuur en vaste routines. Een verhuizing maakt niet alleen dat de woon- en leefomgeving van de minderjarige is veranderd, maar heeft ook grote gevolgen voor zijn dagelijkse ritme, routine en gevoelens van veiligheid en vertrouwen, aldus de raad. Uit het raadsonderzoek blijkt daarnaast dat de vrouw geen voorbereidingen heeft getroffen met het oog op de vraag welke passende hulpverlening de minderjarige nodig zou hebben bij een ingrijpende verhuizing naar [plaats 2] . Daarbij is tot op heden onzeker of passende scholing in de zin van speciaal onderwijs voor komend schooljaar gaat lukken. Bovendien acht de raad inzet van intensieve en specialistische hulpverlening noodzakelijk, wat tot op heden op [plaats 2] niet van de grond is gekomen. Gezien de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige, het gegeven dat het hem aan noodzakelijke hulpverlening ontbreekt en het gegeven dat hulpverlening op [plaats 2] op een andere wijze wordt georganiseerd dan in Nederland en tot op heden nog niet is gestart, acht de raad de kans zeer aannemelijk dat de minderjarige hierdoor niet de hulp krijgt die hij nodig heeft. De raad acht een (definitieve) verhuizing van de minderjarige naar [plaats 2] daarom niet in zijn belang.
3.2.14
Naar het oordeel van de rechtbank is een verhuizing naar [plaats 2] , op de wijze waarop het nu is gegaan, niet in het belang van de minderjarige. Emigratie is voor alle kinderen een ingrijpende gebeurtenis, zeker als er sprake is van een andere taal en/of cultuur. Dat is voor de minderjarige [voornaam minderjarige] niet anders. Sterker nog, bij [voornaam minderjarige] is sprake van een autismespectrumstoornis en, in algemene termen, een ontwikkelingsachterstand. Tijdens de mondelinge behandeling is ter sprake gekomen dat de minderjarige niet alle talen die op [plaats 2] worden gesproken, spreekt, dat er sprake is van pesten op school en dat de cultuur op [plaats 2] zo is dat van minderjarigen geen weerwoord wordt verwacht. De vrouw heeft de rechtbank er niet van kunnen overtuigen, en evenmin kunnen informeren, dat de voor de minderjarige zo benodigde hulpverlening daadwerkelijk op korte termijn beschikbaar is. De informatie van de vrouw op dit punt strookt niet met de informatie van de raad. Bovendien heeft de vrouw bij de rechtbank de indruk gewekt dat alles met de scholen en de hulpverlening ‘gisteren of volgende week’ besproken is of wordt. In verband met de serieuze problematiek van de minderjarige had de vrouw vanuit Nederland moeten uitzoeken wat voor voorzieningen en hulpverlening [plaats 2] daadwerkelijk op korte termijn biedt, in plaats van ‘op stel en sprong’ te emigreren. De vrouw heeft de nieuwe school van de minderjarige op [plaats 2] weliswaar op de hoogte gebracht van een deel van de problematiek waar de minderjarige mee kampt, maar heeft hierbij zoals onderbouwd door de raad, niet direct volledige openheid van zaken gegeven. De huidige school heeft aangegeven minder passend te zijn. De rechtbank constateert dat tot op heden geen specialistische hulpverlening voor de minderjarige is ingezet op [plaats 2] , terwijl specialistische hulpverlening, waaronder Horses & Co, in Nederland klaarstond om te starten en de traumabehandeling nog niet was afgerond. Ook de inschrijving voor speciaal onderwijs op [plaats 2] is tot op heden niet gelukt, al ziet de rechtbank dat de vrouw daar wel mee bezig is. De rechtbank sluit aan bij de zorgen van de raad en is van oordeel dat de minderjarige op [plaats 2] niet de hulp krijgt die hij volgens de raad nodig heeft. Dat er sprake was van een noodzaak tot verhuizing is niet gebleken. De stelling van de vrouw dat het op [plaats 2] beter gaat met de minderjarige is daarvoor niet genoeg. De man betwist dat overigens. Het komt op de rechtbank over alsof zich een (investerings)kans heeft voorgedaan met de mogelijkheid om een wens in vervulling te laten gaan, een ‘nieuwe start’ in de woorden van de vrouw, maar dat creëert nog geen noodzaak. Daarnaast houdt de emigratie mogelijk verband met de stand van de hulpverlening in Nederland. Uit het rapport van de raad blijkt dat het voor deel twee van de traumabehandeling nodig is dat de behandelaar samen met de vrouw een verhaal gaat maken over ervaringen in de thuissituatie met ouders om dat vervolgens met de minderjarige te kunnen bespreken. De vrouw heeft zich vervolgens teruggetrokken. Op deze manier stagneert ook het langzaam toewerken naar statusvoorlichting en contactherstel tussen de minderjarige en de man.
3.2.15
Gezien het voorgaande acht de rechtbank het niet in het belang van de minderjarige om te verhuizen naar [plaats 2] . De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom afwijzen en komt niet toe aan het voorwaardelijke verzoek van de man om de hoofdverblijfplaats van de minderjarige te wijzigen.
3.3
Bevel tot terugverhuizing
3.3.1
De man verzoekt bij aanvullend verzoek de vrouw te gelasten om binnen een week na de beschikkingsdatum met de minderjarige terug te verhuizen naar (de omgeving van) [plaats 3] onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel dat de vrouw niet aan het gevorderde bevel voldoet, met een maximum van € 25.000,-.
3.3.2
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
3.3.3
Onder verwijzing naar wat hierboven is geoordeeld over het belang van de minderjarige, wordt het bevel tot terugverhuizing toegewezen zoals hierna in de beslissing vermeld en wordt aan dit bevel een dwangsom verbonden zoals hierna in de beslissing is opgenomen.
3.3.4
De rechtbank is zich ervan bewust dat een terugverhuizing veel impact zal hebben op de minderjarige als ook op de vrouw en de halfbroer van de minderjarige. De vrouw stelt dat zij geen woning meer heeft in Nederland en een gedwongen terugverhuizing de opgebouwde structuur zou teneerslaan. Zoals eerder overwogen maakt dat echter niet dat een verhuizing naar het buitenland niet kan worden teruggedraaid. De rechtbank is van oordeel dat de terugverhuizing met de minderjarige naar (de omgeving van) [plaats 3] noodzakelijk is. De rechtbank zal niet oordelen, zoals door de man verzocht, dat de verhuizing binnen een week na deze beschikking dient plaats te vinden. De rechtbank ziet praktisch niet in hoe dat mogelijk is en de man heeft ook niet onderbouwd waarom terugverhuizing binnen een week noodzakelijk is. Niet te verwachten is dat de hulpverlening binnen die week weer hervat kan worden. De rechtbank heeft afgewogen of het in het belang van de minderjarige is om na de zomer nog even op [plaats 2] naar school te gaan en daarna te verhuizen of dat het in belang van de minderjarige is om al eerder terug te verhuizen, ook als hier in Nederland nog geen plek beschikbaar is. De rechtbank zal beslissen dat de verhuizing moet plaatsvinden voor het einde van de zomervakantie in Nederland, oftewel uiterlijk op 30 augustus 2026. Voor de minderjarige is dit een min of meer natuurlijk moment en de vrouw dient alles in het werk te stellen om te zorgen dat de minderjarige bij de start van het nieuwe schooljaar in Nederland naar school of dagbesteding kan en dat de hulpverlening kan worden hervat. Het is niet in het belang van de minderjarige om geen passende hulp en dagbesteding te hebben. Omdat de rechtbank niet gebleken is dat dit op korte termijn te realiseren is op [plaats 2] , dient met terugverhuizen niet te lang te worden gewacht.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
3.3.5
De rechtbank zal het bevel tot terugverhuizing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit is een zaak waarin de vrouw zonder toestemming van de man en vooruitlopend op eventueel vervangende toestemming van de rechtbank voor verhuizing, ervoor heeft gekozen om toch te verhuizen naar een nieuwe woonplaats op [plaats 2] . Die keuze komt voor háár rekening en risico. Dat vertaalt zich in stopgezette hulpverlening van de minderjarige in Nederland en daarmee ook het stagneren van het verzoek van de man om toe te werken naar contact met de minderjarige in de vorm van een zorgregeling. Het bevel tot terugverhuizing moet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, omdat het in het belang van de minderjarige is dat hij voor (speciale) scholing en hulpverlening in Nederland kan worden ingeschreven, zonder een eventueel hoger beroep af te wachten. Naar alle waarschijnlijkheid zal een eventuele hoger beroepsprocedure namelijk niet zijn afgrond voordat het nieuwe schooljaar begint. Daarbij acht de rechtbank van groot belang dat de specialistische hulpverlening zo snel mogelijk tot stand komt.
Dwangsom
3.3.6
Het is de rechtbank duidelijk geworden dat de vrouw heel veel obstakels ziet als het gaat om een terugverhuizing naar Nederland. Daaruit leidt de rechtbank af dat de kans bestaat dat de vrouw niet zal voldoen aan een bevel om terug te verhuizen. De rechtbank is daarom van oordeel dat een financiële prikkel in de vorm van een dwangsom aan het bevel tot terugverhuizing moet worden verbonden. De rechtbank ziet geen reden om die dwangsom te matigen, nu de vrouw geld had om met twee minderjarigen naar [plaats 2] op en neer te reizen en daar vervolgens ook te investeren in een onroerend goed project. Het spreekt voor zich dat geen dwangsom wordt verbeurd wanneer de vrouw tijdig aan het bevel voldoet.
3.4
Zorgregeling
3.4.1
De man verzoekt bij aanvullend voorwaardelijk verzoek, indien het verzoek tot terugverhuizing wordt toegewezen, wijziging van de tussen partijen in het ouderschapsplan overeengekomen regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedings-taken (hierna: zorgregeling), zodat de volgende regeling zal gelden tussen de man en de minderjarige:
de minderjarige verblijft eens per week een gehele dag (van 10:00 uur tot 18:00 uur, met avondeten) bij de man, waarbij partijen onderling overleggen welke dag dit zal zijn en waarbij toegewerkt gaat worden naar eens in de twee weken een heel weekend.
3.4.2
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
3.4.3
De rechtbank kan op verzoek van de gezaghebbende ouders of van een van hen op grond van artikel 1:253a in verbinding met artikel 1:377e BW een beslissing over een zorgregeling of een door ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
3.4.4
Voor de beoordeling van het verzoek de overeengekomen zorgregeling te wijzigen, gaat de rechtbank ervan uit dat de vrouw uiterlijk op 1 september 2026 met de minderjarige is terugverhuisd naar (de omgeving) van [plaats 3] , zoals hiervoor is bepaald.
3.4.5
De man stelt dat sprake is van gewijzigde omstandigheden nadat de getroffen zorgregeling door partijen werd opgenomen in het ouderschapsplan van 6 maart 2021. De man is namelijk al een tijd clean, zijn behandeltraject is afgerond en het gaat goed met hem. Bovendien is de getroffen regeling volgens de man geëindigd. De vrouw heeft dat niet weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank is de wijziging van omstandigheden daarin gelegen.
3.4.6
Vast staat dat de man al meer dan drie jaar geen contact heeft met de minderjarige. De raad is van mening dat de vrouw de minderjarige door de verhuizing naar [plaats 2] de mogelijkheid ontneemt om (op termijn) toe te kunnen werken naar contactherstel met de man. De raad benadrukt dat het in het belang van de minderjarige is dat hij weet waar zijn afkomst ligt en daarbij heeft de minderjarige recht op contact met beide ouders. Volgens de raad is het niet mogelijk om direct weer contact tussen de minderjarige en de man tot stand te brengen, maar is eerst statusvoorlichting van belang. Voor de hechting en voor het vormen van een identiteit is het belangrijk dat de minderjarige weet dat hij twee ouders heeft. Zeker voor deze minderjarige, voor wie de wereld wegens zijn problematiek onveiliger en onduidelijker is dan voor andere kinderen van zijn leeftijd. De raad adviseert de rechtbank om de behandeling voor het vaststellen van een zorgregeling aan te houden in afwachting van de resultaten van hulpverlening met betrekking tot statusvoorlichting en contactherstel.
3.4.7
De vrouw stelt dat zij de man niet wil uitsluiten van contact met de minderjarige. Daarbij stelt zij dat de minderjarige mag weten wie zijn vader is, indien de minderjarige daar gerichte vragen over heeft. Volgens de vrouw is dat niet aan de orde, omdat de minderjarige nooit naar de man vraagt, ook al draagt hij wel zijn achternaam, die ook elke schooldag wordt genoemd. De vrouw wil dit onderwerp niet bij de minderjarige forceren, omdat zij eerder heeft gezien dat de minderjarige hier heftig op reageert. Bijvoorbeeld door een bladzijde uit een boek te scheuren toen het verhaal over een vader ging.
3.4.8
Volgens de man staat de vrouw contact tussen hem en de minderjarige in de weg. Ook wat betreft de statusvoorlichting, wijst de man op het raadsrapport waarin is opgenomen dat de minderjarige daar volgens de vrouw nog niet aan toe is. De man acht het in het belang van de minderjarige dat contact tussen hem en de minderjarige wordt opgebouwd op een rustige en goede manier en sluit zich aan bij het raadsadvies.
3.4.9
De rechtbank zal beslissen dat de behandeling van de zaak ten aanzien van de zorgregeling in lijn met het advies van de raad wordt aangehouden, in afwachting van de resultaten van hulpverlening met betrekking tot statusvoorlichting en contactherstel en overweegt als volgt.
3.4.10
De rechtbank realiseert zich dat het dossier in deze zaak dikker en dikker wordt, waardoor een eindbeslissing over de zorgregeling misschien wenselijk zou zijn. Nu de rechtbank met de raad van oordeel is dat één op één contact tussen de man en de minderjarige op dit moment nog niet mogelijk is, zou het nemen van een definitieve beslissing, leiden tot een afwijzing van het initiële verzoek van de man van 18 augustus 2022. De rechtbank acht dit niet passend en gunt de man een stip op de horizon ten aanzien van het contact met de minderjarige, waar de man zich al geruime tijd voor inzet. Met de raad is de rechtbank van oordeel dat het van belang is om eerst te starten met statusvoorlichting, waarna mogelijk contactherstel tot stand kan komen. De man heeft ingestemd met het gehele raadsadvies en de vrouw heeft toegezegd mee te willen werken aan statusvoorlichting. Hoe dit precies gaat is afhankelijk van de vraag in hoeverre de minderjarige dit – na de terugverhuizing naar Nederland – kan behappen. Door de behandeling pro forma aan te houden, houdt de rechtbank voorlopig nog vinger aan de pols waarbij zij de hoop uitspreekt dat tegen die tijd een betere en concretere beslissing genomen kan worden. De rechtbank geeft de GI, nu deze instelling bij afzonderlijke beslissing met de uitvoering van de ondertoezichtstelling over de minderjarige wordt belast, hierbij de opdracht om de statusvoorlichting, het contactherstel en alles wat (verder) mogelijk is te begeleiden en te bevorderen. Daarbij worden partijen en de GI verzocht om uiterlijk een week voor de pro forma datum, de rechtbank te informeren over de stand van zaken met betrekking tot de statusvoorlichting en het contactherstel en daarbij eventuele nadere proceswensen kenbaar te maken. In dit kader geeft de rechtbank de vrouw nog mee dat de afspraak over de informatieregeling, opgenomen in artikel 3 van het ouderschapsplan, nog altijd geldt en dat het ook in verband met het contactherstel van groot belang is dat de man over de minderjarige wordt geïnformeerd zodat hij bij hem kan aansluiten.
3.5
Proceskosten
3.5.1
Omdat ten aanzien van de zorgregeling nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.
4De beslissing
De rechtbank:
4.1
wijst af het verzoek van de vrouw om vervangende toestemming te verlenen voor verhuizing met de minderjarige naar [plaats 2] ;
4.2
beveelt de vrouw uiterlijk op 30 augustus 2026 terug te verhuizen naar (de omgeving van) [plaats 3] , op verbeurte van een dwangsom aan de man te voldoen van € 500,- per dag(deel) dat de vrouw daar niet aan voldoet, met een maximum van € 25.000,-;
4.3
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
en voordat verder wordt beslist:
4.4
bepaalt dat de behandeling van de zaak ten aanzien van de zorgregeling wordt aangehouden tot 1 juni 2027 PRO FORMA;
4.5
verzoekt partijen en de GI om uiterlijk een week voor de pro forma datum de rechtbank te informeren over het verloop van de statusvoorlichting en het eventuele contactherstel en daarbij eventuele nadere proceswensen kenbaar te maken waarna een eventuele mondelinge behandeling enkelvoudig zal plaatsvinden, bij voorkeur bij mr. A.C. Siemons of mr. S.L. Raphael en zo mogelijk tegelijk met een eventueel verzoek (verlenging) ondertoezichtstelling;
4.6
verzoekt de griffie, gelet op het onder 4.5. bepaalde, een afschrift van deze beschikking de zenden aan de GI.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. van Driel, voorzitter en (kinder)rechter, mr. A.C. Siemons en mr. S.L. Raphael, (kinder)rechters, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. E.J. den Hollander, griffier, op 15 juli 2026.
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.